Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.2.3.2:6.2.3.2 Artikel 3:4, lid 2 Awb
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.2.3.2
6.2.3.2 Artikel 3:4, lid 2 Awb
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460902:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 augustus 2004, nr. 37.920, ECLI:NL:HR:2004:BI8185 (BNB 2005/42, met noot Feteris).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede lid van artikel 3:4 Awb verwoordt het algemene bestuursrechtelijke proportionaliteitsbeginsel: “De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.” Deze bepaling is van toepassing op allerlei bestuurlijke besluiten en dus ook op fiscale bestuurlijke boeten. Het voorschrift heeft door zijn algemene bewoordingen en dubbele ontkenning het karakter van een beginselbepaling: het geeft een vertrekpunt voor verdere rechtsontwikkeling ten aanzien van de proportionaliteitsnorm.
De fiscale rechter verwijst vaak naar het tweede lid van artikel 3:4 Awb als hij de hoogte van een fiscale bestuurlijke boete toetst en zijn eigen oordeel vormt over de vraag of de boete ‘passend en geboden’ is.1 Overigens paste de belastingkamer van de Hoge Raad het proportionaliteitsbeginsel ook reeds toe vóór de inwerkingtreding van artikel 3:4 Awb (zie Hoge Raad 20 december 1989, BNB 1990/102, met noot Ploeger). Dit gegeven onderstreept naar mijn mening het (algemene) beginselkarakter van de bepaling, omdat de daaruit voortvloeiende rechtsnorm ook al werd toegepast vóórdat het in artikel 3:4 Awb werd opgenomen.