Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.3.3.2.2
3.3.3.2.2 Regeling in het huidige Handelsgesetzbuch
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS448671:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Schmidt (2002), p. 1553, Grunewald in Schmidt (2012), § 164, aant. 23, Joost & Strohn in Ebenroth/Boujong/Joost/Strohn (2008), § 164, aant. 27, Baumbach/Hopt (2012), § 164, aant. 9, Wirth in Gummert/Weipert II (2009), § 7, aant. 80.
Wirth in Gummert/Weipert II (2009), § 7, aant. 80.
Klingberg (1990), p. 62-66, Schilling in Staub (2004), § 164, aant. 12, beide in navolging van het hieronder te bespreken arrest van het BGH van 17 maart 1966, BGHZ 45, 204.
Schilling in Staub (2004), § 164, aant. 27, Joost & Strohn in Ebenroth/Boujong/Joost/Strohn (2008), § 164, aant. 27.
BGH 17 maart 1966, BGHZ 45, 204.
Klingberg (1990), p. 66-69, met op p. 69, voetnoot 3, vermelding van oudere literatuur, Schmidt (2002), p. 1552-1553, Schilling in Staub (2004), § 164, aant. 12, Joost & Strohn in Ebenroth/Boujong/Joost/Strohn (2008), § 164, aant. 29, Baßler (2009), p. 160-169, Neubauer & Herchen in Gummert/Weipert II (2009), § 30, aant. 109. Kritisch: Wiedemann (2004), p. 543-544, die onder verwijzing naar het Franse recht inzake het bestuursverbod bepleit sneller aansprakelijkheid voor de bedrijvige commanditair aan te nemen dan het BGH doet.
Hierop wijst Konietzko (1979), p. 169.
Meyer (2000), p. 163. Zo al Staub (1912), p. 666.
Meyer (2000), p. 163.
De interne aansprakelijkheid van besturende vennoten, of zij nu gecommanditeerd of commanditair zijn, jegens hun niet-besturende medevennoten blijft hier onbesproken.
Meyer (2000), p. 163, Schmidt (2002), p. 1553-1554, aant. 9, Basler (2009), p. 146.
Wiedemann (2004), p. 833-834, Neubauer & Herchen in Gummert/Weipert II (2009), § 30, aant. 109.
Baumbach/Hopt (2012), § 171, aant. 4.
Strohn in Ebenroth/Boujong/Joost/Strohn (2008), § 171, aant. 33.
Art. 823 e.v. BGB.
Strohn in Ebenroth/Boujong/Joost/Strohn (2008), § 171, aant. 21-28, Basler (2009), p. 147- 150, Neubauer & Herchen in Gummert/Weipert II (2009), § 30, aant. 112.
Hiervan is slechts in uitzonderingsgevallen sprake, zoals het hierboven besproken rectorarrest leert; doorgaans zal voor een geslaagd beroep op deze mogelijkheid misleiding zijn vereist. Zie Wiedemann & Frey (2007), p. 200-201, Neubauer & Herchen in Gummert/ Weipert II (2009), § 30, aant. 109.
Neubauer & Herchen in Gummert/Weipert II (2009), § 30, aant. 110. Wiedemann (2004), p. 833-834 wijst erop dat doorbraak van aansprakelijkheid bij de rechtsvorm van de Kommanditgesellschaft tot nu toe slechts een theoretische mogelijkheid is: er bestaat geen enkele rechterlijke uitspraak waarin dit is aanvaard.
De hierboven vermelde opvatting dat een onbeperkte aansprakelijkheid het gevolg van het uitoefenen van personenvennootschappelijke bestuursmacht zou dienen te zijn, is niet de heersende geworden. Integendeel: algemeen wordt in het huidige Duitse recht aanvaard dat aan het intern uitoefenen van bestuurstaken door de commanditaire vennoot normaliter geen aansprakelijkheid jegens derden is verbonden.1 Het verdelen van de bestuurstaken, ook wanneer deze worden toebedeeld aan commanditaire vennoten, wordt gezien als een interne zaak van de vennoten, die geen gevolgen heeft voor de aansprakelijkheid van de vennoten van een Kommanditgesellschaft jegens derden.2 Voor zover al het bestaan van een Parallelität zwischen Herrschaft und Haftung kan worden aangenomen, dan is dat niet meer dan een idee dat de wetgever voor ogen stond bij het ontwerpen van de wettelijke regeling van de bestuurscompetentie binnen de Kommanditgesellschaft. Nu deze regeling slechts aanvullend recht bevat kan aan deze voorstelling van de wetgever evenwel geen dwingende werking worden toegekend.3 Zolang de hoedanigheid van de commanditaire vennoot tijdig en correct in het handelsregister is ingeschreven is hij slechts aansprakelijk ten belope van zijn Haftsumme; een naar buiten niet zichtbare regeling tussen de vennoten onderling over het bestuur van de vennootschap kan daaraan niet afdoen.4 Tot welke krasse gevolgen deze opvatting kan leiden leert kennisneming van de Rektorfall, het standaardarrest op dit vlak.5 Een rector van een school ging met een onvermogende coupeuse een Kommanditgesellschaft aan ter uitoefening van het tricotagebedrijf. Ambtenarenrechtelijk stond het hem niet vrij een commerciële rol zoals die van gecommanditeerd vennoot te vervullen. Met het oog daarop nam de coupeuse deze functie op zich; zij bracht haar arbeid in. De rector werd de enige commanditaire vennoot; hij was ook de enige die kapitaal in de vennootschap inbracht. Alle bestuurs- en vertegenwoordigingsbevoegdheden werden aan de rector toebedeeld en ook actief door hem uitgeoefend. Een vennootschapscrediteur sprak de rector aan tot betaling van een door de vennootschap onbetaald gelaten schuld, daartoe aanvoerende dat deze door middel van de Kommanditgesellschaft in economische zin feitelijk een eenmanszaak uitoefende en daarom geacht moest worden onbeperkt hoofdelijk voor de verbintenissen van de vennootschap te zijn verbonden. Het BGH wees deze vordering af. Het oordeelde dat een commanditair niet dan al onbeperkt aansprakelijk is, wanneer hij in economische zin de enige eigenaar van de onderneming is en daarover als enige de feitelijke zeggenschap uitoefent; de omstandigheid dat de gecommanditeerde vennoot onvermogend was maakt dit niet anders. Deze uitspraak is door de doctrine in meerderheid positief ontvangen.6 Aantekening verdient daarbij dat de scherpste kantjes van deze toch wat verbluffende uitspraak worden afgeslepen door de omstandigheid dat de gecommanditeerde vennoot in dit soort situaties doorgaans een vrijwaring van de commanditaire vennoot zal hebben bedongen: zonderdien zouden weinigen zich voor de rol van onbeperkt aansprakelijke vennoot zonder enige beslissingsbevoegdheid laten strikken.7 Via deze omweg wordt de bedrijvige commanditair dan toch weer aansprakelijk voor zijn optreden als bestuurder van de vennootschap, zij het dan jegens de gecommanditeerde vennoot en niet rechtstreeks jegens vennootschapscrediteuren.
Ook op overtreding van het aan de commanditair opgelegde verbod om als organschaftliche vertegenwoordiger op te treden is in het HGB niet het gevolg van hoofdelijke aansprakelijkheid verbonden. Zoals hierboven beschreven bestond een dergelijke aansprakelijkheid wel onder het regime van het ADHGB, zij het dat deze alleen ontstond wanneer de bedrijvige commanditair niet bij iedere door hem verrichte handeling naar buiten melding maakte van zijn kwaliteit als vertegenwoordiger. De HGB-wetgever heeft deze onbeperkte aansprakelijkheid voor de bedrijvige commanditair welbewust afgeschaft.8 Hij meende dat deze, in het bijzonder gelet op de openbaarmaking van de werkelijke positie van de vennoten in het handelsregister, niet nodig was.9
Het bovenstaande betekent overigens niet dat de bedrijvige commanditair nimmer jegens vennootschapscrediteuren10 aansprakelijk kan zijn wegens zijn optreden naar buiten in naam van de vennootschap. Een dergelijke aansprakelijkheid wordt in de eerste plaats aanvaard in gevallen waarin de commanditair de schijn oproept onbeperkt voor de verbintenissen van de vennootschap aansprakelijk te zijn. Dat wordt, zoals na het bovenstaande duidelijk moge zijn, niet reeds aangenomen bij het loutere verrichten van zich extern manifesterende bestuurshandelingen: daartoe is noodzakelijk dat de commanditaire vennoot in de concrete omstandigheden van het geval op verwijtbare wijze bij een derde de schijn heeft opgewekt of in stand laat dat hij de gecommanditeerde vennoot is en de betrokken derde daarop is afgegaan.11 Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de commanditair de derde misleidt,12 of wanneer hij hem uitdrukkelijk wijst op zijn persoonlijke kredietwaardigheid.13 Ook is een commanditair aansprakelijk wanneer hij in strijd met de waarheid bij derden de indruk wekt of laat voortbestaan dat de gecommanditeerde vennoot een natuurlijke persoon en geen beperkt aansprakelijke rechtspersoon is.14 Daarnaast is het denkbaar dat de commanditair uit onrechtmatige daad15 wordt aangesproken, bijvoorbeeld wanneer hij relaties van de Kommanditgesellschaft onjuiste informatie heeft verstrekt over haar kredietwaardigheid of geïnteresseerde investeerders, dus potentiële toekomstige medevennoten, al te rooskleurige winstvooruitzichten voorspiegelt.16 Theoretisch is ook nog te denken aan situaties waarin van misbruik van rechtsvorm kan worden gesproken,17 terwijl ook een beroep zou kunnen worden gedaan op het leerstuk van de doorbraak van (beperkte) aansprakelijkheid.18 Op basis hiervan lijkt de gevolgtrekking gerechtvaardigd dat de commanditair bij afwezigheid van als misleidend of als onrechtmatig aan te merken gedragingen zijnerzijds slechts bij hoge uitzondering jegens derden onbeperkt aansprakelijk zal zijn voor handelingen die hij in zijn hoedanigheid als vennoot ten behoeve van de vennootschap verricht.