Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.4.4:5.4.4 Verhouding met de betrouwbaarheid van het bewijs
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.4.4
5.4.4 Verhouding met de betrouwbaarheid van het bewijs
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500759:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechter Martens meent dat het respecteren van de wil van de verdachte de belangrijkste grondslag van het recht tegen gedwongen zelfbelasting vormt. Zie zijn dissenting opinion bij EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), pt. 12.
Zie § 7.3.4 hierna.
Schalken 2012, p. 21. Zie ook Van Toor 2011, onderdeel 3.2.1, die meent dat de betrouwbaarheid van het bewijs in de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak een zeer beperkte rol speelt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zaken waarin sprake is van de gedwongen verkrijging van verklaringen, wijst het EHRM niet alleen op de betrouwbaarheid van het bewijs. Het wijst ook op het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie van de betrokkene. Beide grondslagen strekken ertoe de wil van de verdachte te respecteren; in woord en/of daad.1 Van een zekere rangorde tussen beide blijkt niet uit de Straatsburgse rechtspraak.
Aannemelijk is wel dat het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie ruimere gelding heeft. Terwijl de betrouwbaarheid van het bewijs alleen in het geding is wanneer de autoriteiten wilsafhankelijk bewijs afdwingen, dat wil zeggen bewijs op de inhoud of het bestaan waarvan de verdachte zelf invloed kan uitoefenen (zie § 5.3.3 hiervoor), laat het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie de ruimte om – naast verklaringen en wilsafhankelijk materiaal – ook (bepaald) wilsonafhankelijk materiaal binnen het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting te brengen.2
Procesautonomie is de essentiële grondslag?
Ik wijs in dit verband op Schalken die uit onder meer O’Halloran en Francis afleidt dat het zwijgrecht en daarmee het non incriminatie-beginsel ruim moeten worden opgevat. De schending daarvan valt niet als vanzelf samen met schending van nemo tenetur. Iemand kan zichzelf ook zonder overheidsdwang belasten. Hij verbindt hieraan de conclusie dat niet de mate van dwang, maar de aantasting van de procesautonomie de essentiële, dieperliggende grondslag vormt.3
In deze opvatting klinkt de samenhang tussen enerzijds het recht tegen gedwongen zelfbelasting als verdedigingswaarborg voor de verdachte en anderzijds de (realisatie van) andere deelrechten van het recht op een behoorlijk strafproces, zoals de ‘equality of arms’, duidelijk door. De procesautonomie is de grootste gemene deler, in die zin, dat deze grondslag betrekking heeft op zowel verklaringen als (bepaald) materiaal en dat daarin de instandhouding van het adversaire strafgeding het duidelijkst tot uitdrukking komt. Terzijde: die instandhouding sluit in zich dat bewijs dat in strijd met het recht tegen gedwongen zelfbelasting is verkregen, van het strafproces wordt uitgesloten.
Doorkruisen waarheidsvinding?
Ik teken hierbij aan dat het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie het belang van de waarheidsvinding kan doorkruisen. Hetzelfde geldt voor het belang van de samenleving en het slachtoffer. Dit geldt niet of in mindere mate voor de betrouwbaarheid van het bewijs als grondslag van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Hiermee is niet gezegd dat de wervingskracht (niet: het toepassingsbereik) van deze laatste grondslag groter is. In § 5.3.2.2 kwam ter sprake dat de betrouwbaarheid van verklaringen niet alleen wordt bepaald door dwang, maar ook door andere (situationele en persoonlijke) factoren. Hierbij komt dat in een benadering waarin het risico van onbetrouwbaarheid voldoende is voor bewijsuitsluiting, ook bewijs wordt uitgesloten in gevallen waarin het in feite wel betrouwbaar is. Ook dan komt de waarheidsvinding niet (volledig) tot zijn recht.