HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720 (JCDecaux/Eindhoven) en ECLI:NL:HR:2018:722 (Exterion en RET/JCDecaux).
Hof Arnhem-Leeuwarden, 28-05-2021, nr. 200.237.719, nr. 200.233.320, nr. 200.260.097
ECLI:NL:HR:2021:792, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Conclusie: Contrair, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
28-05-2021
- Zaaknummer
200.237.719
200.233.320
200.260.097
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Aanbestedingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:792, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑05‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:7958, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1199, Contrair
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:7958, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1199, Contrair
ECLI:NL:PHR:2020:1199, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑12‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:792, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑01‑2020
ECLI:NL:GHARL:2019:7958, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 01‑10‑2019; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:791, Bekrachtiging/bevestiging
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:5311
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:6488
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:5218
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:10160
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:10159
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:792, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:GHARL:2019:5311, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 25‑06‑2019; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:7958
ECLI:NL:GHARL:2018:10160, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 20‑11‑2018; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:5218
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:7958
- Vindplaatsen
JAAN 2021/103
JAAN 2021/38
JAAN 2020/3 met annotatie van Huith, G.J.
Module Aanbesteding 2019/1067
JAAN 2019/7
Uitspraak 28‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Aanbestedingsrecht. Europees recht. Onduidelijkheid moment waarop dwangsom op naleving gebod wordt verbeurd.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/00005
Datum 28 mei 2021
ARREST
In de zaak van
NS STATIONS B.V.,gevestigd te Utrecht,
EISERES tot cassatie,
hierna: NS Stations,
advocaat: F.E. Vermeulen,
tegen
1. JCDECAUX NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: JCDecaux
advocaat: H.J.W. Alt,
2. EXTERION MEDIA (NETHERLANDS) B.V.,gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Exterion,
advocaat: J.P. Heering en voorheen ook P.J. Tanja.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/16/421208 / HA ZA 16-599 van de rechtbank Midden-Nederland van 18 oktober 2017 en 7 november 2018;
de arresten in de zaken 200.237.719, 200.233.320 en 200.260.097 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2018, 20 november 2018, 25 juni 2019 en 1 oktober 2019.
NS Stations heeft tegen het arrest van het hof van 1 oktober 2019 beroep in cassatie ingesteld.
JCDecaux heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
Exterion heeft een verweerschrift tot gegrondbevinding van het cassatieberoep van NS Stations ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor NS Stations mede door C.F.B. Groot Rouwen, en voor Exterion mede door L.E.M.P. Niessen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In dit geding over de aanbesteding van concessieovereenkomsten ter zake van reclame-uitingen op NS-stations heeft JCDecaux in hoger beroep onder meer gevorderd NS Stations te gebieden uiterlijk vijftien werkdagen na het wijzen van arrest inzicht te geven in de contracten die NS Stations op het gebied van straatmeubilair en reclame(concessies) heeft gesloten vanaf medio 2011 tot en met heden.
2.2
Het hof heeft in het dictum van zijn arrest in de zaak 200.237.719 onder meer als volgt beslist:
“6.
gebiedt NS Stations om inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst waarbij informatie ten aanzien van de prijzen onleesbaar dient te worden gemaakt;
7.
gebiedt NS Stations om ten aanzien van de onder 6 geboden inzage een verklaring van een (van haar) onafhankelijk accountant te verstrekken, waaruit blijkt dat zij een compleet overzicht daarvan heeft verstrekt;
veroordeelt NS Stations om in geval van (…) niet-naleving van het onder 6 en 7 geformuleerde gebod een dwangsom aan JCDecaux te betalen van € 100.000,- per overtreding en per dag dat deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 1.500.000,-;”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 4.3 van het middel klaagt dat het hof in het hiervoor in 2.2 weergegeven deel van het dictum NS Stations ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van een dwangsom, nu aan de veroordeling die door deze dwangsom wordt versterkt (de geboden onder 6 en 7 van het dictum) geen nakomingstermijn is verbonden.
3.2
Het hof heeft geen termijn voor nakoming van de veroordelingen onder 6 en 7 van het dictum bepaald, en ook niet op de voet van art. 611a lid 4 Rv bepaald dat NS Stations pas na verloop van een zekere termijn een dwangsom zal verbeuren. Daarmee was in dit geval niet duidelijk genoeg vanaf welk moment een dwangsom werd verschuldigd. Dit strookt niet met de rechtszekerheid die op dit punt is vereist. Uit het voorgaande volgt dat de klacht slaagt.
3.3
Onderdeel 4.4 klaagt dat het hof iets anders heeft toegewezen dan gevorderd, door een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot verstrekking van de accountantsverklaring bedoeld onder 7 van het dictum. JCDecaux heeft immers uitsluitend de verstrekking van een accountantsverklaring verzocht waaruit zou blijken dat NS Stations een compleet overzicht van de relevante contracten had verstrekt. Na afwijzing (in rov. 3.59) van de daarop gerichte exhibitievordering kon het hof de daaraan verbonden vordering tot verstrekking van een accountantsverklaring niet wijzigen in de wezenlijk andere vordering tot verstrekking van een accountantsverklaring waaruit blijkt dat NS Stations een compleet overzicht heeft verstrekt van de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, aldus het onderdeel.
3.4
De klacht faalt. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de vordering tot het verstrekken van de accountantsverklaring zoals het die heeft toegewezen, besloten lag in de exhibitievordering van JCDecaux en de daaraan verbonden vordering tot verstrekking van een accountantsverklaring. Dit oordeel berust op uitleg van de vordering van JCDecaux, mede in het licht van de gedingstukken, welke uitleg aan het hof is voorbehouden en in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is deze uitleg niet.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.6
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door alsnog een termijn te bepalen voor het voldoen aan de veroordeling vermeld in het dictum onder 6 en 7 van het bestreden arrest, en te bepalen dat de door het hof daaraan verbonden dwangsom na betekening van het arrest van de Hoge Raad verbeurd zal worden indien niet binnen die termijn aan die veroordeling is voldaan. De Hoge Raad zal die termijn overeenkomstig de vordering van JCDecaux en bij gebreke van verweer tegen die termijn van NS Stations, bepalen op vijftien werkdagen na het uitspreken van dit arrest.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest in de zaak 200.237.719 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2019, maar uitsluitend voor zover daarin in het dictum aan de veroordelingen onder 6 en 7 geen termijn voor nakoming is verbonden;
- bepaalt dat NS Stations uiterlijk binnen vijftien werkdagen na heden moet hebben voldaan aan de veroordelingen in het dictum onder 6 en 7 van het bestreden arrest en dat de daaraan verbonden dwangsom na betekening van dit arrest van de Hoge Raad verbeurd zal worden indien NS Stations niet binnen die termijn aan die veroordelingen heeft voldaan;
- veroordeelt JCDecaux in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van NS Stations begroot op € 995,56 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien JCDecaux deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 28 mei 2021.
Conclusie 18‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Aanbestedingsrecht. Europees recht. Onduidelijkheid moment waarop dwangsom op naleving gebod wordt verbeurd.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00005
Zitting 18 december 2020
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van:
NS Stations B.V.,
eiseres tot cassatie,
hierna: NS Stations
advocaat: mr. F.E. Vermeulen
tegen
1. JCDecaux Nederland B.V.,
verweerster in cassatie,
hierna: JC Decaux
advocaat: mr. H.J.W. Alt
2. Exterion Media (Netherlands) B.V.,
verweerster in cassatie,
hierna: Exterion
advocaat: mr. J.P. Heering
1. Inleiding
1.1
Het gaat in deze zaak om een aanbestedingsgeschil tussen NS Stations en JCDecaux. Exterion is in hoger beroep tussengekomen en heeft eveneens cassatieberoep ingesteld (zaak 20/00008). In deze zaak ondersteunt zij de stellingen van NS Stations. Ik neem in beide zaken vandaag mijn conclusie.
1.2
NS Stations houdt zich bezig met de exploitatie van de treinstations. In dat kader heeft zij met Exterion in 2011 onderhands een concessieovereenkomst gesloten voor, kort gezegd, het exploiteren van reclamedragers op de stations. In 2015 heeft NS Stations met Ngage-Media (hierna: Ngage) onderhands een concessieovereenkomst gesloten voor een pilot met digitale schermen op enkele grote stations. Volgens JCDecaux had NS Stations beide opdrachten openbaar moeten aanbesteden.
1.3
In cassatie zijn twee aanbestedingsrechtelijke vragen aan de orde. De eerste vraag is of NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations heeft te gelden als een aanbestedende dienst (subject). De tweede vraag is of de twee genoemde concessieovereenkomsten een ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ hebben en daarom aanbestedingsplichtige opdrachten zijn (object). Over het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ heeft de Hoge Raad reeds moeten oordelen in een geschil tussen deels dezelfde partijen als in deze procedure.1.
2. Feiten
2.1
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: hof) is in hoger beroep uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in het tussenvonnis van 18 oktober 2017 van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: rechtbank). Het hof heeft daar als vaststaand feit aan toegevoegd dat de waarde van de door NS Stations in 2011 aan Exterion verleende concessie tenminste tussen € 50 en 100 miljoen ligt.2.
2.2
JCDecaux is een dochtervennootschap van de Franse vennootschap JCDecaux SA. Zij houdt zich bezig met, kort gezegd, buitenreclame, zoals het installeren en exploiteren van abri’s, reclamezuilen en aanverwante artikelen.
2.3
NS Stations is een indirecte dochtervennootschap van de N.V. Nederlandse Spoorwegen (hierna: NS). De Staat houdt alle aandelen in NS.
2.4
NS Stations houdt zich onder andere bezig met het beheer van de stations en het (doen) exploiteren van commercieel vastgoed, voornamelijk in stationsgebouwen.
2.5
De statutaire doelomschrijving van NS Stations luidt als volgt :
“Doel
Artikel 2
De vennootschap heeft ten doel het beheren en (doen) exploiteren van stations, daarbij behorende terreinen en andere ruimten, zomede al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, voorts het samenwerken met, het deelnemen in, het op andere wijze een belang nemen in, het voeren van beheer over andere ondernemingen, van welke aard ook, en voorts het financieren van derden of groepsmaatschappijen en het op enigerlei wijze stellen van zekerheid of het zich verbinden voor verplichtingen van groepsmaatschappijen of derden.”
2.6
De rechtsvoorgangster van NS Stations (NS Poort B.V.) heeft in 1998 een concessieovereenkomst gesloten met de rechtsvoorgangster van Exterion (CBS Outdoor B.V.). Deze overeenkomst zag op de exploitatie van traditionele reclamedragers en digitale reclamedragers kleiner dan 25 m2 op stations en in stationsgebouwen.
2.7
JCDecaux heeft vanaf 2008 herhaaldelijk aan NS Poort B.V. (en later aan NS Stations) kenbaar gemaakt dat zij was geïnteresseerd in het meedingen naar contracten voor het exploiteren van reclameobjecten.
2.8
Op 10 september 2010 heeft JCDecaux geïnformeerd bij NS Stations of er ontwikkelingen waren aangaande ‘het reclamecontract’.3.Bij e-mail van 13 september 2010 heeft NS Poort geantwoord: “nee, nog niet, maar je staat op de shortlist.”
2.9
Omstreeks mei 2011 heeft JCDecaux bij NS Poort opnieuw geïnformeerd naar de status van de ‘reclameconcessie’4.en daarbij kenbaar gemaakt dat zij van mening was dat NS Poort deze concessie diende aan te besteden. NS Stations heeft bij brief van 30 mei 2011 daarop geantwoord dat zij op dat moment de bestaande overeenkomst met haar huidige exploitant inzake reclame-exploitatie op de stations niet had verlengd en ook geen nieuwe overeenkomst had gesloten, maar dat zij wel met haar in onderhandeling was over het sluiten van een nieuwe overeenkomst en ook voornemens was op korte termijn een overeenkomst te ondertekenen. Verder heeft zij in deze brief opgemerkt dat volgens haar hierbij geen sprake is van een aanbestedingsplichtige opdracht.
2.10
Vervolgens hebben partijen verschillende malen contact gehad.5.Op 6 juni 2011 heeft een bespreking tussen JCDecaux en NS Poort plaatsgevonden, waarin JCDecaux kenbaar heeft gemaakt dat zij graag reclamedragers op de stations van NS Poort zou exploiteren. Bij brief van 7 juni 2011 heeft JCDecaux aangekondigd dat zij tot het nemen van rechtsmaatregelen tegen NS Poort zal overgaan teneinde (het voornemen van) de in haar ogen onrechtmatige onderhandse gunning van de reclameconcessie tegen te houden c.q. aan te vechten. Op 30 juni 2011 heeft opnieuw een bespreking plaatsgevonden, waarna JCDecaux heeft afgezien van de aangekondigde rechtsmaatregelen. In juli 2011 is tussen partijen gecorrespondeerd. Aan de zijde van JCDecaux waren daar directieleden van het moederbedrijf bij betrokken.
2.11
Op 25 oktober 2011 heeft opnieuw een bespreking plaatsgevonden. Bij e-mail bericht van 30 november 2011 heeft NS Poort aan JCDecaux geschreven:
“Als vervolg op [het gesprek van 25 oktober] is afgesproken dat we nog een afspraak met elkaar plannen om te verkennen waar de samenwerkingsmogelijkheden van JCDecaux Nederland en NS Poort kunnen liggen in de toekomst. Graag zou ik dan ook een verkennende meeting willen plannen (…)”.
2.12
Twee dagen daarna heeft NS Poort een nieuwe concessieovereenkomst met Exterion gesloten met een looptijd tot 1 januari 2028 (hierna: concessieovereenkomst 2011).6.
2.13
Op 28 februari 2012 en 11 september 2012 hebben partijen opnieuw (verkennend) met elkaar gesproken. JCDecaux heeft van beide besprekingen een verslag opgemaakt.7.
2.14
Op 1 juni 2015 heeft Ngage een persbericht gepubliceerd waarin staat dat zij vier digitale schermen op Amsterdam CS mag plaatsen en exploiteren (naast locaties in Den Haag, Utrecht, enzovoort). Bij e-mail van 3 juni 2015 heeft JCDecaux NS Stations daarover om opheldering gevraagd en tevens gemeld dat zij nog steeds geïnteresseerd is om alle digitale objecten op diverse stations in Nederland te exploiteren. Door NS Stations is diezelfde dag geantwoord dat de overeenkomst met Ngage (hierna: Ngage-overeenkomst) een “op korte termijn opzegbaar contract is”.
2.15
Bij brief van 4 maart 2016 heeft de advocaat van JCDecaux NS Stations gesommeerd om binnen uiterlijk zeven dagen schriftelijk te bevestigen dat NS Stations:
1. uiterlijk 1 april 2016 een aanbestedingsprocedure zal aanvangen aangaande de opvolgende reclameconcessie, JCDecaux daarvoor zal uitnodigen en een faire kans zal bieden om naar deze opdracht mee te dingen;
2. uiterlijk 1 april 2016 het vervolg op het met Ngage gesloten contract zal aanbesteden en JCDecaux voor deze aanbesteding zal uitnodigen en een faire kans zal bieden om naar deze opdracht mee te dingen;
3. een aanbestedende dienst is in de zin van art. 1.1 Aanbestedingswet 2012; en
4. (…).
NS Stations heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.
2.16
Bij verzoekschrift van 25 maart 2016 heeft JCDecaux de rechtbank Midden-Nederland verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te houden. JCDecaux heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat NS Stations in het kader van de in 2011 gehouden besprekingen zou hebben toegezegd dat de reclameconcessie voor kleine reclamedragers in 2015 in de markt zou worden gezet voor de periode ná 1 januari 2016 en dat JCDecaux een eerlijke kans zou krijgen om naar deze concessie mee te dingen. Bij beschikking van 16 november 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor afgewezen.8.
3. Procesverloop
Eerste aanleg
3.1
JCDecaux heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis en voor zover in cassatie van belang,9.gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a) voor recht wordt verklaard dat NS Stations mondeling aan JCDecaux heeft toegezegd dat zij vanaf medio 2011 zou mogen meedingen naar reclamecontracten van NS Stations die zij zou gaan gunnen (…),
b) (…)
c) NS Stations wordt geboden uiterlijk vijftien werkdagen na het in deze zaak te wijzen vonnis inzicht te geven in de contracten die zij op het gebied van straatmeubilair en reclame(concessies) heeft gesloten in de periode vanaf medio 2011 tot en met heden (…),
d) (…)
e) voor recht wordt verklaard dat NS Stations een aanbestedende dienst is c.q. was ten tijde van de gunning van reclamecontracten in de periode vanaf medio 2011 tot en met heden,
f) (…)
g) (…)
h) voor recht wordt verklaard dat NS Stations onrechtmatig jegens JCDecaux handelt en heeft gehandeld door overheidsopdrachten (…) en concessieovereenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair niet conform vigerende regelgeving voor mededinging open te stellen,
i) (…)
j) NS Stations wordt verboden nog langer uitvoering te geven aan na medio 2011 gesloten overeenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair, waar JCDecaux en/of andere marktpartijen niet naar heeft/hebben kunnen meedingen,
k) (…)
l) NS Stations wordt veroordeeld tot vergoeding aan JCDecaux als gevolg van de schending van de op haar rustende aanbestedingsverplichting geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (…), en
m) (…).
3.2
NS Stations heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van JCDecaux.
3.3
Bij tussenvonnis van 18 oktober 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat NS Stations vanaf medio 201110.een ‘aanbestedende dienst’ is in de zin van de aanbestedingsregelgeving. Het verweer van NS Stations dat JCDecaux haar recht om zich erop te beroepen dat NS Stations een aanbestedende dienst is heeft verwerkt, gaat volgens de rechtbank niet op. JCDecaux heeft echter onvoldoende onderbouwd dat er met betrekking tot de concessieovereenkomsten met Exterion en met Ngage sprake is van een ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’, zodat de beide concessies aanbestedingsplichtige opdrachten waren. NS Stations heeft niet onrechtmatig gehandeld tegenover JCDecaux door deze overeenkomsten onderhands aan Exterion en Ngage te verlenen. De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep opengesteld.
3.4
In het tussenvonnis heeft de rechtbank heeft haar beslissing aangehouden over de vraag of NS Stations jegens JCDecaux onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst met Ngage te verlengen en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen. De rechtbank heeft overwogen nadere informatie nodig te hebben over de tijdstippen waarop de overeenkomst is verlengd (omdat vanaf 1 juli 2016 een ander wettelijk regime voor concessieovereenkomsten gold) en over de inhoud van de afspraken die NS Stations met Ngage heeft gemaakt. De rechtbank heeft NS Stations daarom op grond van art. 21 Rv opgedragen om deze informatie alsnog te verstrekken.
3.5
Bij eindvonnis van 7 november 2018 heeft de rechtbank overwogen dat alleen is gebleken dat NS Stations in november 2015 een raamovereenkomst met Ngage heeft gesloten. Op het moment dat deze overeenkomst werd gesloten, bestond er voor NS Stations geen aanbestedingsplicht. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat deze overeenkomst daarna nog is verlengd. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande voor recht verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 een ‘aanbestedende dienst’ is, maar de overige vorderingen van JCDecaux afgewezen.
Hoger beroep
3.6
JCDecaux heeft bij het hof hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van de rechtbank.11.Zij heeft, na eiswijziging, het hof verzocht dat vonnis te vernietigen, en – voor zover in cassatie van belang – :
“(1) (…) voor recht te verklaren dat NS Stations in de periode vanaf medio 2011 tot en met heden een aanbestedende dienst was c.q. is;
voor recht te verklaren dat NS Stations, zijnde een aanbestedende dienst, in de periode vanaf medio 2011 tot en met heden gehouden was en is om overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair op grond van vigerende regelgeving aan te besteden c.q. voor mededinging open te stellen, (…);
(2) NS Stations te gebieden uiterlijk 15 werkdagen na arrest inzicht te geven in de contracten die NS Stations op het gebied van straatmeubilair en reclame(concessies) heeft gesloten vanaf medio 2011 tot en met heden, (…) inclusief alle eventuele verlengingen en doorgevoerde (contractuele) wijzigingen (…);
NS Stations uiterlijk 30 dagen na arrest te verbieden nog langer uitvoering te geven aan na medio 2011 gesloten overeenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair waar JCDecaux en/of andere marktpartijen niet naar heeft/hebben kunnen meedingen en die conform vigerende regelgeving voor mededinging hadden moeten worden opengesteld, waaronder in ieder geval de in december 2011 gesloten overeenkomst met Exterion en de omstreeks juni 2015 gesloten (en daarna verlengde) overeenkomst met Ngage;
(…);
NS Stations te veroordelen tot vergoeding aan JCDecaux als gevolg van de schending van de op haar rustende aanbestedingsverplichting geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (…); en
(3) in alle gevallen aan elke overtreding van een gebod en/of verbod in dit petitum door NS Stations het verbeuren van een direct opeisbare dwangsom van € 1.500.000,- te verbinden (…).”
3.7
JCDecaux heeft met het oog op de doorlooptijd van de appelprocedure en de eventuele exploitatieloze periode die daarop zou kunnen volgen, tevens een voorlopige voorziening in de zin van art. 353 jo. 223 Rv gevorderd.12.Zij heeft het hof verzocht om NS Stations vooruitlopend op het eindarrest te gebieden voor elk van beide concessieopdrachten uiterlijk 1 januari 2019 een aanbesteding te organiseren opdat de nieuwe opdrachten per 1 januari 2020 kunnen ingaan.
3.8
NS Stations heeft zowel in het incident tot voorlopige voorziening als in de hoofdzaak gemotiveerd verweer gevoerd.
3.9
NS Stations heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van de rechtbank.13.NS Stations heeft gevorderd dat het hof dat vonnis vernietigt en JCDecaux in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaart dan wel haar vorderingen afwijst. JCDecaux heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.10
Exterion heeft zowel in het incident als in beide appelprocedures gevorderd dat haar wordt toegestaan tussen te komen en subsidiair zich te voegen aan de zijde van NS Stations. Na op 30 oktober 2018 een meervoudige comparitie te hebben gehouden, heeft het hof bij tussenarresten van 20 november 2018 de vordering tot tussenkomst van Exterion toegewezen.14.
3.11
NS Stations heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank, zodat in totaal drie hoger beroepen aanhangig zijn gemaakt.15.Op 28 mei 2019 heeft een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden in de (inmiddels gevoegde) tussentijdse appelprocedures. Daarbij zijn procesafspraken gemaakt over de behandeling van het tweede hoger beroep van NS Stations. Afgesproken werd dat het wijzen van arrest in de beide tussentijdse appelprocedures zou worden uitgesteld tot de procedure tegen het eindvonnis is afgeconcludeerd en voorts dat partijen in hun conclusies zoveel mogelijk verwijzen naar hun stukken in de twee tussentijdse appelprocedures. Gezien het tijdsverloop heeft JCDecaux verklaard geen behoefte meer te hebben aan een beslissing op het incident ex art. 223 Rv.16.Bij tussenarrest van 25 juni 2019 heeft het hof Exterion toegestaan tussen te komen in het appel tegen het eindvonnis.17.
3.12
Op 1 oktober 2019 heeft het hof arrest gewezen (hierna: het bestreden arrest) in alle drie de appelprocedures, alsmede in het incidentele hoger beroep van JCDecaux tegen het eindvonnis. Of NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is, wordt door het hof beoordeeld in de zaak met nummer 200.233.320 (appel NS Stations). Of de verleende concessies een ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ hebben wordt door het hof beoordeeld in de zaak met nummer 200.237.719 (appel JCDecaux).
3.13
Het hof volgt de rechtbank in het oordeel dat geen sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van JCDecaux. De rechtbank oordeelde dat de door NS Stations en Exterion gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat bij NS Stations het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat JCDecaux niet meer het standpunt zou innemen dat NS Stations de concessieovereenkomst uit 2011 had moeten aanbesteden. De gestelde feiten en omstandigheden brengen volgens de rechtbank evenmin mee dat sprake is van onredelijke benadeling bij NS Stations, omdat NS Stations ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ermee bekend was dat JCDecaux het standpunt innam dat NS Stations de concessie had moeten aanbesteden. Het hof voegt daar aan toe dat de door JCDecaux gestelde feiten en omstandigheden het beeld schetsen van een situatie waarin NS Stations vanaf 2010 vaag is gebleven over haar onderhandelingen met Exterion en de inhoud en omvang van de (nieuw af te sluiten) concessieovereenkomst. JCDecaux wist daarom niet (precies) waartegen zij zich (eventueel in rechte) diende te verzetten. De situatie is in onduidelijkheid toegenomen voor JCDecaux nadat zij in juni 2011 het nemen van rechtsmaatregelen had aangekondigd en de vage toezeggingen van NS Stations dat zij in 2015 alsnog de uitgifte van reclame-concessies zou openstellen (rov. 3.4).
3.14
Het hof komt, net als de rechtbank, tot het oordeel dat de regel uit de Grossmann-jurisprudentie18.in een geschil als dit niet van toepassing is. Daarbij acht het hof van belang dat voor JCDecaux niet duidelijk was of had kunnen zijn vanaf welk moment van haar proactieve actie werd verwacht (rov. 3.5-3.6).
3.15
Vervolgens toetst het hof of NS Stations medio 2011 ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations voldeed aan de voorwaarden van het aanbestedingsrechtelijke begrip ‘publiekrechtelijke instelling’. Het hof stelt voorop dat partijen het eens zijn over het ter zake geldende toetsingskader (rov. 3.8 e.v.). Het hof oordeelt dat NS Stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard (rov. 3.18-3.19). NS Stations is een ‘publiekrechtelijke instelling’ en zodoende een aanbestedende dienst (rov. 3.20).
3.16
Het hof komt daarmee tot de tussenconclusie dat het hoger beroep van NS Stations tegen het tussenvonnis van de rechtbank geen doel treft. De verklaring voor recht dat NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is, blijft in stand (rov. 3.22).
3.17
Gelet op dit oordeel heeft JCDecaux volgens het hof belang bij haar beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat het NS Stations niet verboden was onderhands de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst te verlenen omdat een duidelijk grensoverschrijdend belang ontbrak (rov. 3.23).
3.18
In rov. 3.24-3.47 beoordeelt het hof het grensoverschrijdende belang van elk van beide concessieovereenkomsten. Het hof start met een uiteenzetting van de Europese algemene beginselen van aanbestedingsrecht en het criterium ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ (rov. 3.27-3.32). Het hof stelt vast dat vanaf 1 april 2013 (datum inwerkingtreding Aanbestedingswet 2012) art. 1.7 Aw 2012 bepaalde dat bij dienstenconcessies de algemene beginselen van aanbestedingsrecht golden als sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Art. 1.8 Aw 2012 (oud) regelde de verplichting voor een aanbestedende dienst om ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen. Concessieovereenkomsten met een duidelijk grensoverschrijdend belang gesloten in de periode vóór 1 april 2013 werden beheerst door de algemene beginselen van aanbestedingsrecht, zoals het beginsel van gelijke behandeling, het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting (rov. 3.33-3.37).
3.19
Het hof oordeelt dat er niet van kan worden uitgegaan dat NS Stations in beginsel niet aanbestedingsplichtig was toen zij in 2011 de overeenkomst met Exterion sloot, omdat dit afhangt van de vraag of, ook in afwezigheid van richtlijn of wet, die overeenkomst een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft. Uit de door JCDecaux genoemde feiten en omstandigheden blijkt volgens het hof dat van een dergelijk belang sprake is. Het hof weegt daarbij mee (i) dat sprake is van een langdurige overeenkomst met een totale waarde over de looptijd 2011-2028 van tenminste (volgens Exterion) € 50.000.000, hetgeen een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt, (ii) dat de concessie ziet op bijna 300 stations en vrijwel het hele grondgebied van Nederland beslaat, en (iii) dat het NS bekend was dat deze concessie in ieder geval vanaf medio 2011 de daadwerkelijke belangstelling van JCDecaux en (vertegenwoordigers van) haar moedervennootschap JCDecaux SA had (in rov. 3.39-3.43).
3.20
Ook de Ngage-overeenkomst heeft volgens het hof een duidelijk grensoverschrijdend belang. Dit contract is een overeenkomst als bedoeld onder art. 1.7 onder c Aw 2012 (oud), zodat NS Stations op grond van art. 1.8-1.10 Aw 2012 (oud) ondernemers niet-discriminatoir, transparant (met ‘een passende mate van openbaarheid’) en proportioneel moest behandelen (rov. 3.44-3.47).
3.21
Het verweer van Exterion dat NS Stations in 2011 een passende mate van openbaarheid hééft betracht, wordt door het hof verworpen (rov. 3.48-3.49). Ook het beroep van Exterion op rechtsverwerking dan wel verjaring slaagt niet (rov.3.50).
3.22
Het hof komt in rov. 3.51 tot de tussenconclusie dat NS Stations als aanbestedende dienst zowel ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 als de Ngage-overeenkomst ten onrechte geen passende mate van openbaarheid heeft geboden. Het hof oordeelt dat het sluiten van een concessieovereenkomst voor diensten met een duidelijk grensoverschrijdend belang zonder een passende mate van openbaarheid in acht te nemen, onrechtmatig is jegens gepasseerde gegadigden als JCDecaux. Voor de periode vanaf 2011 tot 1 april 2013 volgt die onrechtmatigheid uit de schending van het (primaire) Unierecht.
3.23
Het hof komt tot de volgende slotsom. Het verklaart voor recht dat NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is. Het hof wijst het tweede onderdeel van de door JCDecaux primair gevorderde verklaring voor recht af, voor zover JCDecaux vordert dat in algemene zin voor recht wordt verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair aan te besteden, althans voor mededinging open te stellen. De gevorderde verklaring voor recht wordt wél toegewezen ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, omdat de stellingen van JCDecaux zijn toegespitst op die beide overeenkomsten waarvan zij met succes heeft betoogd dat sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
3.24
Het hof veroordeelt NS Stations tot vergoeding van de als gevolg van de schending van het aanbestedingsrecht geleden schade, op te maken bij staat. JCDecaux heeft door te stellen dat haar een kans is ontnomen om mee te dingen naar de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst en zij daardoor schade lijdt, belang bij de veroordeling en verwijzing naar de schadestaatprocedure omdat de mogelijkheid van schade daarmee aannemelijk is geworden (rov. 3.54).
3.25
Het hof legt aan NS Stations een verbod op om vanaf twee maanden na betekening van het arrest nog verder aan de overeenkomst met Exterion uitvoering te geven op straffe van een dwangsom van € 100.000 voor iedere dag dat dit verbod wordt overtreden. Het hof legt aan NS Stations tevens een verbod op om vanaf 30 dagen na betekening van het arrest nog uitvoering te geven aan de overeenkomst met Ngage, op straffe van eenzelfde dwangsom (rov. 3.54).
3.26
Het hof gebiedt NS Stations inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, waarbij informatie ten aanzien van de prijzen onleesbaar dient te worden gemaakt. Ook aan dit gebod verbindt het hof een dwangsom van € 100.000 per dag dat de niet-naleving voortduurt. Het hof komt tot dit gebod omdat JCDecaux bij inzage in die overeenkomsten een rechtmatig belang heeft, in de zin dat die overeenkomsten mede bepalend kunnen zijn voor de omvang van haar schade als gevolg van de schending van de aanbestedingsverplichtingen door NS Stations. Voor het overleggen van andere dan deze twee overeenkomsten bestaat volgens het hof geen belang en voor inzage bestaat geen grondslag in de Aw 2012 (rov. 3.58).
3.27
In het hoger beroep van NS Stations tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat het principale beroep van NS Stations tegen het eindvonnis faalt en dat de vorderingen van Exterion worden afgewezen. JC Decaux heeft bij haar incidentele beroep geen belang, nu het hof in het tussentijdse appel (met gelijkluidende vorderingen) heeft geoordeeld, anders dan de rechtbank had gedaan, dat de Ngage-overeenkomst een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft (rov. 3.65-3.66). Voor zover JCDecaux heeft willen betogen dat door NS Stations een nieuwe/nadere overeenkomst voor andere genoemde stations is gesloten die ook had moeten worden aanbesteed, oordeelt het hof dat JCDecaux niet voldoende heeft gesteld om een duidelijk grensoverschrijdend belang te kunnen aannemen. Het incidenteel beroep van JCDecaux faalt daarom, behalve voor zover het de vorderingen betreft die in het principale hoger beroep van JC Decaux zijn toegewezen (rov. 3.61-3.68).
Cassatie
3.28
NS Stations heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof van 1 oktober 2019. JCDecaux heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Exterion heeft geconcludeerd dat het principale cassatieberoep van NS Stations tot vernietiging van het arrest behoort te leiden, met gelijke afdoening, voor zover relevant, als haar eigen cassatieberoep (zaaknummer 20/00008). Alle drie de partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna NS Stations heeft gerepliceerd en JCDecaux heeft gedupliceerd.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel omvat vier onderdelen. Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof dat NS Stations een aanbestedende dienst is (rov. 3.7-3.22). Onderdeel 2 ziet op de vaststelling van een duidelijk grensoverschrijdend belang van de concessieovereenkomsten met Exterion en Ngage (rov. 3.27-3.47). Onderdeel 3 vecht de verwerping van het beroep van NS Stations op rechtsverwerking aan (rov. 3.4-3.5). Onderdeel 4 bevat klachten tegen verschillende onderdelen van het dictum.
Onderdeel 1: aanbestedende dienst
4.2
Onderdeel 1 bestaat uit twee subonderdelen, die nader zijn onderverdeeld. Het onderdeel acht het oordeel van het hof in rov. 3.18 en 3.19 dat NS Stations is aan te merken als een publiekrechtelijke instelling en daarmee als aanbestedende dienst onjuist dan wel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
4.3
Ik vat eerst het juridisch kader samen (vgl. ook het bestreden arrest, rov. 3.9 en 3.10).
Juridisch kader publiekrechtelijke instelling
4.4
Ik begin met de regelgeving over dit onderwerp.
4.5
In 2011, toen de concessie aan Exterion onderhands is verleend, was op Europees niveau Richtlijn 2004/18/EU19.van kracht en op nationaal niveau het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten, afgekort Bao.20.
4.6
Art. 1 lid 9 van Richtlijn 2004/18/EG luidt – voor zover hier van belang – :
“Als ‘aanbestedende diensten’ worden aangemerkt de staat, de territoriale lichamen, publiekrechtelijke instellingen (…).
Onder ‘publiekrechtelijke instelling’ wordt iedere instelling verstaan
a) die is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn,
b) die rechtspersoonlijkheid bezit, en
c) waarvan ofwel de activiteiten in hoofdzaak door de staat, de territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd, ofwel het beheer onderworpen is aan toezicht door deze laatste, ofwel de leden van het bestuursorgaan, het leidinggevend of het toezichthoudend orgaan voor meer dan de helft door de staat, de territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen.”
Deze bepaling is omgezet in art. 1 sub q Bao:
“publiekrechtelijke instelling: een instelling die is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang, niet zijnde van industriële of commerciële aard, die rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan:
1°. (https://maxius.nl/besluit-aanbestedingsregels-voor-overheidsopdrachten/artikel1/onderdeelq/sub1) de activiteiten in hoofdzaak door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling worden gefinancierd,
2°. (https://maxius.nl/besluit-aanbestedingsregels-voor-overheidsopdrachten/artikel1/onderdeelq/sub2) het beheer onderworpen is aan toezicht door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling, of
3°. (https://maxius.nl/besluit-aanbestedingsregels-voor-overheidsopdrachten/artikel1/onderdeelq/sub3) de leden van het bestuur, het leidinggevend of het toezichthoudend orgaan voor meer dan de helft door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen.”
4.7
In 2015, het jaar waarin de concessie aan Ngage onderhands is verleend, was van kracht de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012),21.die per 1 april 2013 in werking is getreden en (onder andere) het Bao heeft vervangen. Art. 1.1 Aw 2012 bevat een definitie van ‘publiekrechtelijke instelling’ die gelijkluidend is aan art. 1 sub q Bao.
4.8
Richtlijn 2014/24/EU22.heeft met ingang van 18 april 2016 Richtlijn 2004/18/EG vervangen en diende uiterlijk op die datum in nationale regelgeving te zijn omgezet. Dat geldt ook voor Richtlijn 2014/23/EU over concessieovereenkomsten (hierna, conform het spraakgebruik, aangeduid als Concessierichtlijn).23.Op grond van deze richtlijn wordt nu ook de procedure voor de verlening van concessies voor werken en van concessies voor diensten in Europese wetgeving geregeld.
4.9
Art. 2 lid 4 van Richtlijn 2014/24/EU en art. 6 lid 4 van de Concessierichtlijn bevatten de volgende definitie van ‘publiekrechtelijke instelling’:
“’publiekrechtelijke instellingen’: instellingen die voldoen aan alle volgende kenmerken:
a) zij zijn opgericht voor het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard;
b) zij bezitten rechtspersoonlijkheid, en
c) zij worden merendeels door de staats-, regionale of lokale overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke lichamen gefinancierd, of hun beheer staat onder toezicht van deze instanties of lichamen, of zij hebben een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan waarvan de leden voor meer dan de helft door de staat, de regionale of lokale overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke instellingen zijn
aangewezen;”
Ten opzichte van de definitie in Richtlijn 2004/18/EG (vgl. 4.6 hiervoor) zijn er geen inhoudelijke wijzigingen.
4.10
De Aw 2012 is met ingang van 1 juli 2016 gewijzigd.24.De definitie van ‘publiekrechtelijke instelling’ in art. 1.1 is iets anders geformuleerd, maar inhoudelijk niet gewijzigd. Die definitie is thans bepalend voor de kwalificatie van een entiteit die een concessie verleent. Daarvóór – en dus in de voor deze zaak relevante periode 2011-2015 – had een entiteit die op grond van Richtlijn 2004/18/EG (of een van de voorlopers daarvan)25.kwalificeerde als ‘publiekrechtelijke instelling’, ook ten aanzien van het verlenen van een dienstenconcessie te gelden als aanbestedende dienst.26.
4.11
Ik kom nu toe aan de rechtspraak over het begrip ‘publiekrechtelijke instelling’.27.
4.12
De omstandigheid dat een rechtspersoon behoort tot een concern waarvan de staat of een ander overheidslichaam (indirect) de aandelen houdt, maakt als zodanig niet dat die rechtspersoon een publiekrechtelijke instelling is. In het aanbestedingsrecht dient namelijk per entiteit, ook binnen een concern, en onafhankelijk van de kwalificatie van de moedermaatschappij, te worden getoetst of sprake is van een aanbestedende dienst.28.Het enkele feit dat een entiteit een 100% dochtermaatschappij is van een aanbestedende dienst volstaat niet om die entiteit als publiekrechtelijke instelling te kwalificeren.29.De drie voorwaarden onder a), b) en c) in de Europese definitie van ‘publiekrechtelijke instelling’ zijn cumulatief.30.Die voorwaarden dienen volgens vaste rechtspraak “functioneel en ruim” te worden uitgelegd31.(vgl. het bestreden arrest, rov. 3.12).
4.13
Bij ‘voorzien in behoeften van algemeen belang’ moet worden gedacht aan behoeften waarin de staat of een territoriaal lichaam om redenen van algemeen belang besluit zelf te voorzien of ten aanzien waarvan zij een beslissende invloed willen behouden.32.Als de staat het aanbieden van deze diensten overlaat aan een staatsonderneming en daar voorwaarden aan stelt, zal deze in de regel voorzien in behoeften van algemeen belang. Niet ter zake doet of de betrokken onderneming een publiekrechtelijke rechtspersoon is of een privaatrechtelijke rechtsvorm heeft.
4.14
In zijn arrest Universale Bau uit 2002 heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen (mijn onderstrepingen):33.
“53 Het Hof heeft dus geoordeeld dat het begrip publiekrechtelijke instelling in artikel 1, sub b, tweede alinea, van richtlijn 93/37, gelet op voormelde doelstellingen, een functionele uitlegging moet krijgen (…)
(…)
55 Blijkens punt 25 van het arrest Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., reeds aangehaald, heeft het Hof in het bijzonder geoordeeld dat het zonder belang is dat de betrokken entiteit vrij is om naast de specifieke taak om in dergelijke behoeften van algemeen belang te voorzien, andere activiteiten te verrichten, maar heeft daarentegen beslissend geacht dat die entiteit zich blijft kwijten van de taken die haar specifiek zijn opgedragen.
56 Om na te gaan of een entiteit aan de voorwaarde van artikel 1, sub b, tweede alinea, eerste streepje, van richtlijn 93/37 voldoet, moet derhalve worden uitgegaan van de activiteiten die zij daadwerkelijk uitoefent.
(…)
60 Overigens dient in herinnering te worden gebracht, dat het Hof betreffende de definitie van het begrip publiekrechtelijke instelling in artikel 1, sub b, tweede alinea, van richtlijn 92/50, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 1, sub b, tweede alinea, van richtlijn 93/37, reeds heeft geoordeeld dat het al dan niet bestaan van behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard objectief wordt beoordeeld, en dat de rechtsvorm van de bepalingen waarin die behoeften zijn geformuleerd, in dit verband niet van belang is (arrest 10 november 1998, BFI Holding, C-360/96, Jurispr. blz. I-6821, punt 63).”
4.15
Als een publiekrechtelijke instelling ook commerciële activiteiten verricht, verliest zij daardoor niet haar hoedanigheid van publiekrechtelijke instelling. Ik verwijs naar het arrest Korhonen:34.
“58 Volgens vaste rechtspraak hangt de hoedanigheid van publiekrechtelijke instelling immers niet af van de mate waarin de betrokken instelling voorziet in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard (zie reeds aangehaalde arresten Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., punten 25, 26 en 31; BFI Holding, punten 55 en 56, en Adolf Truley, punt 56)."
Ook als een rechtspersoon slechts voor een klein deel van haar activiteiten voorziet in diensten van algemeen belang van anders dan commerciële aard, is zij voor het geheel van haar activiteiten aan te merken als publiekrechtelijke instelling en daarmee als aanbestedende dienst.
4.16
In de zaak LitSpecMet35.was de vraag aan de orde of VLRD, een 100% dochter van de nationale spoorwegmaatschappij van Litouwen, is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang. Het Hof van Justitie overwoog onder meer (mijn onderstreping):
“35 Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat het gebruik van de term „specifieke” wijst op de wens van de Uniewetgever om alleen dan entiteiten aan de strenge voorschriften op het gebied van overheidsopdrachten te onderwerpen wanneer zij zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en hun activiteit concreet in dergelijke behoeften voorziet.
36 Bij gevolg moet eerst worden nagegaan of [VLRD] is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang en of haar activiteiten werkelijk in die behoefte voorzien en, als dat het geval is, moet vervolgens worden uitgemaakt of die behoeften al dan niet van industriële of commerciële aard zijn (zie in die zin arrest van 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (Korhonen), punt 40)”.
Eerst moet dus worden onderzocht of verrichte activiteiten voorzien in behoeften van algemeen belang en daarna of die behoeften al dan niet van commerciële aard zijn.
4.17
Het Hof overwoog verder dat VLRD kennelijk is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van haar moedermaatschappij ten behoeve van de door deze uit te oefenen activiteiten van algemeen belang (spoorvervoer). Het Hof voegde daar het volgende aan toe:
“41 Dat VLRD niet alleen activiteiten ter vervulling van behoeften van algemeen belang verricht middels inhousetransacties met het Litouws spoorwegbedrijf, zodat dit laatste zijn vervoersactiviteiten kan uitoefenen, maar ook andere activiteiten, waarmee zij winst nastreeft, is in dat verband dus irrelevant.
42 In het kader van de beoordeling of een instelling valt onder het begrip „publiekrechtelijke instelling” in de zin van artikel 1, lid 9, tweede alinea, onder a), van richtlijn 2004/18, is het voorts noodzakelijk dat die instelling voorziet in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn.”
4.18
In het kader van deze vraag naar de aard van de behoeften van algemeen belang (wel of niet van commerciële aard) overwoog het Hof tot slot:
“45 Een sterke concurrentie wettigt op zich evenwel niet de conclusie dat er geen sprake is van een behoefte van algemeen belang van andere dan industriële of commerciële aard.
46 In die omstandigheden is het de taak van de verwijzende rechter om op basis van alle juridische en feitelijke elementen van het geval na te gaan of VLRD ten tijde van de gunning van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht haar activiteiten ter vervulling van behoeften van algemeen belang verrichtte in een situatie van concurrentie, en met name of VLRD zich in de concrete omstandigheden kon laten leiden door andere dan economische overwegingen.”
4.19
De geciteerde rechtsoverwegingen wijzen er mijns inziens op dat niet snel mag worden aangenomen dat diensten die voorzien in behoeften van algemeen belang, behoeften van commerciële (of industriële) aard zijn. Dat valt goed te begrijpen omdat het Hof van Justitie de doorwerking c.q. het nuttig effect van door het Unierecht opgelegde verplichtingen altijd hoog in het vaandel heeft staan.
4.20
Het kan desalniettemin voorkomen dat een entiteit voorziet in behoeften van algemeen belang, die wél commercieel van aard zijn en de entiteit niet als een publiekrechtelijke instelling is aan te merken. Het arrest Agora en Excelsior uit 2001 geeft daarvan een voorbeeld. Het ging daar om een entiteit die i) tot doel had activiteiten uit te oefenen verband houdend met de organisatie van jaarbeurzen, tentoonstellingen en soortgelijke projecten, ii) geen winstoogmerk had, maar werd bestuurd op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, en iii) opereerde in een klimaat van concurrentie.36.
4.21
Een entiteit die onder normale marktomstandigheden actief is, winst nastreeft, en de met de uitoefening van haar activiteit verbonden verliezen draagt, is in de regel dan ook geen publiekrechtelijke instelling.37.
4.22
Na dit overzicht kom ik toe aan de aangevoerde klachten.
Subonderdeel 1.1
4.23
Subonderdelen 1.1 en 1.1.1 betogen dat het hof bij de beoordeling of NS Stations specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard, een te beperkte toets heeft aangelegd. In de eerste plaats heeft het hof miskend dat de voor deze tweeledige beoordeling geldende maatstaf onderscheid maakt tussen enerzijds behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en anderzijds behoeften van algemeen belang die dat wel zijn. In de tweede plaats heeft het hof miskend dat bij de beoordeling of een entiteit specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard, volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie moet worden gelet op alle relevante elementen rechtens en feitelijk, in het bijzonder het ontbreken van mededinging op de markt, het hoofdzakelijk hebben van een winstoogmerk, het dragen van de met die activiteit verbonden risico’s, alsook het financieren van de betrokken activiteit met openbare middelen.
4.24
Voor zover het hof (impliciet) zou hebben beoordeeld of de behoeften waarin NS Stations voorziet tevens van andere dan industriële of commerciële aard zijn, dan is die beoordeling onjuist. Subonderdeel 1.1.1 voert daartoe aan dat het hof op de stellingen van NS Stations dat de omstandigheden waaronder zij is opgericht erop duiden dat zij commerciële activiteiten verricht, dat zij opereert onder normale marktomstandigheden, dat zij haar activiteiten in concurrentie uitoefent, dat zij winst nastreeft en dat zij eventuele exploitatieverliezen zelf draagt, niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd.
4.25
Deze klachten falen. Het hof heeft in rov. 3.12 onderscheid gemaakt tussen het eerste gedeelte van voorwaarde a) (“opgericht voor het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang”) en het tweede gedeelte daarvan (“andere behoeften dan van industriële of commerciële of aard”) – een onderscheid dat in het middel niet scherp wordt gemaakt. In de eerste alinea van rov. 3.12 overweegt het hof namelijk:
“Eerst moet worden nagegaan of de activiteiten van NS Stations voorzien in behoeften van algemeen belang, en als dat het geval is, moet worden vastgesteld of dergelijke behoeften al dan niet van industriële of commercieel aard zijn.”
Het hof gaat vervolgens in op het eerste gedeelte (zowel het element ‘opgericht voor’ als het element ‘behoeften van algemeen belang’):
“Daarbij speelt onder meer een rol met welk doel de betreffende onderneming (NS Stations) is opgericht. Het hof merkt daarbij op dat de statutaire doelomschrijving één van de elementen is, die een rol spelen bij de vraag of de betrokken entiteit voorziet in de behoeften van algemeen belang. Voor zover in de grieven van NS Stations en de memorie van Exterion wordt betoogd dat het criterium zou zijn dat moet worden nagegaan of NS Stations is opgericht om te voorzien in de behoeften van algemeen belang, is dat onjuist. Het wettelijke criterium luidt (in overeenstemming met de Europese richtlijnen) dat de betrokken entiteit moet voorzien in behoeften van algemeen belang. De daadwerkelijke activiteiten zijn daarbij van groot belang (HvJ EG 12 december 2002, ECLI:EU:C:2002:746, Universale Bau)”
en daarna op het tweede gedeelte:
“Voor het onderzoek of de aan de orde zijnde entiteit voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan die van industriële of commerciële aard, moet rekening worden gehouden met alle relevante gegevens, rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is. Het is in dit verband irrelevant dat de betrokken entiteit naast haar taak van algemeen belang tevens andere activiteiten, al dan niet in concurrentie, met een winstoogmerk verricht, zolang zij zich blijft kwijten van de taken ten behoeve van het algemeen belang die haar specifiek zijn opgedragen.
Het aandeel van de met een winstoogmerk uitgeoefende activiteiten in de algehele activiteiten van deze entiteit is voor de kwalificatie ervan als publiekrechtelijke instelling evenmin relevant (zie HvJ EU in zijn arrest van 10 april 2008, ECLI:EU:C:2008:213, Aigner punt 47 waarin wordt verwezen naar het arrest van 15 januari 1998, ECLI:EU:C:1998:4 Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., punt 25, het arrest van 27 februari 2003, ECLI:EU:C:2003:110, Adolf Truley, punt 56, en het arrest van 22 mei 2003, ECLI:EU:C:2003:300, Korhonen, punten 57 en 58) (…).”
4.26
In rov. 3.13 geeft het hof een samenvatting van de relevante grief van NS Stations: de rechtbank zou haar statutaire doelomschrijving verkeerd en buiten haar verband hebben geïnterpreteerd, een onjuiste definitie van ‘stations’ hebben gehanteerd, miskend hebben dat NS Stations haar activiteiten met winstoogmerk en in concurrentie uitoefent, ten onrechte het waarborgen van de transferfunctie als publieke taak van NS Stations hebben beschouwd, en hebben miskend dat het veilig- en schoonhouden van stations geen publieke taak van haar is. Zodoende heeft het hof de in het subonderdelen genoemde stellingen van NS Stations wel degelijk in zijn oordeel betrokken.
4.27
Vervolgens verwijst het hof naar de definitie van ‘stations’ in art. 26 Spoorwegwet. Op basis van de parlementaire geschiedenis van die bepaling stelt het hof vast dat dit artikel regels bevat ter waarborging van de primaire functie van stations, te weten de transferfunctie: een rechthebbende van een station is verplicht vervoerders, passagiers en verladers veilige en adequate toegang te verlenen (rov. 3.14).38.Op basis van de beleidsnotitie Definitie Zeggenschap Infrastructuur (hierna: DZI) en een rapport van Ecorys onderscheidt het hof drie typen infrastructuur: a. railverkeers- en vervoersinfrastructuur (sporen, stationstunnels, perrons, (rol)trappen en liften), b. infrastructuur met gemengde functies (stationsgebouwen) en c. vastgoed (werkplaatsen en kantoren rondom de stations); zie rov. 3.15. NS Stations mag infrastructuur met gemengde functies commercieel exploiteren, maar wel met randvoorwaarden om de publieke verkeer- en vervoersfuncties te waarborgen (rov. 3.16). Het hof overweegt voorts dat de Algemene Voorwaarden Stations over de taken en bevoegdheden van NS Stations bepaalt dat zij verplicht is de stationsgebouwen, die ten dienste staan van de stationsfunctie, zodanig te onderhouden en in stand te houden dat de veiligheid van het (reizigers)publiek is gewaarborgd (rov. 3.17).
4.28
In rov. 3.18 en 3.19 komt het hof tot zijn oordeel dat NS Stations moet worden gekwalificeerd als instelling die (specifiek) voorziet in behoeften van algemeen belang van niet-commerciële of niet-industriële aard. Het hof overweegt als volgt (mijn onderstreping):
“3.18 Met de rechtbank (in met name rechtsoverwegingen 4.20-4.22 van het tussenvonnis) en JCDecaux is het hof van oordeel dat uit het hierboven beschreven wettelijk- en beleidskader in combinatie met hierna te noemen feiten en omstandigheden, waaronder met name de feitelijke invulling die NS Stations aan wet en beleid geeft in de praktijk, volgt dat NS Stations (in elk geval in 2011 en 2015) door het beheer en de exploitatie van stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Daartoe acht het hof met name redengevend:
- het stationsgebouw belichaamt de transferfunctie;
- reizigers kunnen (op een enkele uitzondering na) de perrons en sporen alleen bereiken via het stationsgebouw;
- NS Stations is verantwoordelijk voor het waarborgen van die transferfunctie;
- NS Stations is verantwoordelijk voor het veilig en schoonhouden van het stationsgebouw;
- NS Stations is economisch eigenaar van het stationsgebouw;
- NS Stations deelt in de kosten van de activiteiten op/van de [gemengde infrastructuur] naar rato met ProRail;
Daaraan doet niet af, zoals door NS Stations (in de toelichting op grief 3) en Exterion wordt betoogd, dat NS Stations niet in de Spoorwegwet (noch in de Wet Personenvervoer 2000) met name wordt genoemd. Uit het in de DZI gepubliceerde beleid en de feitelijke gang van zaken, waar het de activiteiten van NS Stations betreft, volgt immers duidelijk wat de beoogde en daadwerkelijke rol van NS Stations ten aanzien van de Stations is. (…) In de praktijk en conform de in de DZI beschreven taakverdeling met ProRail is er een duidelijke rol voor NS Stations in het beheer en de exploitatie van de [Gemeenschappelijke Infrastructuur], waarmee die daadwerkelijke activiteiten van NS Stations voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Op dezelfde gronden verwerpt het hof het argument van NS Stations dat nu zij niet wordt genoemd in de Spoorwegwet zij in publieke zin “niets” is en louter haar commerciële taak (het beheer van commercieel vastgoed) uitoefent. (…).”
4.29
Vervolgens overweegt het hof:
“3.19 Grief 3 faalt ook voor zover (…) de rechtbank wordt verweten de statutaire doelbepaling van NS Stations onjuist te hebben uitgelegd en geen rekening te hebben gehouden met haar winstoogmerk en de concurrentieomgeving waarin zij haar activiteiten uitoefent. Waar het de statutaire doelbepaling van NS Stations betreft (artikel 2: de vennootschap heeft ten doel het beheren en (doen) exploiteren van stations, daarbij behorende terreinen en andere ruimten…) geldt – als gezegd – dat de statutaire doelomschrijving een van de elementen is, die een rol speelt bij de vraag of de betrokken entiteit voorziet in de behoeften van algemeen belang en dat voor zover in dit onderdeel van grief 3 wordt betoogd dat het criterium zou zijn dat moet worden nagegaan of NS Stations is opgericht om te voorzien van behoeften van algemeen belang, dat onjuist is. Bepalend zijn de daadwerkelijke activiteiten, waarover het hof in 3.18 reeds een oordeel heeft gegeven.
Tegen die achtergrond kan in het midden blijven of de rechtbank een onjuiste uitleg van artikel 2 van de statuten heeft gegeven door het doel te lezen als beheren en exploiteren in plaats van, zoals NS Stations voorstaat, alleen exploiteren.
Dat NS Stations een winstoogmerk zou hebben en haar activiteiten in concurrentie uitoefent, is evenmin van (doorslaggevend) belang voor het oordeel of het NS Stations voorziet in de behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Uit het Mannesmann-arrest (t.a.p.) en het Aigner-arrest (t.a.p.) volgt immers dat het in dit verband irrelevant is dat NS Stations naast haar specifieke taak van algemeen belang tevens andere activiteiten met een winstoogmerk en in concurrentie verricht. Het aandeel van de met een winstoogmerk uitgeoefende activiteit in de algehele activiteiten van NS Stations is voor kwalificatie ervan als publiekrechtelijke instelling evenmin relevant.”
4.30
Het hof onderstreept terecht dat NS Stations met en naast haar commerciële activiteiten de transferfunctie dient te waarborgen. Het heeft daaruit kunnen afleiden dat NS Stations bij de uitoefening van haar taken andere dan economische motieven kan laten meewegen. De (uitvoerige) motivering van het in het subonderdeel aangevochten oordeel van het hof is daarom juist en toereikend.
4.31
De activiteiten van NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van stations. staan in dienst van de kerntaak van NS om personenvervoer per trein aan te bieden. De hoofdrailnetconcessie, die eind 2014 voor tien jaar is toegekend aan NS,39.bevat bepalingen die bevestigen dat het beheer van stations is verbonden met de in concessie gegeven spoorvervoerdiensten.40.NS Stations dient rekening te houden met de belangen van de reizigers en dus met die – niet-commerciële – vervoerstaak van NS. Dat geldt ook voor het exploiteren van reclamemogelijkheden op de stations en in stationsgebouwen. Reclames mogen bijvoorbeeld niet aanstootgevend zijn voor de reizigers. Verder staat het NS Stations niet vrij om transferruimtes geheel naar eigen inzicht in te richten en te exploiteren. Art. 26 lid 1 Spoorwegwet bepaalt namelijk dat reizigers via de in het station aanwezige hallen, tunnels, trappen en liften, met logische en overzichtelijke routes, een veilige en adequate toegang hebben tot perrons en voertuigen. Indien NS Stations nalaat daar zorg voor te dragen kan de minister of de staatssecretaris aan haar, als rechthebbende ten aanzien van de stations, een bindende aanwijzing opleggen ter waarborging van die toegang.
4.32
Voorts heeft het betoog van NS Stations dat zij een normaal commercieel (vastgoed)bedrijf is dat opereert in een concurrerende omgeving, mij niet overtuigd. Ten eerste kan NS Stations niet doen wat iedere normale commerciële onderneming wél kan doen, namelijk zelf beslissen om verlieslatende activiteiten te beëindigen. Zij kan er niet zelf toe overgaan onrendabele stations te sluiten. Ten tweede zijn de stations vanuit mededingingsoogpunt in zoverre ‘speciaal’, dat NS Stations als economisch eigenaar van het stationsgebouw (en bijbehoren) een monopoliepositie inneemt bij de exploitatie van dat vastgoed door onder andere verhuur.41.Dit alles wijst niet werkelijk op een omgeving van normale mededinging. Ten derde brengt het hebben van een winstoogmerk of een rendementsdoelstelling niet zonder meer mee dat in aanbestedingsrechtelijke zin wordt voorzien in behoeften van commerciële aard. Ten vierde valt te betwijfelen of NS Stations daadwerkelijk het volledige economisch risico draagt van de door haar uitgeoefende activiteiten. Het lijkt niet aannemelijk dat NS deze groepsvennootschap ooit failliet laat gaan. Een implicit guarantee (van uiteindelijk de Staat) is een omstandigheid die in de rechtspraak als relevant is aangemerkt voor de beoordeling of het gaat om andere behoeften van algemene belang dan van commerciële aard.42.
4.33
Subonderdeel 1.1.2 klaagt dat het hof onvoldoende recht heeft gedaan aan de stellingen van NS Stations ter staving van haar standpunt dat, voor zover zij al voorziet in behoeften van algemeen belang, die behoeften van commerciële aard zijn.
4.34
De klacht faalt. Het hof heeft expliciet overwogen dat het beheer van commercieel vastgoed rond het station(gebouw) een ander karakter heeft en niet kan worden vergeleken met de door het stationsgebouw zelf belichaamde transferfunctie (zie rov. 3.18, voorlaatste alinea). Daaruit blijkt dat het hof de transferfunctie als een niet-commerciële taak heeft aangemerkt, maar tegelijk oog heeft gehad voor de omstandigheid dat NS Stations die functie (in de praktijk) waarborgt naast commerciële activiteiten. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk. Verder verwijs ik naar wat ik zojuist heb opgemerkt in 4.31 en 4.32.
4.35
Subonderdeel 1.1.3 klaagt dat het hof ten onrechte niet in zijn overwegingen heeft betrokken het betoog van NS Stations dat uit de systematiek van de aanbestedingsregelgeving volgt dat NS Stations geen publiekrechtelijke instelling is.43.Onder het lichtere regime voor speciale-sectorbedrijven uit het Bass44.(en sinds 1 april 2013: deel 3 van de Aw 2012) zou voor NS Reizigers B.V., de exploitant van het spoornet, als speciale-sectorbedrijf ter zake van een commerciële opdracht voor de exploitatie van reclamedragers geen aanbestedingsverplichting gelden, terwijl NS Stations, die bij haar commerciële vastgoedactiviteiten naleving van de transferfunctie van stations waarborgt, wel gehouden zou zijn bij een dergelijke opdracht de Europese beginselen van aanbesteding in acht te nemen.
4.36
Dit betoog lijkt te zijn aanvaard door de rechtbank (rov. 4.26 van het tussenvonnis). Naar mijn mening is de rechtbank aldaar er ten onrechte aan voorbijgegaan dat de speciale-sectorregelgeving weliswaar in bepaalde opzichten minder vergaande verplichtingen bevat voor de aanbestedende dienst, maar dat dit niet gold voor concessies. Ten tijde van de verlening van de reclameconcessies aan zowel Exterion (2011) als Ngage (2015) dienden de speciale-sectorbedrijven net zo goed als de aanbestedende diensten in de algemene sectoren de Europese algemene beginselen van aanbestedingsrecht in acht te nemen (bij onderdeel 2 ga ik verder op die beginselen in). De klacht getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 1.2
4.37
Subonderdelen 1.2 en 1.2.1 betogen dat het hof bij zijn oordeel dat NS Stations specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang de relevantie heeft miskend van het doel waarmee en de omstandigheden waaronder NS Stations is opgericht, alsmede de bedoeling van de wetgever. Het hof heeft volgens het middel ten onrechte buiten zijn oordeel gehouden de stellingen van NS Stations (i) dat NS Stations is opgericht met het commerciële statutaire doel stations te beheren en te exploiteren, (ii) dat de wetgever heeft beoogd een strikte scheiding tussen privaat en publiek rond het spoor aan te brengen, in het kader waarvan enerzijds het beheer en de exploitatie van stations door NS Stations als private aangelegenheid wordt aangemerkt, en anderzijds het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en het personenvervoer over het hoofdrailnet bij concessie aan respectievelijk ProRail B.V. en N.V. NS heeft opgedragen, en (iii) dat aan NS Stations geen publieke taak is opgedragen omdat het waarborgen van de transferfunctie een publieke last is die drukt op de uitoefening van haar commerciële activiteiten, en het veilig en schoon houden van haar vastgoed activiteiten zijn die ieder commercieel vastgoedbedrijf uitvoert. In het verlengde hiervan wordt in subonderdeel 1.2.2 betoogd dat het hof in rov. 3.14-3.18 van het bestreden arrest heeft miskend dat de oorspronkelijke intentie om aan NS Stations geen publieke taken op te dragen nog altijd niet is verlaten.
4.38
Zie ik het goed, dan hebben deze klachten betrekking op het eerste zinsdeel van voorwaarde a (“die specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang”), terwijl het zojuist besproken subonderdeel 1.1 betrekking heeft op het tweede zinsdeel (“anders dan van industriële of commerciële aard”). Anders dan Exterion in haar middel in zaak 20/00008, heeft NS Stations dus de logische volgorde van de beide criteria omgedraaid (vgl. 4.25 hiervoor).
4.39
NS Stations voldoet aan het eerste criterium. Zoals ik al zei, voert zij activiteiten uit die in dienst staan van de vervoerstaken van NS c.q. NS Reizigers B.V.. Het borgen van de transferfunctie van de stations is daar het belangrijkste voorbeeld van. NS had er ook voor kunnen kiezen die taak ergens anders binnen het concern te beleggen. Dat NS Stations daarnaast commerciële vastgoedactiviteiten verricht en, zoals de meeste rechtspersonen, een ruime statutaire doelomschrijving heeft (vgl. 2.5 hiervoor) laat onverlet dat zij (mede) is opgericht om te voorzien in behoeften van algemeen belang. Noch de aanbestedingsrechtelijke regelgeving noch de Europese rechtspraak bevat aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het doel om in behoeften van algemeen belang te voorzien formeel moet zijn vastgelegd in een (wettelijke of statutaire) taakopdracht.45.Bepalend is welke activiteiten een entiteit daadwerkelijk verricht, zoals het hof in rov. 3.19 met juistheid heeft overwogen.
4.40
Zoals wij zagen is het hof in rov. 3.18 en 3.19 onder meer ingegaan op de stellingen van NS Stations waarin zij haar commerciële doel benadrukt. Het hof heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom het deze stellingen verwerpt, en neemt daarbij als uitgangspunt dat de transferfunctie en het beheer van commercieel vastgoed een verschillend karakter hebben en beide door NS Stations (moeten) worden uitgevoerd. In zijn oordeel dat NS Stations op basis van wet- en beleidsregels en volgens de uitwerking van die regels in de praktijk met en naast haar activiteiten de transferfunctie dient te waarborgen, heeft het hof wel degelijk de zojuist genoemde stellingen van NS Stations betrokken. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof is bovendien, gezien de centrale rol van de transferfunctie in (beheer en) exploitatie van de stations, niet onbegrijpelijk.
4.41
Naar aanleiding van de hiervoor in 4.37 weergegeven stellingen (i)-(iii) van NS Stations wijs ik nog op het volgende. Het statutaire doel om stations te exploiteren is, anders dan NS Stations stelt, niet een zuiver commercieel doel, gelet op de van die exploitatie deel uitmakende transferfunctie van de stations en de al genoemde verbondenheid daarvan met de vervoerstaak van NS. Verder gaat het betoog over de “strikte scheiding tussen privaat en publiek rond het spoor”46.mijns inziens niet op. De in het midden van de jaren ’90 doorgevoerde splitsing van de vroegere Nederlandse Spoorwegen in de aanbieder van spoorvervoerdiensten (NS) en de beheerder van de spoorweginfrastructuur (ProRail) betekent niet dat de NS daardoor in het private domein is beland. Dat haar bedrijfsvoering aan bepaalde bedrijfseconomische normen moet voldoen maakt NS evenmin een private onderneming met commerciële activiteiten. De nationale kwalificatie ‘privaat’, wat daar verder van zij, is hoe dan ook irrelevant voor de uitleg van een autonoom Unierechtelijk begrip als ‘publiekrechtelijke instelling’. Tot slot wijs ik erop dat, anders dan NS Stations ingang wil doen vinden, een entiteit ook kan voorzien in behoeften van algemeen belang in de hier relevante betekenis indien haar niet een daartoe strekkende taak is opgedragen. De aanbestedingsrechtelijke regelgeving en rechtspraak bevatten namelijk geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het doel om in behoeften van algemeen belang te voorzien formeel moet zijn vastgelegd in een (wettelijke of statutaire) taakopdracht.47.Bepalend is welke activiteiten een entiteit feitelijk verricht, zoals het hof met juistheid heeft overwogen in rov. 3.19.
4.42
Subonderdeel 1.2.3 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.18 (en 3.19) rechtens onjuist is, omdat het de entiteiten die moeten worden geacht specifiek ten doel te hebben te voorzien in behoeften van algemeen belang, onbegrensd laat.
4.43
De klacht gaat eraan voorbij dat per entiteit aan de hand van alle relevante elementen rechtens en feitelijk zal moeten worden bezien of die entiteit een aanbestedende dienst is. Juist omdat het van de omstandigheden afhangt of met een bepaalde activiteit wordt beoogd te voldoen aan behoeften van algemeen belang is het niet doenlijk, en Unierechtelijk bovendien onjuist, bepaalde activiteiten categorisch te willen uitsluiten.
4.44
De conclusie is dat alle klachten van onderdeel 1 van het middel falen.
Onderdeel 2: duidelijk grensoverschrijdend belang
4.45
Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang en het daarom in beide gevallen ging om een aanbestedingsplichtige opdracht. Ik schets eerst weer het juridisch kader.48.
Juridisch kader: algemene beginselen van aanbestedingsrecht
4.46
Dienstenconcessies zijn overheidsopdrachten voor het verrichten van diensten met als kenmerk dat het economisch risico bij de opdrachtnemer ligt. Overheden streven met het verlenen van dienstenconcessies in de regel een algemeen belang na.49.De daarmee samenhangende politieke gevoeligheid vormde een van de redenen waarom dienstenconcessies lange tijd van de Europese aanbestedingsrichtlijnen waren uitgesloten.50.
4.47
Bij dienstenconcessies gaat het vaak om opdrachten met een grote financiële waarde. Dat was een van de redenen waarom de Commissie in een interpretatieve mededeling uit 2000 uiteen heeft gezet dat bij het verlenen van dienstenconcessies de algemene beginselen van het recht van vrijheid van vestiging (art. 43 EG, thans art. 49 VWEU) en van het vrij verkeer van diensten (art. 49 EG, thans art. 56 VWEU) in acht dienen te worden genomen: gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie en proportionaliteit.51.
4.48
Nog datzelfde jaar sloot het Hof van Justitie zich in het arrest Telaustria hierbij aan.52.Het Hof legde een koppeling tussen gelijke behandeling en transparantie: het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (of vestigingsplaats) kan alleen worden nageleefd als transparantie wordt betracht. Je weet immers pas of er andere gegadigden zijn als je openbaar hebt gemaakt dat er een opdracht te vergeven is. Volgens het Hof houdt de transparantieverplichting in (mijn onderstreping):
“62 (…) dat aan elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd, zodat de dienstenmarkt voor mededinging wordt geopend en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst.”
4.49
Een vervolgvraag was wat moest worden verstaan onder ‘een passende mate van openbaarheid’. Uit het arrest Coname uit 2005 bleek dat het niet nodig is om een volledige aanbestedingsprocedure te organiseren; het volstaat dat gegadigden uit andere lidstaten een reële mogelijkheid krijgen hun belangstelling voor de concessie te tonen.53.In het arrest Parking Brixen, eveneens uit 2005, overwoog het Hof:54.
“50 (…) Het volstrekt ontbreken van een oproep tot mededinging bij de gunning van een openbaredienstenconcessie (…) is evenwel niet in overeenstemming met de vereisten van de artikelen 43 EG en 49 EG en evenmin met de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie.”
In een interpretatieve mededeling uit 200655.heeft de Commissie getracht meer handen en voeten te geven aan de door de aanbestedende dienst te volgen procedure. Volgens de Commissie moet de aanbestedende dienst een opdracht van te voren aankondigen om de opdracht ‘voor mededinging open stellen’.
4.50
Een tweede vervolgvraag was of het vereiste van ‘een passende mate van openbaarheid’ ook gold voor overheidsopdrachten die wél binnen de werkingssfeer van (een van) de aanbestedingsrichtlijnen vallen, maar op grond van die richtlijn(en) zelf van de verplichting een (volledige) aanbestedingsprocedure te volgen zijn uitgezonderd. Concreet ging het om opdrachten beneden de financiële drempelwaarden (geen aanbestedingsverplichting) en de zogenoemde B-diensten (bekendmaking achteraf voldoende).56.In de mededeling uit 2006 overweegt de Commissie dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.
4.51
Dit pleidooi voor een brede toepassing van de algemene beginselen van aanbestedingsrecht (als aanvulling op de aanbestedingsrichtlijnen) deed de vraag rijzen of kleine gevallen daarvan moesten worden uitgezonderd. In haar interpretatieve mededeling gaat de Commissie in op die vraag of en hoe een ondergrens moet worden vastgesteld. Zij stelde als afbakeningscriterium voor: ‘een voldoende band met de werking van de interne markt’. In gevallen waarin die band niet aantoonbaar aanwezig is, zou een aanbestedende dienst niet verplicht zijn om de concessieverlening voor mededinging open te stellen.
4.52
In het arrest An Post uit 2007 kwam het Hof met een iets ander afbakeningscriterium: ‘een duidelijk grensoverschrijdend belang’.57.Dit criterium werd in die zaak toegepast op een opdracht voor een B-dienst. Aldus werd de ‘Telaustria-rechtspraak’ doorgetrokken naar B-diensten maar tegelijk geclausuleerd door het criterium ‘een duidelijk grensoverschrijdend belang’.
4.53
In het arrest Commissie/Italië uit 2008 oordeelde het Hof in gelijke zin ten aanzien van opdrachten beneden de drempelwaarde (mijn onderstreping):58.
“66 Wanneer evenwel vaststaat dat een dergelijke opdracht een bepaald grensoverschrijdend belang vertoont, levert de gunning van deze opdracht aan een in de lidstaat van de aanbestedende dienst gevestigde onderneming, zonder dat er sprake is van enige transparantie, een ongelijke behandeling op ten nadele van de in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen die mogelijkerwijs in deze opdracht geïnteresseerd zijn.”
Ik merk op dat het woord ‘bepaald’ mijns inziens een minder gelukkige vertaling van ‘certain’ vormt. De Franse taalversie van het arrest (de werktaal van het Hof) luidt: ‘un intérêt transfrontalier certain’. Doordat het bijvoeglijk naamwoord ‘certain’ achteraan staat, is een duidelijk grensoverschrijdend belang bedoeld. Indien een ‘eventueel belang’ of een ‘bepaald belang’ was bedoeld, dan zou het woord ‘certain’ vooraan moeten staan: un certain intérêt transfrontalier’’.59.
4.54
In het arrest SECAP uit 2008 overwoog het Hof van Justitie dat een opdracht een duidelijk grensoverschrijdend belang kan vertonen wegens de geraamde waarde ervan, samen met de technische aard ervan of de uitvoering van de werken op een plek die voor buitenlandse marktdeelnemers interessant zou kunnen zijn.60.Dit zijn geen cumulatieve vereisten, maar niet-limitatieve factoren die voor de te maken beoordeling van belang kunnen zijn. De rechter moet deze factoren, en mogelijk andere relevante omstandigheden in zijn oordeel betrekken.61.Aldus heeft het Hof de factoren die bepalend zijn om een duidelijk grensoverschrijdend belang te kunnen aannemen nader geobjectiveerd.
4.55
Die lijn is voortgezet in de arresten Technoedi (2016), Borta Klaipedos (2017) en Oftalma (2018).62.In laatstgenoemd arrest heeft het Hof (nogmaals) overwogen dat:
“40 (…) het aanzienlijke bedrag van de betrokken opdracht, in combinatie met de plaats van uitvoering van de werken of de technische kenmerken van de opdracht en de specifieke kenmerken van de betrokken producten, objectieve criteria kunnen zijn die kunnen duiden op het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang. In die context kan tevens rekening worden houden met het bestaan van klachten van in andere lidstaten dan de aanbestedende dienst gevestigde marktdeelnemers, mits wordt nagegaan of het werkelijke klachten en geen schijnklachten betreft (…).”63.
4.56
In lijn hiermee heeft de Hoge Raad in het arrest JC/Decaux/Eindhoven64.in 2018 het volgende vooropgesteld (rov. 3.4):
“Een duidelijk grensoverschrijdend belang kan met name blijken uit de economische waarde van de geplande overeenkomst, bezien in samenhang met de plaats van uitvoering en de specifieke kenmerken ervan (zie onder meer de arresten Belgacom, punt 29, Tecnoedi, punt 20, en Borta/Klaipedos, punt 44). Het gaat hier niet om vereisten waaraan, al dan niet cumulatief, voldaan dient te zijn, maar om factoren die in het bijzonder voor het oordeel van de rechter van belang kunnen zijn. De rechter moet behalve deze factoren ook de eventuele andere relevante omstandigheden van het geval in zijn oordeel betrekken (vgl. het arrest Enterprise Solutions, punten 20 en 22). Andere in de rechtspraak van het HvJEU genoemde factoren zijn het belang van in andere lidstaten gevestigde ondernemers, mits dit belang reëel en niet fictief is (zie het arrest Borta/Klaipedos, punt 44), en de omstandigheid dat eventuele uit andere lidstaten afkomstige inschrijvers geconfronteerd kunnen worden met eisen en extra lasten in verband met de verplichting zich aan te passen aan het juridische en bestuurlijke kader van de lidstaat waar de opdracht wordt uitgevoerd en om te voldoen aan taalvereisten (zie het arrest Tecnoedi, punt 25). Niet is vereist dat marktdeelnemers daadwerkelijk belangstelling hebben geuit (zie het arrest Belgacom, punt 31).”
4.57
De partij die zich op een duidelijk grensoverschrijdend belang beroept dient concrete feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen. Niet nodig is uiteen te zetten waarom ondernemingen uit andere lidstaten daadwerkelijk geïnteresseerd zullen of kunnen zijn in de opdracht.65.De concrete belangstelling van een buitenlandse partij in een opdracht kan erin gelegen zijn dat de buitenlandse partij die opdracht wenst te verwerven via een lokale dochtervennootschap. Het enkele feit dat de lokale dochtervennootschap belangstelling voor de opdracht heeft getoond, brengt echter niet mee dat die belangstelling moet worden aangemerkt als belangstelling van de buitenlandse moedervennootschap. Dat wordt niet anders als de dochtervennootschap (mede) door de buitenlandse moedervennootschap wordt bestuurd.66.
4.58
Tot slot van dit overzicht moet de vraag worden beantwoord wat naar de stand van het recht ten tijde van het verlenen van de beide concessies de verplichtingen waren van een aanbestedende dienst bij het verlenen van een dienstenconcessie.
4.59
De concessieovereenkomst 2011 dateert van vóór de Aanbestedingswet 2012. De toen geldende Richtlijn 2004/18/EG was als gezegd op dienstenconcessies niet van toepassing. De Europese algemene beginselen van aanbestedingsrecht dienden echter te worden nageleefd indien een concessie een duidelijk grensoverschrijdend belang had. De grondslag voor die verplichting was het primaire Unierecht (art. 49 en 56 VWEU), zoals uitgelegd in de hiervoor genoemde rechtspraak.
4.60
Ten tijde van het sluiten van de Ngage-overeenkomst (juni 2015) was de Aw 2012 (oud) van kracht. Afdeling 1.2.2 van die wet is getiteld ‘Beginselen bij Europese aanbestedingen’. Ingevolge art. 1.7 onder c) Aw 2012 (oud) gelden deze beginselen voor aanbestedende diensten bij “het sluiten van een concessieovereenkomst voor diensten met een duidelijk grensoverschrijdend belang”.67.Op grond van art. 1.9 lid 2 Aw 2012 (oud) draagt de aanbestedende dienst in ieder geval zorg voor een passende mate van openbaarheid van de aankondiging van het voornemen tot onder andere het sluiten van een concessieovereenkomst voor openbare werken. Blijkens de memorie van toelichting “geldt hetzelfde (…) met betrekking tot concessieovereenkomsten voor diensten.” 68.De algemene beginselen van aanbestedingsrecht waren in 2015 dus van toepassing op de verlening van een dienstenconcessie die een duidelijk grensoverschrijdend belang had.69.
4.61
Ik kom nu toe aan de klachten. Daarin staat centraal de – inherent feitelijke – vraag of het hof terecht heeft aangenomen dát beide concessieovereenkomsten een duidelijk grensoverschrijdend belang vertegenwoordigen.
Subonderdeel 2.1
4.62
Het hof overweegt in rov. 3.39 als volgt:
“Thans komt het hof toe aan de beantwoording van de in grief 2 tot en met 5 door JCDecaux aan de orde gestelde vraag of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang ten aanzien van de in 2011 door NS Stations met Exterion gesloten concessieovereenkomst. Het hof oordeelt als volgt. Uit het voorgaande volgt dat er in 2011 geen sprake was van een uit een richtlijn of wet voortvloeiende aanbestedingsplicht voor NS Stations.
JCDecaux verwijt de rechtbank echter terecht dat zij (in rov. 4.36.1) tot uitgangspunt neemt dat NS Stations in beginsel niet aanbestedingsplichtig was toen zij in 2011 de overeenkomst met Exterion sloot. Dat hangt immers, zoals JCDecaux terecht aanvoert, af van de vraag of (ook in aanwezigheid van een uit Richtlijn Concessieovereenkomst of wet voortvloeiende aanbestedingsplicht) ten aanzien van de in 2011 gesloten overeenkomst sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. En dat is, zoals JCDecaux terecht betoogt bij grief 2, weer relevant voor de door aanbestedende dienst voorafgaand aan de opdracht uit te voeren beoordeling.
Weliswaar rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast van een duidelijk grensoverschrijdend belang op JCDecaux, maar dat laat onverlet dat NS Stations als aanbestedende dienst voor de verlening van een opdracht zelf moet nagaan of ondernemingen uit andere lidstaten mogelijk geïnteresseerd zijn in deze opdracht:
“Het staat in beginsel aan de betrokken aanbestedende dienst om, alvorens de voorwaarden van de aankondiging van opdracht op te stellen, het eventuele grensoverschrijdende belang te beoordelen van een opdracht waarvan de geraamde waarde lager is dan de in de gemeenschapsregels vastgelegde drempel, met dien verstande dat deze beoordeling door de rechter kan worden getoetst.”
HvJ EG inzake Secap Spa en Santorso (t.a.p.)
In zoverre slaagt grief 2. Dat alleen kan echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat ten aanzien van de met Exterion gesloten concessieovereenkomst 2011 sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang.”
4.63
Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof door aldus te overwegen de stelplicht en bewijslast van JCDecaux ter zake van de aanwezigheid van een duidelijk grensoverschrijdend belang ten onrechte heeft gerelativeerd.
4.64
De klacht faalt bij gebrek aan belang, nu het hof concludeert dat een en ander niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Ik lees overigens in rov. 3.39 niet een relativering van de stelplicht en bewijslast van JCDecaux.
4.65
Subonderdeel 2.2, 2.3 en 2.4, onder a en c, klagen dat het hof geen acht heeft geslagen op diverse omstandigheden waaruit volgt of althans kan volgen dat ten aanzien van de beide concessieovereenkomsten een duidelijk grensoverschrijdend belang ontbreekt. De subonderdelen stellen centraal dat het hof heeft meegewogen de stellingen van JCDecaux over haar vennootschapsrechtelijke band met de Franse moedervennootschap JCDecaux SA. Uit die stellingen mocht het hof niet (mede) afleiden dat (ook) JCDecaux SA de opdracht wenste te verwerven, althans dat sprake was van een voor NS Stations kenbare mogelijke interesse van buitenlandse marktpartijen.
4.66
Ik stel voorop dat Exterion in de samenhangende zaak niet opkomt tegen dit gedeelte van het arrest van het hof. Exterion berust klaarblijkelijk in het oordeel van het hof dat de haar verleende concessieovereenkomst 2011 een duidelijk grensoverschrijdend belang vertegenwoordigt.
4.67
De door NS Stations aangevoerde klachten kunnen niet slagen. Het hof is niet alleen ingegaan op de door JCDecaux benadrukte vennootschapsrechtelijke band met JCDecaux SA, maar weegt ook mee dat (i) er sprake is van een langdurige overeenkomst met een totale waarde over de looptijd (2011-2028) van tenminste (volgens Exterion zelf) € 50.000.000 euro, hetgeen een aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt, (ii) de concessie ziet op 300 stations en daarmee vrijwel het hele grondgebied van Nederland beslaat, en (iii) de concessie in ieder geval vanaf medio 2011 daadwerkelijk belangstelling had van JCDecaux en (vertegenwoordigers van) haar moedervennootschap JCDecaux SA op een hoog niveau. De door het hof gegeven beoordeling acht ik overtuigend. Niet valt uit te sluiten dat het contract met Exterion in Nederland een van de grootste in zijn soort is.
4.68
Subonderdeel 2.3 betoogt dat JCDecaux als Nederlandse dochter van JCDecaux SA niet is opgericht ter verkrijging van de lokale concessie.70.Reclamecontracten zouden een lokaal karakter hebben, zoals zou blijken uit het feit dat doorgaans lokale entiteiten trachten concessies te verwerven.
4.69
Het hof heeft hierop gerespondeerd, waar het overweegt (rov. 3.43) dat Exterion ter zitting heeft erkend dat de oprichting van een lokale vennootschap nodig is om rendabel te kunnen werken. Het hof voegt daaraan toe (rov. 3.43, voorlaatste alinea):
“In ieder geval blijkt uit het feit dat reclamecontracten veelal door lokale vennootschappen van internationale concerns worden uitgevoerd niet dat bij deze contracten geen sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang.”
4.70
Dit oordeel komt mij juist voor. Anders dan het middel lijkt te betogen, is voor het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet vereist dat een Nederlandse dochtervennootschap, die aan de betrokken aanbestedende dienst tijdig haar belangstelling kenbaar heeft gemaakt om te kunnen meedingen naar concessies, specifiek is opgericht ter verkrijging van de lokale concessie. Ik lees de overweging ook niet zo dat het hof het bestaan van interesse in de opdrachten van de lokale dochtervennootschappen vereenzelvigt met de belangstelling van de internationale moedermaatschappijen. Het hof heeft bedoeld dat uit de aanwezigheid en de interesse van lokale dochtervennootschappen “in ieder geval” niet mag worden afgeleid dat de overeenkomsten een lokaal karakter hebben. Dat acht ik zonder meer juist.
4.71
Het gegeven dat het hebben van een buitenlandse moeder als zodanig niet volstaat om het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang aan te nemen, lijkt hier door NS Stations te worden omgedraaid: het feit dat (alleen) een Nederlandse dochtervennootschap en niet de buitenlandse moeder belangstelling toont voor een dienstenconcessie zou een aanwijzing vormen voor het ontbreken van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Ik acht dat onjuist. Ten eerste blijkt uit de rechtspraak dat niet is vereist dat een aanbieder uit een andere lidstaat interesse in een opdracht heeft getoond (vgl. 4.56 hiervoor); bepalend is of deze gelet op de relevante omstandigheden redelijkerwijs interesse kan hebben. Ten tweede worden ondernemingen die gebruik hebben gemaakt van het door de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU) toegekende secundaire vestigingsrecht (door in een andere lidstaat een dochter op te richten), slechter behandeld dan een vennootschap die rechtstreeks vanuit haar vestiging in een andere lidstaat haar belangstelling kenbaar maakt. Daarin schuilt een risico van discriminatie op grond van nationaliteit: enerzijds omdat aanbestedende diensten dan eerder ervan kunnen uitgaan dat een opdracht niet een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft en daarom niet voor mededinging hoeven open te worden gesteld; anderzijds omdat het meedoen aan aanbestedingen rechtstreeks vanuit een ander land, zonder tussenkomst en ondersteuning van een lokale vennootschap, in veel gevallen een nadeel is en daarmee de kans om de opdracht in de wacht te slepen kan verkleinen.
4.72
Subonderdeel 2.4 onder b klaagt dat het oordeel van het hof dat de Ngage-overeenkomst een waarde van € 15,7 miljoen en daarmee een aanzienlijke waarde vertegenwoordigde, onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van NS Stations dat de overeenkomst onder de drempelwaarde van de Concessierichtlijn werd geraamd.
4.73
Het hof heeft geoordeeld dat NS Stations de door JCDecaux aangevoerde waarde van de Ngage-overeeenkomst van ongeveer € 15,7 miljoen niet als zodanig heeft betwist (rov. 3.46). Dit oordeel berust op een waardering van stellingen van partijen die is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. In het licht van de gedingstukken is het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. In cassatie stelt NS Stations overigens niet dat zij in hoger beroep genoemd bedrag wél zou hebben betwist, terwijl zij als concessieverlener bij uitstek in staat moet worden geacht om de waarde van het contract aan te geven, temeer omdat die waarde in hoge mate bepalend is voor de concessievergoeding.71.
4.74
NS Stations heeft gesteld dat de waarde van de Ngage-overeenkomst beneden de drempelwaarde voor de toepasselijkheid van de Concessierichtlijn en deel 2a Aw 2012 zou liggen (aanvankelijk € 5.225.000, thans € 5.350.000), maar niet gepreciseerd of het verschil tussen de waarde van deze concessie en de wettelijke drempelwaarde aanzienlijk of gering is. NS Stations heeft in hoger beroep gesteld:72.
“Dat betekent dat zelfs als de Ngage-overeenkomst ná 1 juli 2016 zou zijn gesloten (hetgeen zoals gezegd niet zo is), deel 2a Aw daarop dan nog steeds niet van toepassing zou zijn. Ook dán zou dus geen verplichting bestaan de Ngage-overeenkomst aan te besteden. (…).”
4.75
Het is maar net wat je moet verstaan onder ‘geen verplichting aan te besteden’. Indien de waarde van het contract inderdaad beneden de drempelwaarde ligt, zou in het hypothetische geval dat het contract na 1 juli 2016 was gesloten, inderdaad de (volledige) aanbestedingsprocedure van deel 2a Aw niet van toepassing zijn. Maar daarmee is voor NS Stations de kous niet af. Ook bij een contractwaarde beneden de drempelwaarde kan immers sprake zijn van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Na de inwerkingtreding van de Concessierichtlijn is de rechtspraak over een passende mate van openbaarheid nog steeds van toepassing (vgl. 4.59 en voetnoot 68 hiervoor).
4.76
NS Stations heeft nog gewezen op het arrest Commissie/Duitsland uit 2010 over het verlenen van opdrachten, op deelstaatniveau en per regio, voor spoedeisende ambulancediensten met een hogere waarde dan medische diensten. Daarin zou het Hof van Justitie hebben uitgemaakt dat ondanks een contractwaarde van € 70 miljoen zich niet een duidelijk grensoverschrijdend belang voordeed.73.Ik lees dit nogal complexe arrest anders dan NS Stations kennelijk voorstaat. Het gaat in die inbreukprocedure (art. 258 VWEU) om een aanbestedingspraktijk in vier Duitse deelstaten, die door de Commissie wordt geïllustreerd aan de hand van een aantal individuele opdrachtverleningen met een sterk wisselende contractwaarde. Eén opdracht van € 65 miljoen (niet € 70 miljoen) in de regio Hannover springt er in waarde bovenuit.74.Het arrest ziet niet op dienstenconcessies maar op overheidsopdrachten voor B-diensten.75.Het Hof oordeelt dat de Commissie het bewijs van de door haar gestelde inbreuk op bepaalde richtlijnbepalingen en art. 49 en 56 VWEU niet heeft geleverd, ook niet ten aanzien van “de vraag of de door de Commissie genoemde opdrachten een duidelijk grensoverschrijdend belang hebben” (punt 123). Uit het arrest blijkt dat het Hof de bewijsvoering door de Commissie op generiek niveau heeft beoordeeld en niet op het niveau van de aangevoerde individuele gevallen. Wat hier ook van zij, in de zeer specifieke sector van de ambulancediensten is aannemelijk dat markten regionaal of zelfs lokaal van aard zijn, wat de kans op belangstelling vanuit het buitenland niet uitsluit maar wel gering maakt. Voor het uitvoeren van deze diensten gelden strikte vereisten, onder andere op medisch, logistiek en administratief gebied. De sector buitenreclame is daarmee niet vergelijkbaar. Dat is immers een gewone commerciële branche, waarin voor internationaal opererende bedrijven in beginsel geen bijzondere technische of regelgevende belemmeringen bestaan om elders in de Europese Unie dezelfde activiteiten als op de thuismarkt te ontplooien.
4.77
Ik wijs er nog op dat de (geschatte) economische waarde van de Ngage-overeenkomst één van de acht in rov. 3.46 van het bestreden arrest opgesomde omstandigheden is, die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat deze overeenkomst een duidelijk grensoverschrijdend belang vertegenwoordigt. De meeste omstandigheden uit dat lijstje zijn hiervoor besproken. Relevant is naar mijn mening met name dat de concessie betrekking heeft op vier van de grootste stations en op digitale reclamemedia die ongetwijfeld de toekomst hebben. Het kon ook in 2015 daarom niet worden uitgesloten dat daarvoor bij een buitenlandse partij belangstelling zou bestaan.
4.78
De conclusie is dat alle klachten van onderdeel 2 van het middel falen.
Onderdeel 3: rechtsverwerking
4.79
Onderdeel 3 richt zich tegen de verwerping van het beroep van NS Stations op rechtsverwerking aan de zijde van JCDecaux (zie rov. 3.4 en 3.5 van het bestreden arrest). NS Stations had betoogd, kort gezegd, dat JCDecaux medio 2011 al wist en er bovendien mee had ingestemd dat NS Stations met Exterion een langdurige overeenkomst zou sluiten.76.
4.80
Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat, al dan niet met toepassing van de Grossmann-jurisprudentie,77.van JCDecaux een proactieve houding mocht worden verwacht toen zij wist dat een voor haar relevante, omvangrijke concessie onderhands aan een andere partij zou worden gegund en zij meende dat daarbij de aanbestedingsregels werden geschonden. Het grote gewicht dat het hof heeft toegekend aan de door JCDecaux gestelde onzekerheid omtrent de looptijd en de inhoud van de voorgenomen concessieovereenkomst 2011 is volgens het subonderdeel niet te rijmen met het arrest Oosterbroek/Nekami78.en, gelet op het partijdebat, onbegrijpelijk. Het subonderdeel voert daartoe aan dat uit de stellingen van partijen volgt (i) dat JCDecaux (voldoende) op de hoogte was van de (langere) looptijd van de voorgenomen concessieovereenkomst, en (ii) dat JCDecaux (voldoende) bekend was met de inhoud daarvan.
4.81
Voorop moet worden gesteld dat het oordeel van het hof waartegen deze subonderdelen opkomen, berust op een feitelijke waardering van het partijdebat, die is voorbehouden aan het hof als feitenrechter.
4.82
Het onderdeel ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 3.4 de volgende door JCDecaux gestelde feiten en omstandigheden, die kennelijk door NS Stations en Exterion onvoldoende zijn betwist, in zijn beoordeling betrekt: (i) JCDecaux heeft vanaf 2008 bij NS Stations en haar rechtsvoorgangster kenbaar gemaakt dat zij geïnteresseerd is in het meedingen naar de contracten; (ii) de e-mail van 13 september 2010 van NS Poort waarin wordt gesproken over een shortlist waarop JCDecaux zou staan; (iii) de uitlatingen van NS Stations in 2011 waaruit JCDecaux leek op te maken dat de overeenkomst met Exterion voor hoogstens vijf à zeven jaar zou gelden, na welke periode een aanbesteding zou volgen; en (iv) het gebrek aan openheid van NS Stations over de contractspartner, de omvang en de inhoud van de beoogde overeenkomst.79.In die omstandigheden is het oordeel van het hof dat geen sprake is van rechtsverwerking niet onbegrijpelijk. NS Stations mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat JCDecaux niet (langer) het standpunt in zou nemen dat NS Stations als aanbestedende dienst is aan te merken en ook niet dat JCDecaux geen poging zou doen om de overeenkomst, waarvan pas veel later is gebleken dat deze een looptijd van 15 jaar heeft, in rechte aan te tasten.
4.83
Het subonderdeel kan ook niet slagen voor zover daarin een beroep wordt gedaan op het arrest Grossmann.80.In dit arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld over de vraag of het in strijd is met de zogenoemde Rechtsbeschermingsrichtlijn81.dat een onderneming op grond van regels van nationaal recht wegens gebrek aan belang geen toegang heeft tot een beroepsprocedure. Op grond van dit arrest mag van de inschrijver c.q. klager een proactieve houding worden verwacht. Hij dient zijn bezwaren zo spoedig mogelijk bekend te maken bij de aanbestedende dienst. Uit het arrest volgt dat inschrijvers in een zo vroeg mogelijk stadium bezwaren tegen een aanbesteding (bijvoorbeeld wegens de voorgeschreven specificaties) kenbaar moeten maken, anders kunnen zij niet meer opkomen tegen de voorlopige gunningsbeslissing.
4.84
Er bestaat evenwel een belangrijk feitelijk verschil tussen de zaak Grossmann en de onderhavige zaak. In Grossmann was een openbare aanbestedingsprocedure gehouden waaraan de gelijknamige onderneming niet had deelgenomen. Deze had ook geen bezwaar gemaakt tegen de voor deelneming aan de aanbesteding vastgestelde specificaties. Hier heeft NS Stations geen aanbesteding georganiseerd en evenmin, voorafgaand aan het verlenen van de beide concessies, een passende mate van openbaarheid betracht. Er was dus niets waartegen JCDecaux bezwaar kon maken.82.Het hof oordeelt daarom terecht dat de Grossmann-jurisprudentie niet van toepassing is op een situatie als hier aan de orde. Het hof hoefde ook niet toe te komen aan een analoge toepassing van die jurisprudentie, omdat voor JCDecaux niet duidelijk was of had kunnen zijn vanaf welk moment van haar een proactieve houding kon worden verwacht en omdat NS Stations bewust of onbewust de onduidelijkheid liet voortduren (vgl. rov. 3.6).
4.85
Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat juist in een geval waarin geen aanbestedingsprocedure is gestart maar mogelijkerwijs een transparantieverplichting bestond, van JCDecaux een proactieve houding (en voorzetting van de door haar aangekondigde rechtsmaatregelen) mocht worden verwacht.
4.86
Deze klacht strandt op dezelfde gronden als subonderdeel 3.1. In het licht van de door NS Poort in 2011 verstrekte informatie is de keuze van JCDecaux af te zien van het voeren van een kort geding en te proberen in gesprek te blijven alleszins begrijpelijk. Naar later is gebleken is JCDecaux toen op het verkeerde been gezet en vervolgens aan het lijntje gehouden, zoals ook het hof – in iets andere bewoordingen – heeft geoordeeld.83.Uit de uitvoerige processtukken zijdens NS Stations blijkt met name niet dat JCDecaux in 2011 er over in kennis was gesteld dat aan Exterion een concessie tot 2028 was verleend.
4.87
Het subonderdeel klaagt verder over een heel ander punt, namelijk dat het hof, zo nodig met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat partieel aan JCDecaux had behoren te ontzeggen, namelijk voor de periode van vijf à zeven jaar (en waarschijnlijker tien jaar) waarmee JCDecaux naar eigen zeggen rekening hield als looptijd van het aan Exterion gegunde contract.
4.88
Het betoog faalt. Het hof heeft in rov. 3.54 omtrent de vordering tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, overwogen dat de mogelijkheid van schade aan de zijde van JCDecaux aannemelijk is geworden, hetgeen volstaat voor verwijzing naar de schadestaat. Een ambtshalve aanvulling middels partiële ontzegging van de schadevergoedingsactie, wat er van een dergelijke aanvulling ook zij, ziet niet op de grondslag van de schadevergoedingsverplichting, maar op de begroting van de schade.84.Die komt pas aan de orde in de schadestaatprocedure, waarin NS Stations alle gelegenheid zal hebben om verweer te voeren ten aanzien van de omvang van de schade van JCDecaux.
Onderdeel 4: diverse klachten tegen de dicta
4.89
Onderdeel 4 bevat diverse klachten tegen de geformuleerde dicta.
4.90
Subonderdeel 4.1 bevat een louter voortbouwende klacht, die deelt in het lot van bovenstaande klachten.
4.91
Subonderdeel 4.2 klaagt dat het hof ten onrechte (i) in het hoger beroep van JCDecaux met nummer 200.237.719 in het dictum onder 2 voor recht verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst aan te besteden, althans voor mededinging open te stellen, en (ii) in voormeld dictum onder 3 NS Stations heeft veroordeeld tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Volgens het middel had het hof het dictum moeten beperken tot (de tekortkoming in de) verplichting om een passende mate van openbaarheid te betrachten (en daarmee de markt voor mededinging open te stellen).
4.92
De klacht gaat eraan voorbij dat het dictum moet worden gelezen in het licht van de relevante rechtsoverwegingen. In dit geval is dat in het bijzonder rov. 3.39, waarin het hof voorop stelt dat “er in 2011 geen sprake was van een uit een richtlijn of wet voortvloeiende aanbestedingsplicht voor NS Stations”, oordeelt dat de concessieovereenkomst 2011 een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft en wordt beheerst door de algemene beginselen van aanbestedingsrecht (rov. 3.37 in combinatie met rov. 3.43). Het hof is, zoals wij hiervoor zagen, ten aanzien van de Ngage-overeenkomst tot dezelfde conclusie gekomen (rov. 3.47). Waar in het dictum wordt gesproken over ‘aanbestedingsplichtig’ heeft het hof in het licht van zijn oordeel klaarblijkelijk bedoeld dat NS Stations voor beide overeenkomsten verplicht was in ieder geval een passende mate van openbaarheid te betrachten en dus de markt voor mededinging open te stellen.
4.93
Subonderdelen 4.3 en 4.4 bevatten klachten over de in de zaak met nummer 200.237.719 in het dictum onder 6 en 7 opgenomen gebod aan NS Stations op straffe van een dwangsom inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, onder overlegging van een verklaring van een onafhankelijk accountant waaruit blijkt dat zij daarvan een compleet overzicht heeft verstrekt.
4.94
Subonderdeel 4.3 klaagt dat de bedoelde dwangsom ten onrechte is opgelegd, nu aan de veroordeling die zij versterkt geen nakomingstermijn is verbonden. Het subonderdeel stelt tevens dat het hof in strijd met art. 24 Rv een verdergaande veroordeling heeft uitgesproken dan gevorderd, nu JCDecaux in haar vordering een nakomingstermijn van vijftien werkdagen had opgenomen terwijl het dictum geen nakomingstermijn stelt.
4.95
Ik herinner eraan dat het hof in het dictum een dwangsom heeft verbonden aan:
- het verbod om vanaf twee maanden na betekening van dit arrest nog verder uitvoering te geven aan de concessieovereenkomst 2011 (onder 4);
- het verbod om vanaf 30 dagen na betekening van dit arrest nog verder uitvoering te geven aan de Ngage-overeenkomst (onder 5);
- het gebod inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst waarbij informatie ten aanzien van de prijzen onleesbaar dient te worden gemaakt (onder 6);
- het gebod om ten aanzien van de onder 6 geboden inzage een verklaring van een (van haar) onafhankelijke accountant te verstrekken, waaruit blijkt dat zij een compleet overzicht daarvan heeft verstrekt (onder 7).
Het hof heeft NS Stations namelijk veroordeeld “om in geval van elke overtreding van het onder 4 en 5 geformuleerde verbod en niet-naleving van het onder 6 en 7 geformuleerde gebod een dwangsom aan JCDecaux te betalen van € 100.000,-- per overtreding per dag dat deze voortduurt, tot een maximum van € 1.500.000.”
4.96
Tegen de verboden (onder 4 en 5) en geboden (onder 6 en 7) heeft NS Stations geen klachten gericht. De klacht van subonderdeel 4.3 heeft bovendien alleen betrekking op de dwangsom die het hof heeft verbonden aan de niet-naleving van de geboden. Naar ik aanneem is daarvoor de verklaring dat deze geboden, anders dan de verboden, geen termijn bevatten.
4.97
In zijn algemeenheid is het juist dat duidelijk moet zijn wanneer een door de rechter uitgesproken veroordeling waaraan een dwangsom is verbonden, precies ingaat. De rechtszekerheid vergt immers dat de veroordeelde partij in staat is zelf vast te stellen wat haar verplichtingen zijn. Hier ontbreekt een termijn. Het hof heeft de desbetreffende vordering van JCDecaux toegewezen, maar niet de in die vordering geformuleerde nakomingstermijn van 15 werkdagen overgenomen. Mijns inziens moet het er voor worden gehouden dat het hof is uitgegaan van een redelijke termijn, die in elk geval niet korter kan zijn dan de termijn van 15 werkdagen genoemd in de vordering van JCDecaux.85.Tegen die termijn heeft NS Stations geen inhoudelijk verweer gevoerd.86.Verder merkt JCDecaux in haar schriftelijke toelichting (nr. 2.122) op dat partijen inmiddels een kort geding hebben gevoerd, waarin JCDecaux het standpunt zou hebben ingenomen “dat zij best bereid is geweest een redelijke termijn in acht te nemen.” In haar schriftelijke dupliek (nr. 25) citeert NS Stations uit een vonnis in het (kennelijk door JCDecaux bedoelde) executiekortgeding, dat niet is overgelegd en voor zover ik kan nagaan ook niet is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Uit het citaat lijkt af te leiden dat NS Stations de overeenkomsten op 9 respectievelijk 11 oktober 2019 aan JCDecaux heeft verstrekt en het niet aannemelijk is “dat dwangsommen zijn verbeurd en de bodemrechter anders zal oordelen.” Ik begrijp feitelijke gang van zaken aldus dat (ruimschoots) is voldaan aan de in de vordering genoemde termijn van 15 werkdagen na de betekening van het arrest (als dat überhaupt betekend is).
4.98
Tegen de achtergrond van deze in cassatie door beide partijen verstrekte informatie komt het mij voor dat de klacht van NS Stations over het ontbreken van een termijn waarop de opgelegde dwangsom verschuldigd wordt, geen belang meer toekomt nu het in het dictum onder 6) opgelegde gebod kennelijk (tijdig) is nageleefd. Ik meen dat de klacht daarom geen doel treft.
4.99
Indien uw Raad echter van oordeel is dat de klacht terecht is voorgesteld en tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest moet leiden, dan kan hij de zaak op de voet van art. 420 Rv zelf afdoen.87.Dat zou betekenen dat het bestreden arrest wordt vernietigd voor zover het betreft de in het dictum in zaak 200.237.719 opgenomen dwangsom in geval van niet-naleving van het in het dictum onder 6 opgenomen gebod. Verder zou dan kunnen worden bepaald dat aan het dictum onder 6 de woorden “binnen uiterlijk 15 werkdagen na betekening van het arrest” worden toegevoegd. Het ligt namelijk voor de hand aan te sluiten bij de in de vordering van JCDecaux genoemde termijn. Dit onderdeel van het dictum komt dan te luiden: “gebiedt NS Stations om binnen uiterlijk 15 werkdagen na betekening van het arrest inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst waarbij informatie ten aanzien van de prijzen onleesbaar dient te worden gemaakt.” Ik zou menen dat indien hiertoe wordt beslist, de kosten dienen te worden gecompenseerd, aangezien het ontbreken van een termijn in het dictum onder 6) niet is te wijten aan stellingen van JCDecaux en bovendien in het geheel van deze omvangrijke zaak een ondergeschikt punt vormt.
4.100 Subonderdeel 4.4 klaagt dat het hof in strijd met art. 24 Rv een andere veroordeling heeft uitgesproken dan gevorderd. Na afwijzing van de ruime exhibitievordering kon het hof de daaraan verbonden vordering van een accountantsverklaring niet wijzigen in de wezenlijk andere vordering van een accountantsverklaring waaruit blijkt dat NS Stations een compleet overzicht heeft verstrekt van de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, aldus het subonderdeel. Verder betoogt het middel dat onduidelijk is waarop de bedoelde accountantsverklaring zou moeten zien. Tot slot is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, nu er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het dictum en de daaraan voorafgaande overweging in rov. 4.2. Anders dan in het dictum heeft het hof immers ten aanzien van het gebod tot verstrekking van een accountantsverklaring in rov. 4.2, achter het zevende streepje, niet geoordeeld dat dit gebod wordt versterkt met een dwangsom, aldus het middel.
4.101 Deze klacht slaagt niet. Uit de formulering van het hof in rov. 4.2, onder het zevende streepje, blijkt dat het hof met de verplichting van NS Stations om een accountantsverklaring te verstrekken voortbouwt op de daaraan voorafgaande opgelegde plicht tot inzage in de beide concessieovereenkomsten. Het dictum moet in het licht daarvan worden begrepen.
Slotsom
4.102 Nu alle klachten falen kom ik tot de slotsom dat het cassatieberoep dient te worden verworpen.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑12‑2020
Zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7958, rov. 2 en rechtbank Midden-Nederland 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5218, rov. 2.1-2.22.
Bedoeld is het toen lopende contract met CBS Outdoor B.V..
Bedoeld is opnieuw het contract met CBS Outdoor B.V..
Zie voor een uitgebreidere weergave van de feiten het tussenvonnis van de rechtbank, rov. 2.9 e.v.
JCDecaux heeft deze overeenkomst aangehecht aan haar schriftelijke toelichting. Daaruit blijkt de datum van 2 december 2011.
Zie het tussenvonnis van de rechtbank, rov. 2.17 en 2.18.
Uit het dossier blijkt niet dat JC Decaux tegen die beslissing hoger beroep heeft ingesteld.
Dagvaarding d.d. 3 augustus 2016 en akte houdende wijziging/aanvulling van eis alsmede akte houdende aanvullende producties zijdens JCDecaux van 4 april 2017, nr. 18. De rechtbank heeft de eiswijziging van JCDecaux toegestaan.
“Medio 2011” ziet niet op een bepaald rechtsfeit (in die periode is de regelgeving niet veranderd), maar op de wijze waarop vordering onder a) is ingestoken.
Tussentijds hoger beroep JCDecaux d.d. 17 januari 2018 (zaaknummer 200.237.719).
Incidentele conclusie tot voorlopige voorziening tevens houdende memorie van grieven en akte van wijziging van eis zijdens JCDecaux (zaaknummer 200.237.719), nrs. 4-16.
Tussentijds hoger beroep NS Stations d.d. 18 januari 2018 (zaaknummer 200.233.320).
ECLI:NL:GHARL:2018:10160 (zaaknummer 200.237.719) en ECLI:NL:GHARL:2018:10159 (zaaknummer 200.233.320).
Hoger beroep NS Stations d.d. 7 februari 2019 (zaaknummer 200.260.097).
Proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 28 mei 2019 (zaaknummers 200.237.719 en 200.233.320).
ECLI:NL:GHARL:2019:531.
Vgl. HvJEG 12 februari 2004, C-230/02, ECLI:EU:C:2004:93 (Grossmann Air Service).
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, Pb EU 2004, L 134/114.
Besluit van 16 juli 2005, houdende regels betreffende procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten), Stb. 2005/408 (nadien gewijzigd).
Wet van 1 november 2012, houdende nieuwe regels omtrent aanbestedingen (Aanbestedingswet 2012), Stb. 2011/542.
Richtlijn 2014/24/EU van het Europese Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG, Pb EU 2014, L 95/65.
Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten, Pb EU 2014, L 94/1. Deze richtlijn is omgezet in deel 2a van de Aw 2012, zoals gewijzigd per 1 juli 2016.
Wet van 22 juni 2016 tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de implementatie van aanbestedingsrichtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU, Stb. 2016/241.
Richtlijn 92/50/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, Pb EG 1992, L 209/1, en Richtlijn 93/38/EEG van de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (Pb EG 1993, L 199/84).
Zie voor een voorbeeld HvJEG 7 december 2000, C-324/98, ECLI:EU:C:2000:669 (Telaustria). In die zaak was de aanbestedende dienst (concessieverlener) geen overheidslichaam.
Een completere analyse is te vinden in E.H. Pijnacker Hordijk, G.W. van der Bend & J.F. van Nouhuys, Aanbestedingsrecht, 2009, blz. 39 e.v. Nu de richtinggevende arresten over dit onderwerp bijna allemaal dateren van vóór 2009, is de in dit handboek uitgevoerde analyse nog steeds actueel en waardevol. Zie ook de meer recente bijdrage van C.M.C. Wagemakers & J.M.E. Yilmaz, ‘Anders dan van industriële of commerciële aard?’, Tijdschrift Aanbestedingsrecht en Staatssteun, 2017/70.
HvJEG 10 november 1998, ECLI:EU:C:1998:525 (BFI/Arnhem), rov. 56-57.
Vgl. HvJEG15 januari 1998, C-44/96, ECLI:EU:C:1998:4 (Mannesmann Anlagenbau Austria e.a), punt 39. Zie ook gerechtshof Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:3169, rov. 45 (Exterion en RET/JC Decaux).
In die zin reeds HvJEG 10 april 2008, C-393/06, ECLI:EU:C:2008:213 (Aigner/Fernwärme Wien), punt 36, en HvJEU 5 oktober 2017, C-567/15, ECLI:EU:C:2017:736 (LitSpecMet), punt 30.
Vgl. o.a. HvJEG 15 mei 2003, C-214/00, ECLI:EU:C:2003:276 (Commissie/Spanje), punt 53 en HvJEU 5 oktober 2017, C-567/15, ECLI:EU:C:2017:736 (LitSpecMet), punt 31.
Zie HvJEG 10 november 1998, ECLI:EU:C:1998:525 (BFI/Arnhem), punten 50 en 51; HvJEG 10 mei 2001, C-223/99 en C-260/99, ECLI:EU:C:2001:259 (Excelsior en Agora), punt 37; en HvJEG 10 april 2008, C-393/06, ECLI:EU:C:2008:213 (Aigner/Fernwärme Wien), punt 40.
HvJEG 12 december 2002, C-470/99, ECLI:EU:C:2002:746 (Universale Bau).
HvJEG 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (Korhonen).
HvJEU 5 oktober 2017, C-567/15, ECLI:EU:C:2017:736 (LitSpecMet).
HvJEG 10 mei 2001, C-223/99 en C-260/99, ECLI:EU:C:2001:259 (Excelsior en Agora), punt 43.
HvJEG 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (Korhonen), punt 51; HvJEG 16 oktober 2003, C-283/00, ECLI:EU:C:2003:276 (Commissie/Spanje). Vgl. ook HR 1 juni 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZ9872 (Amphia).
Kamerstukken II 2000/01, 27482, nr. 3, blz. 41-42.
Overgelegd als productie 5 bij inleidende dagvaarding.
Zie art. 4 (‘Prestatiegebieden’): comfort voor de reizigers op de stations (lid 1, onder b.II); reinheid van de stations, waaronder toiletten (lid 1, onder b.III); op stations is de veiligheid van reizigers en personeel gewaarborgd (lid 2, onder a). NS Stations verwijst zelf naar de prestatiegebieden in de hoofdrailnetconcessie (memorie van grieven nr. 39 in zaak 220.233.320), maar doet dit in het kader van het betoog dat alleen aan NS en niet aan NS Stations taken zijn opgedragen.
Vgl. de schriftelijke toelichting van JCDecaux, nr.2.47.
Vgl. HvJEG 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (Korhonen), punt 53. Vgl. ook de schriftelijke toelichting van JCDecaux, nr. 2.49.
Zie § 3.4 van de memorie van grieven in zaak 220.233.320.
Besluit aanbesteding speciale sectoren, Stb. 2005/409 (nadien gewijzigd).
Vgl. de schriftelijke toelichting van NS Stations, nr. 67.
Zie ook rov. 3.27-3.38 van het bestreden arrest en hoofdstuk 3 van de conclusie van A-G Hartlief in de zaak JCDecaux/Eindhoven c.s., ECLI:NL:PHR:2018:83. Vgl. voor een analyse van de eerste arresten in de serie B.J. Drijber & H.M. Stergiou, ‘Public procurement law and internal market law’, CMLRev. 2009, blz. 805 e.v.
Dat is in de regel minder het geval bij gewone overheidsopdrachten, waarbij de overheid een werk, een goed of een dienst inkoopt en de verkoper of opdrachtnemer daarvoor betaalt.
Interpretatieve mededeling van de Commissie over concessieovereenkomsten in het communautaire recht, Pb EG 2000, C 121/2 (hoofdstuk 3).
HvJEG 7 december 2000, C-324/98, ECLI:EU:C:2000:669 (Telaustria).
HvJEG 21 juli 2005, C-231/03, ECLI:EU:C:2005:487 (Coname).
HvJEG 13 oktober 2005, C-458/03, ECLI:EU:C:2005:605 (Parking Brixen).
Interpretatieve mededeling van de Commissie over de Gemeenschapswetgeving die van toepassing is op het plaatsen van opdrachten die niet of slechts gedeeltelijk onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen, Pb EU 2006, C 179/2.
Deze diensten waren limitatief opgesomd in bijlage IIB bij Richtlijn 2004/18 (voorheen Bijlage IB bij Richtlijn 92/50). Het betreft sectoren waarin de kans op belangstelling van buitenlandse actoren in beginsel klein werd geacht, zoals vervoer, onderwijs en gezondheidszorg.
HvJEG 13 november 2007, C-507/03, ECLI:EU:C:2007:676 (Commissie/Ierland), punt 29.
HvJEG 21 februari 2008, C-412/04, ECLI:EU:C:2008:102 (Commissie/Italië).
De Engelse taalversie is hiermee in overeenstemming: ‘certain cross-border interest’. Indien was bedoeld een eventueel of een bepaald belang, dan had het lidwoord ‘a’ voor ‘certain’ gestaan. Voor de bewijsvoering is het relevant van welke lezing wordt uitgegaan.
HvJEG 15 mei 2008, C-147/06 en C-148/06, ECLI:EU:C:2008:277 (SECAP/Commune di Torino), punt 24.
HvJEU 16 april 2015, C‑278/14, ECLI:EU:C:2015:228 (Enterprise Solutions), rov. 20 en 22.
HvJEU 6 oktober 2016, C-318/15, ECLI:EU:C:2016:747 (Tecnoedi), punt 20 ; HvJEU 5 april 2017, C-298/15, ECLI:EU:C:2017:266 (Borta/Klaipedos), punt 44 ; en HvJEU 19 april 2018, C-65/17, ECLI:EU:C:2018:263, punt 40.
De verwijzing naar ‘schijnklachten’ ziet vermoedelijk op de op enig moment ontstane praktijk waarbij binnenlandse partijen, om hun betoog kracht bij te zetten dat een door hen misgelopen opdracht een duidelijk grensoverschrijdend belang vertegenwoordigt, een buitenlandse partij vroegen om (voor de vorm) mee te doen in door hen aangespannen kort geding.
HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720 (JC Decaux/Eindhoven).
HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720, rov. 3.5-3.6.2.
HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720, rov. 3.7.1-3.7.2.
Zie MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32440, nr. 3, blz. 49-50.
Zie MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32440, nr. 3, blz. 52.
Met de wijziging van de Aw 2012 per 1 juli 2016 is art. 4 lid 1, onderdeel c, geschrapt en wordt in art. 1:7 onder a gesproken over een ‘concessieopdracht’ (wat zowel een concessie voor werken als een concessie voor diensten omvat). De Europese algemene beginselen van aanbesteding, zoals verankerd in de nationale wetgeving, gelden nog steeds voor dienstenconcessies beneden de drempelwaarde.
NS Stations verwijst naar Rechtbank Midden-Nederland 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5218, rov. 4.36.1.
Een probleem van vertrouwelijkheid hoeft zich daarbij niet voor te doen omdat het alleen gaat om een voorafgaande schatting door de concessieverlener van de met de concessie te behalen winst. Concessieverleners kunnen (net als franchiseverleners) er belang bij hebben een verhoudingsgewijs hoge schatting te geven, terwijl zij er vanuit aanbestedingsrechtelijk oogpunt veeleer belang bij hebben om van een verhoudingsgewijs laag bedrag uit te gaan.
Memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende memorie van antwoord na tussenkomst zijdens NS Stations d.d. 6 augustus 2019, nr. 5 (in dezelfde zin nr. 15).
HvJEU 29 april 2010, C-160/08, ECLI:EU:C:2010:230 (Commissie/Duitsland).
Zie punt 30 van het arrest. De meeste andere genoemde opdrachten hebben een veel lagere waarde.
De diensten werden door de aanbestedende dienst rechtstreeks per verrichting vergoed (punten 23, 88 van 92 van het arrest).
Zie memorie van grieven van NS Stations, nr. 7.
HvJEG 12 februari 2004, C-230/02, ECLI:EU:C:2004:93 (Grossmann Air Service).
NS Stations verwijst naar HR 8 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AG6222, NJ 1990/474, m.nt. P.A. Stein (Oosterbroek/Nekami).
Zie in dit verband ook de schriftelijke toelichting van JCDecaux, nrs. 2.93-2.103.
HvJEG 12 februari 2004, C-230/02, ECLI:EU:C:2004:93 (Grossmann Air Service).
Ten tijde van de zaak Grossmann was dat Richtlijn 89/665/EEG, welke richtlijn is vervangen door Richtlijn 2007/66/EG. Die richtlijn is omgezet bij de Wet tot implementatie van de rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden, die is opgegaan in de Aw 2012.
Vgl. het tussenvonnis van de rechtbank, rov. 4.5.
Vgl. de schriftelijke toelichting van JC Decaux, nrs. 2.94 e.v.
Vgl. HR 2 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8154, NJ 1992/83, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2; HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285, rov. 3.5.3. Vgl. voorts T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (Serie Burgerlijk Proces & Praktijk), 2012, nr. 442; M.B. Beekhoven van den Boezem, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 612, aant. 5; W.H. van Hemel, Sdu Commentaar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 612, aant. 2; S.D. Lindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:97 BW, aant. 5.5 onder b en g; J. de Bie Leuveling Tjeenk, ‘De verhouding tussen hoofdprocedure en schadestaatprocedure’, MvV 2010/5, p. 122.
Zie de memorie van grieven van JC Decaux in zaak 200.237.219, blz. 33-34.
Vgl. de memorie van antwoord in zaak 220.233.319, § 5.7. NS Stations voert uitgebreid verweer tegen het door JC Decaux gevorderde recht op inzage, maar gaat niet in op de gevorderde dwangsom (mogelijk omdat daar volgens haar niet aan werd toegekomen).
Vgl. HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1748, NJ 2012/471, m.nt. M.R. Mok. (Almere/ […] e.a.).
Beroepschrift 02‑01‑2020
Procesinleiding vorderingsprocedure Hoge Raad
Algemeen
Datum indienen | 2 januari 2020 |
Gerecht | Hoge Raad der Nederlanden |
Uiterste verschijndatum verweerder | 31 januari 2020 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, om 10.00 uur.
Partijen en advocaten
Eiseres tot cassatie
Eiser | |
Naam | NS Stations B.V. |
Woonplaats | Utrecht |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Toevoeging | Nee |
Eiseres tot cassatie wordt hierna ook aangeduid als ‘NS Stations’.
De door NS Stations aangewezen advocaat bij de Hoge Raad, die haar in het geding zal vertegenwoordigen en bij wie NS Stations woonplaats kiest is:
Naam | mr. Freerk Vermeulen (NautaDutilh N.V.) |
Adres | Beethovenstraat 400 |
Plaats | 1082 PR Amsterdam |
Verweersters in cassatie
Verweerster sub 1
Naam | JCDecaux Nederland B.V. |
Woonplaats | Amsterdam |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Advocaat vorige instantie
Naam | mr. J.F. van Nouhuys (Straatman Koster advocaten) |
Adres | Weena 690, 24e verdieping, 3012 CN |
Plaats | Rotterdam |
Verweerster in cassatie sub 1 wordt hierna aangeduid als ‘JCDecaux’.
Verweerster sub 2
Naam | Exterion Media (Netherlands) B.V. |
Woonplaats | Amsterdam |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Advocaat vorige instantie
Naam | mr. J.W. Fanoy (BarentsKrans) |
Adres | Lange Voorhout 3, 2514 EA |
Plaats | Den Haag |
Verweerster in cassatie sub 2 wordt hierna aangeduid als ‘Exterion’.
Bestreden uitspraak
Instantie | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden |
Zaaknummers | 200.237.719, 200.233.320 en 200.260.097 |
Datum | 1 oktober 2019 |
Eiseres in principaal en incidenteel hoger beroep tevens verweerster in principaal en incidenteel hoger beroep | NS Stations |
Verweerster in principaal en incidenteel hoger beroep tevens eiseres in principaal en incidenteel hoger beroep | JCDecaux |
Tussengekomen partij | Exterion |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het hof ten onrechte heeft geoordeeld en beslist zoals weergegeven in zijn hiervoor vermelde tussen NS Stations en JCDecaux alsmede Exterion gewezen en op 1 oktober 2019 uitgesproken arrest, zulks om één of meer van de volgende, waar nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.
Onderdeel 1 — NS stations een publiekrechtelijke instelling?
1.
In rov. 3.7 tot en met 3.22 beoordeelt het hof of NS Stations een aanbestedende dienst c.q. een publiekrechtelijke instelling is in de zin van artikel 1 sub q van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (‘Bao’) en artikel 1.1 van de Aanbestedingwet 2012 (‘Aw 2012’). Het hof oordeelt in dat verband dat NS Stations ‘specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang’. Het hof concentreert zich op de verantwoordelijkheid van NS Stations voor de transferfunctie en het veilig en schoonhouden van de aan NS Stations in economische eigendom toebehorende stations. Het hof acht niet relevant dat NS Stations geen publieke taak heeft (rov. 3.18, slot), dat zij is opgericht om in overeenstemming met haar statutaire doel stations commercieel te beheren en te exploiteren (rov. 3.19) en dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een strikte scheiding van publiek en privaat rond het spoor tot stand te brengen, waarbij dit beheer en exploitatie als een commerciële activiteit werd aangemerkt (rov. 3.18). Voor het hof is, in essentie, doorslaggevend de Intentienotitie Definitie Zeggenschap Infrastructuur (‘DZI’) en de wijze waarop NS Stations daaraan feitelijk uitvoering heeft gegeven. De stelling van NS Stations dat zij een winstoogmerk heeft1. en haar activiteiten in concurrentie uitoefent,2. verwerpt het hof met verwijzing naar de arresten Mannesmann en Aigner (rov. 3.19, slot).3.
1.1
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet, na de vaststelling dat de instelling specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, worden onderzocht of die behoeften tevens van industriële of commerciële aard zijn. Daarbij komt het erop aan of sprake is van behoeften waarin op een andere wijze wordt voorzien dan door het aanbieden van goederen of diensten op de markt, en waarin de staat bovendien om redenen van algemeen belang besluit zelf te voorzien of ten aanzien waarvan hij een beslissende invloed wil behouden. Hierbij moet worden gelet op alle relevante elementen rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is, met inbegrip van met name het ontbreken van mededinging op de markt, het hoofdzakelijk hebben van een winstoogmerk, het dragen van de met die activiteit verbonden risico's alsook het financieren van de betrokken activiteit met openbare middelen.4. Het hof heeft in het licht hiervan in rov. 3.18 en 3.19 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde beslissing gegeven.
1.1.1
Het hof heeft in rov. 3.19 de stelling van NS Stations dat zij een winstoogmerk heeft en haar activiteiten in concurrentie uitoefent niet van (doorslaggevend) belang geacht voor het oordeel of NS Stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Het hof verwijst daarvoor naar de arresten Mannesmann5. en Aigner6., waaruit volgt dat het in dit verband irrelevant is dat NS Stations ‘naast haar specifieke taak van algemeen belang tevens andere activiteiten met een winstoogmerk en in concurrentie verricht.’ Het hof heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze arresten voor zover relevant uitsluitend gaan over de vraag of de instelling ‘specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang’ en niet over de vraag of die behoeften van algemeen belang ‘anders dan van industriële of commerciële aard’ zijn. Het hof heeft (daardoor) niet, althans niet naar behoren, getoetst aan de hierboven in onderdeel 1.1 vermelde gezichtspunten, waarop NS Stations een beroep heeft gedaan ten betoge dat voor zover zij al voorziet in een behoefte van algemeen belang, dat belang tevens van commerciële aard is.7. Het heeft dat evenmin gedaan in rov. 3.18, waarin het hof, zonder kenbare laat staan toereikend gemotiveerde toetsing aan de bedoelde gezichtspunten, reeds de (in rov. 3.19 herhaalde) conclusie bereikt, dat NS Stations door het beheer en de exploitatie van stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Het hof gaat in rov. 3.18, slot, uitsluitend in op het beheer van commercieel vastgoed rond het station(sgebouw) en niet op de vraag of NS Stations, ook bij het waarborgen van de transferfunctie en het veilig en schoonhouden van stations, commerciële activiteiten verricht. Daardoor heeft het hof ten onrechte geen acht geslagen op alle relevante gegevens rechtens en feitelijk, hetgeen ook geldt voor de hierboven in onderdeel 1.1 en 1.1.1 bedoelde omstandigheden waaronder NS Stations is opgericht.
1.1.2
Zoals het Hof van Justitie heeft vastgesteld, is het weinig waarschijnlijk dat, indien een organisatie onder normale marktvoorwaarden actief is, winst nastreeft en de met de uitoefening van haar activiteit verbonden verliezen draagt, de behoeften waarin zij wil voorzien van andere dan industriële of commerciële aard zijn.8. Het hof laat in rov. 3.19 nadrukkelijk in het midden of NS Stations, zoals zij heeft gesteld, een winstoogmerk heeft9. en haar activiteiten in concurrentie uitoefent.10. NS Stations heeft ter staving van haar standpunt dat zij onder normale marktomstandigheden opereert, gesteld dat het beheer door NS Stations van stationshallen niet relevant verschilt van het beheer en de commerciële exploitatie van winkelcentra door private marktpartijen.11. Het hof verwerpt evenmin de stelling12. van NS Stations dat zij zelf de eventuele exploitatieverliezen van haar activiteiten draagt.13. Ook laat het hof in het midden of, zoals NS Stations heeft gesteld, de omstandigheden waaronder zij is opgericht erop duiden dat, voor zover zij specifiek voorziet in behoeften van algemeen belang, zij commerciële activiteiten verricht.14. In cassatie staat de juistheid van deze stellingen veronderstellenderwijs vast. Tegen deze achtergrond is rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd dat NS Stations door het beheer en de exploitatie van stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciele aard. Het hof diende een en ander, ook in het licht van het gemotiveerde verweer van JCDecaux daartegen, te beoordelen, met name met het oog op de vraag of NS Stations ‘zich in de concrete omstandigheden kon laten leiden door andere dan economische overwegingen.’15.
1.1.3
Het hof heeft ten onrechte geen rekenschap gegeven van het betoog van NS Stations dat de systematiek van de aanbestedingsregelgeving en met name het regime voor de zgn. speciale-sectoractiviteiten ertoe dwingt of eraan bijdraagt dat NS Stations moet worden beschouwd als een commerciële onderneming, en niet als een publiekrechtelijke instelling.16. Zoals NS Stations heeft gesteld17., gelden voor speciale-sectorbedrijven aparte en meer flexibele regels, omdat het veelal gaat om sectoren die weliswaar het algemeen belang dienen en waar de vrije mededinging door sectorregulering is beperkt, maar waarin desondanks op basis van principes van rentabiliteit en winstgevendheid wordt geopereerd. Dat duidt erop dat de (Europese en nationale) wetgever18. voor ogen had dat de activiteiten van speciale-sectorbedrijven van industriële of commerciele aard zijn, hetgeen wordt bevestigd door de regeling voor speciale sectoren die geliberaliseerd zijn. Zoals NS Stations heeft betoogd, zou de exploitant van het spoornet, die als kerntaak heeft om te voorzien in behoeften van algemeen belang, als speciale-sectorbedrijf in het onderhavige geval niet verplicht zijn tot aanbesteding van een commerciële opdracht voor de exploitatie van reclamedragers. Het is dan, ook wetssystematisch, ongerijmd dat NS Stations, die bij haar commerciële vastgoedactiviteiten naleving van de transferfunctie van stations waarborgt, wel gehouden is om bij een dergelijke zuiver commerciële opdracht de in rov. 3.48–3.49 bedoelde verplichtingen tot transparantie en gelijkheid te betrachten.
1.2
Het hof heeft voorts miskend dat het bij de rechtens vereiste ruime en functionele uitleg en toepassing van het vereiste of de instelling ‘specifiek voorziet in behoeften van algemeen belang’, aankomt op een beoordeling en weging van alle relevante gegevens rechtens en feitelijk.19. Deze maatstaf laat niet toe dat, zoals het hof in essentie doet, uitsluitend acht wordt geslagen op de in 1995 in de DZI vastgelegde afspraken en op wat NS Stations feitelijk aan activiteiten verricht. Het hof behoorde in zijn weging ten minste ook te betrekken dat de wetgever heeft beoogd een strikte scheiding tussen privaat en publiek rond het spoor tot stand te brengen, dat daarbij het beheer en de exploitatie van stations door NS Stations als private aangelegenheid is aangemerkt en dat zij ook met een commercieel (statutair) doel is opgericht.20. Het hof behoorde daarbij bovendien in te gaan op het betoog van NS Stations dat de wetgever aan zijn oogmerk om een strikte scheiding tussen privaat en publiek rond het spoor tot stand te brengen, uitvoering heeft gegeven door een beheerconcessie aan ProRail te verlenen21. en door aan N.V. NS bij vervoerconcessie de zorg voor spoorvervoerdiensten op te dragen.22. Mede op die grond heeft NS Stations betoogd dat zij als commercieel vastgoedbedrijf weliswaar de last heeft om de transferfunctie en de veiligheid te waarborgen, maar te dier zake geen aan haar opgedragen publieke taak vervult.23.
1.2.1
Het hof heeft blijkens rov. 3.12, 3.18 en 3.19 miskend dat het doel waarmee, en de omstandigheden waaronder, een privaatrechtelijke rechtspersoon is opgericht, alsmede de bedoeling van de betrokken overheid, een relevante omstandigheid is voor de vraag of zij ‘specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang.’ Dat komt tot uitdrukking in de volgens artikel 1 sub q Bao en artikel 1.1 Aw 2012 vereiste mate van specificiteit, zulks terwijl in de verschillende taalversies van artikel 1 sub b Richtlijn 93/37/EEG en artikel 1 lid 9 Richtlijn 2004/18/EG het criterium luidt of de rechtspersoon is opgericht met het specifieke doel om een publiek belang te behartigen. Uit onder meer HvJ EU C-567/15 (LitSpecMet), punt 35–36, volgt dat ‘het gebruik van de term ‘specifieke’ wijst op de wens van de Uniewetgever om alleen dan entiteiten aan de strenge voorschriften op het gebied van overheidsopdrachten te onderwerpen wanneer zij zijn opgericht met het specifieke doel om te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en hun activiteiten in dergelijke behoeften voorzien.’ Het hof heeft uitsluitend getoetst of NS Stations ‘voorziet in behoeften van algemeen belang’ en heeft ten onrechte niet getoetst aan het (strengere) criterium of NS Stations activiteiten verricht met het ‘specifieke doel om te voorzien in behoeften van algemeen belang (die niet van industriële of commerciële aard zijn).’ Het hof mocht in elk geval niet voorbijgaan aan c.q. buiten zijn weging houden dat NS Stations, zoals zij gemotiveerd heeft gesteld24., niet is opgericht met het specifieke doel om te voorzien in behoeften van algemeen belang, maar met een commercieel doel, zulks onverminderd de op haar als commercieel vastgoedbedrijf drukkende last om de naleving te waarborgen van de zorg voor de transferfunctie. Het beheren en schoonmaken van haar vastgoed zijn, aldus NS Stations, activiteiten die ieder commercieel vastgoedbedrijf uitvoert om haar commerciële activiteiten te kunnen ontplooien.
1.2.2
Het hof heeft miskend dat, zoals besloten ligt in het appelbetoog van NS Stations25., de in rov. 3.14 e.v. bedoelde passages in de DZI, in het rapport Ecorys en in de door NS Stations gehanteerde algemene voorwaarden, mede tegen de achtergrond van het door NS Stations gestelde wettelijke kader en de ter uitvoering daarvan gesloten concessieovereenkomsten dienen te worden geduid. Het hof heeft dat ten onrechte niet gedaan en heeft zelfs geen woord gewijd aan het betoog26. van NS Stations dat het beoogde onderscheid tussen publiek en privaat gestalte heeft gekregen in de aan ProRail respectievelijk NV NS verleende concessies. Enerzijds is daarmee geen sprake van een nog midden jaren '90 bij de verzelfstandiging van de Nederlandse Spoorwegen bestaande, maar later in de praktijk verlaten, intentie om publiek en privaat strikt te scheiden, nu daaraan — ruimschoots na de DZI — concreet invulling is gegeven. Anderzijds doet daaraan niet af de in de DZI beschreven taakverdeling met ProRail, waarnaar het hof in rov. 3.18 verwijst. Immers, die voorziene interne taakverdeling tussen NS Stations en ProRail laat onverlet dat laatstgenoemde een publieke taak heeft op grond van de aan haar verleende concessie en dat NS Stations niet specifiek is opgericht om te voorzien in behoeften van algemeen belang.
1.2.3
's Hofs oordeel in rov. 3.18 (en 3.19) komt in wezen erop neer dat indien een overeenkomst wordt gesloten met een opdrachtgever/partij die behoeften van algemeen belang behartigt, zelf ook wordt geacht specifiek ten doel te hebben in die behoeften te voorzien. Dat is dan het geval als die opdrachtnemer/partij door zijn feitelijke werkzaamheden mede in die behoeften voorziet en de opdrachtgever zeker stelt dat publieke belangen zijn gewaarborgd. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 1 sub q Bao en artikel 1.1 Aw 2012, zo nodig in een richtlijnconforme uitleg. Mede gelet op het belang van rechtszekerheid dient er ten minste een voldoende nauwe en duidelijke band te zijn tussen de overheid die controle wil houden over de betrokken dienstverlening en de instelling die deze dienstverlening verricht. Daarom komt gewicht toe aan de vraag in hoeverre de behartiging van het publieke belang aan de betrokken instelling is opgedragen.
Onderdeel 2 — Duidelijk grensoverschrijdend belang?
2.
Het hof beoordeelt in rov. 3.27 t/m 3.47 of sprake is van een ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ ten aanzien van de in 2011 met Exterion gesloten concessieovereenkomst en de in 2015 gesloten Ngage-overeenkomst. Of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang kan met name blijken uit de economische waarde van de geplande overeenkomst, bezien in samenhang met de plaats van uitvoering en de specifieke kenmerken ervan. Het gaat om factoren die in het bijzonder voor het oordeel van de rechter van belang kunnen zijn.27. Het vereiste van een ‘duidelijk’ grensoverschrijdend belang laat geen misverstand erover bestaan dat terughoudend moet worden omgegaan met het aannemen daarvan28., waarbij bovendien geldt dat het aan de partij is die zich hierop beroept concreet te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang.29. De woorden ‘in samenhang met’ maken duidelijk dat een enkele waarde van de overeenkomst (ruim) boven de drempelwaarde van de Richtlijn concessieovereenkomsten30. niet voldoende is om een duidelijk grensoverschrijdend belang te aanvaarden, hetgeen a fortiori het geval is als die waarde onder de drempelwaarde valt.
2.1
Het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 3.39 de, in rov. 3.38 met juistheid vooropgestelde, stelplicht en bewijslast van JCDecaux te harer gunste te relativeren. Het hof oordeelt immers dat de stelplicht en zo nodig de bewijslast van een duidelijk grensoverschrijdend belang op JCDecaux rust, maar dat dit — blijkens het arrest SECAP SpA en Santorso van het Hof van Justitie31. — onverlet laat ‘dat NS Stations als aanbestedende dienst voor de verlening van een opdracht zelf moet nagaan of ondernemingen uit andere lidstaten mogelijk geïnteresseerd zijn in deze opdracht.’ Dit oordeel is onjuist, omdat uit dit arrest niet kan worden afgeleid dat de stelplicht en bewijslast van degene die zich op het duidelijk grensoverschrijdend belang beroept op enigerlei wijze wordt verlicht door het gegeven dat het in beginsel aan de betrokken aanbestedende dienst staat om het eventuele grensoverschrijdende belang te beoordelen en dat die beoordeling door de rechter kan worden getoetst. Hoewel het hof in het vervolg van zijn analyse hier niet nadrukkelijk op teruggrijpt, ligt het voor de hand dat het hof daarvan bij zijn beoordeling van de stellingen van JCDecaux en het daartegen gerichte verweer van NS Stations wel degelijk is uitgegaan.
2.2
Zowel bij zijn oordeel over de concessieovereenkomst met Exterion als bij zijn oordeel over het Ngage-contract, kent het hof nadrukkelijk (mede) betekenis toe aan de stellingen van JCDecaux over, kort gezegd, de interne vennootschapsrechtelijke structuur van JCDecaux als internationale groep. Het hof weegt die in rov. 3.42 (3e t/m 8e liggend streepje) (Exterion) vermelde omstandigheden mee blijkens rov. 3.43, eerste en tweede volzin, alsmede rov. 3.46 (2e t/m 7e liggend streepje) (Ngage). Deze stellingen hebben betrekking op de verhouding tussen JCDecaux en haar moedervennootschap in het algemeen en zij hebben geen kenbare althans geen voldoende duidelijke relatie met de opdracht waarom het gaat. Uit deze omstandigheden mocht het hof niet (mede) afleiden dat (ook) JCDecaux SA de desbetreffende opdracht wenste te verwerven althans dat sprake was van een — voor NS Stations kenbare — mogelijke interesse van buitenlandse marktpartijen. Een en ander klemt temeer ten aanzien van het Ngage-contract, gelet op de zo veel lagere waarde dan de waarde van de concessieovereenkomst met Exterion en de andere, namelijk veel minder grote, geografische dekking van dat contract.
2.3
's Hofs verwerping in rov. 3.43 van de stelling van NS Stations dat reclamecontracten een lokaal karakter hebben, omdat het steeds lokale dochtervennootschappen zijn die reclamecontracten als de onderhavige sluiten, is onjuist althans ontoereikend gemotiveerd. Dit oordeel is rechtens onjuist, omdat het hof aldus heeft miskend dat, zoals NS Stations heeft gesteld32., JCDecaux als Nederlandse dochtervennootschap van JCDecaux SA niet is opgericht ter verkrijging van een lokale concessie33., maar een zelfstandig bestuurde lokale entiteit is die diepgeworteld is in de lokale cultuur en over alle middelen beschikt om de opdracht zelfstandig uit te voeren, mede omdat reclamedragers beheer en onderhoud op lokaal niveau vergen en voor uitvoering van dergelijke reclameconcessies kennis van de lokale wet- en regelgeving en van de lokale taal alsmede van lokale verkeersstromen vereist is. Hieruit volgt of kan althans volgen dat JCDecaux, als gegadigde voor de betrokken opdrachten, een zelfstandig belang heeft als groepsvennootschap van JCDecaux SA en dat de in essentie vanuit JCDecaux geuite interesse niet, laat staan op de grondslag van een algemene concernstructuur, mag worden aangemerkt als een duidelijk grensoverschrijdende interesse. Het hof heeft hier ten onrechte geen acht op geslagen, waardoor zijn overwegingen omtrent de waarde van de betrokken overeenkomsten en, wat betreft de concessieovereenkomst met Exterion, de landelijke dekking ervan, zijn oordeel niet kunnen dragen. Bovendien mocht het hof de erkenning zijdens Exterion niet ook tegen NS Stations keren in rov. 3.43. De aanwezigheid van Jeremy Male als bestuurslid van JCDecaux SA bij een bespreking in juni 2011 maakt dit niet anders, nu onweersproken door NS Stations is aangevoerd dat dit gesprek plaatsvond onder druk van een door JCDecaux aanhangig gemaakt kort geding en NS Stations tevens heeft aangevoerd dat de aanwezigheid van de heer Male ertoe diende later een grensoverschrijdend belang te kunnen fingeren.34. Ook onder deze omstandigheden, die het hof expliciet noemt in rov. 3.43, derde volzin, kan immers nog steeds, vanwege de door NS Stations lokale eisen en beperkingen, sprake zijn van een situatie waarin een duidelijk grensoverschrijdend belang ontbreekt.
2.4
Het voorgaande klemt te meer/althans ten aanzien van 's hofs oordeel over het Ngage-contract. Immers, van de acht door het Hof benoemde feiten en omstandigheden die het ‘met name’ meeweegt, hebben zes (rov. 3.46 tweede t/m zevende gedachtestreepje) niets van doen met (de waarde van) het Ngage-contract, de plaats van uitvoering en/of de specifieke kenmerken van deze overeenkomst. Zoals NS Stations heeft gesteld zijn deze onder het tweede t/m zevende gedachtestreepje genoemde algemene omstandigheden (ook) in de zaak JCDecaux/Eindhoven zonder succes aangevoerd.35. Alleen de waarde van de Ngage-overeenkomst (rov. 3.46, eerste gedachtestreepje) en de belangstelling vanuit vertegenwoordigers van het moederbedrijf-concern (rov. 3.46, achtste gedachtestreepje) zouden rechtens als ‘een relevante en concrete op de opdracht in kwestie betrekking hebbende omstandigheid’ kunnen worden aangemerkt.36.
(a)
Ten aanzien van de beweerdelijke belangstelling is evenwel door JCDecaux niet gesteld dat van een concreet uitgesproken belangstelling door haar voor het Ngage-contract sprake was.37. JCDecaux voert over dit onderwerp slechts in algemene zin aan dat ‘niet goed denkbaar is’ dat ‘NS Stations niet op de hoogte was van de belangstelling van JCDecaux SA voor het verzorgen van haar reclame-arsenaal’ en noemt vervolgens in algemene zin ‘de telefoongesprekken die NS Stations met JCDecaux in 2014 heeft gevoerd en het brengen van bezoeken door vertegenwoordigers van NS Stations [in Frankrijk en Londen]’.38. Daarover heeft NS Stations gesteld dat de post-2011 contactmomenten met JCDecaux door haar werden aangegrepen om zichzelf te presenteren en aan NS Stations te laten zien welke mogelijkheden JCDecaux in huis heeft.39. Tevens is door NS Stations gewezen op gefingeerde c.q. geconstrueerde grensoverschrijdende belangstelling door buitenlandse bestuurders zonder goede reden aan gesprekken deel te laten nemen.40.
(b)
NS Stations heeft aangevoerd dat de geraamde door Ngage te behalen omzet als bedoeld in at. 2a. 10 lid 2 Aw (ruimschoots) lager ligt dan het drempelbedrag van EUR 5.225.000.41. Over de waarde van een contract heeft NS Stations verder — kort gezegd — aangevoerd dat een aanzienlijk bedrag in zijn algemeenheid niet volstaat voor het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang. NS Stations heeft daarbij gewezen op een arrest van het Hof van Justitie waarin een economische waarde van EUR 70.000.000 nog geen duidelijk grensoverschrijdend belang opleverde.42. Tegen deze achtergrond mocht het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, uitgaan van de stelling van JCDecaux dat het contract een waarde vertegenwoordigde van EUR 15,7 miljoen, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd 's hofs oordeel dat sprake is van een ‘aanzienlijke waarde’, die het bestaan van een duidelijk — en dus voor NS Stations ook daadwerkelijk kenbaar — grensoverschrijdend belang rechtvaardigt.
(c)
NS Stations heeft gemotiveerd gesteld43. dat haar reclameconcessies een lokaal karakter hebben, en daarbij onder meer gewezen op het vereiste van lokale aanwezigheid van personeel en materieel alsmede op hetgeen JCDecaux daarover op haar eigen website aanvoert.44. Anders dan bij de concessieovereenkomst 2011, die volgens het hof een waarde vertegenwoordigt die bijna tien keer (EUR 155.000.000) zo hoog is als het Ngage-contract, waarvan NS Stations heeft gesteld dat die lager ligt dan de drempelwaarde, is bij het Ngage-contract geen sprake van een landelijk dekkend netwerk.45. JCDecaux zelf noemt als plaats van uitvoering van het Ngage-contract de Randstad.46.
Tegen deze achtergrond heeft het hof enerzijds omstandigheden betrokken die niet rechtens relevant zijn voor de vraag of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang van het Ngage-contract terwijl 's hofs oordeel, voor zover het wél rechtens relevante omstandigheden betreft, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
Onderdeel 3 — Rechtsverwerking
3.
Het hof heeft in rov. 3.4 en 3.5 bij zijn verwerping van het beroep van NS Stations op rechtsverwerking door JCDecaux blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde beslissing gegeven.
3.1
Het hof heeft miskend dat, al dan niet met (analoge) toepassing van de Grossmann-jurisprudentie, van een onderneming als JCDecaux mag worden verwacht dat zij actief handelt (en een door haar geïnitieerd kort geding doorzet), als zij weet dat een voor haar relevante opdracht aan een andere marktpartij zal worden verstrekt en zij meent dat daarbij de aanbestedingsregels worden geschonden. In dit verband is rechtens voldoende dat gegadigde weet, en blijkens zijn opstelling zelf daadwerkelijk rekening ermee houdt, dat het gaat om een langlopend contract met een aanzienlijke waarde. Het hof heeft, uitgaande van de stellingen van JCDecaux, een te groot gewicht toegekend aan de door JCDecaux gestelde onzekerheid omtrent de looptijd en de inhoud van de voorgenomen concessieovereenkomst met Exterion. Mede vanuit haar overtuiging geen aanbestedende dienst te zijn, werd JCDecaux als derde niet geïnformeerd over de details van de voorgenomen concessieovereenkomst. JCDecaux ging er echter zelf vanuit dat deze overeenkomst voor een lange duur zou worden aangegaan van tenminste 5–7 en waarschijnlijker 10 jaren, zulks terwijl JCDecaux ook op grond van het door NS Stations ingeroepen persbericht van 7 december 2011 behoorde te beseffen dat het ging om een structurele, langdurige en grootschalige samenwerking.47. Het hof heeft in rov. 3.4 en 3.5 onvoldoende gerespondeerd op dit verweer van NS Stations alsook op haar verweer dat alle op louter intern ‘bewijsmateriaal’ gebaseerde stellingen van JCDecaux moet worden gewaardeerd tegenover het vaststaande ontbreken van elke aan NS Stations en/of Exterion gerichte communicatie over haar (onjuiste) veronderstellingen over de (beperkte) duur en inhoud van de concessieovereenkomst.48.
3.2
Naar het hof in rov. 3.4 en 3.5 heeft miskend, klemt het belang bij een (pro)actieve opstelling van een gegadigde zoals JCDecaux des te méér in een geval als het onderhavige, waarin geen aanbestedingsprocedure is gestart en de vraag is of op NS Stations, op grond van de inherente vage norm die is gebaseerd op de verkeersvrijheden, de in rov. 3.27 bedoelde verplichtingen rustte. Met het oog op het belang van rechtszekerheid voor partijen en derden bij een (omvangrijke) opdracht, mag juist in deze situatie rechtens een (pro)actieve opstelling van gegadigde derden worden verwacht. JCDecaux had alle aanleiding om het door haar al geïnitieerde kort geding door te zetten, en met haar (interne) commerciële afweging om dat in te trekken en jegens NS Stations geen rechten voor te behouden, heeft zij, aldus NS Stations, bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt niet later het standpunt in te nemen dat NS Stations van meet af aan aanbestedingsplicht is en jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.49. In elk geval behoorde het hof, zo nodig met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat partieel aan JCDecaux te ontzeggen, namelijk voor de periode van 5–7 jaar waarmee zij volgens haar eigen stellingen volgens het hof al rekening hield.
Onderdeel 4 — Overige Klachten
4.1
Indien één of meer van de hierboven voorgestelde klachten slagen, kunnen 's hofs oordelen in rov. 3.20–3.22, 3.48–3.49, 3.51, 3.52–3.60, 3.61–3.68, 4.1–4.8 en het dictum geen standhouden, voor zover het hof daarin (eind)beslissingen heeft gegeven die voortbouwen op de in de onderdelen 1 tot en met 3 bestreden oordelen van het hof.
4.2
Het hof heeft in het dictum in zaak 200.237.719 onder 2., in het verlengde van rov. 4.2, ten onrechte voor recht verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was en is om de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst ‘aan te besteden’, althans voor mededinging open te stellen en haar in het dictum sub 3 ten onrechte veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat als gevolg van de schending van de op haar ten aanzien van genoemde overeenkomsten rustende aanbestedingsverplichtingen. Dit oordeel is rechtens onjuist althans ontoelaatbaar onduidelijk. Het hof heeft in rov. 3.27, 3.47, 3.48–3.49 en 3.5.1 overwogen dat NS Stations als aanbestedende dienst gehouden was om, kort gezegd, ondernemers zoals JCDecaux niet-discriminatoir, transparant (met een passende mate van openbaarheid) en proportioneel te behandelen, en dat zij jegens JCDecaux ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst ‘geen passende mate van openbaarheid heeft geboden.’ Zoals NS Stations heeft gesteld50., was zij, als zij als aanbestedende dienst wordt aangemerkt en aan de betrokken opdrachten een duidelijk grensoverschrijdend belang toekomt, niet gehouden om een aanbestedingsprocedure in te leiden. Het hof diende het dictum te beperken tot, kort gezegd, de (tekortkoming in de) verplichting om een passende mate van openbaarheid te betrachten (en daarmee de markt voor mededinging open te stellen).
4.3
Het hof heeft in het dictum in zaak 200.237.719 onder 6 en 7. ten onrechte een dwangsom opgelegd ter versterking van, kort gezegd, het gebod tot het verstrekken van inzage in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst en de t.a.p. bedoelde accountantsverklaring. Immers, een dwangsom is niet op haar plaats bij gebreke van een door het hof gestelde termijn waarbinnen NS Stations aan de veroordeling dient te voldoen.51. Het hof heeft bovendien in strijd met art. 24 Rv een verdergaande veroordeling uitgesproken dan gevorderd, nu JCDecaux zelf in haar vordering een termijn van 15 werkdagen had opgenomen.52. 's Hofs oordeel is in dit licht in elk geval onbegrijpelijk.
4.4
Door een dwangsom op te leggen voor de verstrekking van de bedoelde accountantsverklaring heeft het hof bovendien in strijd met art. 24 Rv iets anders toegewezen dan gevorderd. JCDecaux heeft immers uitsluitend de verstrekking van een accountantsverklaring verzocht waaruit blijkt dat zij een compleet overzicht van relevante contracten had verstrekt.53. Het hof heeft echter de dáárop gerichte exhibitievordering afgewezen in rov. 3.59. Het hof kon die vordering niet wijzigen in de wezenlijk andere vordering om een compleet overzicht te verstrekken van het tweetal te verstrekken contracten met respectievelijk Exterion en Ngage, waarvoor dat overzicht geen zinnig doel dient, 's Hofs oordeel is bovendien onbegrijpelijk want conflicterend met rov. 4.2, laatste liggend streepje, mede in verbinding met de daaraan voorafgaande oordelen. Immers, het hof heeft enerzijds wél over de t.a.p. achter 4e t/m 6e liggend streepje geformuleerde geboden geoordeeld dat zij worden verstrekt met een dwangsom, maar heeft dat juist niet gedaan ter zake van het gebod tot verstrekking van een accountantsverklaring. 's Hofs oordeel voldoet in elk geval, mede in het licht van de gedingstukken, niet aan de daaraan te stellen eisen van duidelijkheid en nauwkeurigheid, omdat onduidelijk is waarop de accountantsverklaring zou moeten zien.
Eis tot cassatie
vordert NS Stations dat de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt met veroordeling van verweerster in cassatie JCDecaux in de kosten, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑01‑2020
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 8–10 en 28; Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d 1 mei 2018, randnr. 44, 52 en 127.
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d 28 september 2016, randnr. 7 en 28; pleitnotities zijdens NS Stations d d 8 juni 2017, randnr. 17; Memorie van Grieven zijdens NS Stations d d 1 mei 2018, randnr. 45–46, 52, 133–136.
HvJ EU 15 januari 1998, C-393/06, ECLI:EU:C:1998:4 (Mannesmann), HvJ EU 10 april 2008, C-393/06, ECLI:EU:C:2008:213 (Aigner)
HvJ EG 27 februari 2003, C-373/00, ECLI:EU:C:2003:110 (Adolf Truley), rov. 66; HvJ EG 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (Korhonen), rov. 48 en 59; HvJ EG 16 oktober 2003, C-283/00, ECLI:EU:C:2003:544 (SIEPSA), rov. 80–83 en HvJ EU 5 oktober 2017, C-567/51, ECLI:EU:C:2017:736 (LitSpecMet) rov. 42–43.
HvJ EU 15 januari 1998, C-393/06, ECLI:EU:C:1998:4 (Mannesmann).
HvJ EU 10 april 2008, C-393/06, ECLI:EU:C:2008:213 (Aigner).
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 7–10 en 28; Aanvullende Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 61 en 70; pleitnotities zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 17; Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 4, 44, 45–47, 52–62, 127, 133–136, 137 en 138.
HvJ EG 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (Korhonen), rov. 51.
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 8–10 en 28; Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 44, 52 en 127.
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 7 en 28; pleitnotities zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 17; Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 45–46, 52, 133–136.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 52.
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 9, 10 en 28, Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 52.
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 9, 10 en 28, Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 52.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 4 en 20–21.
HvJ EU 5 oktober 2017, C-567/51, ECLI:EU:C:2017:736 (LitSpecMet) rov. 46, slot.
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 29; Aanvullende Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 62; pleitnotities zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 26; brief inzake aanvulling proces-verbaal van de comparitie gehouden op 8 juni 2017 d.d. 13 juli 2017, blad 2, Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 50–62 en 139–146.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 53–57.
Op EU-niveau voor het eerst in Richtlijn 93/38/EEG houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectorenwater- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (‘Eerste Richtlijn nutssectoren’).
HvJ EU 10 april 2008, C-44/96, ECLI:EU:C:2008:213 (Aigner), rov. 41.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 4 en 20–41; proces-verbaal van de comparitie gehouden op 28 mei 2019, blad 6.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 24, 26–37, 59, 60, 62, 106, 109 en 110.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 26, 38–40, 59 en 60.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 60 en 111.
Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 28 september 2016, randnr. 5, 18 en 28; Aanvullende Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 61; pleitnotities zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 17; proces-verbaal van de comparitie gehouden op 8 juni 2017, blad 3, Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 21, 62 en 95–99.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, alinea 3.2, 3.3 en 4.3. Zie tevens alinea 3.4 en 4.4.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 24, 26–37, 59, 60, 62, 106, 109 en 110.
HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720, HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:722.
Zie ook Aanvullende Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 89.
HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720, rov. 3.5.
Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten.
HvJ EG 15 mei 2008, C-147/06 en C-148/06, ECLI:EU:C:2007:711 (SECAP SpA en Santorso).
Aanvullende Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 90; pleitaantekeningen zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 32-33; Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens houdende memorie van antwoord in tussenkomst zijdens NS Stations d.d. 19 februari 2019, randnr. 23, 45 en 50.
Rechtbank Midden-Nederland 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5218, rov. 4.36.1 (‘Het is niet gesteld of gebleken dat de Franse vennootschap JCDecaux SA JCDecaux Nederland speciaal heeft opgericht om mee te doen aan deze concessie. JCDecaux Nederland heeft dan ook als een Nederlandse marktpartij te gelden en niet zoals zij betoogt een Europese marktpartij. Haar belangstelling voor de concessie, is dus irrelevant bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van concrete belangstelling van Europese marktpartijen.’)
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 14 en 51.
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 48 (met verwijzing naar HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720, rov. 3.7.2, en naar de memorie na tussenkomst zijdens Exterion d.d. 8 januari 2019, nr. 100–106).
Zie HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720, rov. 3.6.2 (‘Het hof had op basis van deze stellingen — die zien op de opdracht in kwestie, concreet zijn en relevant zijn (…) moeten beoordelen of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang’).
Incidentele conclusie tot voorlopige voorziening tevens houdende memorie van grieven en akte wijziging van eis d.d. 5 juni 2018, randnr. 85 (‘Voor de concessieovereenkomst die NS Stations in 205 aan Ngage heeft gegund, geldt grosso modo hetzelfde als hierboven is beschreven ten aanzien van de concessie die aan Exterion is gegund. JCDecaux verzoekt uw Gerechtshof de grieven 2 tot en met 4 als ingelast en herhaald te beschouwen, met uitzondering van hetgeen in randnummer 80 is overwogen dat specifiek ziet op de Exterion-concessie’. Randnummer 80 benoemt de aanwezigheid van een bestuurslid van JCDecaux SA bij de gesprekken met NS Stations. Zie tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 58.
Incidentele conclusie tot voorlopige voorziening tevens houdende memorie van grieven en akte wijziging van eis d.d. 5 juni 2018, randnr. 88.
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 14 en 51; Aanvullende conclusie van antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr. 41 e.v.
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 51–52.
Memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende memorie van antwoord na tussenkomst zijdens NS Stations d.d. 6 augustus 2019, randnr. 5 en 15. Zie voorts proces-verbaal van de comparitie gehouden op 28 mei 2019, blad 7, waarin in antwoord op vragen van het hof is opgemerkt ‘Het zit ruimschoots boven de vijf miljoen’, en waarmee in het licht van Memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende memorie van antwoord na tussenkomst zijdens NS Stations d.d. 6 augustus 2019, randnr. 5 en 15 uiteraard uitsluitend de concessieovereenkomst 2011, en niet de Ngage-overeenkomst is bedoeld.
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 25 en 44; proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 28 mei 2019, blad 9 (‘(…) alleen omzet is niet voldoende, hel is slechts een gezichtspunt’).
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 25 (met verwijzing naar de memorie na tussenkomst zijdens Exterion d.d. 8 januari 2019, nr. 80) en 50. Zie ook aanvullende conclusie van antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, nr. 90.
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens inhoudende memorie van antwoord in tussenkomst d.d. 19 februari 2019, randnr. 23, spreekaantekeningen NS d.d 8 juni 2017, nr. 30.
Arrest, rov. 3.42, derde liggend streepje.
Incidentele conclusie tot voorlopige voorziening tevens houdende memorie van grieven en akte wijziging van eis d.d 5 juni 2018, randnr. 87 (‘Ngage voert haar concessie uit in (in ieder geval) Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht’). Ook is (dus) geen sprake van een in het arrest JCDecaux / Eindhoven relevant geachte uitvoering nabij de Nederlandse grens, zie HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:720, rov. 3.6.2.
Aanvullende Conclusie van Antwoord zijdens NS Stations d.d. 8 juni 2017, randnr 29 en productie N3 zijdens NS Stations; pleitnotities zijdens NS Stations d.d. 28 mei 2019, randnr. 17.
Pleitnotities zijdens NS Stations d.d. 28 mei 2019, randnr. 14, 15 en 16; Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 19.
Memorie van Grieven zijdens NS Stations d.d. 1 mei 2018, randnr. 70 tot en met 72, 75 en 78; Pleitnotities zijdens NS Stations d.d 28 mei 2019, randnr. 12.
Memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens houdende memorie van antwoord in tussenkomst zijdens NS Stations d.d. 19 februari 2019, randnr. 56–57.
HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1748, NJ 2012/471, rov. 3.12.2: ‘De Hoge Raad zal tevens het dictum onder 4, waarin een dwangsom wordt bepaald voor overtreding van deze veroordeling, vernietigen nu een dwangsom niet op haar plaats is bij gebreke van een termijn waarbinnen de Gemeente aan de veroordeling dient te voldoen’.
Memorie van antwoord zijdens JCDecaux, tevens memorie van grieven in incidenteel appeld.d. 9 juli 2019, p. 14.
Memorie van antwoord zijdens JCDecaux, tevens memorie van grieven in incidenteel appeld.d. 9 juli 2019, p. 14.
Uitspraak 01‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Overheidsaanbesteding Concessie; Publiekrechtelijke instelling; Grensoverschrijdend belang; Grossmann; Verjaring. NS Stations is ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een publiekrechtelijke instelling in de zin van AW 2012 en het Bao; Bij de door NS Stations in 2011 aan Exterion en 2015 aan Ngage verleende opdrachten is sprake van een grensoverschrijdend belang, zodat NS Stations ten onrechte geen passende mate van openbaarheid heeft geboden. Verbod om, op straffe van een dwangsom, nog langer uitvoering te geven aan deze beide overeenkomsten en gebod om aan JCDecaux op grond van 843a RV inzage te verstrekken in deze overeenkomsten.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummers gerechtshof 200.237.719, 200.233.320 en 200.260.097
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 421208)
arrest van 1 oktober 2019
in de zaken van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JCDecaux Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in zaak 200.237.719,
geïntimeerde in de zaak 200.233.320,
geïntimeerde in het principaal beroep in de zaak 200.260.097,
appellante in het incidenteel beroep in de zaak 200.260.097,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: JCDecaux,
advocaat: mr. J.F. van Nouhuys,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NS Stations B.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellante in de zaak 200.233.320,
geïntimeerde in de zaak 200.237.719,
appellante in het principaal beroep in de zaak 200.260.097,
geïntimeerde in het incidenteel beroep in de zaak 200.260.097,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: NS Stations,
advocaat: mr. G.W. van der Bend,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Exterion Media (Netherlands) B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
tussengekomen partij in de zaken 200.237.719, 200.233.320 en 200.260.097,
hierna: Exterion,
advocaat: mr. J.W. Fanoy.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
In zaak 200.237.719
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 november 2018 hier over.
1.2
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de memorie na tussenkomst, tevens inhoudende memorie van eis, tevens inhoudende memorie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv van de zijde van Exterion;
- -
de memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens houdende memorie van antwoord in tussenkomst van de zijde van NS Stations;
- -
de memorie van antwoord in de tussenkomst van de zijde van JCDecaux;
- -
de spreekaantekeningen voor de comparitie van 28 mei 2019 van mrs. van Nouhuys, Van der Bend en Fanoy namens respectievelijk JCDecaux, NS Stations en Exterion;
- -
het proces-verbaal van de comparitie van partijen in het incident ex artikel 223 Rv en in de hoofdzaak van 28 mei 2019.
1.3
Na afloop van de comparitie heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald op 24 september 2019 of zoveel later als nodig.
In zaak 200.233.320
1.4
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 november 2018 hier over.
1.5
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de memorie na tussenkomst, tevens inhoudende memorie van eis van de zijde van Exterion;
- -
de memorie van antwoord tevens houdende memorie van antwoord in tussenkomst van de zijde van JCDecaux;
- -
de akte tot referte in tussenkomst van de zijde van NS Stations;
- -
de spreekaantekeningen voor de comparitie van 28 mei 2019 van mrs. van Nouhuys, van der Bend en Fanoy namens respectievelijk JCDecaux, NS Stations en Exterion;
- -
het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 28 mei 2019.
1.6
Na afloop van de comparitie heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald op 24 september 2019 of zoveel later als nodig.
In zaak 200. 260.097
1.7
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 juni 2019 hier over.
1.8
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de memorie na tussenkomst, tevens inhoudende memorie van eis van de zijde van Exterion;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de zijde van JCDecaux;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens memorie van antwoord na tussenkomst van de zijde van NS Stations;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de zijde van Exterion.
1.9
Op verzoek van partijen heeft het hof arrest bepaald op 24 september 2019 of zoveel later als nodig.
2. De vaststaande feiten in de zaken 200.237.719, 200.233.320 en 200.260.097
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.22 van het vonnis van 18 oktober 2017.Daaraan wordt als vaststaand feit toegevoegd dat de waarde van de door NS Stations in 2011 aan Exterion tot en met 2027 verleende concessie tenminste tussen de 50 en 100 miljoen euro ligt.
3. De motivering van de beslissing
3.1
Het gaat in deze zaken om het volgende. NS Stations, onderdeel van het NS-concern, houdt zich bezig met het beheren en exploiteren van stations. Een van de activiteiten van NS Stations is het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op de stations. NS Stations heeft in 1998 ten aanzien van een deel van de reclamedragers op de stations een concessieovereenkomst gesloten met (een rechtsvoorgangster van) Exterion. In december 2011 hebben NS Stations en Exterion een nieuwe concessieovereenkomst gesloten met een looptijd tot 1 januari 2028 (hierna te noemen: concessieovereenkomst 2011). JCDecaux is een concurrent van Exterion. In 2015/2016 heeft NS Stations met Ngage-Media een overeenkomst gesloten (voor een pilot) voor digitale schermen op enkele grote NS Stations (hierna: de Ngage-overeenkomst ). Ook Ngage is een concurrent van JCDecaux.
Bij tussenvonnis van 18 oktober 2017 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat NS Stations vanaf medio 2011 een aanbestedende dienst is in de zin van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) en de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012). Het verweer van NS Stations, dat JCDecaux haar rechten om zich erop te beroepen dat NS Stations een aanbestedende dienst is, heeft verwerkt gaat volgens de rechtbank niet op. Verder heeft de rechtbank overwogen dat JCDecaux onvoldoende heeft onderbouwd dat er met betrekking tot de concessieovereenkomsten met Exterion en Ngage-Media sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang, zodat NS Stations ten aanzien daarvan niet aanbestedingsplichtig was. NS Stations heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld tegenover JCDecaux door deze overeenkomsten onderhands aan Exterion en Ngage-Media te gunnen, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft de beslissing aangehouden over de vraag of NS Stations onrechtmatig heeft gehandeld tegenover JCDecaux door een verlengde overeenkomst met Ngage-Media niet aan te besteden (omdat vanaf 1 juli 2016 een ander wettelijk regime voor concessieovereenkomsten geldt). In het eindvonnis van 7 november 2018 heeft de rechtbank overwogen dat alleen is gebleken dat NS Stations in november 2015 een raamovereenkomst met Ngage-Media heeft gesloten, waarvoor op dat moment geen aanbestedingsplicht gold, en dat niet is gebleken dat deze overeenkomst daarna nog is verlengd. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande voor recht verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 een aanbestedende dienst is en de overige vorderingen van JCDecaux afgewezen.
3.2
In de door de rechtbank beoordeelde zaak staan twee centrale thema’s van aanbestedingsrechtelijke aard centraal. Ten eerste de vraag of NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst in de zin van het Bao en de Aw 2012 is. Dit eerste thema wordt door het hof beoordeeld in de zaak met nummer 200.233.320. Ten tweede de vraag of bij de overeenkomsten waar het in deze zaak over gaat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Dit thema komt in zaak 200.237.719 aan bod.
zaak 200.233.320
rechtsverwerking en Grossmann
3.3
Als meest verstrekkende verweer tegen toewijzing van de vorderingen van JCDecaux hebben NS Stations en Exterion zich beroepen op rechtsverwerking naar Nederlands recht en de Grossmann-doctrine. De rechtbank heeft beide verweren verworpen (in rechtsoverweging 4.4 en 4.5 van het bestreden tussenvonnis). Daartegen richt NS Stations zich met de grieven 1 en 2. Exterion sluit zich daarbij aan (in hoofdstuk 3 van haar memorie van tussenkomst) en is van mening dat JCDecaux ook ten aanzien van haar rechten heeft verwerkt. Op basis daarvan vordert Exterion (onder II) onder meer dat het hof voor recht verklaart dat JCDecaux haar recht om de concessieovereenkomst 2011 aan te tasten heeft verwerkt.
3.4
Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door NS Stations en Exterion gestelde feiten en omstandigheden (waarbij de nadruk lag op de intrekking door JCDecaux van het in juni 2011 ingeleide kort geding tegen NS Stations en de lange periode die vervolgens is verstreken voordat de onderhavige bodemprocedure is ingeleid, namelijk ongeveer zes jaar na intrekking van genoemd kort geding en vijf jaar nadat de concessieovereenkomst 2011 is gesloten) onvoldoende zijn om aan te nemen dat bij NS Stations het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat JCDecaux niet meer het standpunt zou innemen dat NS Stations deze overeenkomst had dienen aan te besteden. De gestelde feiten en omstandigheden brengen volgens de rechtbank evenmin mee dat sprake is van onredelijke benadeling bij NS Stations, nu NS Stations toen zij de concessieovereenkomst 2011 sloot ermee bekend was dat JCDecaux vond dat NS Stations daartoe niet gerechtigd was omdat zij deze concessie had dienen aan te besteden.
Het hof maakt dat oordeel tot het zijne en voegt daaraan het volgende toe. De door JCDecaux gestelde feiten en omstandigheden, waaronder:
- -
JCDecaux heeft vanaf 2008 bij NS Stations en haar rechtsvoorgangsters kenbaar gemaakt dat zij geïnteresseerd is in het meedingen naar (kort gezegd) reclamecontracten,
- -
de e-mail van 13 september 2010 van NS Poort (rechtsvoorgangster van NS Stations) waarin word gesproken over een shortlist waarop JCDecaux zou staan;
- -
de uitlatingen van NS Stations in 2011 waaruit JCDecaux leek te mogen opmaken
dat de met Exterion te sluiten overeenkomst voor hoogstens 5 a 7 jaar zou gelden, waarna een aanbesteding zou volgen,
- het gebrek aan openheid van NS Stations over de contractspartner, omvang en inhoud van de concessieovereenkomst 2011,
schetsen het beeld van een situatie waarin NS Stations vanaf 2010 vaag is gebleven over haar onderhandelingen met Exterion over de concessieovereenkomst 2011 alsmede over de inhoud en omvang daarvan. Voor JCDecaux was dus sprake van een onduidelijke situatie, waarin zij niet (precies) wist waartegen zij zich (eventueel in rechte) diende te verzetten. De situatie is in onduidelijkheid voor haar toegenomen nadat zij in juni 2011 het nemen van rechtsmaatregelen tegen NS Stations aankondigde. De uitlatingen van NS Stations kregen vanaf dat moment een sussend karakter. Naar aanleiding van een vage toezegging van NS Stations dat zij in 2015 alsnog de uitgifte van reclame-concessies zou openstellen, heeft JCDecaux besloten het kort geding alsnog in te trekken, echter zonder dat NS Stations alsnog duidelijkheid gaf over de inhoud, omvang en looptijd van de concessieovereenkomst 2011. Tegen die achtergrond is er geen sprake van rechtsverwerking in de zin dat NS Stations er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat JCDecaux niet het standpunt dat NS Stations een aanbestedende dienst is, zou innemen en geen poging zou doen om de concessieovereenkomst 2011 (die naar veel later dan 2011 aan JCDecaux bleek een looptijd tot 2028 te hebben) in rechte te (laten) aantasten. Van een onredelijke benadeling is om dezelfde redenen geen sprake.
Grief 1 faalt daarom. Exterion heeft op dit punt geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd dan NS Stations, zodat haar beroep op rechtsverwerking evenmin slaagt.
3.5
Met grief 2 richt NS Stations zich tegen de verwerping van haar beroep op de Grossmann-jurisprudentie. De rechtbank oordeelde dat de Grossmann-jurisprudentie, die een proactief handelen van gegadigden/inschrijvers verlangt, in dit geval niet van toepassing is, nu er geen sprake was van een lopende aanbestedingsprocedure. Bij gebrek daaraan is het onduidelijk op welk moment een geïnteresseerde onderneming als JCDecaux had moeten klagen over het niet aanbesteden, waar dat volgens haar wel had gemoeten, aldus de rechtbank.
In haar toelichting op grief 2 wijst NS Stations op het feit dat JCDecaux vanaf medio 2011 wist dat NS Stations in onderhandeling was met Exterion en van plan was de concessieovereenkomst 2011 zonder aanbesteding met haar af te sluiten. Daar waar JCDecaux meende dat dat niet kon en dat NS Stations deze concessie moest aanbesteden, was dat het moment geweest waarop JCDecaux had moeten klagen. Door dat na te laten, althans een ingeleid kort geding in te trekken en vervolgens tot 2016 te wachten om alsnog actie daartegen te ondernemen, heeft JCDecaux haar rechten ook in de zin van de Grossmann-jurisprudentie verwerkt, aldus NS Stations en volgens Exterion in haar memorie na tussenkomst.
3.6
Het beroep op de Grossmann-jurisprudentie door NS Stations en Exterion faalt. Met de rechtbank (in rechtsoverweging 4.5 van het tussenvonnis) is het hof van oordeel dat deze jurisprudentiële regel niet zover gaat dat in een geschil als het onderhavige, waarin NS Stations in 2011 uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij de concessieovereenkomst 2011 niet zal aanbesteden maar onderhands zal gunnen aan Exterion, van JCDecaux de in het Grossmann-arrest beschreven proactieve houding mag worden verlangd. Daarbij acht het hof, net als de rechtbank, van belang dat vanwege de in 2010/2011 geschetste gang van zaken rond de concessieovereenkomst 2011 voor JCDecaux niet duidelijk was of had kunnen zijn vanaf welk moment van haar dan proactieve actie werd verwacht. De achtergrond van de regel uit het Grossmann-arrest, namelijk het verzekeren van de
adequate en effectieve toepassing van de aanbestedingsrichtlijnen, in het bijzonder in een
stadium waarin onrechtmatigheden nog ongedaan kunnen worden gemaakt, maakt duidelijk dat dat moment in deze zaak niet valt aan te wijzen. Immers door de onduidelijkheid die NS Stations bewust of onbewust liet bestaan jegens JCDecaux over de inhoud, omvang en looptijd van de met Exterion te sluiten concessieovereenkomst, als ook over het moment van (af)sluiten en de ingangsdatum van die overeenkomst, tastte JCDecaux in het duister, zoals blijkt uit de door de rechtbank vastgestelde feiten.
Dat JCDecaux in juni 2011 wel een kort geding heeft ingeleid, maar dat later om de in de rechtsoverweging 3.6 genoemde feiten en omstandigheden weer heeft ingetrokken, doet daaraan ook in dit geval niet af. Grief 2 faalt derhalve.
aanbestedende dienst
3.7
Partijen verschillen van mening over de vraag of NS Stations vanaf 2011 ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is in de zin van het Bao en de Aw 2012.
3.8
Partijen zijn het eens over het ter zake geldende toetsingskader, dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.12 van het tussenarrest heeft weergegeven en dat het hof, teneinde de leesbaarheid van dit arrest te vergroten, kort zal herhalen.
3.9
Op 1 april 2013 is de Aw 2012 in werking getreden.Vóór die tijd was het Bao van kracht.De wetgever heeft ervoor gekozen om het begrip “aanbestedende dienst” zoals opgenomen in het Bao ongewijzigd over te nemen in de Aw 2012. Beide regelingen geven dus een identieke definitie van het begrip “aanbestedende dienst” en kennen dus hetzelfde toetsingskader voor de beantwoording van de vraag of een instelling/onderneming als een aanbestedende dienst moet worden aangemerkt.
Partijen zijn het erover eens dat in de hier aan de orde zijnde periode (medio 2011 tot en met heden) de feitelijke situatie hetzelfde is (geweest).
Volgens het Bao en de Aw 2012 worden als aanbestedende dienst aangemerkt:
de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een publiekrechtelijke instelling dan wel een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen. De vraag is of NS Stations als een publiekrechtelijke instelling in de zin van het Bao en de Aw 2012 kan worden gekwalificeerd.
3.10
Een publiekrechtelijke instelling is volgens het Bao (artikel 1 sub q) en de Aw 2012 (artikel 1.1) een instelling:1. die specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders danvan industriële of commerciële aard, en2. die rechtspersoonlijkheid bezit, en3. waarvan:a. de activiteiten in hoofdzaak door de staat, een provincie, een gemeente, eenwaterschap of een andere publiekrechtelijke instelling worden gefinancierd,
b. het beheer is onderworpen aan toezicht door de staat, een provincie, een gemeente, eenwaterschap of een andere publiekrechtelijke instelling ofc. de leden van het bestuur, het leidinggevend of toezichthoudend orgaan voor meer dande helft door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een anderepubliekrechtelijke instelling zijn aangewezen.
Deze drie voorwaarden zijn overeenkomstig de rechtspraak van cumulatieve aard. Dit betekent dat alleen sprake is van een publiekrechtelijke instelling indien aan al deze drie vereisten is voldaan.
Ten aanzien van het vereiste onder 3 (overwegende mate van overheidsinvloed) geldt dat daaraan is voldaan wanneer aan één van de drie (alternatieve) vereisten zoals vermeld onder a tot en met c is voldaan.
3.11
Tussen partijen staat ook in hoger beroep niet ter discussie dat aan de vereisten zoals genoemd in 3.10 onder 2 en 3 (het bezit van rechtspersoonlijkheid en overwegende mate van overheidsinvloed) is voldaan.
3.12
Partijen verschillen wel van mening over de beantwoording van de vraag of ook is voldaan aan het vereiste dat NS Stations specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard.JCDecaux Nederland betoogt dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, zoals de rechtbank heeft gedaan. Daartegen komt NS Stations op met grief 3 waarin zij zich op het standpunt stelt dat genoemde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Alvorens de in het kader van de toelichting op grief 3 daarvoor aangevoerde argumenten, de argumenten die Exterion ter onderbouwing van diezelfde stelling en de contra-argumenten van JCDecaux te bespreken, stelt het hof vast dat geen grieven zijn gericht tegen het door de rechtbank in rechtsoverweging 4.15.1 en 4.15.2 geschetste toetsingskader, dat het hof hier -verkort- zal weergegeven.
Eerst moet worden nagegaan of de activiteiten van NS Stations voorzien in behoeften van algemeen belang, en als dat het geval is, moet worden vastgesteld of dergelijke behoeften al dan niet van industriële of commerciële aard zijn. Daarbij speelt onder meer een rol met welk doel de betreffende onderneming (NS Stations) is opgericht. Het hof merkt daarbij op dat de statutaire doelomschrijving één van de elementen is, die een rol spelen bij de vraag of de betrokken entiteit voorziet in de behoeften van algemeen belang. Voor zover in de grieven van NS Stations en de memorie van Exterion wordt betoogd dat het criterium zou zijn dat moet worden nagegaan of NS Stations is opgericht om te voorzien in behoeften van algemeen belang, is dat onjuist. Het wettelijke criterium luidt (in overeenstemming met de Europese richtlijnen) dat de betrokken entiteit moet voorzien in behoeften van algemeen belang. De daadwerkelijke activiteiten zijn daarbij van groot belang (HvJ EG 12 december 2002, ECLI:EU:C:2002:746, Universale-Bau):
“Om na te gaan of een entiteit aan de voorwaarde van artikel 1, sub b, tweede
alinea, eerste streepje, van richtlijn 93/37 voldoet, moet derhalve worden
uitgegaan van de activiteiten die zij daadwerkelijk uitoefent.
In dit verband zij erop gewezen dat de nuttige werking van richtlijn 93/37 niet
volkomen zou zijn verzekerd indien de toepassing van het stelsel van de richtlijn
op een entiteit die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, sub b, tweede
alinea, van die richtlijn, zou kunnen worden uitgesloten louter omdat zij niet
reeds bij haar oprichting was belast met de taken van algemeen belang andere dan
die van industriële of commerciële aard die zij in de praktijk verricht.”
Voor het onderzoek of de aan de orde zijnde entiteit voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan die van industriële of commerciële aard, moet rekening worden gehouden met alle relevante gegevens, rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is. Het is in dit verband irrelevant dat de betrokken entiteit naast haar taak van algemeen belang tevens andere activiteiten, al dan niet in concurrentie, met een winstoogmerk verricht, zolang zij zich blijft kwijten van de taken ten behoeve van het algemeen belang die haar specifiek zijn opgedragen.Het aandeel van de met een winstoogmerk uitgeoefende activiteiten in de algehele activiteiten van deze entiteit is voor de kwalificatie ervan als publiekrechtelijke instelling evenmin relevant (zie HvJ EU in zijn arrest van10 april 2008, ECLI:EU:C:2008:213, Aigner, punt 47 waarin wordt verwezen naar het arrest van 15 januari 1998, ECLI:EU:C:1998:4, Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., punt 25, het arrest van 27 februari 2003, ECLI:EU:C:2003:110, Adolf Truley, punt 56, en het arrest van 22 mei 2003, ECLI:EU:C:2003:300, Korhonen, punten 57 en 58).
In het arrest Mannesmann is geoordeeld dat de instelling een publiekrechtelijke instelling blijft, zelfs als de instelling sinds de oprichting meer commerciële dan publieke taken is gaan verrichten.
3.13
Met grief 3 verwijt NS Stations de rechtbank haar statutaire doelomschrijving verkeerd en buiten haar verband te hebben geïnterpreteerd, een onjuiste definitie van “stations” te hebben gehanteerd en miskend te hebben dat NS Stations haar activiteiten met winstoogmerk en in concurrentie uitoefent. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte het waarborgen van de transferfunctie als publieke taak onder de reikwijdte van de taak van NS Stations gebracht en miskend dat het veilig- en schoonhouden van stations geen publieke taak van haar is, aldus NS Stations.
Het hof zal deze zes onderdelen van grief 3 gezamenlijk behandelen, voor zover relevant voor haar eindoordeel, en daarbij tevens de argumenten van Exterion en JCDecaux meenemen.
3.14
Het relevante wettelijke kader wordt mede gevormd door de bepalingen van de Spoorwegwet, zoals die gold tot 16 juni 2019. Dat betreft de wet van 23 april 2003 (Stb. 2003, 264) waarvan de meeste artikelen per 1 januari 2005 in werking zijn getreden. Vanaf 16 juni 2019 geldt de bij wet van 30 januari 2019 gewijzigde Spoorwegwet (Stb. 2019, 61).
NS Stations wordt niet met name in de Spoorwegwet genoemd. Wel bevat de Spoorwegwet in artikel 26, lid 2 een definitie van Station, die luidt:
“een gebouw of werk dat blijkens zijn constructie en inrichting geheel of gedeeltelijk is bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen met het oog op het in-, uit- of overstappen van reizigers.”
In de kamerstukken (Kamerstukken II 2000/01 27 482 nr. 3. MvT) zegt de minister daarover het volgende:
"Dit artikel (bedoeld wordt: artikel 24) bevat regels ter waarborging van de primaire functie van stations (onderstreping hof) (kort gezegd: de transfer-functie). De opzet en formulering van het artikel is ontleend aan
artikel 2d van de Postwet en de artikelen 8.5 en 8.7 van de Telecommunicatiewet.
(...)
De rechthebbende van een station (in de regel zal dat bij de bestaande stations NS Stations b.v. zijn: in sommige gevallen NS Vastgoed b.v.) is verplicht vervoerders, passagiers en verladers adequate toegang te verlenen (eerste lid, onderdeel a). Voorts is de rechthebbende verplicht de beschikbare toegangswegen op gelijke voet en tegen redelijke tarieven ter beschikking te stellen. Datzelfde geldt voor laad- en losplaatsen.”
Uit de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.20 van het tussenvonnis genoemde parlementaire stukken, met name de beleidsnotitie Intentienotitie Definitie Zeggenschap Infrastructuur (productie 32 bij Memorie van antwoord, hierna: de DZI) en het (in opdracht van de Staat opgemaakte) Rapport van Ecorys (productie N-7, hierna het Rapport), volgt in aanvulling op en ter uitwerking van het wettelijke kader nog het volgende.
3.15
Er dient (blijkens NS Stations zelf - memorie van grieven nr. 22-24 -, de DZI (par. 1.2) en het Rapport) onderscheid te worden gemaakt tussen drie typen infrastructuur:
a. a) Railverkeers- en vervoersinfrastructuur (RVVI) die bestaat uit de sporen, stationstunnels, perrons, (rol)trappen en liften;
b) Infrastructuur met gemengde functies, zoals stationsgebouwen (GI);
c) Vastgoed, dat bestaat uit gebouwen rondom de stations zoals werkplaatsen en kantoren.
3.16
Ten aanzien van de GI geldt dat NS Stations deze commercieel mag exploiteren, maar wel met randvoorwaarden om de publieke verkeer- en vervoersfuncties te waarborgen (de DZI, par. 1.2 sub 1 en 2):
“infrastructuur die vanuit de commerciële belangen van NS, als ook vanuit verkeers- en vervoersoptiek een belangrijke functie vervult; deze infra valt in principe onder de commerciële verantwoordelijkheid van NS, echter met randvoorwaarden om de publieke verkeer- en vervoerfunkties te waarborgen
(…)
Er is gestreefd naar een maximale scheiding/ontvlechting tussen de publieke en de commerciële functies, mat name met betrekking tot de eigendom. Ten opzichte van het kabinetsstandpunt is zelfs verder gegaan. De stationsgebouwen komen in economisch eigendom bij de NS-bedrijven, die verantwoordelijk zijn voor de commerciële exploitatie daarvan. Dit heeft wel geleid tot de noodzaak om duidelijke voorwaarden op te stellen om het publieke belang veilig te stellen, i.e. de verkeers- en vervoersfunctie, de spoorwegveiligheid en de toegankelijkheid voor andere vervoerders.
In par. 3 (3.1) van de DZI wordt de situatie ten aanzien van de GI nader uitgewerkt:
“In de stationsgebouwen en "combi-perrongebouwen" (gebouwen op perrons die zowel publieke functies, b.v. wachtruimte, als commerciële functies vervullen) komt een aantal functies samen:
de feitelijke openbare verbinding tussen de railverkeers- en vervoersinfrastructuur en de publieke weg en de bijbehorende voorzieningen: de zogenaamde "transferfunctie";
In diezelfde paragraaf worden vervolgens de uitgangspunten bij de functies van de stationsgebouwen en "combi-perrongebouwen" genoemd, waaronder:
de commerciële functie krijgt volledige ruimte tot ontwikkeling, mits de transferfunctie wordt gewaarborgd.
en in par. 3.1.5. staat:
NS Stations is, met inachtneming van de gemaakte afspraken t.a.v. de transferfunctie en de vervoergerelateerde activiteiten, overigens vrij in de commerciële exploitatie van de stationsgebouwen en combi-perrongebouwen.”
Over de kostenverdeling tussen NS Stations en NS Railinfrabeheer (hof: thans Pro Rail) bevat de DZI het volgende overzicht (par. 3.1.1.2):
Activa en Activiteiten Kosten
I primaire railinfra/transfer: volledig ten laste van NS Railinfrabeheer
II gemengde infra/transfer en commercieel: naar rato ten laste van commercieel NS Railinfrabeheer en NS Stations
III commerciële bedrijfsmiddelen/opstallen/commercieel: NS Stations
In het Rapport worden (onder meer op p.13-18 en in tabel 2.2) de uitgangspunten van de DZI bevestigd.
3.17
In de Algemene Voorwaarden Stations (productie 33 bij Memorie van Antwoord) worden de taken en bevoegdheden van NS Stations eveneens -voor zover hier relevant- benoemd:
“Een Stationsgebouw;
Een stationsgebouw daaronder begrepen gebouwen of andere onroerende werken voor vervoersgerelateerde activiteiten, die ten dienste staan van de stationsfunctie en waartoe NSVastgoed in goederenrechtelijke zin is of zal worden gerechtigd en waarvan de economische gerechtigdheid door NS is ingebracht in NSStations.
(…)
4.4.
NSStations is verplicht de Stations-gebouwen zodanig te onderhouden en in stand te houden dat de veiligheid van het (reizigers)publiek en van de in of op het desbetreffende Stationscomplex werkzame personen is gewaarborgd.”
3.18
Met de rechtbank (in met name rechtsoverweging 4.20-4.22 van het tussenvonnis) en JCDecaux is het hof van oordeel dat uit het hierboven beschreven wettelijk- en beleidskader in combinatie met hierna te noemen feiten en omstandigheden, waaronder met name de feitelijke invulling die NS Stations aan wet en beleid geeft in de praktijk, volgt dat NS Stations (in elk geval in 2011 en 2015) door het beheer en de exploitatie van stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Daartoe acht het hof met name redengevend:
- het stationsgebouw belichaamt de transferfunctie;
- reizigers kunnen (op een enkele uitzondering na) de perrons en sporen alleen bereiken via het stationsgebouw;
- NS Stations is verantwoordelijk voor het waarborgen van die transferfunctie;
- NS Stations is verantwoordelijk voor het veilig en schoonhouden van het stationsgebouw;
- NS Stations is economisch eigenaar van het stationsgebouw;
- NS Stations deelt in de kosten van de activiteiten op/van de GI naar rato met Pro Rail;
Daaraan doet niet af, zoals door NS Stations (in de toelichting op grief 3) en Exterion wordt betoogd, dat NS Stations niet in de Spoorwegwet (noch in de Wet Personenvervoer 2000) met name wordt genoemd. Uit het in de DZI gepubliceerde beleid en de feitelijke gang van zaken, waar het de activiteiten van NS Stations betreft, volgt immers duidelijk wat de beoogde en daadwerkelijke rol van NS Stations ten aanzien van de Stations is. Of het de bedoeling van de wetgever (met de wijziging van de Spoorwegwet) is geweest om een strikte scheiding van publiek en privaat rond het spoor tot stand te brengen, zoals NS Stations tijdens de zitting in hoger beroep heeft betoogd, kan in het midden blijven nu, zelfs als dat de bedoeling is geweest, de uitwerking in het beleid en de praktijk een andere is geweest. In de praktijk en conform de in de DZI beschreven taakverdeling met Pro Rail is er een duidelijke rol voor NS Stations in het beheer en de exploitatie van de GI, waarmee die daadwerkelijke activiteiten van NS Stations voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Op dezelfde gronden verwerpt het hof het argument van NS Stations dat nu zij niet wordt genoemd in de Spoorwegwet zij in publieke zin “niets” is en louter haar commerciële taak (het beheer van commercieel vastgoed) uitoefent.
Het hof voegt daaraan toe dat het beheer van commercieel vastgoed rond het station(gebouw) een ander karakter heeft en niet kan worden vergeleken met de door het stationsgebouw zelf belichaamde transferfunctie. Immers het stationsgebouw zelf is voor reizigers op weg van en naar perron en spoor doorgaans niet te vermijden, terwijl het daarnaast of om heen gelegen commercieel gelegen vastgoed (zoals het ter zitting besproken Hoog Catharijne winkelcentrum te Utrecht) door de reizigers wel kan, maar niet hoeft te worden bezocht om het spoor te bereiken.
In zoverre faalt grief 3 (onderdelen b, c en d), waarbij het hof opmerkt dat NS Stations de rechtbank ten onrechte verwijt dat het waarborgen van de transferfunctie een publieke taak van NS Stations is. De rechtbank gebruikt die term (terecht) niet in de aangevallen rechtsoverwegingen, maar beoordeelt de vraag of NS Stations voorziet in behoeften van algemeen belang (anders dan van industriële of commerciële aard).
3.19
Grief 3 faalt ook voor zover in de onderdelen a, e en f de rechtbank wordt verweten de statutaire doelbepaling van NS Stations onjuist te hebben uitgelegd en geen rekening te hebben gehouden met haar winstoogmerk en de concurrentieomgeving waarin zij haar activiteiten uitoefent.
Waar het de statutaire doelbepaling van NS Stations betreft (artikel 2: de vennootschap heeft ten doel het beheren en (doen) exploiteren van stations, daarbij behorende terreinen en andere ruimten…) geldt -als gezegd- dat de statutaire doelomschrijving een van de elementen is, die een rol speelt bij de vraag of de betrokken entiteit voorziet in de behoeften van algemeen belang en dat voor zover in dit onderdeel van grief 3 wordt betoogd dat het criterium zou zijn, dat moet worden nagegaan of NS Stations is opgericht om te voorzien van behoeften van algemeen belang, dat onjuist is. Bepalend zijn de daadwerkelijke activiteiten, waarover het hof in 3.18 reeds een oordeel heeft gegeven.
Tegen die achtergrond kan in het midden blijven of de rechtbank een onjuiste uitleg aan artikel 2 van de statuten heeft gegeven door het doel te lezen als beheren en exploiteren in plaats van, zoals NS Stations voorstaat, alleen exploiteren.
Dat NS Stations een winstoogmerk zou hebben en haar activiteiten in concurrentie uitoefent, is evenmin van (doorslaggevend) belang voor het oordeel of NS Stations voorziet in de behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Uit het Mannesmann-arrest (t.a.p.) en het Aigner-arrest (t.a.p.) volgt immers dat het in dit verband irrelevant is dat NS Stations naast haar specifieke taak van algemeen belang tevens andere activiteiten met een winstoogmerk en in concurrentie verricht. Het aandeel van de met een winstoogmerk uitgeoefende activiteiten in de algehele activiteiten van NS Stations is voor de kwalificatie ervan als publiekrechtelijke instelling evenmin relevant.
Ook in die zin falen grief 3 van NS Stations en de door Exterion in dat kader aangevoerde argumenten.
3.20
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat NS Stations in deze kwalificeert als een publiekrechtelijke instelling in de zin van het Bao en de Aw 2012 en daarmee als aanbestedende dienst in de zin van die regelgeving.
3.21
Grief 4 behoeft in dat licht bij gebrek aan belang geen bespreking meer.
3.22
Grief 5 bouwt voort op de grieven 1 tot en met 4 en faalt daarom ook. Het hoger beroep van NS Stations, ondersteund door Exterion, treft tegen die achtergrond geen doel. De verklaring voor recht dat NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst in de zin van het Bao en de Aw 2012 is, blijft in stand.
Zaak 200.237.719
3.23
Het voorgaande betekent dat JCDecaux belang heeft bij haar beroep tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis dat NS Stations niet aanbestedingsplichtig was ten aanzien van de in 2011 met Exterion gesloten concessieovereenkomst en de in 2015 gesloten Ngage-overeenkomst, omdat daaraan een duidelijk grensoverschrijdend belang ontbrak.
3.24
Tegen dat oordeel heeft JCDecaux in dit beroep de grieven 1 tot en met 6 geformuleerd. Deze lenen zich grotendeels voor gezamenlijke behandeling.
3.25
In het onderhavige appel heeft JCDecaux een incident tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv opgeworpen. Ter zitting van 28 mei 2019 heeft zij, tegen de achtergrond van de aldaar gemaakte procesafspraken, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de looptijd van het geding in hoger beroep, ingetrokken, zodat het hof daarop niet meer zal beslissen.
3.26
Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof het volgende voorop.
Europese beginselen van aanbestedingsrecht
3.27
Er zijn drie soorten overheidsopdrachten die geheel of gedeeltelijk buiten het regime van (één van) de aanbestedingsrichtlijnen vallen:
( a) dienstenconcessies die zijn verleend voordat de Richtlijn Concessieovereenkomsten (2014/23/EU, hierna: de Richtlijn Concessieovereenkomsten ) in nationale wetgeving was omgezet;
( b) opdrachten onder de drempelwaarde van de relevante Richtlijn Concessieovereenkomsten; deze opdrachten zijn expliciet uitgesloten van de werkingssfeer van de Richtlijn Concessieovereenkomsten;
( c) opdrachten voor B-diensten onder vigeur van Richtlijn 2004/18/EG; hiervoor gold een verlicht regime (vrijstelling verplichting tot transparantie met betrekking tot de gunning).
In deze drie gevallen vinden wel de beginselen van het gemeenschapsrecht (gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie, objectiviteit en proportionaliteit) toepassing indien sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Voor oude dienstenconcessies blijkt dit uit de arresten Telaustria ( HvJ EG 7 december 2000, ECLI: EU: C:2000:669), Coname (HvJ EG 21 juli 2005, ECLI: EU: C:2005:487) en Parking Brixen (HvJ EG 13 oktober 2005, ECLI: EU:C:2005:605). In al die gevallen kunnen de aan de Europese aanbestedingswetgeving ten grondslag liggende beginselen en bepalingen van het VWEU direct verplichten tot het bieden van gelijke kansen. Dit alles is ook beschreven in de Memorie van Toelichting bij de Aanbestedingswet 2012 (Kamerstukken II 2009-2010, 32 440, nr. 3, p. 49-50):
“De laatste jaren heeft het HvJEG de werking van de aanvankelijk in de Richtlijn Concessieovereenkomsten opgenomen beginselen uitgebreid tot alle overheidsopdrachten waarbij sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. De ratio achter deze extensieve uitleg van deze beginselen was dat ingeval een overheidsopdracht de mogelijkheid had de interne markt te beïnvloeden zij werd geraakt door de fundamentele beginselen van het EG-Verdrag (thans: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Volgens het HvJEG zijn deze fundamentele beginselen de beginselen van het vrij verkeer van personen, diensten, goederen, kapitaal, het beginsel van vrije vestiging en de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, transparantie en evenredigheid. De richtlijnen zelf refereren daarnaast nog aan de beginselen van wederzijdse erkenning en proportionaliteit. Bij een opdracht met een duidelijk grensoverschrijdend belang zijn die beginselen van toepassing, ook buiten het regime van de richtlijnen. Dit volgt uit jurisprudentie van het HvJEG.
Het HvJEG heeft deze lijn voor het eerst bevestigd inzake concessie-overeenkomsten voor diensten in het arrest TelAustria (HvJEG van 7 december 2000, TelAustria, zaak C-324/98, Jur. 2000, blz. I-10745). Het HvJEG oordeelde daar dat, ook al zijn dergelijke overeenkomsten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht van de werkingssfeer van de richtlijnen uitgesloten, de aanbestedende diensten die deze overeenkomsten sluiten, wel de fundamentele regels van het EG-verdrag in het algemeen en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in het bijzonder in acht moeten nemen. Dit houdt volgens het HvJEG met name een verplichting tot transparantie in. Deze transparantieverplichting houdt in dat een passende mate van openbaarheid wordt gehanteerd, zodat de markt voor mededinging wordt geopend en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst. Het HvJEG heeft deze lijn bij concessie-overeenkomsten voor diensten bevestigd in onder andere de arresten Coname (HvJEG van 21 juli 2006, Coname, zaak C-231/05, Jur. 2005, blz. I-07287) en Parking Brixen (HvJEG van 13 oktober 2005, Parking Brixen, zaak C-458/03, Jur. 2005, blz. I-08585). In het arrest Vestergaard (HvJEG van 3 december 2001, Vestergaard , zaak C-59/00, Jur. 2001, blz. I-09505) gaf het HvJEG aan dat aanbestedende diensten bij opdrachten ook onder de drempelwaarde gehouden zijn om de fundamentele beginselen van het EG-verdrag in acht te nemen. In Commissie/Italië (HvJEG van 21 februari 2008, Commissie/Italië, zaak C-412/04, Jur. 2008, blz. I-00619) werd aangegeven dat [aan] aanbestedende diensten alleen een passende mate van openbaarheid in acht hoeven te nemen bij opdrachten met een duidelijk grensoverschrijdend belang. Het HvJEG heeft deze lijn ook bevestigd voor B-diensten in de arresten An Post (HvJ EG van 18 december 2007, An Post, zaak C-507/03, Jur. 2007, blz. I-11353) en Commissie/Italië Ambulancevervoer (HvJEG van 29 november 2007, Ambulancevervoer, zaak C-119/06, Jur. 2007, blz. I-00168).
Vanzelfsprekend moet van geval tot geval worden bezien of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Het HvJEG heeft aangegeven dat criteria die kunnen worden meegewogen om te kunnen vaststellen of er sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang in ieder geval kunnen zijn: de geraamde opdrachtwaarde, de technische aard van de opdracht en de plaats van uitvoering (HvJEG van 15 mei 2008, SECAP SpA en Santorso, gevoegde zaken C-148/06 en C-147/06, Jur. 2008, blz. I-03565). De verwachting is dat het HvJEG hier in toekomstige arresten meer duidelijkheid over zal gaan geven. In dit wetsvoorstel wordt het begrip duidelijk grensoverschrijdend belang daarom niet verder uitgewerkt.”
3.28
Voor de toepasselijkheid van de beginselen van het gemeenschapsrecht is wel vereist dat sprake is van een ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’. Dit blijkt uit de arresten ASM Brescia (HvJ EG 17 juli 2008, ECLI:EU:C:2008:416) en Commissie/Italië (HvJ EG 21 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:102). Het criterium ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ voorkomt dat elke opdracht (hoe gering ook) transparant zou moeten worden gegund. De gedachte achter deze rechtstreekse verplichting is dat zonder gelijke kansen ondernemers uit andere lidstaten naar nationaliteit zouden worden gediscrimineerd, hetgeen in strijd zou zijn met de vrij-verkeerbepalingen uit het VWEU.
Het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ moet geobjectiveerd worden uitgelegd. Een aanbestedende dienst moet immers op voorhand (op grond van een ex ante beoordeling) kunnen vaststellen of de te verlenen opdracht aan dit criterium voldoet. De aanbestedende dienst moet dus een inschatting kunnen maken van het belang van de opdracht voor partijen uit andere lidstaten. Verder moet voorkomen worden dat een binnenlandse partij, die de opdracht heeft misgelopen, zich genoodzaakt ziet buitenlandse partijen te benaderen om - al dan niet voor de vorm- in rechte als mede-eiser op te treden teneinde aan te tonen dat er belangstelling uit het buitenland was.
3.29
Het duidelijk grensoverschrijdend belang kan volgens vaste rechtspraak met name voortvloeien uit het economische belang van de geplande overeenkomst, bezien in samenhang met de plaats van uitvoering en de technische kenmerken ervan. Dit blijkt onder meer uit het arrest Secap en Santorso (HvJ EG 15 mei 2008, ECLI:EU:C:2008:277):
“Derhalve ontneemt deze in duidelijke, dwingende en absolute bewoordingen geformuleerde regel de inschrijvers die abnormaal lage inschrijvingen hebben ingediend, de mogelijkheid om te bewijzen dat deze betrouwbaar en serieus zijn. Dit aspect van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde regeling zou kunnen leiden tot met het gemeenschapsrecht onverenigbare resultaten, indien een bepaalde opdracht, gelet op de eigen kenmerken ervan, een duidelijk grensoverschrijdend belang kan vertonen en zo marktdeelnemers uit andere lidstaten kan aantrekken. Een opdracht voor de uitvoering van werken zou bijvoorbeeld een dergelijk grensoverschrijdend belang kunnen vertonen wegens de geraamde waarde ervan, samen met de technische aard ervan of de uitvoering van de werken op een plek die voor buitenlandse marktdeelnemers interessant zou kunnen zijn.”
Dit blijkt voorts uit het arrest Belgacom (HvJ EU 14 november 2013, ECLI:EU:C:2013:736):
“Het duidelijke grensoverschrijdende belang kan met name voortvloeien uit het economische belang van de geplande overeenkomst, de plaats van de uitvoering ervan (zie in die zin arrest ASM Brescia, reeds aangehaald, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak) of uit de technische kenmerken ervan (zie naar analogie arrest van 15 mei 2008, SECAP en Santorso, C-147/06 en C-148/06, Jurispr. blz. I-3565, punt 24).”
Deze gezichtspunten zijn ook in het Tecnoedi-arrest herhaald (HvJ EU 6 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:747):
“ Wat de objectieve criteria betreft die kunnen duiden op het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang, heeft het Hof reeds geoordeeld dat met name het aanzienlijke bedrag van de betrokken opdracht, in combinatie met de plaats van uitvoering van de werken of de technische kenmerken van de opdracht en de specifieke kenmerken van de betrokken producten, dergelijke criteria kunnen zijn (…).”
3.30
Deze objectieve criteria, zoals met name een aanzienlijk bedrag van de opdracht in samenhang met de plaats van uitvoering en de technische kenmerken, kunnen wijzen op het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Anderzijds kan bij een zeer geringe economische betekenis een grensoverschrijdend belang in beginsel worden uitgesloten. Het hof dient aldus de stellingen over het economisch belang van de geplande overeenkomst, de plaats van uitvoering en de technische kenmerken in zijn beoordeling te betrekken waarbij het vervolgens aankomt op een weging van deze elementen (waarbij in de regel de meeste betekenis toekomt aan het economisch belang). Daarbij gaat het niet om cumulatieve vereisten. Dit zoals volgt uit het arrest Commissie/Spanje (GvEA EU 29 mei 2013, ECLI:EU:T:2013:277):
“114 Hoe dan ook moet worden geoordeeld dat zowel opdracht nr. 2 van het Andévaloproject als de opdrachten nrs. 1, 2, 4 en 5 van de Guadalquivirprojectengroep een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoonden. In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak objectieve criteria zoals met name het aanzienlijke bedrag van de betrokken opdracht, in combinatie met de plaats van uitvoering van de werken, kunnen wijzen op het bestaan van een dergelijk belang. Daarentegen kan het bestaan hiervan ook worden uitgesloten wanneer de betrokken opdracht bijvoorbeeld een zeer geringe economische betekenis heeft (zie in die zin arresten Hof van 21 juli 2005, Coname, C‑231/03, Jurispr. blz. I‑7287, punt 20, en 15 mei 2008, SECAP en Santorso, C‑147/06 en C‑148/06, Jurispr. blz. I‑3565).
115 Gelet op de geraamde waarde exclusief btw van zowel opdracht nr. 2 inzake het Andévaloproject als de opdrachten nrs. 1, 2, 4 en 5 inzake de Guadalquivirprojectengroep (zie punten 29 en 33 hierboven) en op het feit dat de werken dicht bij de Portugese grens plaatsvonden, konden al deze opdrachten in casu echter de belangstelling wekken van marktdeelnemers over de gehele Unie – met name, gelet op de plaats van uitvoering van de werken, die welke in Portugal zijn gevestigd – en niet enkel van lokale marktdeelnemers.
116 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de procedure voor de plaatsing van de hierboven in punt 115 genoemde opdrachten overeenkomstig de in punt 110 aangehaalde rechtspraak in overeenstemming diende te zijn met de algemene beginselen van het Verdrag om billijke mededingingsvoorwaarden te waarborgen voor alle marktdeelnemers die belangstelling tonen voor deze opdrachten.”
3.31
Het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang kan niet louter hypothetisch worden afgeleid uit gegevens die daarvoor in abstracto aanwijzingen zouden kunnen opleveren. Het gaat om een concrete beoordeling van de opdracht. Dit blijkt uit het arrest Tecnoedi (t.a.p.):
“Benadrukt moet in dit verband worden dat het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet louter hypothetisch kan worden afgeleid uit bepaalde gegevens die – in abstracto bezien – aanwijzingen daarvan zouden kunnen opleveren, maar dat dit belang op positieve wijze dient te blijken uit de beoordeling – in concreto – van de opdracht in kwestie. Inzonderheid kan de verwijzende rechter niet slechts een aantal elementen aan het Hof overleggen op basis waarvan niet kan worden uitgesloten dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang, maar hij moet juist de gegevens verstrekken waaruit dit grensoverschrijdend belang blijkt.”
3.32
Deze regel uit het arrest Tecnoedi sluit aan bij andere bronnen. Een Interpretatieve Mededeling van de Commissie uit 2006 (d.d. 1 augustus 2006, nr. 2006/C 179/02) vermeldt:
“1.3. Relevantie voor de interne markt. (…) Het is de verantwoordelijkheid van de aanbestedende dienst om te beslissen of ondernemingen uit andere lidstaten mogelijk geïnteresseerd kunnen zijn in een beoogde opdracht. Volgens de Commissie moet deze beslissing zijn gebaseerd op een evaluatie van de individuele omstandigheden van het geval in kwestie, zoals het onderwerp en de geschatte waarde van de opdracht, de kenmerken van de sector in kwestie (omvang en structuur van de markt, handelspraktijken enz.) en ook de geografische ligging van de plaats van uitvoering.”
Voor het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang is niet vereist dat vast komt te staan dat buitenlandse marktdeelnemers daadwerkelijk belangstelling hebben getoond. De achtergrond van deze regel is dat de marktdeelnemers uit andere lidstaten bij een gebrek aan transparantie geen reële mogelijkheid hebben gehad om hun belangstelling voor de concessie te uiten. Dit blijkt uit het Belgacom-arrest (t.a.p.):
“31 Voorts zij gepreciseerd dat voor het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet vereist is dat een marktdeelnemer daadwerkelijk belangstelling heeft geuit. Dit geldt in het bijzonder wanneer het geschil, zoals in het hoofdgeding, betrekking heeft op het gebrek aan transparantie dat ten aanzien van de betrokken overeenkomst heerste. In een dergelijk geval hebben de marktdeelnemers uit andere lidstaten immers geen reële mogelijkheid om hun belangstelling voor de betrokken concessie te uiten (zie in die zin arrest Coname, reeds aangehaald, punt 18, en arrest van 13 oktober 2005, Parking Brixen, C-458/03, Jurispr. blz. I-8585, punt 55).”
concessieovereenkomst voor diensten
3.33
Onder een concessieovereenkomst voor diensten wordt verstaan ‘een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die is gesloten tussen een of meer dienstverleners en een of meer aanbestedende diensten of speciale-sectorbedrijven en die betrekking heeft op het verlenen van andere diensten dan die welke vallen onder overheidsopdracht voor werken, en waarvoor de tegenprestatie bestaat uit hetzij uitsluitend het recht de dienst die het voorwerp van de overeenkomst vormt, te exploiteren, hetzij uit dit recht en een betaling. (artikel 5 lid 1 sub b Richtlijn Concessieovereenkomsten en artikel 1.1 Aw 2012).
3.34
De Richtlijn Concessieovereenkomsten is van toepassing op concessies waarvan de waarde gelijk is aan of groter is dan € 5.225.000,-. Volgens overweging 23 van de Richtlijn Concessieovereenkomsten dient deze drempel het “duidelijk grensoverschrijdende belang … weer te geven van concessies voor ondernemers die gevestigd zijn in andere lidstaten dan die van de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie.” Het voornemen tot het gunnen van een concessie moet bekend worden gemaakt met een concessieaankondiging. De Richtlijn Concessieovereenkomsten diende uiterlijk op 18 april 2016 te worden geïmplementeerd, hetgeen in Nederland op 1 juli 2016 is gebeurd.
3.35
Wanneer het gaat om een dienstenconcessie die is verleend voordat de Richtlijn Concessieovereenkomsten in nationale regelgeving moest zijn omgezet (en dus temporeel buiten het bereik van de Richtlijn Concessieovereenkomsten valt), moeten twee periodes worden onderscheiden. Vanaf 1 april 2013 komt artikel 1.7 Aw 2012 (oud, zoals dat gold van 1 april 2013 tot 1 juli 2016) in beeld. Deze bepaling regelde – overeenkomstig de hiervoor genoemde rechtspraak van het HvJ EU – dat in een zodanig geval wel de algemene Europese beginselen van aanbestedingsrecht in deze zaken toepassing vinden wanneer sprake was een duidelijk grensoverschrijdend belang:
“Afdeling 1.2.2. Beginselen bij Europese aanbesteding
Artikel 1.7
De bepalingen in deze afdeling gelden voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven bij: (…)
c. het sluiten van een concessieovereenkomst voor diensten met een duidelijk grensoverschrijdend belang.”
3.36
Deze algemene beginselen houden een verplichting in voor een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf om ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen. Artikel 1.8 Aw 2012 (oud) bepaalt:
“Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf behandelt ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze.”
De Europeesrechtelijke achtergrond van deze bepalingen blijkt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 1.7 Aw 2012 (t.a.p.).
Dit betekent dat bij de uitleg van het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ in artikel 1.8 Aw 2012 aansluiting dient te worden gezocht bij de hierboven genoemde Europese jurisprudentie.
3.37
De periode voor 1 april 2013, derhalve voordat de Aw 2012 (Aw) in werking trad, wordt - voor zover hier relevant vanaf 2011 - beheerst door de hierboven beschreven algemene beginselen van aanbestedingsrecht, zoals die voortvloeien uit de genoemde jurisprudentie van het HvJ EG/EU. Deze beginselen brengen met zich dat in deze periode het beginsel van gelijke behandeling, het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting in acht moesten worden genomen wanneer een concessieovereenkomst een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoonde.
stelplicht en bewijslast
3.38
De partij die zich op een duidelijk grensoverschrijdend beroept, dient daartoe concrete feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen (HR 18 mei 2015, ECLI: NL: HR:2018:720).
concessieovereenkomst 2011
3.39
Thans komt het hof toe aan de beantwoording van de in grief 2 tot en met 5 door JCDecaux aan de orde gestelde vraag of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang ten aanzien van de in 2011 door NS Stations met Exterion gesloten concessieovereenkomst. Het hof oordeelt als volgt. Uit het voorgaande volgt dat er in 2011 geen sprake was van een uit een richtlijn of wet voortvloeiende aanbestedingsplicht voor NS Stations.
JCDecaux verwijt de rechtbank echter terecht dat zij (in rov 4.36.1) tot uitgangspunt neemt dat NS Stations in beginsel niet aanbestedingsplichtig was toen zij in 2011 de overeenkomst met Exterion sloot. Dat hangt immers, zoals JCDecaux terecht aanvoert, af van de vraag of (ook in afwezigheid van een uit Richtlijn Concessieovereenkomsten of wet voortvloeiende aanbestedingsplicht) ten aanzien van de in 2011 gesloten overeenkomst sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. En dat is, zoals JCDecaux terecht betoogt bij grief 2, weer relevant voor de door aanbestedende dienst voorafgaand aan de opdracht uit te voeren beoordeling.
Weliswaar rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast van een duidelijk grensoverschrijdend belang op JCDecaux, maar dat laat onverlet dat NS Stations als aanbestedende dienst voor de verlening van een opdracht zelf moet nagaan of ondernemingen uit andere lidstaten mogelijk geïnteresseerd zijn in deze opdracht:
“Het staat in beginsel aan de betrokken aanbestedende dienst om, alvorens de voorwaarden van de aankondiging van opdracht op te stellen, het eventuele grensoverschrijdende belang te beoordelen van een opdracht waarvan de geraamde waarde lager is dan de in de gemeenschapsregels vastgelegde drempel, met dien verstande dat deze beoordeling door de rechter kan worden getoetst.”
HvJ EG inzake Secap Spa en Santorso (t.a.p.)
In zoverre slaagt grief 2. Dat alleen kan echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat ten aanzien van de met Exterion gesloten concessieovereenkomst 2011 sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
3.40
Grief 3, 4 en 5 stellen dat aan de orde. JCDecaux stelt daarin dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat niet is gebleken van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Volgens JCDecaux legt de rechtbank daarbij een te strenge toets aan (grief 3) en heeft zij de door JCDecaux aangevoerde aanwijzingen voor het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang onjuist beoordeeld (grief 4 en 5).
3.41
Ten aanzien van de te hanteren maatstaf heeft JCDecaux in haar toelichting op grief 3 verwezen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin deze de jurisprudentie van het HvJ EU heeft samengevat:
“Een duidelijk grensoverschrijdend belang kan met name blijken uit de economische waarde van de geplande overeenkomst, bezien in samenhang met de plaats van uitvoering en de specifieke kenmerken ervan (zie onder meer de arresten Belgacom, punt 29, Tecnoedi, punt 20, en Borta/Klaipedos, punt 44). Het gaat hier niet om vereisten waaraan, al dan niet cumulatief, voldaan dient te zijn, maar om factoren die in het bijzonder voor het oordeel van de rechter van belang kunnen zijn. De rechter moet behalve deze factoren ook de eventuele andere relevante omstandigheden van het geval in zijn oordeel betrekken (vgl. het arrest Enterprise Solutions, punten 20 en 22). Andere in de rechtspraak van het HvJEU genoemde factoren zijn het belang van in andere lidstaten gevestigde ondernemers, mits dit belang reëel en niet fictief is (zie het arrest Borta/Klaipedos, punt 44), en de omstandigheid dat eventuele uit andere lidstaten afkomstige inschrijvers geconfronteerd kunnen worden met eisen en extra lasten in verband met de verplichting zich aan te passen aan het juridische en bestuurlijke kader van de lidstaat waar de opdracht wordt uitgevoerd en om te voldoen aan taalvereisten (zie het arrest Tecnoedi, punt 25). Niet is vereist dat marktdeelnemers daadwerkelijk belangstelling hebben geuit (zie het arrest Belgacom, punt 31).”
(HR 18 mei 2015, ECLI: NL: HR:2018:720).
NS Stations en Exterion hebben daartegen aangevoerd dat de Hoge Raad een andere maatstaf hanteert dan het HvJ EU en daarmee een onjuiste maatstaf. Die onjuistheid zou daarin bestaan dat de Hoge Raad de economische waarde van de opdracht van doorslaggevend belang acht, daar waar het HvJ EU alle relevante omstandigheden van belang meeweegt, echter zonder dat een van die omstandigheden een doorslaggevend karakter heeft.
Naar het oordeel van het hof berust dit standpunt echter op een onjuiste lezing van het geciteerde arrest. In lijn met de jurisprudentie van het HVJ EU acht de Hoge Raad alle omstandigheden relevant en heeft hij zijn beslissing in die zaak, anders dan Exterion en NS Stations aanvoeren, niet louter gebaseerd op de economische waarde van de opdracht, die in dat arrest aan de orde was. Of de rechtbank met de in grief 3 bestreden rechtsoverweging 4.35.2 heeft bedoeld van de door het HvJ EU en Hoge Raad geformuleerde maatstaf bij (het vaststellen van) een duidelijk grensoverschrijdend belang af te wijken, kan echter naar het oordeel van het hof in verband met het volgende in het midden blijven.
3.42
Met grief 4 en 5 komt JCDecaux op tegen het oordeel van de rechtbank dat de aanwijzingen die zij heeft aangevoerd voor het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang (volgens de rechtbank: de waarde van de concessie uit 2011 is aanzienlijk, de concessie betreft het hele grondgebied van Nederland en de concessie is daardoor aantrekkelijk voor Europese marktpartijen) enkel hypothetisch zijn en daarmee onvoldoende om van een duidelijk grensoverschrijdend belang ten aanzien van de overeenkomst met Exterion uit te gaan. Het had volgens de rechtbank op de weg van JCDecaux gelegen om concrete aanwijzingen van daadwerkelijke belangstelling van Europese marktpartijen voor deze concessie te noemen. Dat JCDecaux onderdeel is van een Frans concern was evenmin voldoende om van “buitenlandse interesse” voor deze concessie te spreken. JCDecaux heeft te gelden als een Nederlandse marktpartij, aldus de rechtbank.
In de toelichting op grief 4 en 5 heeft JCDecaux onder meer het volgende aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat er ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang:
- -
De waarde van de concessieovereenkomst 2011 bedraagt over de looptijd 2011-2028 ongeveer € 155.000.000 en vertegenwoordigt daarmee een aanzienlijke waarde, die bovendien ver boven de drempelwaarde van de Richtlijn Concessieovereenkomsten ligt;
- -
De concessieovereenkomst betreft een landelijk dekkend netwerk van stations in Nederland (volgens Exterion zelf bijna 300 stationsgebouwen);
- -
JCDecaux maakt deel uit van een groep in de zin van artikel 2:24b BW, waarvan de centrale leiding in Frankrijk is gevestigd;
- -
Deze groep is organisch gegroeid en niet door overnames tot stand gekomen;
- -
De resultaten van JCDecaux worden in de jaarrekening van moederbedrijf JCDecaux SA geconsolideerd;
- -
JCDecaux SA richt zich volgens haar statuten ook op markten buiten Frankrijk;
- -
De marketing- en sales-afdeling van de JCDecaux-groep zit in Frankrijk;
- -
Voor alle investeringen boven de € 1.000.000 dient JCDecaux af te stemmen met het moederbedrijf in Frankrijk;
- -
De contacten/besprekingen die JCDecaux vanaf medio 2011 tot september 2014 heeft gehad met NS Stations om de belangstelling voor de concessie kenbaar te maken, kwamen niet alleen vanuit JCDecaux, maar ook vanuit vertegenwoordigers van het moederbedrijf/-concern: zo zijn de CEO van JCDecaux Groot Brittannië en Noord Europa, tevens lid van de raad van bestuur van JCDecaux SA ( [lid RvB JC Decaux SA] ) en de chairman van JCDecaux SA ( [Chairman JC Decaux SA] ) betrokken geweest bij besprekingen met NS Stations in Nederland;
- -
De inkoop van straatmeubilair vindt altijd via JCDecaux SA plaats.
Daartegenover heeft Exterion onder meer verwezen naar een door haar opgesteld overzicht (randnummer 80 memorie na tussenkomst) van concessieovereenkomsten voor (de exploitatie van) straatmeubilair in Frankrijk, Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Uit dat overzicht blijkt volgens Exterion dat in de verschillende lidstaten geen buitenlandse inschrijvers meedoen en dat de waarde van de concessieovereenkomst 2011 (door Exterion ter zitting in hoger beroep geschat op tussen de 50 en 100 miljoen euro) gering is in vergelijking met de waarde van de in het overzicht genoemde contracten. Uit het overzicht volgt dat reclame een lokale aangelegenheid is en er dus bij concessies als deze juist geen sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang, aldus Exterion.
NS Stations heeft in haar verweer tegen deze grieven er onder andere op gewezen dat het gegeven dat een internationaal werkend concern lokale dochtervennootschappen opricht om mee te dingen naar reclame-exploitatiecontracten er juist op wijst dat deze contracten een louter nationaal karakter hebben. Bovendien, zo betoogt NS Stations, zijn de vennootschappelijke banden van een lokale dochter als JCDecaux met buitenlandse vennootschappen ook niet kenbaar voor haar en kan zij daarmee bij de beoordeling van het grensoverschrijdend karakter van de concessie geen rekening houden.
3.43
De door JCDecaux aangevoerde feiten en omstandigheden ter onderbouwing van haar stellingen dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang (zoals hierboven opgesomd), zijn door Exterion en NS Stations als zodanig niet betwist, behalve ten aanzien van de waarde van de concessie uit 2011, die door Exterion op 50-100 miljoen euro wordt geschat. Het hof is van oordeel dat uit de door JCDecaux genoemde concrete en relevante feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Daarbij weegt het hof mee dat er sprake is van een langdurige overeenkomst met een totale waarde over de looptijd (2011-2028) van tenminste (volgens Exterion zelf) € 50.000.000, hetgeen een aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt, de concessie ziet op bijna 300 stations en daarmee vrijwel het hele grondgebied van Nederland beslaat en de concessie in ieder geval vanaf medio 2011 de daadwerkelijke belangstelling van JCDecaux en (vertegenwoordigers van) haar moedervennootschap JCDecaux SA had.
Het verweer van Exterion en NS Stations dat uit die feiten en omstandigheden nu juist volgt dat reclamecontracten een lokaal karakter hebben, zoals zou blijken uit de oprichting van een Nederlands JCDecaux-dochter en de uit het (genoemde) overzicht van Exterion blijkende uitvoering van reclamecontracten in andere lidstaten door lokale entiteiten, faalt. Uit het bedoelde overzicht volgt veeleer dat internationaal opererende concerns op deze markt, zoals Exterion, JCDecaux en Clear Channel lokale dochtervennootschappen oprichten om mee te dingen naar concessies in de genoemde lidstaten. Zoals Exterion ter zitting in hoger beroep ook heeft erkend, is de oprichting van een lokale vennootschap ook nodig om rendabel te kunnen werken, omdat mensen uit de buurt voorhanden moeten zijn om de reclameposters en defecte onderdelen te vervangen.
In ieder geval blijkt uit het feit dat reclamecontracten veelal door lokale vennootschappen van internationale concerns worden uitgevoerd niet dat bij deze contracten geen sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
Resumerend is het hof van oordeel dat ten aanzien van de met Exterion gesloten concessieovereenkomst 2011 sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. De grieven 4 en 5 slagen.
Ngage-overeenkomst
3.44
Met grief 6 komt JCDecaux op tegen rechtsoverweging 4.36.3 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat haar stelling dat ten aanzien van de Ngage-overeenkomst eveneens sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang, onvoldoende is onderbouwd.
In de toelichting op deze grief verwijst JCDecaux naar hetgeen zij bij de grieven 2 tot en met 4 heeft gesteld en voegt daaraan toe dat de waarde van de Ngage-overeenkomst ongeveer
€ 15.700.000 bedraagt. Voorts heeft zij verwezen naar de telefoongesprekken tussen NS Stations en [Chairman JC Decaux SA] in 2014 en de bezoeken van vertegenwoordigers van NS Stations aan de kantoren van de JCDecaux-groep in Engeland en Frankrijk (waar het hoofdkantoor is gevestigd).
3.45
NS Stations heeft voor haar verweer tegen deze grief verwezen naar hetgeen zij heeft aangevoerd tegen de grieven 2 tot en met 4 en op basis daarvan geconcludeerd dat ten aanzien van de Ngage-overeenkomst geen sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
3.46
Op basis van de volgende door JCDecaux aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de Ngage-overeenkomst, die door NS Stations als zodanig niet zijn betwist, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat ook ten aanzien van deze concessie een duidelijk grensoverschrijdend belang bestaat. Daartoe weegt het hof met name de volgende door JCDecaux aangevoerde feiten en omstandigheden mee:
- -
De waarde van de Ngage-overeenkomst bedraagt € 15.700.000 en vertegenwoordigt daarmee een aanzienlijke waarde, die bovendien ruim boven de drempelwaarde van de Richtlijn Concessieovereenkomsten ligt;
- -
JCDecaux maakt deel uit van een groep in de zin van artikel 2:24b BW, waarvan de centrale leiding in Frankrijk is gevestigd;
- -
Deze groep is organisch gegroeid en niet door overnames tot stand gekomen;
- -
De resultaten van JCDecaux worden in de jaarrekening van moederbedrijf JCDecaux SA geconsolideerd;
- -
JCDecaux SA richt zich volgens haar statuten ook op markten buiten Frankrijk;
- -
De marketing- en sales-afdeling van de JCDecaux-groep zit in Frankrijk;
- -
Voor alle investeringen boven de € 1.000.000 dient JCDecaux af te stemmen met het moederbedrijf in Frankrijk;
- -
De contacten/besprekingen die JCDecaux in 2014 en 2015 heeft gehad met NS Stations om de belangstelling voor reclamecontracten zoals de Ngage-overeenkomst kenbaar te maken, kwamen niet alleen vanuit JCDecaux, maar ook vanuit vertegenwoordigers van het moederbedrijf/-concern;
3.47
Dit betekent dat de Ngage-overeenkomst een duidelijk grensoverschrijdend belang kent en sprake is van een in artikel 1.7 onder c Aw 2012 (oud) bedoelde overeenkomst waarvoor de bepalingen 1.8 - 1.10 Aw 2012 (oud) gelden. Op grond daarvan diende NS Stations ondernemers zoals JCDecaux niet discriminatoir, transparant (met een passende mate van openbaarheid) en proportioneel te behandelen. In zoverre slaagt grief 6.
verplichtingen van NS Stations ten aanzien van concessieovereenkomst 2011
3.48
Exterion heeft zich voorts tegen toewijzing van de vorderingen van JCDecaux verweerd door er op te wijzen dat, zelfs als sprake zou zijn van een duidelijk grensoverschrijdend belang, dit NS Stations in 2011 niet verplichtte tot een (volledige) aanbestedingsprocedure, maar tot het waarborgen van een passende mate van openbaarheid. Deze komt volgens het HvJ EU erop neer 1) dat ervoor wordt zorg gedragen dat potentieel geïnteresseerde ondernemingen op de hoogte waren van de concessie-opdracht en 2) dat deze ondernemingen hun interesse kenbaar konden maken. Die passende mate van openbaarheid heeft NS Stations in dit geval geboden, aldus Exterion, onder verwijzing naar de producties 16, 21 van de zijde van JCDecaux en N-4 aan de zijde van NS Stations, waarin de contacten tussen NS Stations en JCDecaux vanaf 2008 zijn weergegeven.
JCDecaux heeft in reactie daarop gewezen op het feit dat zij vanaf 2008 regelmatig aan NS Stations (althans haar rechtsvoorgangster) kenbaar heeft gemaakt dat zij interesse had voor de contracten van NS Stations voor de exploitatie van reclameobjecten en op het feit dat zij vanaf september 2010 concreet heeft geïnformeerd naar de ontwikkelingen rond (de verlenging van) de concessieovereenkomst met Exterion. Zij noemt daarbij ook de reactie van NS Stations van eind mei 2011, waarin deze aangeeft dat er al geruime tijd met Exterion over verlenging wordt onderhandeld, dat zij voornemens is om die verlenging op korte termijn overeen te komen en dat er voor haar geen verplichting bestaat om deze overeenkomst/verlenging aan te besteden.
3.49
Het hof oordeelt als volgt. Anders dan Exterion heeft NS Stations niet het verweer gevoerd dat zij in 2010/2011 een passende mate van openbaarheid heeft betracht voorafgaand aan het sluiten van de concessieovereenkomst 2011. Uit de door de rechtbank vastgestelde feiten (met name 2.9 tot en met 2.16) en het gestelde in de aanvullende conclusie van antwoord (randnummers 35- 37) van de zijde van NS Stations volgt eerder het tegendeel: JCDecaux heeft vanaf 2010 bij NS Stations (toen nog: NS Poort) geïnformeerd naar de stand van zaken rond de (afloop of verlenging van de in 1998 gesloten) concessieovereenkomst met Exterion en de aanbesteding daarvan en daarbij steeds haar belangstelling kenbaar gemaakt. NS Stations heeft JCDecaux steeds afgehouden door te wijzen op vergevorderde onderhandelingen met Exterion over een verlenging en daarbij aangegeven dat zij niet verplicht was de opdracht aan te besteden. Weliswaar heeft NS Stations in 2011 met JCDecaux besprekingen gevoerd, maar ook daarbij steeds gezegd dat zij voornemens was de overeenkomst met Exterion te verlengen. Daar komt bij dat NS Stations geen duidelijkheid heeft gegeven over de inhoud, omvang en duur van de te gunnen concessie. Tegen die achtergrond faalt het verweer van Exterion dat NS Stations een passende mate van openbaarheid heeft geboden ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011.
rechtsverwerking en verjaring
3.50
In hoofdstuk 5 en 6 van haar memorie na tussenkomst beroept Exterion zich op rechtsverwerking en verjaring. Over het beroep op rechtsverwerking heeft het hof reeds geoordeeld in de zaak met rolnummer 200.233.320 (rechtsoverwegingen 3.3-3.6). Het hof verwijst daarnaar en neemt dat oordeel hier over. Ten aanzien van het beroep op verjaring geldt het volgende. Exterion voert aan dat JCDecaux haar vorderingen tot aantasting van de concessieovereenkomst en tot vergoeding van schade pas heeft ingesteld op 4 april 2017, bijna zes jaar nadat JCDecaux haar kort geding introk en ruim vijf jaar nadat de concessieovereenkomst (met Exterion) is gesloten. JCDecaux wijst er echter terecht op dat zij geen schadevergoeding van Exterion heeft gevorderd. Gelet daarop is niet duidelijk welk belang Exterion heeft bij dit verweer (dat NS Stations, tegen wie wel een vordering tot schadevergoeding is gericht, zelf niet voert). Bovendien heeft Exterion niet tegengesproken dat JCDecaux pas in september 2016, in het kader van het verweer van NS Stations tegen haar verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, kennis heeft gekregen van het feit dat NS Stations de concessie tot 2028 had gegund en dat JCDecaux al in december 2015 aanspraak had gemaakt op aanbesteding en nakoming van toezeggingen uit 2011 (waarmee JCDecaux doelde op de mededeling van NS Stations dat de concessie slechts voor vijf jaar aan Exterion zou worden verleend en dat zij zou worden uitgenodigd om mee te kunnen dingen voor het vervolg). Op grond van de door Exterion gestelde feiten kan niet worden vastgesteld dat JCDecaux al eerder bekend was met de schade in dit opzicht, zodat ook niet kan worden aangenomen dat de verjaring al eerder is gaan lopen. Ook inhoudelijk gezien gaat het beroep op verjaring wat dit betreft dus niet op. Voor de vorderingen die zijn gericht op opheffing van de onrechtmatige toestand geldt niet de korte verjaringstermijn (van vijf jaar), zodat verjaring van die vorderingen hoe dan ook niet aan de orde is.
Deze verweren van Exterion falen derhalve.
tussenconclusie
3.51
Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat NS Stations als aanbestedende dienst zowel ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 als de Ngage-overeenkomst ten onrechte geen passende mate van openbaarheid heeft geboden en dat NS Stations daarmee zowel het recht van de Europese Unie als het nationale recht (Aw 2012 en haar voorlopers) heeft geschonden. In zoverre slaagt het hoger beroep van JCDecaux. Het sluiten van een concessieovereenkomst voor diensten in de zin van artikel 1.1 Aw 2012 met een duidelijk grensoverschrijdend belang zonder inachtneming van de beginselen van afdeling 1.2.2. van de Aw 2012 is vanaf 1 april 2013 onrechtmatig jegens gepasseerde gegadigden, zoals in dit geval JCDecaux. Voor de periode vanaf 2011 tot 1 april 2013 volgt die onrechtmatigheid uit de schending van het (primaire) EG- en Unierecht, zoals dat volgt uit de hierboven onder 3.27 tot en met 3.37 weergeven jurisprudentie van het HvJ EU in combinatie met de bepalingen van het Bao.
Van rechtsverwerking of verjaring van haar vorderingen tegen NS Stations is geen sprake, zodat het hoger beroep van JCDecaux slaagt en thans moet worden beoordeeld welke van haar (in hoger beroep) geformuleerde vorderingen kunnen worden toegewezen.
vorderingen in hoger beroep
3.52
De bij het eerste deel van de primaire vordering van JCDecaux gevorderde verklaring voor recht, zal het hof op de wijze als verwoord in rechtsoverweging 3.22 toewijzen. Bij het eerste onderdeel van haar subsidiaire vordering, namelijk dat het hof voor recht verklaart dat NS Stations in de periode vanaf medio 2011 tot en met heden een speciaal sectorbedrijf was c.q. is, heeft JCDecaux geen belang, nu het hof, met de rechtbank, heeft geoordeeld dat NS Stations in die periode een aanbestedende dienst is.
3.53
JCDecaux heeft wel (deels) recht en belang bij het tweede onderdeel van de door haar (primair) gevorderde verklaring voor recht.
Voor zover JCDecaux vordert dat in algemene zin voor recht wordt verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair aan te besteden, zal deze worden afgewezen. Immers voor het algemene karakter van die verklaring voor recht bieden de stellingen van JCDecaux geen grondslag. De stellingen van JCDecaux in deze procedure hebben zich toegespitst op twee concessieovereenkomsten, waarvan zij met succes heeft betoogd dat er sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang, namelijk de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst. Ten aanzien van die twee overeenkomsten zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Voor het overige zal deze worden afgewezen. Daarmee faalt grief 8. Bij het tweede onderdeel van de subsidiaire vordering (dat voortbouwt op het standpunt dat NS Stations een speciaal sectorbedrijf is) heeft JCDecaux gelet op het voorgaande geen belang.
3.54
JCDecaux heeft voorts recht en belang bij haar vordering onder 2, laatste gedachtestreepje, waar zij een veroordeling tot vergoeding van de als gevolg van de schending van het aanbestedingsrecht geleden schade, op te maken bij staat, vordert.
Deze vordering zal worden toegewezen. Het verweer van NS Stations en Exterion dat JCDecaux geen schade lijdt , althans onvoldoende daarover heeft gesteld, faalt. JCDecaux heeft -door te stellen dat haar een kans ontnomen is om mee te dingen naar de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst en dat zij daardoor schade lijdt- belang bij de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade en verwijzing naar de schadestaatprocedure, omdat daarmee de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. Het hof zal de gevorderde veroordeling en verwijzing naar de schadestaatprocedure derhalve toewijzen, echter niet voor zover het de wettelijke rente betreft. Die maakt immers deel uit van de schade en moet worden vastgesteld in de schadestaatprocedure.
3.55
Als (derde) onderdeel onder 2. van het petitum in hoger beroep vordert JCDecaux een verbod aan NS Stations om na het in deze te wijzen arrest nog langer uitvoering te geven aan de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst. Het hof begrijpt de vordering zo dat dit verbod dient in te gaan 30 dagen na heden.
NS Stations heeft zich tegen dit gevorderde verbod als zodanig niet verweerd (alleen tegen de onderliggende grondslag: schending van het aanbestedingsrecht). In haar verweer wijst Exterion op de (bijna) 300 stationsgebouwen, waar zij reclameruimte exploiteert op daar aanwezig straatmeubilair. Het is voor haar feitelijk onmogelijk om binnen 30 dagen het straatmeubilair te verwijderen, onder andere omdat er sprake is van integratie met NS- meubilair. Daarbij komt dat Exterion haar verplichtingen ten opzichte van derden (naar het hof begrijpt de opdrachtgevers voor de reclame) op korte termijn moet beëindigen en dat NS Stations de nieuwe concessieovereenkomst moet aanbesteden, waarvoor, nog steeds aldus Exterion, een termijn van zeker zes maanden, nodig is.
Tegen die achtergrond vordert Exterion in haar memorie na tussenkomst onder meer een gebod aan NS Stations om met haar een zogenaamde overbruggingsovereenkomst te sluiten (totdat de aanbestedingsprocedure is afgerond en de nieuwe overeenkomst in gaat) en een gebod aan JCDecaux om tot die tijd de exploitatie door Exterion te gehengen en gedogen.
Tegen de vorderingen van Exterion heeft JCDecaux zich verweerd door onder meer te wijzen op de huidige Europese aanbestedingsplicht ex artikel 2a Aw 2012 voor dienstenconcessies als deze en het daarbij geldende drempelbedrag van € 5.200.000, -.
Volgens JCDecaux zou dat bedrag al worden overschreden bij toewijzing van de gevorderde overbruggingsovereenkomst. NS Stations heeft zich tegen de vorderingen van Exterion niet verzet.
Het hof oordeelt als volgt. Gezien de ernst van de schending van het Europese aanbestedingsrecht door NS Stations en de door het HVJ EU in een dergelijk geval verlangde effectieve sanctionering dient als uitgangspunt te gelden dat die schending zo spoedig mogelijk ongedaan dient te worden gemaakt door het uitspreken van het gevorderde verbod aan NS Stations om nog langer uitvoering te geven aan de in 2011 en 2015 gesloten overeenkomsten. Gezien de complexiteit van de ontmanteling van het door Exterion op bijna 300 NS Stations geëxploiteerde straatmeubilair zal ten aanzien van de met haar gesloten concessieovereenkomst in plaats van de gevorderde 30 dagen na (betekening van) dit arrest, een verbod aan NS Stations worden opgelegd om vanaf twee maanden na betekening van dit arrest nog verder aan de overeenkomst met Exterion uitvoering te geven. Daaraan zal een dwangsom van € 100.000, - per dag dat dit verbod wordt overtreden, worden verbonden.
Om dezelfde redenen zal het hof de vordering tot het sluiten van een overbruggingsovereenkomst afwijzen. Door de termijn waarop het verbod ingaat te verlengen tot twee maanden (na betekening van dit arrest) wordt voldoende aan de door Exterion genoemde feitelijke problemen bij de ontmanteling van haar straatmeubilair tegemoet gekomen. Daarbij komt dat het niet vast staat dat NS Stations een concessie als deze zal gaan aanbesteden. Dat is haar keuze, zodat een overbruggingsovereenkomst totdat de (aanbestede) nieuwe overeenkomst ingaat, ook daarom niet kan worden toegewezen.
3.56
Als (vierde) onderdeel onder 2. van het petitum in hoger beroep vordert JCDecaux een gebod aan NS Stations gebruik te maken van de eventuele opzeggingsmogelijkheden in de overeenkomsten met Exterion en Ngage. NS Stations heeft zich daartegen niet verweerd. Exterion heeft ook ten aanzien van deze vordering gewezen op de hierboven weergegeven feitelijke complicaties bij de ontmanteling van haar straatmeubilair. Dit verweer passeert het hof nu NS Stations bij gebruikmaking van een eventuele opzeggingsmogelijkheid de datum waarop die opzegging juridische gevolgen heeft, kan laten samenvallen met de in 3.55 genoemde termijn.
3.57
Ten aanzien van de Ngage-overeenkomst zal het hof bij gebrek aan verweer het onder 2, derde gedachtestreepje gevorderde verbod en het onder 2, vierde gedachtestreepje gevorderde gebod laten ingaan 30 dagen na (betekening van) dit arrest, zulks eveneens op straffe van de genoemde dwangsom.
inzage documenten
3.58
Met grief 7 is JCDecaux opgekomen tegen de afwijzing door de rechtbank van haar op artikel 843a Rv gebaseerde vordering om NS Stations te veroordelen inzicht te geven in alle overeenkomsten die zij sinds medio 2011 op het gebied van straatmeubilair en reclame(concessies) heeft gesloten. Deze vordering heeft zij in hoger beroep nog aanvullend onderbouwd met een beroep op de Aw 2012, artikel 21 Rv en artikel 150 Rv. Ten aanzien van dat laatste artikel is JCDecaux van mening dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval met zich brengen dat de bewijslast moet worden omgekeerd, althans naar het hof begrijpt tot een andere bewijslastverdeling moet worden gekomen.
In haar toelichting op grief 7 wijst JCDecaux op de bepalingen van de Aw 2012 waaruit zou voortvloeien dat een aanbestedende dienst in de zin van de Aw 2012 vanaf 2011 alle bovendrempelige overheidsopdrachten, alle concessieovereenkomsten met een duidelijk grensoverschrijdend belang en vanaf 18 april 2016 alle bovendrempelige concessieopdrachten had moeten publiceren. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat NS Stations een aanbestedende dienst is, ligt deze vordering volgens JCDecaux voor toewijzing gereed.
Volgens NS Stations voldoet de vordering van JCDecaux niet aan de strenge en cumulatieve eisen van artikel 843a Rv. Exterion spreekt van een “fishing expedition” en noemt ook haar commerciële belangen, die openbaarmaking niet zouden verdragen. Daaraan voegt zij toe dat de artikelen uit de Aw 2012 waarop JCDecaux zich beroept, zien op de fase van “aanbesteding”, dat wil zeggen voordat de overeenkomst met de winnende gegadigde wordt gesloten en niet op transparantie van door een aanbestedende dienst gesloten overeenkomsten.
Dit laatste verweer van Exterion slaagt. De genoemde bepalingen uit de Aw 2012 bieden geen grondslag aan de gevorderde inzage in reeds gesloten overeenkomsten in die periode, maar zien op een eerdere fase in het aanbestedingsproces.
3.59
Ten aanzien van de overeenkomsten waarvan inzage wordt gevorderd en waarvoor als grondslag 843a Rv geldt, sluit het hof zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover in 4.41.2 van het tussenvonnis heeft geoordeeld. Alleen ten aanzien van de overeenkomsten die in dit geschil met naam en toenaam aan de orde zijn geweest, te weten de concessieovereenkomst 2011 en Ngage-overeenkomst (inclusief verlengingen) oordeelt het hof anders. Bij inzage in die overeenkomsten heeft JCDecaux een rechtmatig belang, in die zin dat die overeenkomsten mede bepalend kunnen zijn voor de omvang van haar schade als gevolg van de schending van de aanbestedingsverplichtingen door NS Stations, waarmee ook de rechtsbetrekking tussen JCDecaux en NS Stations (schending van Unierechtelijke beginselen en de Aw 2012) is gegeven. Nu het om twee -in deze procedure- uitvoerig besproken en geduide overeenkomsten gaat, is daarmee ook aan de bepaaldheideis voldaan.
Het hof ziet verder geen aanleiding om NS Stations met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 22 Rv (waarop JCDecaux kennelijk doelt) te bevelen andere dan deze twee overeenkomsten over te leggen, nu deze stukken niet van belang zijn voor de beoordeling van de overige vorderingen in deze zaak. Aan artikel 150 Rv kan JCDecaux ook geen recht op inzage in deze stukken ontlenen.
Het hof zal op grond van het bovenstaande NS Stations gebieden inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, waarbij informatie ten aanzien van de prijzen (ter bescherming van de commerciële belangen van Exterion en Ngage) onleesbaar dient te worden gemaakt. Het hof zal aan dit gebod een dwangsom verbinden. Voor het overige zal het hof de vordering op dit punt afwijzen.
3.60
Het hoger beroep in deze zaak slaagt grotendeels, zodat het vonnis van 18 oktober 2017, voor zover in dit hoger beroep bestreden, zal worden vernietigd, waarna het hof opnieuw rechtdoende de hierboven genoemde vorderingen van JCDecaux deels zal toewijzen en voor het overige zal afwijzen.
zaak 200.260.097
3.61
Bij eindvonnis van 7 november 2018 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 een aanbestedende dienst is, het meer of anders gevorderde afgewezen en NS Stations in de proceskosten veroordeeld.
3.62
Tegen dit eindvonnis is NS Stations onder verwijzing naar haar grieven in de zaak 200.233.320 in principaal beroep gekomen. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis onder afwijzing van alle vorderingen van JCDecaux. Exterion is tussengekomen en heeft in haar memorie na tussenkomst voor haar vorderingen, argumenten en onderbouwing daarvan eveneens verwezen naar haar processtukken in de zaak 200.233.320. JCDecaux heeft incidenteel geappelleerd en zich met drie grieven (grief 10, 11 en 12) gekeerd tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vorderingen, anders dan de toegewezen verklaring voor recht dat NS Stations vanaf medio 2011 een aanbestedende dienst is.
3.63
Met betrekking tot het principaal beroep van NS Stations tegen het eindvonnis en de vorderingen die Exterion als tussengekomen partij in dat kader formuleert, verwijst het hof naar zijn oordeel in de zaken 200.237.719 en 200.233.320 en neemt dat hier over. Dat betekent dat het principale beroep faalt en de vorderingen van Exterion zullen worden afgewezen.
3.64
In het incidentele beroep van JCDecaux tegen het eindvonnis en het verweer van NS Stations en Exterion daartegen, draait het om de ingangsdatum, de status en het karakter van de Ngage-overeenkomst. JCDecaux neemt op grond van een aantal feiten en omstandigheden aan dat deze overeenkomst na 18 april 2016 is gesloten. NS Stations blijft erbij dat de overeenkomst is ingegaan op 1 november 2015 en dat van een verlenging geen sprake is geweest.
Verder strijden partijen over de looptijd van de Ngage-overeenkomst (NS Stations spreekt over een raamovereenkomst van 5 jaar, derhalve tot 1 november 2020; JCDecaux stelt dat zo de overeenkomst al op 1 november 2015 is gesloten, deze hoogstens voor zes maanden is gesloten en daarna opnieuw is aangegaan of verlengd). Tenslotte verschillen partijen van mening over het karakter van de overeenkomst: Raamovereenkomst of Pilot-overeenkomst.
Voorts betoogt JCDecaux, in de toelichting op grief 11, dat anders dan zij dacht, is gebleken dat deze overeenkomst niet alleen ziet op de plaatsing en exploitatie van digitale grote schermen op enkel de stations Amsterdam Centraal, Rotterdam Centraal, Den Haag Centraal en Utrecht Centraal, maar ook op een aantal andere stations. Daaraan verbindt JCDecaux de conclusie dat NS Stations ook geen openheid heeft gegeven omtrent de omvang van de met de Ngage-overeenkomst verleende concessie en verwijt zij de rechtbank op dat punt niet ingegrepen te hebben.
De in haar incidenteel beroep geformuleerde vorderingen komen overeen met de vorderingen in de zaak 200.237.719.
3.65
Het hof oordeelt als volgt in het incidenteel beroep van JCDecaux. In de zaak 200.237.719 (rechtsoverweging 3.47) heeft het hof reeds overwogen dat ten aanzien van de Ngage-overeenkomst sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang en dus sprake is van een in artikel 1.7 onder c bedoelde overeenkomst waarvoor de bepalingen 1.8 - 1.10 Aw 2012 (oud) gelden. Op grond daarvan heeft het hof geconcludeerd dat NS Stations ondernemers zoals JCDecaux niet-discriminatoir, transparant (met een passende mate van openbaarheid) en proportioneel diende te behandelen. Tegen die achtergrond heeft JCDecaux geen belang bij haar incidenteel beroep, voor zover in de toelichting op grief 10 wordt betoogd dat NS Stations niet heeft bewezen dat zij voor 18 april 2016 een raamovereenkomst met Ngage is aangegaan.
Anders dan de rechtbank heeft het hof immers geoordeeld dat NS Stations ten aanzien van de Ngage-overeenkomst in voormelde zin aanbestedingsplichtig was, ook als deze vóór 18 april 2016/1 juli 2016 is gesloten. Ook als zou komen vast te staan dat de Ngage-overeenkomst na 18 april 2016 is gesloten, zou dat geen verschil maken voor de toewijsbaarheid van haar vorderingen op dit punt. Bij de beoordeling van grief 10 en 12 heeft JCDecaux daarom geen belang.
3.66
De in grief 11 aan de orde gestelde reikwijdte van de Ngage-overeenkomst kan eveneens, om de in rechtsoverweging 3.65 bedoelde redenen, bij gebrek aan belang buiten de beoordeling van het hof blijven. Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van JCDecaux maakt dit immers geen verschil. Het hof heeft in zaak 200.237.719 al geoordeeld dat ten aanzien van de Ngage-overeenkomst sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang onder meer vanwege de niet betwiste waarde van
€ 15.700.000,-. Als die overeenkomst meer stations zou betreffen, zal de waarde daarvan alleen maar hoger zijn en ook in dat geval sprake zijn van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
3.67
Voor zover JCDecaux met grief 11 heeft willen betogen dat er naast de Ngage-overeenkomst door NS Stations een nieuwe/nadere overeenkomst ten aanzien van de andere genoemde stations is gesloten die ook had dienen te worden aanbesteed, is het hof van oordeel dat er ten aanzien van een nieuwe/nadere overeenkomst door JCDecaux niet, althans onvoldoende is gesteld om een duidelijk grensoverschrijdend belang aan te kunnen nemen, althans een waarde boven de drempelwaarde van Hoofdstuk 2a Aw 2012.
3.68
Dit betekent dat het incidenteel beroep van JCDecaux faalt, behalve voor zover het haar vorderingen betreft die in de zaak 200.237.719 reeds zullen worden toegewezen.
4. De slotsom in de zaken 200.237.719, 200.233.320 en 200.260.097
4.1
Het bovenstaande leidt tot de volgende conclusies:
- -
NS Stations is ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst in de zin van het Bao en de Aw 2012;
- -
Ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 met Exterion en de Ngage-overeenkomst is sprake van een duidelijk grensoverschrijdend belang;
- -
Van verjaring of rechtsverwerking is geen sprake;
- -
NS Stations heeft geen passende mate van openbaarheid betracht bij het sluiten van de concessieovereenkomst 2011 met Exterion en de Ngage-overeenkomst.
4.2
Het hoger beroep van NS Stations in zaak 200.233.320 treft geen doel. Het hoger beroep van JCDecaux in zaak 200.237.719 slaagt daarentegen wel. Dat betekent dat het hof het tussenvonnis zal vernietigen, de zaak aan zich zal houden en de volgende vorderingen van JCDecaux zal toewijzen:
- -
De gevorderde verklaring voor recht dat NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst in de zin van het Bao en de Aw 2012 is;
- -
De gevorderde verklaring voor recht dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was en is om de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst aan te besteden, althans voor mededinging open te stellen;
- -
De gevorderde veroordeling van NS Stations tot vergoeding aan JCDecaux van schade als gevolg van de schending van de op haar ten aanzien van genoemde overeenkomsten rustende aanbestedingsverplichtingen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- -
Het gevorderde verbod aan NS Stations om, op straffe van een dwangsom, vanaf twee maanden na betekening van dit arrest nog verder uitvoering te geven aan de concessieovereenkomst 2011;
- -
Het gevorderde verbod aan NS Stations om, op straffe van een dwangsom, vanaf 30 dagen na betekening van dit arrest nog verder uitvoering te geven aan de Ngage-overeenkomst;
- -
Het gebod aan NS Stations om inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst waarbij informatie ten aanzien van de prijzen (ter bescherming van de commerciële belangen van Exterion en Ngage onleesbaar dient te worden gemaakt, op straffe van een dwangsom;
- -
Tevens dient NS Stations bij de inzage van de bedoelde overeenkomsten een verklaring van een (van haar) onafhankelijk accountant te verstrekken, waaruit blijkt dat zij een compleet overzicht daarvan heeft verstrekt.
In het verlengde hiervan faalt in zaak 200.260.097 het principaal hoger beroep van NS Stations en slaagt het incidenteel hoger beroep van Exterion, voor zover dat tegen de afwijzing van het meer of anders gevorderde (naast de verklaring voor recht over de positie van NS Stations als aanbestedende dienst) is gericht. Waar in zaak 200.237.719 al over de toewijsbaarheid van vorderingen van JCDecaux is beslist, kan in zaak 200.260.097 met vernietiging van het eindvonnis worden volstaan. Voor zover JCDecaux in zaak 200.260.097 nog meer of anders vraagt, wordt dat afgewezen. Het incidenteel appel faalt in zoverre.
4.3
De vorderingen in tussenkomst van Exterion zullen (met uitzondering van de beperkte overgangstermijn) in alle zaken worden afgewezen.
kostenveroordelingen
4.4
In zaak 200.233.320 zal NS Stations als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze zullen aan de zijde van JCDecaux worden vastgesteld op:
verschotten: € 726,-
salaris advocaat: € 2.148, - (tarief II x 2 punten)
In de zaak 200.233.320 zal Exterion worden veroordeeld in de kosten van tussenkomst in hoger beroep (inclusief het incident ex artikel 217). Deze zullen aan de zijde van JCDecaux worden begroot op:
salaris advocaat: € 4.296.- (tarief II x 4 punten)
4.5
In zaak 200.237.719 zal NS Stations als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg. Deze zullen aan de zijde van JCDecaux worden vastgesteld op:
griffierechten € 619, -
kosten dagvaarding: € 77,75
salaris advocaat: € 2.443,50
In zaak 200.237.719 zal NS Stations als de in het ongelijk gestelde partij voorts worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze zullen aan de zijde van JCDecaux worden vastgesteld op:
verschotten: € 726,-
salaris advocaat: € 2.148,- (tarief II x 2 punten)
In de zaak 200.237.319 zal Exterion worden veroordeeld in de kosten van tussenkomst in hoger beroep (inclusief het incident ex artikel 217). Deze zullen aan de zijde van JCDecaux worden begroot op:
salaris advocaat: € 4.296.- (tarief II x 4 punten)
4.6
In de zaak 200.260.097 zal NS Stations als de in het ongelijk gestelde partij voorts worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. Deze zullen aan de zijde van JCDecaux worden vastgesteld op:
verschotten: € 726, -
salaris advocaat: nihil
In de zaak 200.260.097 zal Exterion worden veroordeeld in de kosten van tussenkomst in hoger beroep (inclusief het incident ex artikel 217). Deze zullen aan de zijde van JCDecaux worden begroot op nihil.
In de zaak 200.260.097 zal JCDecaux als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Deze zullen aan de zijde van NS Stations worden vastgesteld op:
salaris advocaat: € 1.074, - (tarief II x 1 punt)
4.7
De door JCDecaux gevorderde volledige kosten van juridische bijstand zullen in alle zaken worden afgewezen, nu deze noch qua omvang zijn bepaald, noch van een deugdelijke grondslag zijn voorzien.
4.8
Als niet bestreden zullen de nakosten en de wettelijke rente over de proceskostenveroordelingen in alle zaken worden toegewezen.
5. De beslissing in de zaken 200.237.719, 200.233.320 en 200.260.097
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in zaak 200.233.320:
verwerpt het hoger beroep van NS Stations;
veroordeelt NS Stations in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van JCDecaux vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt NS Stations in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval NS Stations niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;
wijst de vorderingen van Exterion in de tussenkomst af;
veroordeelt Exterion in de kosten van de tussenkomst in hoger beroep (inclusief het incident ex artikel 217 Rv), tot aan deze uitspraak aan de zijde van JCDecaux vastgesteld op € 4.296,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt Exterion in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Exterion niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;
in zaak 200.237.719:
vernietigt het door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 18 oktober 2017 gewezen tussenvonnis en opnieuw rechtdoende:
1.
verklaart voor recht dat NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is in de zin van het Bao en de Aw 2012;
2.
verklaart voor recht dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was en is om de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst aan te besteden, althans voor mededinging open te stellen;
3.
veroordeelt NS Stations tot vergoeding aan JCDecaux van schade als gevolg van de schending van de op haar ten aanzien van genoemde overeenkomsten rustende aanbestedingsverplichtingen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
4.
verbiedt NS Stations om vanaf twee maanden na betekening van dit arrest nog verder uitvoering te geven aan de concessieovereenkomst 2011;
5.
verbiedt NS Stations om vanaf 30 dagen na betekening van dit arrest nog verder uitvoering te geven aan de Ngage-overeenkomst;
6.
gebiedt NS Stations om inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst waarbij informatie ten aanzien van de prijzen onleesbaar dient te worden gemaakt;
7.
gebiedt NS Stations om ten aanzien van de onder 6 geboden inzage een verklaring van een (van haar) onafhankelijk accountant te verstrekken, waaruit blijkt dat zij een compleet overzicht daarvan heeft verstrekt;
veroordeelt NS Stations om in geval van elke overtreding van het onder 4 en 5 geformuleerde verbod en niet-naleving van het onder 6 en 7 geformuleerde gebod een dwangsom aan JCDecaux te betalen van € 100.000, - per overtreding en per dag dat deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 1.500.000, -;
veroordeelt NS Stations in de kosten van de eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van JCDecaux vastgesteld op € 696,75 voor verschotten en op € 2.443,50 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief; ·
veroordeelt NS Stations in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van JCDecaux vastgesteld op € 726, - voor verschotten en op € 2.148, - voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt NS Stations in de nakosten, begroot op € 157, -, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82, - in geval NS Stations niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;
wijst de vorderingen van Exterion in de tussenkomst af;
veroordeelt Exterion in de kosten van de tussenkomst in hoger beroep (inclusief het incident ex artikel 217 Rv), tot aan deze uitspraak aan de zijde van JCDecaux vastgesteld op € 4.296, - voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt Exterion in de nakosten, begroot op € 157, -, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82, - in geval Exterion niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
in zaak 200.260.097:
verwerpt het principaal hoger beroep van NS Stations;
vernietigt het door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 7 november 2018 gewezen eindvonnis;
veroordeelt NS Stations in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van JCDecaux vastgesteld op € 741, - voor verschotten en op nihil voor salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt NS Stations in de nakosten, begroot op € 157, -, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82, - in geval NS Stations niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening; ·
verwerpt het incidenteel beroep van JCDecaux, behalve voor zover het haar vorderingen betreft die in de zaak 200.237.719 reeds zijn toegewezen;
veroordeelt JCDecaux in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NS Stations vastgesteld op € 1.074, - voor salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt JCDecaux in de nakosten, begroot op € 157, -, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82, - in geval JCDecaux niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;
wijst de vorderingen van Exterion in de tussenkomst af;
veroordeelt Exterion in de kosten van de tussenkomst in hoger beroep (inclusief het incident ex artikel 217 Rv), tot aan deze uitspraak aan de zijde van JCDecaux vastgesteld op nihil;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, A.A. van Rossum en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.
Uitspraak 25‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering tot tussenkomst ex artikel 217 Rv toegewezen. Appellant en geïntimeerde hebben geen bezwaar gemaakt tegen de interventie.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.260.097
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 421208)
arrest van 25 juni 2019
in het incident ex artikel 217 Rv van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Exterion Media (Netherlands) B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in het incident,
hierna: Exterion,
advocaat: mr. J.W. Fanoy,
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NS Stations B.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellante, tevens verweerster in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: NS Stations,
advocaat: mr. G.W. van der Bend,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JCDecaux Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: JCDecaux,
advocaat: mr. J.F. van Nouhuys.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 18 oktober 2017 en 7 november 2018.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 februari 2019,
- de memorie van grieven,
- de incidentele memorie tot tussenkomst, subsidiair voeging van Exterion (met productie),
- de akte tot referte in het incident tot tussenkomst, subsidiair voeging van NS Stations,
- de akte tot referte in het incident tot tussenkomst, subsidiair voeging van JCDecaux.
2.2
Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.
3. De motivering van de beslissing in het incident
3.1
De rechtbank heeft op 18 oktober 2017 een tussenvonnis gewezen tussen JCDecaux als eiseres en NS Stations als gedaagde. Van dat tussenvonnis zijn zowel JCDecaux als NS Stations in hoger beroep gekomen (bij het hof bekend onder de zaaknummers 200.233.320 en 200.237.719). Bij arresten van 20 november 2018 heeft dit hof Exterion toegestaan om te mogen tussenkomen in de zaken 200.233.320 en 200.237.719.
Op 7 november 2018 heeft de rechtbank intussen een eindvonnis gewezen in de zaak tussen JCDecaux als eiseres en NS Stations als gedaagde. NS Stations heeft ook hoger beroep ingesteld tegen dit eindvonnis (dit betreft het onderhavige zaaknummer 200.260.097). In dit incident heeft Exterion gevorderd ook in de zaak 200.260.097 primair te mogen tussenkomen en subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van NS Stations. NS Stations en JCDecaux hebben zich ten aanzien van de incidentele vordering van Exterion gerefereerd aan het oordeel van het hof.
3.2
Het hof stelt voorop dat een partij op grond van artikel 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (zie Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768).
3.3
Exterion heeft conform de tussen partijen gemaakte procesafspraken verzocht haar incidentele memorie tot tussenkomst, subsidiair voeging van 12 juni 2018 in de zaak 200.233.320 als herhaald en ingelast te beschouwen. In die memorie heeft Exterion voldoende toegelicht dat zij eigen vorderingen wenst in te stellen en voldoende belang heeft om zich door middel van die vorderingen te mengen in het geding. Nu NS Stations en JCDecaux geen bezwaar hebben tegen de tussenkomst van Exterion, zal het hof de vordering toewijzen.
3. De slotsom
3.1
Het hof zal de incidentele vordering tot tussenkomst van Exterion toewijzen. De beslissing over de kosten van het incident zal het hof aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
3.2
Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor memorie in tussenkomst aan de zijde van Exterion. Verder zal het hof iedere beslissing aanhouden.
4. De beslissing
Het hof, recht doende:
in het incident:
wijst de vordering tot tussenkomst van Exterion toe;
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de roldatum 2 juli 2019 voor memorie na tussenkomst aan de zijde van Exterion;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, A.A. van Rossum en H.L. Wattel, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.
Uitspraak 20‑11‑2018
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering tot tussenkomst ex artikel 217 Rv toegewezen. De uitkomst van het hoger beroep heeft directe gevolgen voor de concessieovereenkomst tussen geïntimeerde en eiseres in het incident.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.237.719
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 421208)
arrest van 20 november 2018
in het incident ex artikel 217 Rv van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Exterion Media (Netherlands) B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in het incident,
hierna: Exterion,
advocaat: mr. J.W. Fanoy,
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JCDecaux Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
verweerster in het incident,
hierna: JCDecaux,
advocaat: mr. J.F. van Nouhuys,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NS Stations B.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,verweerster in het incident,
hierna: NS Stations,
advocaat: mr. G.W. van der Bend.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 31 juli 2018 hier over.
1.2
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen in het incident ex artikel 217 Rv van 30 oktober 2018.
1.3
Voorafgaand aan de comparitie van partijen heeft JCDecaux het procesdossier in het incident ex artikel 217 Rv aan het hof overgelegd. Na afloop van de comparitie heeft het hof arrest in het incident bepaald.
2. De motivering van de beslissing in het incident
2.1
Het gaat in deze zaak om het volgende. NS Stations, onderdeel van het NS-concern, houdt zich bezig met het beheren en exploiteren van stations. Een van de activiteiten van NS Stations is het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op de stations. NS Stations heeft in 1998 ten aanzien van een deel van de reclamedragers op de stations een concessieovereenkomst gesloten met (een rechtsvoorgangster van) Exterion. In december 2011 hebben NS Stations en Exterion een nieuwe concessieovereenkomst gesloten met een looptijd tot 1 januari 2028 (hierna te noemen: concessieovereenkomst 2011). JCDecaux is een concurrent van Exterion.
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat NS Stations vanaf medio 2011 een aanbestedende dienst is in de zin van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten en de Aanbestedingswet 2012. Het verweer van NS Stations, dat JCDecaux haar rechten om zich erop te beroepen dat NS Stations een aanbestedende dienst is, heeft verwerkt gaat volgens de rechtbank niet op. Verder heeft de rechtbank overwogen dat NS Stations ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 niet aanbestedingsplichtig was. NS Stations heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld tegenover JCDecaux door deze overeenkomst onderhands aan Exterion te gunnen, aldus de rechtbank.
In appel heeft JCDecaux een incident tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv opgeworpen. Daarin heeft JCDecaux onder meer, kort gezegd, gevorderd NS Stations te gebieden uiterlijk 1 januari 2019 een aanbesteding op basis van de Aanbestedingswet 2012 aan te kondigen en te doorlopen ten aanzien van onder andere de in december 2011 aan Exterion gegunde concessieopdracht.
2.2
In het onderhavige incident heeft Exterion gevorderd om primair te mogen tussenkomen en subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van NS Stations, zowel in de hoofdzaak als in het incident tot voorlopige voorziening. NS Stations heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof. Door JCDecaux is in eerste instantie bezwaar gemaakt tegen de interventie van Exterion, maar zij heeft zich nadien ook gerefereerd aan de uitspraak van het hof.
2.3
Het hof stelt voorop dat een partij op grond van artikel 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768). Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.
2.4
De vordering tot tussenkomst zal worden toegewezen. Door Exterion is voldoende toegelicht dat zij eigen vorderingen wenst in te stellen. Exterion is voornemens een verklaring voor recht te vragen inhoudende dat JCDecaux ten opzichte van Exterion haar rechten heeft verwerkt om de concessieovereenkomst 2011 aan te tasten. Daarnaast wenst Exterion te vorderen dat een beëindigingsverplichting van de concessieovereenkomst niet eerder ingaat dan na ommekomst van een overgangsperiode nadat het arrest onherroepelijk is geworden. Exterion heeft voldoende belang om zich, onder meer door middel van deze in te stellen vorderingen, te mengen in het geding. De uitkomst van het hoger beroep heeft immers directe gevolgen voor de concessieovereenkomst 2011 tussen NS Stations en Exterion, en daarmee dus voor de rechtspositie van Exterion.
3. De slotsom
3.1
Het hof wijst de incidentele vordering tot tussenkomst van Exterion toe, zowel in de hoofdzaak als in het incident tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv. De beslissing over de kosten van het incident zal het hof aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
3.2
Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor memorie in de tussenkomst, tevens inhoudende memorie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv aan de zijde van Exterion (ambtshalve peremptoir). Over de verdere processtappen zijn ter zitting met partijen afspraken gemaakt en zijn beslissingen genomen, die zijn neergelegd in het proces-verbaal. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
4. De beslissing
Het hof, recht doende:
in het incident ex artikel 217 Rv:
wijst de vordering tot tussenkomst van Exterion in zowel de hoofdzaak als in het incident tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv toe;
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de roldatum 8 januari 2019 voor memorie in de tussenkomst, tevens inhoudende memorie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv aan de zijde van Exterion (ambtshalve peremptoir);
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, F.J.P. Lock en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 november 2018.