Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.7.0
10.7.0 Introductie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499477:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 32 EEX-Vo: zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten.
Gepubliceerd onder PbEU 2012, L 351/1, Vo nr. 1215/2012.
Zie ook aanvang van dit hoofdstuk en Van het Kaar 2011b, p. 903.
Hof van Justitie EG, 21 mei 1980, nr. C125/79 (Denilauler/Couchet).
Krachtens het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Thans artikel 31 Brussel I-Vo.
Hof van Justitie EG, 21 mei 1980, nr. C125/79 (Denilauler/Couchet).
De EEX-Vo heeft een werkingsgebied dat veel breder is dan het voorstel Europees bankbeslag. Het heeft betrekking op de erkenning en tenuitvoerlegging van alle beslissingen in een lidstaat, ongeacht de daaraan gegeven benaming.1 Op 12 december 2012 werden de resultaten van een zogenoemde Herschikking in de vorm van een nieuwe Verordening gepubliceerd (Verordening (EU) Nr. 1215/2012).2 De EEX-Vo heeft in beginsel ook gevolgen voor (ex-parte verleende) voorlopige maatregelen, en daarmee voor iedere vorm van conservatoir beslag (dus niet alleen bankbeslag).
Naar de uitleg van de nu nog geldende EEX-Vo wordt een ex-parte maatregel, waaronder valt een verlof om conservatoir beslag te leggen waarbij de beoogd beslagene niet is gehoord, niet in andere lidstaten erkend en kan daarmee ook niet zonder meer worden ten uitvoer gelegd. Zo is de werking van een door de Nederlandse rechter afgegeven beslagverlof in beginsel beperkt tot Nederlandse vermogensbestanddelen. Zoals al eerder aan de orde kwam spreekt men in dit kader wel van een territoriale werking van beslagbevoegdheid.3 De hier bedoelde uitleg van de nu nog geldende EEX-Vo volgt uit een uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Denilauler.4 In dit arrest besloot het Hof van Justitie naar aanleiding van een verzoek tot uitleg van artikel 24 van het toenmalige EEG Executieverdrag (voorloper van de nu geldende Brussel I-Vo, ook wel kortweg EEX-Verdrag genoemd)5 dat alleen voorlopige of bewarende maatregelen waartoe in een procedure op tegenspraak of verstek is besloten voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komen. Maatregelen die zijn uitgesproken zonder dat de partij tegen wie de maatregel is gericht is opgeroepen en indien de beslissing niet is betekend voordat de maatregel wordt uitgevoerd komen daarmee niet in aanmerking voor erkenning en tenuitvoerlegging op grond van het EEX-verdrag.
De aanleiding voor deze uitspraak van het Hof van Justitie was gelegen in een verzoek dat de in Frankrijk gevestigde partij Couchet Frères aan het Landgericht Wiesbaden richtte, om een in Frankrijk afgegeven, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking tot conservatoire beslaglegging in de Bondrepubliek van een verlof tot tenuitvoerlegging te voorzien en gelijktijdig een beschikking af te geven waarmee beslag kon worden gelegd op banksaldi van Denilauler aldaar. De zonder voorafgaande oproeping van Denilauler in Frankrijk gegeven beschikking werd door het Landgericht van een verlof tot tenuitvoerlegging voorzien, waarna Couchet Frères conservatoir derdenbeslag onder de bank legde, ten laste van Denilauler. Denilauler tekende hiertegen bezwaar aan, waarna het Oberlandesgericht Frankfurt/Main een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorlegde, ter uitlegging van artikel 24 van het EEX-verdrag,6 onder meer om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of op rechterlijke beslissingen, genomen in een andere lidstaat dan die van tenuitvoerlegging, waarbij voorlopige en bewarende maatregelen worden toegestaan zonder dat de verweerder hierbij de gelegenheid heeft gekregen om verweer te voeren, en die pas ter kennis van de verweerder komen nadat deze zijn ten uitvoer gelegd, op grond van het EEX-verdrag in een andere verdragsluitende Staat kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd zonder dat zij tevoren aan de verweerder ter kennis zijn gebracht. Het Hof van Justitie stelde vast dat deze vraag moest leiden tot een onderzoek of dergelijke rechterlijke beslissingen, gezien het systeem en de doelstelling van het EEX-verdrag, onder de in dit Verdrag voorziene vereenvoudigde regeling voor de erkenning en tenuitvoerlegging kunnen vallen. Het Hof van Justitie kwam tot het oordeel dat de soepele regels voor erkenning en tenuitvoerlegging van het EEX-verdrag zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat procedures die tot een rechterlijke beslissing leiden die in een andere verdragsluitende Staat wordt erkend of ten uitvoer gelegd, met inachtneming van de rechten van de verdediging zijn verlopen, dat wil zeggen met een (mogelijkheid op) tegenspraak. Artikel 24 inzake voorlopige maatregelen en maatregelen ter bewaring van recht van het EEX-verdrag voorziet in een bijzondere regeling voor voorlopige en bewarende maatregelen. Deze bepaalt dat in de wetgeving van een verdragsluitende staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen bij de rechterlijk autoriteiten van die staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere verdragsluitende Staat krachtens het EEX-verdrag bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. De wijze waarop het Hof van Justitie de achtergronden van deze bepaling schetst is, zo meen ik, interessant, omdat deze ook naar de stand van (voorgenomen) regelgeving van vandaag inzake grensoverschrijdende conservatoire beslagsituaties nog betekenis heeft. Het Hof van Justitie legt uit dat de achtergrond van deze bepaling hierin is gelegen:
‘dat het toestaan van dergelijke maatregelen van de rechter bijzondere behoedzaamheid vereist, alsmede een grondige kennis van de concrete omstandigheden waarin de maatregel haar gevolgen moet doen gevoelen’.7
Volgens het Hof van Justitie is ongetwijfeld de plaatselijke rechter of de rechter waar de gevraagde maatregel ten uitvoer wordt gelegd, het beste in staat om te beoordelen op grond waarvan de gevraagde maatregelen moeten worden toegestaan of geweigerd en de voorwaarden waaronder beslag wordt toegestaan te bepalen. Een rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 24 EEX-verdrag kan, net als overige rechterlijke beslissingen, worden erkend indien deze tot stand is gekomen in een procedure op tegenspraak waarbij de beslissing voorafgaand aan de tenuitvoerlegging moet worden betekend aan de partij tegen wie zij is gericht. Is dit niet het geval, zoals bij een ex-parte verleend verlof tot conservatoir beslag, dat eerst na de feitelijke beslaglegging aan de beslagene wordt betekend, dan komt de beslissing niet in aanmerking voor erkenning en tenuitvoerlegging op grond van het EEX-verdrag. De stelling van Couchet Frères, dat het in artikel 47 lid 1 van het EEX-verdrag neergelegde algemene beginsel dat bij een verzoek tot tenuitvoerlegging een document van voorafgaande betekening moet worden overgelegd, niet had te gelden voor een verlof tot beslaglegging omdat anders het verrassingseffect, noodzakelijk voor het welslagen van het conservatoire beslag, verloren zou gaan, werd door het Hof van Justitie gepasseerd.
Deze uitspraak van het Hof van Justitie vormde tevens een streep door de rekening van de Commissie, die toen reeds voorstander was van het onder de erkennings- en tenuitvoerleggingsmaatregelen van de EEX-Verordening laten vallen van ex-parte voorlopige en bewarende maatregelen. Volgens de Commissie zouden de verdragsluitende staten niet de bedoeling hebben gehad om de EEX-Verordening voor dit specifieke type beslissingen te beperken: niet contradictoire procedures zouden verenigbaar zijn met het fundamentele beginsel van de verdediging, indien zij hun rechtvaardiging vinden in de omstandigheden (te weten behoud van het verrassingseffect).