De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.2.2:4.2.2 Argumenten vóór de declaratieve werking op basis van de parlementaire geschiedenis
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.2.2
4.2.2 Argumenten vóór de declaratieve werking op basis van de parlementaire geschiedenis
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948266:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (L.v.Vr. II Inv.), p. 1299.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (L.v.Antw. II Inv.). p. 1299.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (L.v.Vr. II Inv.) p. 1299.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (L.v.Antw. II Inv.). p. 1299.
Zie Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 7, p. 3-4.
Zie Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 8, p. 14.
Zie Kamerstukken I 2009/10, 28 867, E, p. 3.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 33 987, nr. 17, p. 9-10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
231. Ook in de parlementaire geschiedenis zijn er voldoende aanknopingspunten te vinden vóór de stelling dat de verdeling zijn declaratieve werking zou hebben behouden. Die aanknopingspunten zijn met name te vinden in het latere stadium van het wetgevingstraject. Tegen het einde van het wetgevingsproces stelde de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer aan de minister de volgende vragen:1
“Kan de minister (ter voorkoming van misverstand) onderschrijven:
dat met “verdeling” in titel 3.7 bedoeld is het “vaststellen” wat aan ieder der deelgenoten toekomt,
dat met verdeling niet bedoeld is levering,
dat de levering van artikel 3.7.1.14a [thans artikel 3:186 lid 1 BW, TS] een uitvoeringshandeling is die op de verdeling volgt en die nodig is wil de deelgenoot aan wie het goed is toegedeeld, dat goed ook kunnen verkrijgen,
dat voor de verkrijging door de deelgenoot nodig is zowel een rechtsgeldige verdeling als een rechtsgeldige leveringshandeling
(Anders W.R. Meijer, Kiezen of delen, oratie Open Universiteit, 1986).”
De minister antwoordde hierop als volgt:2
“[…] De hier aan de orde gestelde vragen dienen inderdaad alle bevestigend te worden beantwoord. Daarbij verdient aantekening dat ook in artikel 3.7.1.11 [thans artikel 3:182 BW, TS] de term verdeling wordt gebezigd in de door de commissie aangegeven zin van de vaststelling van wat aan ieder der deelgenoten toekomt, “krachtens” welke vaststelling de verdeelde goederen worden geleverd en aldus verkregen. […].”
Uit dit antwoord van de minister volgt dat verdeling – ook in het systeem van het huidige BW – nog steeds is ‘het vaststellen’ welke goederen aan ieder der deelgenoten toekomt. De levering is vervolgens een uitvoeringshandeling die op de verdeling volgt en die nodig is om de deelgenoot aan wie het goed is toegedeeld dat goed ook daadwerkelijk te laten verkrijgen. Door dit leveringsvereiste is weliswaar gebroken met het systeem in het oud BW voor zover de verdeling zélf reeds goederenrechtelijke werking had, maar het object van de verdeling en levering zijn nog steeds de gemeenschappelijke goederen als geheel en de verdeling is nog steeds ‘het vaststellen’ welke goederen aan ieder van de deelgenoten toekomt. Verdelen is dus niet de overdracht van afzonderlijke aandelen in de gemeenschappelijke goederen. In dezelfde lijst van vragen vroeg de Vaste Commissie ook duidelijkheid over het bepaalde in artikel 3.7.4.14a BW (thans artikel 3:186 lid 2 BW). Hierover stelde de Vaste Commissie de volgende vraag (onderstreping TS):3
“Is de conclusie van de commissie juist dat in titel 3.7 noch voor het zogenaamde translatieve stelsel, noch voor het zogenaamde declaratoire stelstel is gekozen, doch voor een tussenfiguur in die zin dat de deelgenoot eerst verkrijgt door de leveringshandeling die op de verdeling volgt (translatief), doch dat die verkrijging krachtens onderhavige bepaling een verkrijging is onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten het goed tezamen voor de verdeling hielden (declaratoir).”
De minister antwoordt daarop:4
“De conclusie van de commissie wordt geheel onderschreven. Getracht is van beide oudtijds tegenover gestelde constructies de praktische voordelen zonder de nadelen over te nemen.”
Gaat men ervan uit dat de titel waaronder de deelgenoten het goed vóór de verdeling hielden, gelijk staat aan de titel krachtens welke de deelgenoten dat goed gezamenlijk hebben verkregen en dat artikel 3:186 lid 2 BW zou bepalen dat hetgeen een deelgenoot verkrijgt, hij onder die titel verkrijgt, dan houdt het antwoord van de minister een bekrachtiging van het declaratieve karakter van de verdeling in. Die bekrachtiging kan ook worden gelezen in de parlementaire toelichting bij de ‘Vaststelling en invoering van de titel 7.7 (Opdracht) en 7.15 (Vaststellingsovereenkomst) van het nieuwe Burgerlijke Wetboek’. In het kader van artikel 7.15.2 (het huidige artikel 7:901 BW) werd de minister gevraagd om een nadere omlijning te geven van de begrippen ‘translatief’ en ‘declaratief’.5 Nadat de minister aangaf dat de termen ‘translatief’ en ‘declaratief’ slechts in de literatuur worden gebezigd, waardoor de omlijning daarvan daarom moeilijk anders dan aan de wetenschap kan worden overgelaten, en dat het karakter van een verdeling en een vaststellingsovereenkomst niet met elkaar overeenstemmen, antwoordde hij vervolgens (onderstreping TS):6
“[…] Artikel 3:186 leidt, wat de verdeling betreft, tot een op pragmatische gronden gekozen tussenstelsel, dat in een deel van de literatuur niet ten onrechte wordt omschreven als noch geheel dispositief (of: translatief) noch geheel declaratief; men zie bijv. Schoordijk, Mede-eigendom, gemeenschap, rechtspersoonlijkheid 1983, p. 115 en 137, die in dit verband van een schijntegenstelling spreekt, Van Mourik, Gemeenschap, Nieuw NBW, p. 60, en Pitlo-Van der Burght, Erfrecht 1987, p. 387. In dit stelsel speelt, zoals de Commissie terecht signaleert, artikel 3.186 lid 1 slechts deze rol dat voor de uiteindelijke eigendomsovergang (niet: overdracht) slechts een levering wordt voorgeschreven omdat het wenselijk is geacht dat ook in dit geval de leveringsformaliteiten worden nageleefd, eer zakenrechtelijke gevolgen intreden. Het gevolg van deze levering is derhalve niet dat krachtens overdracht verkregen wordt, maar dat de levering, tezamen met de verdeling waarop zij berust, de eigendom doet overgaan krachtens de titel op grond waarvan de deelgenoten het toegedeelde tevoren samen hielden, bijv. in geval van verdeling van een nalatenschap, krachtens erfopvolging. Dit laatste vloeit voort uit artikel 3:186 lid 2.”
Uit deze passage volgt dat de minister ervan uitgaat dat artikel 3:186 lid 2 BW zo moet worden gelezen dat met ‘de titel waaronder een goed wordt gehouden’ wordt bedoeld ‘de titel waaronder (de grond waarop) dat goed is verkregen’, en dat artikel 3:186 lid 2 BW inhoudt dat hetgeen een deelgenoot uit de verdeling verkrijgt, hij onder die titel verkrijgt. Alleen op die manier is immers te verklaren waarom bij verdeling van een nalatenschap de goederen niet krachtens overdracht, maar krachtens erfopvolging worden verkregen (zoals de minister in voormeld citaat aangeeft).
232. En ook in de meer recente parlementaire geschiedenis kunnen aanwijzingen voor de declaratieve werking van de verdeling worden gevonden. Het gaat dan met name om de parlementaire toelichting bij de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen en om de toelichting bij de Wet beperking gemeenschap van goederen. In dat verband kan ten eerste worden gewezen op de parlementaire toelichting bij artikel 1:87 BW (Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen). Daar is de volgende passage te vinden:7
“De leden van de CDA-fractie menen dat het niet altijd gemakkelijk is om uit te maken of een object behoort tot de huwelijksgemeenschap dan wel tot het privévermogen van een van de echtgenoten. Bij wijze van voorbeeld wijzen zij op het geval dat een man (in gemeenschap van goederen gehuwd met een vrouw) samen met drie zussen onder uitsluitingsclausule een woning heeft geërfd ter waarde van € 1 mln. Het aandeel van de man en van elk der zusters in de woning behoort dus niet tot enige huwelijksgemeenschap. Vervolgens wordt de woning toegedeeld aan de man en wordt hij in verband daarmee een overbedelingsvordering van € 750 000 schuldig, voor welk bedrag hij samen met zijn vrouw een lening afsluit. Inderdaad is dit een casus waarin men zou kunnen aarzelen over de vraag of en zo ja in hoeverre de woning tot de huwelijksgemeenschap van de man behoort. Daarbij gaat het om een vraag die betrekking heeft op het thans geldende recht, waarop het wetsvoorstel als zodanig niet van invloed is. Voor het recht dat heeft gegolden tot 1992 kan worden aangenomen dat de door de man toegedeelde woning buiten diens huwelijksgemeenschap zou zijn gebleven (HR 11 mei 1984, NJ 1985, 527, m.nt. EAAL en HR 27 februari 1987, NJ 1988, 35, m.nt. WMK). Voor het thans geldende recht kan naar mijn oordeel hetzelfde worden aangenomen (vgl. in dezelfde zin Asser-Perrick, Gemeenschap, nr. 103). Ervan uitgaande dat de woning in deze casus ook na toedeling aan de man niet tot diens huwelijksgemeenschap is gaan behoren, maakt het geen verschil of de man in plaats van drie zussen één zus had en hij daardoor vóór de toedeling reeds voor 50% eigenaar was van de woning.”
De minister is dus van mening dat de aan de man toegedeelde woning (volledig) buiten de huwelijksgemeenschap valt, waarbij hij verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 11 mei 1984, NJ 1985/527 (Vier Huizen). Zoals in paragraaf 3.3 reeds uiteen is gezet, ligt in deze uitspraak de declaratieve werking van de verdeling onder het oud BW besloten.En ook de initiatiefnemers van de Wet beperking gemeenschap van goederen lijken een aantal jaren later van mening te zijn dat hetgeen door verdeling van een nalatenschap of gemeenschappelijke schenking wordt verkregen, als een verkrijging ‘krachtens erfrecht’ of ‘krachtens schenking’ kwalificeert en dus buiten de huwelijksgemeenschap valt. In dat verband kan worden verwezen naar hetgeen werd besproken bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wet beperking gemeenschap van goederen. Daar werd aan de initiatiefnemers de vraag gesteld hoe die regeling uit zou pakken als iemand voor 1% erfgenaam is en hij bij een verdeling van een nalatenschap de overige 99% in een geërfd goed ‘koopt’ van de overige erfgenamen. De initiatiefnemers antwoordden daarop (onderstreepte en dikgedrukte passages TS):8
“[…] De vergelijking met de koop en de daarmee samenhangende geldlening voor de koopsom, miskent het fundamentele verschil tussen de verkrijging krachtens erfrecht op basis van het wettelijke en/of testamentaire erfrecht, met een eenzijdig karakter, en de koopovereenkomst als meerzijdige rechtshandeling. Het gaat het bestek van deze reactie te buiten om hierop verder in te gaan, anders dan de constatering dat bij de toedeling aan de 1%-erfgenaam de betreffende goederen voor het geheel krachtens erfrecht worden verkregen.”
Volgens de initiatiefnemers worden de aan de erfgenamen toebedeelde goederen dus ‘krachtens erfrecht’ verkregen. Alhoewel het antwoord van de initiatiefnemers iedere motivering ontbeert, wordt ook hier de declaratieve werking van de verdeling geëtaleerd. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het hier uitsluitend een reactie van de initiatienemers van de Wet beperking gemeenschap van goederen betrof, terwijl ook aan de minister een reactie werd gevraagd. Die reactie bleef uit. Of de minister de opvatting van de initiatiefnemers onderschreef, is dus niet duidelijk. Er lijkt echter niet veel reden te zijn om aan te nemen dat de minister zou zijn teruggekomen van zijn eerdere opvattingen over de werking van de verdeling bij de toelichting op artikel 1:87 BW. Aldus biedt ook de recente wetsgeschiedenis een aantal aanwijzingen die vóór de declaratieve werking van de verdeling pleiten.