Toegang tot het recht bij massaschade
Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/3.5.1:3.5.1 GLO-kwesties
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/3.5.1
3.5.1 GLO-kwesties
Documentgegevens:
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS598454:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De regeling spreekt van 'gerelateerde feitelijke- en rechtsvragen'. Hodges 2001, p. 35-6.
Mildred 2000, p. 417-8.
Mildred 2000, p. 417.
Mildred 2000, p. 418 waar hij de suggestie van Lord Woolf in het rapport Access to Justice, hfd. 17, par. 51 bespreekt.
Tussen 1994-1997 was de Legal Aid Board betrokken bij de financering van dertien multi-party actions. Tussen 1998-1999 kwamen daar nog drie bij: Hodges 2001, p. 187.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur wordt verschillend gedacht over de mate van precisie waarmee GLOkwesties geformuleerd dienen te worden. Sommigen waarschuwen voor de verleiding van ruime formuleringen in de trant van 'alle claims in relatie tot product x' of 'alle claims in relatie tot verweerder y', of 'alle claims in relatie tot ongeval z', of een combinatie hiervan. Op zichzelf zijn deze allemaal naar de letter van de wet genomen, toelaatbaar.1 De waarschuwers wijzen erop dat in deze exercitie een juiste analyse en een adequate formulering reeds aan het begin van de procedure bepalend zijn voor het succes van de actie.
Anderen stellen dat het simpelweg onmogelijk is om al in een heel vroeg stadium (van het GLO-verzoek en de toewijzing daarvan) met precisie de GLO-kwesties te formuleren.2 Een meer flexibele opstelling, waarbij een en ander in een later stadium nader gepreciseerd wordt, zou de voorkeur verdienen. Hiertegenover staat echter het belang van de verweerder om niet voortdurend met een wisselende groep claims te worden geconfronteerd. Indien de precisering tot vermindering van het aantal claims leidt, hetgeen aannemelijk is, zou dat acceptabeler kunnen zijn.
Wat een adequate formulering van een GLO-kwestie is, valt dus in het algemeen niet te zeggen. Bij gefixeerde (rampen)schade zullen ruime formuleringen minder bezwaarlijk zijn. Maar bij sluipende of bij gefixeerde massaschade, waarbij veel individuele vraagstukken spelen die relevant of bepalend zijn voor de vestiging van de aansprakelijkheid, zoals bij de aandelenleasekwestie, zullen ruime definities weinig bruikbaar zijn. Dan zal meer differentiatie en precisering naar (sub)groep nodig zijn. Afhankelijk van de aard van de voorliggende kwestie kan een nadere precisering of beperking op verschillende manieren worden bereikt. Bijvoorbeeld via de opname van tij dsperiodes, via precieze definities van (financiële of andere) producten of via een beperking van het aantal verweerders.
De formulering van de gemeenschappelijke (latere GLO-)kwesties is niet in de laatste plaats ook een tactische beslissing zowel voor de eisers, als voor de verweerders. De overwegingen kunnen uiteenlopend van aard zijn. Hoe ruimer de groep is die onder de GLO valt, hoe groter het schaalvoordeel van die actie is. Een groter volume is bovendien gunstig voor de schikkingspositie van de eisers, terwijl het zicht op een finale regeling en het voordeel daarvan voor de verweerder evident is. Aan de andere kant is een ruimere groep lastiger te hanteren. Er is altijd een omslagpunt, waarop het volume zo groot wordt dat het schaalvoordeel teniet wordt gedaan. Het zal steeds de kunst zijn om per geval dat punt te herkennen. Ook kan het uit verzekeringstechnisch oogpunt voor beide kanten aantrekkelijk zijn om de groep te splitsen door tijdperiodes in de omschrijving van de GLO-kwesties op te nemen, waardoor de maximaal verzekerde sommen van meerdere jaren bij de aansprakelijkheidsverzekeraar kunnen worden geclaimd.3 In de literatuur wordt voorts erop gewezen dat de wijze waarop de belangenbehartigers aan de zijde van eisers gefinancierd worden, eveneens van invloed kan zijn. Dit aspect komt aan bod in 3.7.
Omdat de formulering van de GLO-kwesties belangrijk is voor het succes van de actie wordt aangeraden4 dat partijen samen met de rechter en de Legal Aid Board (thans Community Legal Service) die een belangrijke financier van multi-party actions is,5 samenwerken aan de ontwikkeling van questionnaires in een voorliggend geval. Daarin dienen de GLO-kwesties vertaald te worden in werkbare en adequate toegangscriteria ofwel ingangstoetsen voor de kandidaat-groepsleden.
Hoe de GLO-kwesties geformuleerd worden is echter ook afhankelijk van de aanpak die ten opzichte van de test case gehanteerd wordt. Een vraag die voorafgaat aan de formulering is namelijk hoe de gemeenschappelijke kwesties te onderkennen zijn zonder dat de afzonderlijke zaken eerst diepgaand onderzocht hoeven te worden. Als een diepgaand onderzoek van alle individuele gevallen op voorhand verricht moet worden, zou het voordeel dat men met de geconcentreerde afwikkeling nastreeft, illusoir worden. Anderzijds, kan men zich wel een betrouwbaar oordeel vormen over de haalbaarheid en de gerechtvaardigheid van de actie als geen zicht bestaat op de kwaliteit van de afzonderlijke claims? Dit is het dilemma dat speelt bij de keuze voor een bepaalde aanpak bij de selectie van de test case en komt hierna aan bod.