Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.1.1
6.1.1 Tijdsbepaling, voorwaarde of verbintenis
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186781:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Het is niet uitgesloten dat hier óók een eigenlijke achterstelling in besloten ligt.
Zie over de term ‘wijze van achterstelling’ par. 1.7.1.
Zie over de term ‘doorstortplicht’ par. 1.7.1.
Zie ook Messelink & Van den Bosch 2017, p. 76.
Zie par. 6.4, i.h.b. par. 6.4.2 en 6.4.6.
Vgl. Fransis 2017, nr. 243 en par. 3.2.2, 3.3, 3.4 en 3.6.2.4.
Zie A. van Hees 1989, p. 128, Fransis 2017, nr. 244 en 291, Spinath 2005, p. 18, Wessels 2013, p. 45 en naar Duits recht Teller 1995, p. 12.
De senior kan ook geen reëele executie afdwingen van die verbintenis tot niet-doen. Zie par. 7.3.4.5.
Zie par. 3.2.2 en Wessels 2013, p. 38 en 46.
Zie par. 3.2.2 en 3.6.2.4.
296. Oneigenlijk achtergestelde vorderingen zijn vorderingen die zijn achtergesteld op een andere manier dan door een eigenlijke achterstelling. Beschouw bijvoorbeeld de volgende clausule in een overeenkomst tussen de schuldenaar en twee financiers, A en B.
A zal geen betaling vorderen of accepteren voordat B is voldaan. Als A voor dat moment een betaling ontvangt van de schuldenaar, is hij verplicht direct een gelijk bedrag te betalen aan B. De vordering van A zal niet worden voldaan als B nog iets te vorderen heeft of zal hebben van de schuldenaar, tenzij B daarvoor toestemming geeft.
Dit is een oneigenlijke achterstelling, want deze clausule maakt de voldoening van de vordering van A ondergeschikt aan de vordering van B, op andere manieren dan doordat de rang van de vordering van A wordt verlaagd.1
In deze clausule liggen verschillende wijzen van achterstelling besloten.2 De eerste twee zinnen scheppen verbintenissen. A verbindt zich om geen betaling te eisen of te aanvaarden. Bovendien neemt A een doorstortplicht op zich, ontvangen betalingen moet hij afdragen aan B.3 De derde zin is moeilijker te duiden. Die geeft de vordering van A op de gemeenschappelijke schuldenaar vorm. Het is duidelijk dat A daarvan geen nakoming kan afdwingen voordat B is voldaan. Het is echter niet duidelijk welke rechtsfiguur dit betreft. Heeft A nu een vordering onder opschortende voorwaarde of een vordering waaraan een tijdsbepaling is verbonden?
Verbintenissen tussen de schuldeisers, tijdbepalingen en opschortende voorwaarden kunnen alle drie worden gebruikt om een oneigenlijke achterstelling te bereiken.4 Zij kunnen ook worden gecombineerd. Bovendien worden oneigenlijke achterstellingen vaak gecombineerd met een eigenlijke achterstelling.
Een tijdsbepaling schept een achterstelling doordat die een betalingsvolgorde schept. Bij een dergelijke achterstelling wordt de tijd van nakoming van de juniorvordering zo bepaald dat de seniorvordering eerst zal worden voldaan. Dat kan door de tijd van nakoming expliciet te koppelen aan het moment van voldoening van de seniorvordering, door een tijd van nakoming overeen te komen die na de nakoming van de seniorvordering ligt of door het moment van nakoming van de juniorvordering afhankelijk te maken van de goedkeuring van de senior. Op die manier blijven de middelen die de junior aan de schuldenaar heeft verstrekt binnen het vermogen van de schuldenaar totdat de senior is voldaan. De senior kan zich daarop dan zo nodig verhalen.
Een opschortende voorwaarde kan op dezelfde manier een oneigenlijke achterstelling scheppen. Die voorwaarde gaat pas in vervulling als de seniorvordering is voldaan of de senior toestemming geeft voor voldoening van de juniorvordering. Daardoor kan de junior tot die tijd geen betaling afdwingen. De voorwaarde tast de vordering van de junior echter verdergaand aan dan een tijdsbepaling.5
Tot slot kunnen onderlinge verbintenissen tussen de senior, de junior en/of de schuldenaar bijdragen aan de achterstelling. De junior verbindt zich vaak, zoals hierboven, om geen betaling op de juniorvordering te vorderen of in ontvangst te nemen voordat de senior zal zijn voldaan of toestemming geeft voor betaling van de juniorvordering.6 Dergelijke verbintenissen beïnvloeden de bevoegdheden van de junior in relatie tot de schuldenaar niet.7 De junior geeft zijn bevoegdheden immers niet op, maar verbindt zich slechts om die niet of alleen in bepaalde gevallen uit te oefenen.8 De junior kán die bevoegdheden nog wel uitoefenen. Dat wordt pas anders als hij daarvan in relatie tot de schuldenaar afstand heeft gedaan.
Eén van de onderlinge verbintenissen waarmee schuldeisers een achterstelling vorm kunnen geven is een doorstortplicht.9 Daarmee verbindt de junior zich om betalingen die hij ontvangt van de schuldenaar af te dragen aan de senior. Doorstortplichten komen voor in verschillende typen achterstellingsovereenkomsten.10 Uit een concrete achterstellingsovereenkomst kunnen ook andere verbintenissen voortvloeien.