Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/3.1
3.1 Inleiding
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS385807:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Beschreven in M. Tamminga, De uitverkoop van Nederland, hoe een ondernemend land geveild werd, Amsterdam: Prometheus 2009, p. 81.
Voordracht P.J.J. Mertens gehouden voor de NKV-afdeling te Sneek op 19 oktober 1968: “In Nederland hebben wij in ons economisch bestel te maken met (…) een lijnenspel. De gehele economie in ons land is in handen van rond tweehonderd personen. Van een groep mensen die elkaar goed kennen en elkaar frequent ontmoeten in verschillende colleges. Het is een evenzo deskundige, financieel sterke als beangstigende groep.” Dit citaat is opgenomen in J.R.M. van den Brink, Zoeken naar een ‘Heilstaat’, opbouw, neergang en perspectief van de Nederlandse welvaartstaat, Amsterdam: Elsevier 1984, p. 381.
Zie M. Fennema & E.M. Heemskerk, Nieuwe netwerken, de elite en de ondergang van de nv Nederland, Amsterdam: Bert Bakker 2008, in het bijzonder p. 23-68.
Veelzeggend in dit verband is de titel van een interview van J. Koelewijn met twaalf bestuursvoorzitters van Nederlandse beursvennootschappen uit 1998: “Wij zijn fatsoenlijk, burgerlijk. Zeg maar een beetje truttig”, een citaat van toenmalig DSM-topman De Bree. In hetzelfde interview tekende Koelewijn op hoe vanuit de kring van bestuursvoorzitters werd gedacht over ‘buitenstaanders’ zoals de toenmalige Philips-manager Pieper: “Van het type Roel Pieper, de tweede man van Philips, moeten ze weinig hebben. Een man die van baan naar baan gaat, vele miljoenen verdient en daar ook rond voor uitkomt, een man die voordat hij begint al onderhandelt over zijn vertrekpremie – vooruit, het kÁn heilzaam zijn voor een onderneming om zo iemand binnen te halen. Maar voor hen maakt het ÉÉn ding duidelijk: die onderneming verkeert in grote nood.” Zie J. Koelewijn, Alleen winnaars overleven, interviews met topondernemers, Amsterdam: Prometheus 2001, p. 28.
Versie zoals via een Form 20-F gedeponeerd bij de Amerikaanse Securities and Exchange Commission op 9 mei 2001, te raadplegen via het EDGAR-systeem op <https://www.sec.gov.>.
Brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer van 10 mei 1999 houdende de kabinetsreactie op het rapport van de Monitoring Commissie Corporate Governance (Commissie Peters II), Kamerstukken II 1998/99, nr. 8 p. 6.
Zie J. Smit, Het Drama Ahold, Amsterdam: Balans 2004 (Van der Hoeven) en M. Metze, Let’s make things better, Nijmegen: Sun 1997 (Boonstra).
Het vorige hoofdstuk eindigde met de constatering dat het fundament van het klassieke ondernemingsrecht in 1971 was voltooid. In dit klassieke ondernemingsrecht was de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen in juridisch, feitelijk en normatief opzicht niet bepaald sterk. De aandeelhouder in een grote publieke onderneming – zowel in zijn individuele hoedanigheid als ook via zijn deelname in de collectieve hoedanigheid van de AVA – had onder het regime van de klassieke structuurregeling slechts beperkte formele bevoegdheden. Zijn juridische positie was doorgaans bij statuten nog verder beknot door oligarchische regelingen of anderszins beperkt door een niet-statutaire beschermingsconstructie. Mede hierdoor was het voor individuele aandeelhouders vaak onmogelijk om enige invloed van betekenis op de besluitvorming in de AVA uit te oefenen, bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van een Stichting Administratiekantoor als controlerende aandeelhouder of omdat de besluitvorming in de AVA zich vanwege een N.V. Gemeenschappelijk Bezit of een andere stapelconstructie niet tot materiële aangelegenheden van de onderneming kon uitstrekken. De vennootschapsleiding van een Nederlandse beursonderneming was in deze situatie juridisch gezien in hoge mate afgeschermd van ‘vreemde invloeden’ in de rangen van aandeelhouders zoals een vijandige bieder of een opstandige (minderheids)aandeelhouder.
Naast de in hoofdstuk 2 geschetste juridische context waren er in het bestel van interne verhoudingen in beursvennootschappen ook feitelijke stabilisatoren aanwezig. Het fundament van het aandeelhoudersbestand van een Nederlandse beursvennootschap werd veelal gevormd door een groep Nederlandse financiële instellingen en pensioenfondsen die aandelenpakketten van enige omvang hielden. Deze vermogensbeheerders stelden zich doorgaans op als passieve beleggers, maar zij konden in bijzondere situaties zoals een overnamestrijd soms wel een doorslaggevende rol opeisen. Een voorbeeld is de beslissende wending die verzekeraar Nationale Nederlanden in 1987 als aandeelhouder van Kluwer gaf aan de biedingenstrijd rond Kluwer tussen Wolters Samson en Elsevier.1 Een andere stabilisator was de onderlinge verwevenheid van de grote Nederlandse ondernemingen via het netwerk van commissariaten van gewezen topbestuurders. Beroemd is de stelling uit 1968 van vakbondsbestuurder en latere staatssecretaris Mertens dat de Nederlandse economie werd gedomineerd door een “old boys network” van om en nabij tweehonderd man.2 Hoewel Mertens destijds geen namen noemde, is het beeld van concentratie van invloed bij een besloten kring van topfunctionarissen, de inbedding in de ‘BV Nederland’ en de daarmee gepaard gaande onderlinge sociale controle binnen het netwerk ook nadien nog blijven voortleven.3 Feit is dat bestuurders en commissarissen van Nederlandse beursvennootschappen lange tijd een relatief homogene groep vormden. Voor individuele leden was voortdurende acceptatie binnen deze groep vanwege de verwevenheid van de onderlinge professionele en sociale netwerken van groot belang. Deze groepsdynamiek droeg zo bij aan een relatief behoudende bestuurscultuur die onder meer uitging van gezamenlijk gedeelde – of opgelegde – normen van fatsoen.4 Voor deze bestuurders en commissarissen was bijvoorbeeld het exclusief sturen op aandeelhouderswaarde niet vanzelfsprekend, zo niet tegennatuurlijk. Daartoe strekkende vermaningen vanuit aandeelhouders vonden bij hen dan ook weinig gehoor.
Nu het voor aandeelhouders juridisch gezien niet mogelijk was om tegen de wil van de vennootschapsleiding in wezenlijke invloed op de gang van zaken binnen beursvennootschappen uit te oefenen, betekent de aanwezigheid van de hierboven beschreven stabilisatoren dat ook de feitelijke macht en invloed van aandeelhouders in beursvennootschappen gering was. Anders gezegd: zowel de formele- als ook de materiële positie van aandeelhouders in beursvennootschappen bleven relatief zwak. Dit was zo in 1971, maar ook rond de eeuwwisseling kwam men deze situatie nog tegen.
Ter illustratie kan worden gewezen op de beschrijving over de gover nance van ABN AMRO Holding N.V. in het jaarverslag over het boekjaar 2000.5 ABN AMRO was in die tijd nog een structuurvennootschap, waar door het recht tot benoeming en ontslag van bestuurders bij de RvC berustte en de RvC onder het toenmalig wettelijke systeem van coöptatie haar eigen leden kon benoemen en ontslaan. Leden van de RvC werden tel kens benoemd voor een periode van vier jaar, leden van de raad van bestuur werden voor onbepaalde tijd benoemd, althans voor een periode tot het berei ken van de verplichte pensioenleeftijd van 62 (p. 79-82). De RvC bestond uit vijftien leden en telde onder meer de toenmalige bestuursvoorzitters van Ahold (Van der Hoeven), Unilever (Burgmans) en KPN (Dik) in de gele deren. Ook de voormalig bestuursvoorzitters van AkzoNobel (Loudon), DSM (Van Liemt), Royal Dutch Shell (Van Engelshoven), Hoogovens (Van Veen) en Campina Melkunie (Overmars) hadden zitting in de RvC, evenals de voormalig bestuursvoorzitters van ABN (Hazelhoff), AMRO (Nelissen) en de combinatie ABN AMRO (Kalff). Leden van de RvB en RvC waren tevens bestuurders van de Stichting Prioriteit ABN AMRO Holding waaraan als houder van ÉÉn prioriteitsaandeel onder de statuten van ABN AMRO Holding onder meer het recht toekwam om het aantal leden van de RvB en RvC vast te stellen en om statutenwijzigingen bij ABN AMRO Holding goed- dan wel af te keuren (p. 86-87).
Het aandelenkapitaal van ABN AMRO Holding was verdeeld in gewone aandelen en preferente aandelen, waarvan de laatstgenoemde waren gecerti ficeerd. Als zodanig hield Stichting Administratiekantoor ABN AMRO Holding 49,06% van het uitstaande aandelenkapitaal. Begin 2000 waren de administratievoorwaarden van de Stichting Administratiekantoor aangepast teneinde certificaathouders de mogelijkheid te geven om stemvolmachten van de Stichting Administratiekantoor op te vragen, iets wat voor die tijd niet mogelijk was. Wel kon de Stichting Administratiekantoor het verstrekken van de gevraagde volmachten onder bepaalde omstandigheden weigeren, een regeling die in essentie overeenkwam met het latere artikel 2:118a BW. Ook kon de Stichting Administratiekantoor naar eigen inzicht stemmen op de preferente aandelen waarvoor gÉÉn volmacht was gevraagd (p. 86-87). Het bestuur van de Stichting Administratiekantoor bestond uit drie personen en werd naast voormalig functionarissen van de Nederlandse Participatiemaatschappij N.V. (NPM) en Shell gecompleteerd door ABN AMRO’s toen malige bestuursvoorzitter Groenink.
Van de gewone aandelen in ABN AMRO Holding werd blijkens het jaar verslag in 2000 nog 10,36% gehouden door ING Groep N.V.. Een jaar eerder was dit percentage zelfs nog 19,27% geweest. Ook hield ING 17,63% van de certificaten van preferente aandelen. Andere houders van substantiële belangen in certificaten van preferente aandelen ABN AMRO Holding waren Aegon N.V. (16,23%), Fortis N.V. (10,33%), Rabobank Nederland (10,31%) en Van Lanschot (via beleggingsfonds De Zonnewijser, 13,55%), terwijl Delta Lloyd Leven een jaar eerder ook nog een belang van 9,90% had (p. 86). Voorts was door de AVA van ABN AMRO Holding, laatstelijk in 1999, een Commissie van Aandeelhouders ingesteld waaraan onder meer de bevoegdheden van de AVA tot het voordragen van kandidaten voor benoeming in de RvC waren gedelegeerd. Deze commissie werd voor gezeten door de voorzitter van de RvC en bestond voorts uit een zeer divers gezelschap waaronder de directeur van het Amsterdams Historisch Museum, de directeur van het bedrijfspensioenfonds van de Nederlandse Spoorwegen, een advocaat, een notaris en een arts (p. 92-93).
Toch was er in de dertig jaar sinds 1971 wel degelijk iets veranderd. Zo liet Minister van Financiën Zalm in 1999 optekenen: “[M]ede door de internationalisatie van de kapitaalmarkten en de emancipatie van aandeelhouders is er echter een verhoogde aandacht voor de rol van de aandeelhouders in de corporate governance van de onderneming ontstaan. Ook het toegenomen institutionele aandelenbezit rechtvaardigt een meer geprononceerde positie van de aandeelhouders.”6 Illustratief waren voorts de uitverkiezingen voor de jaarlijkse “Topman van het Jaar”-prijzen van het Managers Netwerk Nederland van achtereenvolgens Ahold-bestuursvoorzitter Van der Hoeven (1999) en Philips- topman Boonstra (2000), beiden zelfverklaarde proponenten van het voeren van een in hoofdzaak op “shareholder value” gerichte ondernemingsstrategie.7 Ook op andere vlakken was er beweging in het denken over de rol en functie van aandeelhouders in beursvennootschappen. Terugkijkend kan worden geconstateerd dat de positie van aandeelhouders in juridisch en feitelijk opzicht sinds 1971 weliswaar nagenoeg onveranderd was gebleven, maar dat de opvattingen over de rol van aandeelhouders in normatief opzicht als gevolg van verschillende ontwikkelingen waren gedraaid. Anders gezegd: er was rond de eeuwwisseling niet zozeer een verandering opgetreden in wat de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen was, maar des te meer in het denken over wat deze positie zou moeten zijn.
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de ontwikkelingen tussen 1971 en grofweg 1999 die aan de hierboven genoemde verschuiving op normatief niveau ten grondslag lagen, althans aan deze verschuiving hebben bijgedragen. Aan de beschrijving van de normatieve verschuivingen in de (rechts)economische wetenschap is een apart hoofdstuk gewijd (zie hoofdstuk 4 hierna). Dit hoofdstuk richt zich vooral op een beschrijving van relevante gebeurtenissen en ontwikkelingen in de politiek, economie en maatschappij, in ruime zin begrepen als het krachtenveld waarin Nederlandse beursvennootschappen in de relevante tijdsperiode opereerden. De in dit hoofdstuk beschreven ontwikkelingen zijn hoofdzakelijk niet-juridisch van aard, maar deze ontwikkelingen hebben wel aan de basis gestaan van de wijzigingen in het juridisch bestel die in de jaren na de eeuwwisseling in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn doorgevoerd (zie hoofdstuk 5).
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Paragraaf 3.2 beschrijft de veranderende opvattingen in het Nederlandse regeringsbeleid in de jaren ’70 en ’80 over de verhouding tussen markt en overheid. In deze paragraaf zet ik uiteen dat de kiem voor het marktgeoriënteerde liberaliseringsbeleid van de kabinetten Paars I en II van de jaren ’90 in feite reeds in de jaren ’80 is gezaaid. In paragraaf 3.3 worden de relevante discussies over het functioneren van de Nederlandse kapitaalmarkt beschreven, culminerend in het compromis over de regulering van beschermingsconstructies uit 1992 tussen de beheerder van de Amsterdamse Effectenbeurs, de Vereniging voor de Effectenhandel (VvdE) en de belangenvereniging voor beursvennootschappen, de Vereniging van Effectenuitgevende Ondernemingen (VEUO). Paragraaf 3.4 beschrijft de gelijktijdige verschuivingen in het aandeelhoudersbestand van Nederlandse beursondernemingen als gevolg van onder meer wijzigingen in beleggingsbeleid van pensioenfondsen en veranderingen in de wijze van handel op internationale effectenmarkten. Paragraaf 3.5 beschrijft de verhoging van de politieke druk op beschermingsconstructies vanuit de regering in de tweede helft van de jaren ’90 en de reactie vanuit de effectenbeurs in de vorm van de rapporten en aanbevelingen van de Commissie Peters. Paragraaf 3.6 beschrijft hoe deze ontwikkelingen hun weerslag vonden in de Nederlandse ondernemingsrechtswetenschap. Paragraaf 3.7 bevat tot besluit een uitleiding.