Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/6.2
6.2 Beginselen – prelude
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631729:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Foqué (2009), p. 15 stelt dat elke nationale context zijn eigen beginselen meebrengt, maar dat die context ook vooral het specifieke betekenisbereik bepaalt: “Beginselen bewegen mee met ruimte en tijd waarin zij aan de orde zijn”.
De rechter is natuurlijk gebonden aan de ingestelde eis. De vraag of het aansprakelijkheidsregime voor formele bestuurders dient te worden toegepast, komt dus alleen aan de orde als de ingestelde eis daarvoor een grondslag biedt.
Hart (1961), p. 171 merkt op: “It is characteristic of a legal system that new rules can be introduced and old ones changed or repealed by deliberate enactment (…) By contrast moral rules or principles cannot be brought into being or changed or eliminated in this way”. Wat hier over ‘morals’ (ik vat dat hier maar even samen als waarden en morele beginselen) wordt gezegd, geldt evenzeer voor rechtsbeginselen. Dworkin (1978), p. 22 e.v. maakt een principieel onderscheid tussen ‘rules’ (regels) en beginselen. Regels hebben een alles-of-niets karakter, en zijn wel of niet van toepassing in een concreet geval. Als twee tegengestelde regels op een geval van toepassing zijn, dan is één van beide ongeldig. Bij beginselen is het relatieve gewicht van belang, zodat in een bepaald geval het ene beginsel voor het andere (in concreto zwaarder wegende) moet wijken, zonder dat het zijn (generieke) geldigheid verliest. De beginselen waarover Dworkin het heeft maken onderdeel uit van het rechtssysteem, en kunnen de rechter richting geven bij het interpreteren van regels.
Aan de rechtsopvattingen die voor ‘juist’ of ‘waar’ worden gehouden, liggen waarden en (rechts)beginselen ten grondslag. In rechtswetenschappelijk onderzoek dat betrekking heeft op het positieve recht dient daaraan aandacht te worden besteed. In dit onderzoek staan enkele (rechts)beginselen centraal. Die behoren tot de grondslagen van het rechtssysteem.1 Als primair tot de wetgever gericht beginsel noemde ik het gelijkheidsbeginsel (par. 1.2): rechtsregels moeten zodanig worden geformuleerd, dat in gelijke gevallen een gelijke uitkomst wordt bereikt. Dit beginsel is evenzeer gericht tot de tot oordelen geroepen rechter. Rechtzoekenden mogen de gerechtvaardigde verwachting hebben dat dit beginsel wordt toegepast.
Het gelijkheidsbeginsel heeft in zekere zin een formeel of procedureel karakter, in die zin, dat het niet ziet op het gedrag, de houding of intentie van individuele (rechts)personen die in een rechtszaak ter verantwoording worden geroepen. Als de wetgever in een wettelijke bepaling vastlegt dat een bepaalde categorie (de quasi-bestuurders) met een andere categorie (de formele bestuurders) wordt gelijkgesteld, dan beschouwt de wetgever beide categorieën als gelijke gevallen. Die gelijkheid zit hierin dat beide soorten bestuurders ‘besturen’ (in het geval van schaduwbestuurders ‘doen besturen op de wijze die zij willen’). Dat de categorie quasi-bestuurders blijkens de wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur een bonte verzameling van gevallen betreft, doet aan het vertrekpunt niet af: als de rechter tot het oordeel komt dat een (rechts)persoon als quasi-bestuurder moet worden aangemerkt, dan dient hij het voor formele bestuurders geldende aansprakelijkheidsregime toe te passen.2 De vraag daarbij is hoever de gelijkstelling gaat. Uiteraard kan de wetgever op enig moment besluiten dat ook andere gevallen als ‘gelijke gevallen’ moeten worden behandeld, of in de huidige wettelijke bepalingen beperkingen aanbrengen. Het gaat dan om een rechtspolitieke keuze, waaraan normaal gesproken een inhoudelijk (politiek) debat vooraf gaat.
In relatie tot quasi-bestuurders ben ik op zoek gegaan naar beginselen die zouden kunnen bijdragen aan een antwoord op de vraag hoe hun doen en laten in rechte zou kunnen dan wel zou behoren te worden beoordeeld (par. 4.2). Dit zijn beginselen die in relatie staan tot het gedrag, de houding en de intentie van een individuele (rechts)persoon. Op basis van een zoektocht die in het Romeinse recht begon, heb ik enkele rechtsbeginselen geïdentificeerd die in relatie tot quasi-bestuurders, specifiek als het gaat om de vraag naar hun aansprakelijkheid, relevant zijn:
personen zijn (in beginsel) aansprakelijk voor hun eigen doen en laten;
wat betreft goederen die aan een ander toebehoren moet dezelfde zorgvuldigheid in acht worden genomen die men ten aanzien van eigen goederen in acht pleegt te nemen (bijvoorbeeld bij de societas of bij bewind). Het gaat hier niet om een subjectief, maar om een geobjectiveerd beginsel. In dit verband wordt over een zorgplicht gesproken;
een persoon behoort niet te profiteren van zijn eigen onrechtmatige handelen.
Deze rechtsbeginselen ‘bestaan’ in de rechtswerkelijkheid, maken onderdeel uit van het rechtssysteem, en ze kunnen (daarom) mede dienen als grondslag voor beweringen die worden gedaan. Het zijn noodzakelijke elementen om tot theorievorming te kunnen komen. Het zijn de axioma’s van de conclusies waartoe ik ben gekomen. Voor mij zijn die conclusies op dit moment logisch en dwingend. Dat laatste baseer ik op intuïtie en ervaring, hetgeen uiteraard geen statische grootheden zijn. Rechtsbeginselen zelf zijn evenmin statische grootheden. Ze kunnen in de loop van de geschiedenis opkomen, verdwijnen of van kleur veranderen. Maar ze kunnen niet, gelijk wetten, van het ene op het andere moment worden afgekondigd.3
De beginselen hebben verder een open karakter, in die zin, dat ze in concrete situaties nader moeten worden ingevuld of ingekleurd. Dat personen (in beginsel) aansprakelijk zijn voor hun eigen doen en laten roept onder meer de vraag op in welke gevallen zij dat niet zijn. In mijn onderzoek speelt dit beginsel maar een bescheiden rol, in die zin, dat het de basis of rechtvaardiging vormt voor de uitspraak dat quasi-bestuurders in beginsel aansprakelijk zijn voor hun eigen doen en laten. Op basis van dit uitgangspunt kan dan een debat worden gevoerd over hun motieven, de rol van het formele bestuur in relatie tot quasi-bestuurders, de aard en gevolgen van handelingen van quasi-bestuurders en wat verder maar relevant blijkt te zijn.