Parketnummer 21-003611-22. Het arrest is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2024:4643.
HR, 10-02-2026, nr. 24/02802
ECLI:NL:HR:2026:192
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
24/02802
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:192, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:708
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:4643
ECLI:NL:PHR:2025:708, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:192
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑03‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0056
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Onderzoek Vidar. Medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. uitvoer van amfetamine naar Finland (art. 10a.1 jo. 10.5 Opiumwet), eendaadse samenloop van medeplegen deelneming aan criminele drugsorganisatie (art. 11b.1 jo. 10.4 of 10.5 Opiumwet) en deelneming aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr), medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1 Sr), voorhanden hebben van pistool en munitie (art. 26.1 WWM) en medeplegen witwassen van geldbedrag en auto (art. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr). 1. Biedt art. 126w Sr wettelijke grondslag voor inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’? 2. Verweer dat resultaten van inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ van bewijs moeten worden uitgesloten o.g.v. art. 359a Sv. 3. Verbeurdverklaring woning en personenauto, art. 33a.1.a Sr. Kon hof oordelen dat deze voorwerpen door middel van of uit baten van bewezenverklaard witwassen zijn verkregen? Ad 1. en 2. Om redenen vermeld in HR:2026:178 falen middelen. Ad 2. O.g.v. art. 33a.1.a Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring voorwerpen die aan veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels ‘door middel van of uit baten van’ strafbaar feit zijn verkregen. Hof heeft over tlgd. witwassen van geldbedrag vastgesteld dat verdachte contant geldbedrag van € 200.000 voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf. Hij heeft dit bedrag overgedragen aan ander. Die ander heeft vervolgens € 195.000 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar rekening van verdachte. Verdachte heeft bedrag vervolgens gebruikt voor aankoop van woning. Hof heeft over tlgd. witwassen van auto vastgesteld dat verdachte contant geldbedrag van € 75.000 voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf. Hij heeft dit bedrag overgedragen aan ander. Die ander heeft vervolgens auto laten aanschaffen en op naam van niet-actief bedrijf laten zetten. Verdachte werd feitelijk eigenaar van deze auto en maakte daarvan gebruik. Enkele omstandigheid dat goed, zoals geldbedrag, voorwerp is van bewezenverklaard misdrijf witwassen, brengt niet met zich dat alleen al daarom dat goed w.v.v. vormt dat o.g.v. art. 36e.2 Sr kan worden ontnomen (vgl. HR:2021:1077). Opvatting dat die rechtspraak ook van toepassing is op verbeurdverklaring die wordt opgelegd o.g.v. van art. 33a.1.a Sr, vindt geen steun in recht. Aan genoemde rechtspraak HR ligt ten grondslag dat het enkele verrichten van witwashandelingen niet tot gevolg heeft dat opbrengst die met gronddelict is behaald, toeneemt (vgl. HR:2021:194). Voor verbeurdverklaring op grond dat voorwerp geheel of grotendeels ‘door middel van of uit baten van’ strafbaar feit is verkregen, is echter niet vereist dat ook kan worden vastgesteld dat dit voorwerp vermogensvermeerdering a.g.v. strafbaar feit belichaamt. Het volstaat dat kan worden vastgesteld dat veroordeelde a.g.v. strafbaar feit beschikking heeft gekregen over betreffend voorwerp. ’s Hofs oordeel dat woning en auto telkens zijn verkregen d.m.v. of uit baten van strafbaar feit (welk strafbaar feit telkens bestond in witwassen van geldbedragen) getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749 P, 24/02842, 24/02860 en 24/02918 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02802
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003611-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een wettelijke grondslag biedt voor de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’. Het tweede cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de resultaten van de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ van het bewijs moeten worden uitgesloten op grond van artikel 359a Sv.
2.2
De cassatiemiddelen falen. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/02748, ECLI:NL:HR:2026:178.
3. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van een woning en een personenauto.
3.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 18-730001-21 bewezenverklaard dat:
“1. (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 24 augustus 2018 tot en met 19 oktober 2018 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 195.000 euro (met als omschrijving op zijn bankrekening ‘Darlehn laut vertrag’), de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was en
- een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 200.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit bedrag (200.000) contant te overhandigen aan een ander persoon en dit bedrag (195.000) te laten storten op een Duitse bankrekening en via die bankrekening dat bedrag vervolgens met als omschrijving ‘Darlehn laut vertrag’ naar zijn eigen bankrekening te laten overmaken en dit bedrag vervolgens aan te wenden voor de aankoop van een woning,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2. (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 27 juni 2019 tot en met 2 maart 2020, in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een BMW 740 Ld Xdri met [kenteken] was en
- een voorwerp, te weten een BMW 740 Ld Xdri met [kenteken] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt en
- een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, omgezet en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit geldbedrag contant te overhandigen aan een ander en een ander van dat geldbedrag een BMW 740 Ld Xdri te laten kopen en de BMW op naam van een Duits bedrijf (te weten [A] ) te laten zetten en vervolgens zelf deze BMW te gebruiken,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring van deze feiten overwogen:
“Feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 19 oktober 2018 een woning aan [a-straat 1] te [plaats] heeft gekocht voor € 200.000,-. De woning is niet bezwaard met een hypotheek of andere beslagen. Ten aanzien van de financiering van de woning is gebleken dat op 15 oktober 2018 € 204.956,71 is overgemaakt naar de notaris [betrokkene 1] . Dit geld is afkomstig van de bankrekening van verdachte. Op 11 september 2018 is € 195.000,- op de bankrekening van verdachte gestort door [betrokkene 2] onder vermelding ‘Darlehn laut vertrag’.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte bij hem is gekomen met een contant geldbedrag van € 200.000,00 en aan hem heeft gevraagd dit bedrag naar de bankrekening van verdachte over de maken. Volgens [betrokkene 2] wou verdachte een vastgoedobject aflossen. [betrokkene 2] zou € 5.000,00 krijgen. [betrokkene 2] heeft verder verklaard dat de overboeking geen lening betreft en dat hij financieel ook niet in staat was om een dergelijk bedrag aan een derde te lenen.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof’ worden gelezen.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [betrokkene 2] door verdachte is ingezet als geldezel (money mule of katvanger) om € 195.000,00 naar de rekening van verdachte over te maken. Voor deze handeling kreeg [betrokkene 2] een "provisie" van € 5.000,00. [betrokkene 2] heeft € 200.000,00 aan contanten van verdachte ontvangen. [betrokkene 2] heeft vervolgens € 195.000,00 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar de rekening van verdachte. Deze heeft het bedrag vervolgens gebruikt voor de aankoop van een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [betrokkene 2] geleverde € 200.000,00 van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [betrokkene 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte dan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.”
Aanvullend overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft gesteld dat uit de bankafschriften van [betrokkene 2] blijkt dat er grote bedragen heen en weer worden gestort die niet zijn te relateren aan een leven op bijstandsniveau. Hoewel uit het dossier blijkt dat er grote bedragen worden bij- en afgeschreven op de rekening van [betrokkene 2] stelt het hof vast dat het begin- en eindsaldo van de rekening in 2018, 2019 en 2020 steeds tussen € - 8,74 en € 5,97 ligt. Daarin ziet het hof aanleiding ervan uit te gaan dat [betrokkene 2] meerdere malen als katvanger is gebruikt. [betrokkene 2] heeft uitleg gegeven en ook toegegeven dat hij met het voorstel van verdachte snel geld kon verdienen. Het hof ziet daarin in ieder geval geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring met betrekking tot de gang van zaken van de door verdachte aan [betrokkene 2] gegeven € 200.000 te twijfelen. De verklaring van [betrokkene 2] vindt ondersteuning in ander bewijs. Verdachtes verklaring daarentegen niet, deze wordt weersproken door het bewijs. Van de door verdachte gefingeerde lening is nooit sprake geweest. Het hof stelt vast dat verdachte door middel van een schijnconstructie een legale geldstroom heeft gecreëerd. Over de herkomst van het omvangrijke contante geldbedrag heeft verdachte ook in hoger beroep geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Feit 2
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. Op 17 juni 2019 wordt een BMW 740LD aangekocht bij [B] te [plaats] . Het voertuig wordt contant betaald. Ten behoeve van de betaling is op 5 juni 2019 € 5.000,00 en op 17 juni 2019 € 70.000,00 en € 700,00 contant bij de kassa gestort. Het voertuig is gekocht door [C] en het voertuig is opgehaald door [C] . Hij is tevens de persoon die de contante geldbedragen heeft gestort.
[betrokkene 2] heeft verklaart dat [verdachte] geïnteresseerd was in een personenauto van het merk BMW 7-serie. [betrokkene 2] vond dit voertuig bij [B] in [plaats] . [verdachte] heeft [betrokkene 2] geld gegeven voor de aankoop van de auto. Het betrof € 75.000,00 aan contanten. [betrokkene 2] ontving € 2.500,00 provisie. De auto is gekocht met het contante geld van [verdachte] . De aankoop van de auto verliep via het agrarische bedrijf van [verdachte] : [C] . [betrokkene 2] heeft verder verklaard (op 18 augustus 2020) dat [verdachte] de BMW met [kenteken] sinds vorige zomer (het hof begrijpt: 2019) heeft.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Ook het handschriftonderzoek dat op verzoek van de verdediging is verricht geeft daartoe, bezien in het licht van het geheel van de bewijsmiddelen, naar het oordeel van het hof geen aanleiding. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof’ worden gelezen.
“Het verweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en de aan die bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van die bewijsmiddelen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [betrokkene 2] ook hier door verdachte is ingezet als geldezel. [betrokkene 2] heeft € 75.000,00 contant van verdachte gekregen om voor verdachte een BMW aan te schaffen. [betrokkene 2] krijgt voor deze transactie een provisie van € 2.500,00. [betrokkene 2] laat de BMW aanschaffen en zet de auto op naam van zijn niet-actieve bedrijf. Feitelijk is verdachte echter de eigenaar van de auto en maakt hij daarvan gebruik. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [betrokkene 2] geleverde € 200.000,00 (het hof begrijpt: € 75.000,-) van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag en de BMW niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad. Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de BMW te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling op naam van een ander dan de werkelijke eigenaar er toe strekt om het eigendom te verhullen.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [betrokkene 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander ( [betrokkene 2] ) opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
3.4
Het hof heeft over de verbeurdverklaring van de woning en de personenauto overwogen en beslist:
“Het hof acht de hieronder genoemde goederen vatbaar voor verbeurdverklaring. Naar het oordeel van het hof betreffen het voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Het hof overweegt dat bij de afweging of de woning en auto moeten worden verbeurdverklaard in aanmerking is genomen dat hierboven is vastgesteld dat zij zijn aangekocht met geld dat uit witwassen voortkomt. De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Het hof heeft bij de verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
- woning; adres [a-straat 1] te [plaats]
- BMW 740 [kenteken] (nummer […] )
(...)
BESLISSING
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- woning; adres [a-straat 1] te [plaats]
- BMW 740 [kenteken] (nummer […] ).”
3.5
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen”.
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.”
3.6
Op grond van artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels ‘door middel van of uit de baten van’ het strafbare feit zijn verkregen.
3.7.1
Het hof heeft over het in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 1 tenlastegelegde feit de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte heeft een contant geldbedrag van € 200.000 voorhanden gehad waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf. Hij heeft dit bedrag overgedragen aan [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft vervolgens € 195.000 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar de rekening van de verdachte. De verdachte heeft het bedrag vervolgens gebruikt voor de aankoop van een woning.
3.7.2
Het hof heeft over het in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 2 tenlastegelegde feit de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte heeft een contant geldbedrag van € 75.000 voorhanden gehad waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf. Hij heeft dit bedrag overgedragen aan [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft vervolgens een BMW laten aanschaffen en op naam van een niet-actief bedrijf laten zetten. De verdachte werd feitelijk de eigenaar van deze auto en maakte daarvan gebruik.
3.8
Het cassatiemiddel doet een beroep op de rechtspraak van de Hoge Raad die erop neerkomt dat de enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt dat op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan worden ontnomen (vgl. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077). Het betoogt dat die rechtspraak ook van toepassing is op de verbeurdverklaring die wordt opgelegd op grond van artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Aan de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat het enkele verrichten van witwashandelingen niet tot gevolg heeft dat de opbrengst die met het gronddelict is behaald, toeneemt (vgl. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:194). Voor verbeurdverklaring op de grond dat het voorwerp geheel of grotendeels ‘door middel van of uit de baten van’ het strafbare feit is verkregen, is echter niet vereist dat ook kan worden vastgesteld dat dit voorwerp een vermogensvermeerdering als gevolg van het strafbare feit belichaamt. Het volstaat dat kan worden vastgesteld dat de veroordeelde als gevolg van het strafbare feit de beschikking heeft gekregen over het betreffende voorwerp.
3.9
Het op de onder 3.7.1 en 3.7.2 weergegeven vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de woning en de BMW telkens zijn verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit – welk strafbaar feit telkens bestond in het witwassen van geldbedragen – getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
4. Beoordeling van het derde, het vierde en het zesde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 15‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Medeplegen van (voorbereidingshandelingen ten behoeve van) in- en uitvoer van verdovende middelen, van handel daarin en van (gewoonte)witwassen. Deelname aan een criminele organisatie. Handelen i.s.m. WWM. Middelen over (rechtmatigheid) van inzet van criminele burgerinfiltrant en verwerping bewijsuitsluitingsverweer falen onder verwijzing naar PHR:2025:706. Daarnaast falende middelen over i) afwijzing verzoek tot horen criminele burgerinfiltrant en gebruik van zijn verklaring voor bewijs ii) motivering verwerping betrouwbaarheidsverweren en iii) verbeurdverklaring van woning, auto en geldbedragen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. (Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749P, 24/02842, 24/02860 en 24/02918)
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02802
Zitting 15 juli 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,1.zittingsplaats Leeuwarden wegens
in de zaak met parketnummer 18-750038-20 onder 1 “medeplegen van het voorbereiden van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”;
in de zaak met parketnummer 18-750038-20 onder 3 “de eendaadse samenloop van medeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
in de zaak met parketnummer 18-750038-20 onder 4 “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”;
in de zaak met parketnummer 18-750038-20 onder 5 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en
in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 1 “medeplegen van witwassen”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
1.2
Deze zaak is één van zeven samenhangende zaken (24/02694, 24/02748, 24/02749P, 24/02802, 24/02842, 24/02860 en 24/02918) waarin ik vandaag concludeer.2.Deze zaken komen allemaal uit het onderzoek ‘Vidar’ dat in 2018 is opgestart vanwege een concrete verdenking van internationale drugshandel. Het onderzoek had tot doel het vaststellen of uitsluiten van de betrokkenheid van leden van de Hells Angels, Chapter North Coast, in [plaats 1] bij de internationale handel in drugs. Gaandeweg dit onderzoek is voor het eerst sinds de totstandkoming van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (die het gevolg was van de IRT-affaire) weer een criminele burgerinfiltrant in een Nederlands opsporingsonderzoek ingezet.
1.3
Namens de verdachte heeft D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste en het tweede middel
2.1
Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat art. 126w Sv grondslag biedt aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant en er geen reden is aan te nemen dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant door het openbaar ministerie onrechtmatig was wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het 359a Sv-verweer dat alle door de inzet van de CBI verkregen resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten. Deze middelen komen overeen met twee middelen in de (straf)zaak van [medeverdachte 1] (24/02748).
2.2
Beide middelen falen. De redenen daarvoor staan in mijn conclusie van vandaag in de zaak 24/02748, ECLI:NL:PHR:2025:706 onder 2 en 3.
3. Het derde middel
3.1
Het middel klaagt naar ik begrijp over de afwijzing van het ter terechtzitting in hoger beroep bij gelegenheid van pleidooi gedane verzoek tot het opnieuw horen van [codenaam] als getuige en klaagt in het verlengde daarvan over het gebruik van de verklaring door het hof als bewijsmiddel.
3.2
De raadsvrouw heeft op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2024 een pleitnota voorgedragen. Deze houdt – voor zover hier van belang – in:
“[pagina 5]
[betrokkene 1] , hier van justitie bij het landelijk parket, destijds belast met de inzet van burgers in de opsporing, heeft hier op 7 februari 2024 over aangegeven dat hij betrokken is geweest bij de intake van [codenaam] in voorbereiding op diens inzet in het onderzoek Vidar. Deze intake heeft onder meer bestaan uit een psychologisch onderzoek. Ten tijde van de intake en de daarop volgende periode waarin [codenaam] is ingezet in het onderzoek Vidar was hij niet bekend met mentale problemen bij [codenaam] . Deze zijn ook niet naar voren gekomen bij het destijds uitgevoerde psychologisch onderzoek. Hij heeft voorts nog aangegeven dat uit de processen verbaal van de verantwoordelijke officieren van justitie blijkt dat tijdens de inzet van [codenaam] geen mentale problemen aanwezig waren. Als dat wel het geval zou zijn geweest, was de inzet onmiddellijk gestaakt.
Nu neuropsycholoog [betrokkene 2] heeft geconstateerd dat deze mentale problemen wel degelijk aanwezig waren en bovendien tijdens de het onderzoek Vidar in ernst toenamen, zet ik vraagtekens bij het psychologische onderzoek tijdens de intake van [codenaam] . Nu het OM heeft aangegeven niet op de hoogte te zijn geweest van de waanbeelden, waanbeelden die blijkbaar zo ernstig waren dat hij een buurman geagiteerd heeft aangesproken en heeft beschuldigd - kan het niet anders dan dat [codenaam] op geen enkel moment melding heeft gemaakt van die waanbeelden en heeft hij blijkbaar ook de uitvoerder van het psychologisch onderzoek om de tuin kunnen leiden.
[pagina 6] Dat levert wat mij betreft grote twijfels op over de eerlijkheid en betrouwbaarheid van [codenaam] , de spilfiguur in deze strafzaak, wiens inzet niet zoals het OM betoogt volledig kan worden getoetst aan de hand van OVC-opnamen. De noodzaak om [codenaam] hernieuwd te horen als getuige, is daarmee gegeven. Indien Uw Hof mijn mening deelt, wil ik U vriendelijk verzoeken dat te gelasten middels het wijzen van een tussenarrest. De stelling van het OM dat er geen indicaties zijn van mentaal disfunctioneren in die tijd, is voor mij een raadsel gelet op de bevindingen van [betrokkene 2] .”
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 5, 9, 12 en 16 februari en 12 juli 2024 vermeldt onder meer het volgende:
“De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig een op schrift gesteld pleidooi. De pleitnota is aan dit proces-verbaal gehecht en de inhoud daarvan wordt geacht hier te zijn ingevoegd. De raadsvrouw voegt het volgende toe:
Pagina 6
* Ik moet zeggen dat het verdedigingsbelang van toepassing is. Het verzoek moet aan dat criterium worden getoetst. Primair is het verzoek om alles voortgekomen uit de inzet van [codenaam] van het bewijs uit te sluiten. Subsidiair doet de verdediging het verzoek om [codenaam] opnieuw te horen. Het hof kan zich bij tussenarrest uit laten over dit verzoek.”
3.4
Het arrest houdt met betrekking tot dit verzoek tot het opnieuw horen van [codenaam] in:
“Beslissing in tussenarrest
Het hof heeft in de zaak op het verzoek om het (opnieuw) horen als getuige van [codenaam] in zijn tussenarrest het navolgende overwogen:
"[codenaam]
(...)
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat deze verzoeken dienen te worden afgewezen. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Deze getuigen zijn reeds gehoord bij de rechter-commissaris.
[codenaam] is uitvoerig gehoord en wel op 21 september 2021, 23 september 2021, 29 april 2021 en 30 april 2021. Ten aanzien van de verhoren in september 2021 heeft dit geresulteerd in een proces-verbaal van verhoor van 15 pagina’s en wat de verhoren in april 2021 betreft in een proces-verbaal van verhoor van 45 pagina’s. De raadsvrouw was hierbij aanwezig. De verdediging van verdachte heeft de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen en heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
(...)
Het hof ziet in de door de verdediging gegeven onderbouwing geen noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen. Het hof ziet daarnaast ook niet vanwege een andere reden de noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen. Er is alles afwegend sprake geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid en de procedure voldoet in haar geheel aan het door artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.”
Oordeel van het hof op het voorwaardelijk verzoek
Vraag is of hetgeen de verdediging bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft aangevoerd tot een andere afweging dan in het tussenarrest leidt. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is.
Het hof heeft de motivering van het verzoek tot een hernieuwd verhoor bij zijn afweging betrokken. Het hof heeft in het kader van de beoordeling daarvan de inhoud van het gehele dossier en in het bijzonder de verschillende verklaringen van [codenaam] zoals die bij de politie en bij de rechter-commissaris zijn afgelegd in aanmerking genomen. Het hof heeft in het tussenarrest al overwogen dat bij de rechter-commissaris de gelegenheid is geweest en/of genomen tot het ondervragen van [codenaam] . Het hof stelt vast dat in hoger beroep in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 7] [codenaam] bij de raadsheer-commissaris is gehoord. In die zaak was [codenaam] immers nog niet door de rechter-commissaris gehoord. Die verklaring bij de raadsheer-commissaris is in de zaak van verdachte gevoegd. Het hof heeft bij zijn afweging in het bijzonder gelet op het navolgende. In hoger beroep heeft de raadsheer-commissaris, op verzoek van het Openbaar-Ministerie, onderzoek laten doen naar de psychische situatie van [codenaam] . Dit heeft geleid tot een deskundigenrapportage van [betrokkene 2] die in alle zaken is gevoegd. De raadsheer-commissaris heeft in alle zaken de raadslieden gelegenheid gegeven om schriftelijk vragen in te brengen zodat die konden worden meegenomen in het deskundigenonderzoek naar de psychische situatie. Daar is geen gebruik van gemaakt. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek betrokken het onderzoek en de conclusies die [betrokkene 2] heeft getrokken naar aanleiding van zijn onderzoek, ook ten aanzien van het bestaan van waanbeelden zoals [betrokkene 2] dat duidt.
Het hof begrijpt uit het rapport van [betrokkene 2] dat op basis van de huidige informatie niet valt te zeggen hoe [codenaam] functioneerde tijdens zijn inzet in Vidar en tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris.
Het hof stelt vast dat er bij de rechter-commissaris en bij de raadsheer-commissaris speciale aandacht is geweest voor de gezondheidstoestand van [codenaam] . Hij werd tijdens het verhoor bijgestaan door een advocaat, er werd gepauzeerd en er is ingegrepen wanneer in de visie van de advocaat van [codenaam] de vraagstelling niet helder was. De rechter-commissaris grijpt zelf ook in wanneer wordt gesignaleerd dat - al dan niet naar aanleiding van een ingewikkelde vraagstelling - verduidelijking noodzakelijk is. Het hof heeft ook gezien dat er aandacht is geweest voor het gehoor van [codenaam] en dat ook daar is ingegrepen als er iets niet duidelijk bleek. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat het verhoor door de rechtercommissaris en door de raadsheer-commissaris in de gevoegde verklaring op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Voorts stelt het hof vast dat de antwoorden van [codenaam] op de gestelde vragen niet onbegrijpelijk zijn of duiden op verwarring of onbegrip. Bij onduidelijkheid wordt doorgevraagd en concreet antwoord gegeven. Voor zover er op bepaalde punten iets anders of nieuws in de verklaring naar voren komt, geeft [codenaam] op vragen die hem dan worden gesteld nadere uitleg. De antwoorden die worden gegeven passen bij de gestelde vragen en de antwoorden vinden qua inhoud ondersteuning in het dossier. Op grond van al deze omstandigheden, in samenhang bezien, concludeert het hof dat de verklaringen van [codenaam] bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris niet als onbetrouwbaar en onbruikbaar zijn geworden en dat het verdedigingsbelang door de ingebrachte informatie van [betrokkene 2] niet is gaan herleven. In de motivering tot hernieuwd verhoor vindt het hof derhalve geen aanleiding uit te gaan van het door de verdediging gestelde belang over te gaan tot hernieuwd verhoor. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk dat er een hernieuwd verhoor van [codenaam] plaatsvindt en de verdediging wordt door afwijzing van het verzoek niet in zijn belangen geschaad. Een hernieuwd verhoor is niet van belang voor enige te nemen beslissing in de zin van 348/350 Sv. Er is, alles afwegende, sprake geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid en de procedure voldoet in haar geheel aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof wijst het verzoek af.”
3.5
Het middel bevat drie deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof, gelet op het rapport van [betrokkene 2] , een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het verzoek. De steller van het middel meent dat het hof heeft nagelaten het noodzakelijkheidscriterium op zo’n manier in te vullen dat de concrete toepassing daarvan niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Ten tweede klaagt de steller van het middel dat de afwijzing van dat verzoek onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed is, omdat het hof bij de afwijzing niet heeft betrokken dat de verdediging heeft aangevoerd dat gelet op de nieuwe informatie van [betrokkene 2] getwijfeld moest worden aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [codenaam] over wat hij tijdens de inzet als criminele burgerinfiltrant heeft waargenomen. De derde deelklacht houdt in dat de verklaringen van [codenaam] voor het bewijs zijn gebruikt, zonder dat de verdachte gelegenheid heeft gehad om op (voldoende) effectieve wijze gebruik te maken van zijn ondervragingsrecht ten aanzien van [codenaam] .
3.6
Naar aanleiding van de eerste deelklacht merk ik op dat het hof, mede gezien de overweging dat het verhoor ‘niet noodzakelijk’ is, het noodzakelijkheidscriterium heeft aangelegd. Dit volgt ook uit de overweging van het hof dat het verzoek onder andere niet wordt toegewezen omdat ‘het verdedigingsbelang door de ingebrachte, informatie van [betrokkene 2] niet is gaan herleven’. Het noodzakelijkheidscriterium wordt echter ingevuld met de toets dat de verdachte met de afwijzing ‘niet in zijn belangen wordt geschaad’ en het verhoor ‘niet van belang is voor enige te nemen beslissing in de zin van 348/350 Sv’.3.De toepassing van het noodzakelijkheidscriterium is daarmee ingevuld op een wijze die niet wezenlijk verschilt van de toepassing van de maatstaf van het verdedigingsbelang. Deze deelklacht berust dus op een onjuiste lezing van het arrest en mist daardoor feitelijke grondslag.
3.7
De afwijzing van het verzoek door het hof, waarop de tweede deelklacht ziet, acht ik, in het licht van hetgeen is aangevoerd en is overwogen, niet onbegrijpelijk, of onvoldoende met redenen omkleed.4.Daarbij betrek ik dat het hof bij het nemen van zijn beslissing acht heeft geslagen op de inhoud van het hele dossier, waaronder begrepen alle verklaringen van [codenaam] en het rapport van [betrokkene 2] , waaruit volgt dat niet te zeggen valt hoe [codenaam] functioneerde ten tijde van zijn inzet in het onderzoek Vidar. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat de verdediging geen belang heeft bij het opnieuw horen van de [codenaam] , mede gelet op de reeds in het dossier aanwezige informatie op basis waarvan de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaring kan worden getoetst. Daarmee heeft het hof ook gereageerd op het deel van de motivering van het verzoek waar de steller van het middel de aandacht op vestigt. Die reactie is niet onbegrijpelijk. Ook de tweede deelklacht faalt.
3.8
Over de derde deelklacht merk ik op dat het EHRM beoordeelt of er ‘tijdens het proces als geheel’ een adequate en behoorlijke gelegenheid tot ondervraging heeft bestaan.5.Derhalve is het naar mijn oordeel niet zo, dat een afwijzing om een getuige in hoger beroep opnieuw te horen, ertoe leidt dat het aan een ondervragingsgelegenheid heeft ontbroken. De Wilde wijst er in zijn dissertatie op dat het antwoord op de vraag of er een adequate en behoorlijke ondervragingsgelegenheid heeft bestaan, afhangt van de omstandigheden waaronder het verhoor is afgenomen. Een verhoor kan als niet-effectief worden aangemerkt als belangrijke vragen niet door de getuige zijn beantwoord. Hoewel het EHRM dit nooit in zijn beoordeling heeft betrokken, zou volgens De Wilde een rol mogen spelen op welk moment de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om vragen te stellen. Voor het EHRM lijkt doorslaggevend te zijn de mate waarin de vragen zijn beantwoord.6.
3.9
Uit de overwegingen van het hof blijkt dat de verdediging wel degelijk een adequate en behoorlijke mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van [codenaam] het ondervragingsrecht uit te oefenen. De getuige is immers meermalen in het bijzijn van de verdediging gehoord, waarbij de verdediging vragen kon stellen, ook over de psychische staat van [codenaam] .7.Daarbij betrek ik tevens dat de deskundige de raadsvrouw gelegenheid heeft gegeven om schriftelijk vragen in te brengen welke konden worden meegenomen in het deskundigenonderzoek naar de psychische situatie van [codenaam] , welke mogelijkheid door de verdediging onbenut is gelaten.8.Tevens betrek ik bij de beoordeling van het middel dat de verdediging het nieuwe verhoor wenste om de getuige te bevragen over zijn waanbeelden ten tijde van het afleggen van de verklaringen bij de rechter-commissaris, terwijl het hof acht heeft geslagen op het rapport van [betrokkene 2] bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [codenaam] . Daarmee zou een eventueel gebrek aan een adequate en behoorlijke ondervragingsgelegenheid in ieder geval zijn gecompenseerd.9.
3.10
Het middel faalt.
4. Het vierde middel
4.1
Het vierde middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-730001-21. Het middel bevat ten eerste de klacht dat het hof de bewezenverklaring van deze feiten – mede gelet op de uitvoerig bepleite vrijspraak – niet voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Ten tweede klaagt het dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .
4.2
Ten laste van de verdachte is als feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-730001-21 bewezenverklaard dat:
“1. (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 24 augustus 2018 tot en met 19 oktober 2018 in Nederland en in
Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 195.000 euro (met als omschrijving op
zijn bankrekening ‘Darlehn laut vertrag'), de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de
rechthebbende op dat voorwerp was en
- een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 200.000 euro, voorhanden heeft
gehad en heeft overgedragen, en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit bedrag
(200.000) contant te overhandigen aan een ander persoon en dit bedrag (195.000) te laten
storten op een Duitse bankrekening en via die bankrekening dat bedrag vervolgens met als
omschrijving ‘Darlehn laut vertrag' naar zijn eigen bankrekening te laten overmaken en dit
bedrag vervolgens aan te wenden voor de aankoop van een woning,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk
of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2. (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 27 juni 2019 tot en met 2 maart 2020, in Nederland en in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een ander,
- heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een BMW
740 Ld Xdri met [kenteken] was en
- een voorwerp, te weten een BMW 740 Ld Xdri met [kenteken] heeft verworven,
voorhanden heeft gehad en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt en
- een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft
overgedragen, omgezet en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit geldbedrag
contant te overhandigen aan een ander en een ander van dat geldbedrag een BMW 740 Ld
Xdri te laten kopen en de BMW op naam van een Duits bedrijf (te weten [E] GmbH)
te laten zetten en vervolgens zelf deze BMW te gebruiken,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
4.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw op 12 februari 2020 het woord gevoerd overeenkomstig de door haar ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Deze houdt in:
“ZD-18 Witwassen contact geld voor woning en auto
Ik verzoek U cliënt vrij te spreken van beide aan hem tenlastegelegde feiten.
[…]
Cliënt heeft van meet af aan verklaard dat hij beide geldbedragen van [getuige 1] heeft geleend
en dat hij deze zou terugbetalen zodra zijn bedrijf winst zou maken. [getuige 1] daarentegen
heeft verklaard dat hij deze geldbedragen contant heeft ontvangen van cliënt en vervolgens
op de rekening van [verdachte] heeft gestort c.q. een BMW mee heeft gekocht voor cliënt.
Volgens het Openbaar Ministerie vindt de verklaring van [getuige 1] steun in de genoemde
storting op de rekening van cliënt en contante stortingen op de bankrekening van [getuige 1] .
Bovendien leven [getuige 1] en zijn vrouw leven op bijstandsniveau en kunnen zij zelf niet
beschikken over een dergelijk bedrag.
Om met het laatste te beginnen, ik verwijs u naar pagina 10.967 van het dossier waaruit
blijkt van de mutaties op de bankrekening van het echtpaar [getuige 1 & getuige 2] . Er werd in 2018 € 718.606,79 bijgeschreven en € 718.592,08 afgeschreven. In 2019 werd er 285.725,09 euro
bijgeschreven en € 285.729,70 afgeschreven. Waar dat geld is heengegaan, is niet
onderzocht door de politie. En dan heb ik het niet over de contante bedragen die worden
gestort op 10 en 11 september waarvan het Openbaar Ministerie zegt dat deze aan mijn
cliënt te relateren zijn. Dan heb ik het over bijvoorbeeld 8 maart 2018. Dan wordt er een
contant bedrag van € 65.000 gestort of 22 november 2018 wanneer een contante opname
wordt gedaan van € 65.000. Een ander voorbeeld: op 10 januari 2019 wordt een contant
bedrag gestort van € 85.000.
Al met al geen bedragen die relateert aan het leven op het bijstandsniveau. Daar komt nog bij dat [getuige 1] op 30 maart 2020 heeft verklaard (op pag. 13341) dat zijn jaarlijkse omzet in de voorbije vijf jaren, drie miljoen euro betrof. Derhalve een omzet van 15 miljoen euro over vijf jaar.
Dat betekent dat [getuige 1] zeer wel in staat was om cliënt een privé lening te verstrekken. Het openbaar ministerie heeft in haar requisitoir aangegeven het verhaal van de privéleningen niet te geloven c.q. (begrijp ik dan) niet logisch te vinden. Want: als [getuige 1] zoveel miljoenen in bezit zou hebben, zoals cliënt heeft betoogd, waarom zou hij dan leven van een uitkering? Vast staat dat hij miljoenen heeft (gehad). Waarom hij desalniettemin leeft van een uitkering, ook daar kan ik wel een paar redenen voor bedenken maar het is aan [getuige 1] om die vraag te beantwoorden. Bovendien heb ik nergens gelezen dat er door het Openbaar Ministerie is geverifieerd of [getuige 1] daadwerkelijk leeft van een uitkering! Het lijkt erop dat men de verklaringen van [getuige 1] eenvoudigweg als waarheid aanneemt zonder deze te verifiëren.
Ook met betrekking tot de BMW, wordt de verklaring van [getuige 1] hoe een en ander in zijn werk is gegaan, als waarheid aangenomen. Een verklaring die wederom niet wordt geverifieerd door de politie. Een verklaring die aantoonbaar onjuist is.
[getuige 1] heeft verklaard dat cliënt hem € 75.000,00 contant heeft gegeven onder de toezegging dat cliënt de auto zou overschrijven. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat cliënt € 70.000,00 zou hebben gegeven. Zijn echtgenote [getuige 2] heeft overigens ook ten overstaan van de Duitse politie verklaard dat de auto € 70.000,00 kostte. De auto is tegen contante betaling gekocht bij [A] in [plaats 1] met contant geld van cliënt. De provisie voor [getuige 1] was € 2.500,00. [getuige 1] heeft die € 75.000,00 naar eigen zeggen op zijn bankrekening gestort (pag. 13371). Ik heb de bankrekening nageplozen: geen spoor van een storting van € 75.000,00!!
Bovendien moest [getuige 1] dan nog wel ergens € 75.700,00 (en dus geen € 70.000,00 of € 75.000,00) onder het bed hebben liggen omdat het autobedrijf aangeeft dat de auto is betaald in drie contante deelbetalingen:
1. € 5.000,00 op 5 juni 2019 om 16.00 uur (aanbetaling)
2. € 70.000,00 op 17juni 2019 om 10.34 uur (restbedrag) en vervolgens 8 minuten later:
3. € 700,00 op 17juni 2019 om 10.42 uur (!?)
De koper van het voertuig is firma [C] GmbH gelegen aan de [a-straat 1]
[plaats 1] .
Het geld is betaald geworden door [betrokkene 3] (aanspreekpartner en betaler, zo geeft het
[D] aan). Cliënt zou [betrokkene 3] schriftelijk hebben gemachtigd de BMW op 17juni
2019 te betalen en over te nemen, (pag. 13397). Cliënt heeft van meet af aan verklaard dat
dit niet zijn handtekening betreft. Ik heb Uw rechtbank verzocht om een
handtekeninganalyse te laten verrichten met name in verband met de betrouwbaarheid van
de verklaring van [getuige 1] . Dat verzoek heeft Uw rechtbank helaas afgewezen. Daarom heeft
cliënt dat onderzoek op eigen kosten laten verrichten omdat hij wil aantonen dat hij
onschuldig is in deze kwestie.
Het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau heeft uitvoerig onderzoek gedaan met als conclusie dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de betwiste handtekening een vervalsing is dan wanneer het gaat om een authentieke handtekening. De kans op het vinden van deze resultaten is 10.000 tot 1 miljoen keer groter wanneer de handtekening een vervalsing betreft dan wanneer het om een authentieke handtekening gaat. Een afschrift van het rapport treft U voor de goede orde aangehecht aan de pleitnota in eerste aanleg.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij de BMW heeft gekocht op naam van zijn bedrijf en dat hij met
de BMW van [plaats 1] naar [plaats 1] is gereden, waar hij de BMW aan cliënt heeft
gegeven (pag. 13343/13371) en daarbij cliënt de beschikking heeft gegeven over alle
autopapieren (auf jeden Fall sind die kompletten Fahrzeugpapiere im Besitz von Herrn
[verdachte] ! Pag. 13344/13372). Om in een later verhoor nogmaals aan te geven dat hij zowel de
Fahrzeugschein als ook de Fahrzeugbrief en alle sleutels aan cliënt heeft overhandigd (pag.
12915).
Hoe kan het dan dat cliënt [getuige 1] op 25 november 2019 appt met de vraag of hij de brief
(Fahrzeugbrief) van de BMW kan krijgen omdat hij een plan met de BMW heeft. Omdat hij
die brief al heeft? Lijkt me sterk. [getuige 1] heeft aangegeven dat de BMW binnen vier weken
zou worden overgeschreven op het bedrijf van cliënt, [C] GmbH. Zonder Fahrzeugbrief kan
cliënt de BMW niet overschrijven op zijn naam. In geen enkel appgesprek is terug te lezen dat
[getuige 1] cliënt vraagt de auto op zijn naam over te schrijven. Waarom laat [getuige 1] cliënt
vervolgens negen maanden rijden in de BMW zonder hem de kans te geven de auto op zijn
naam te zetten?
Het antwoord op die vraag is te vinden in de WhatsApp conservatie die aan het dossier is
toegevoegd. Cliënt heeft [getuige 1] gevraagd een GmbH op te richten, daarvoor heeft [getuige 1]
€ 22.000,00 van cliënt opgenomen (welk bedrag cliënt van zijn moeder heeft geleend) maar
die GmbH is nooit daadwerkelijk tot leven gekomen. [getuige 1] zegt dat hij dat bedrag een dag
na de opname heeft gegeven aan cliënt. Uit de WhatsApp conservatie blijkt net het tegenovergestelde! Namelijk dat [getuige 1] hem heeft opgelicht! Hij zou een GmbH oprichten en
dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft er wel geld voor gekregen om dat te doen! Uiteindelijk
heeft cliënt dan maar zelf een GmbH opgericht. Die € 22.000 heeft cliënt uiteraard nooit
teruggekregen. Ik kan me daarbij voorstellen dat [getuige 1] dit geld heeft gehouden omdat hij
cliënt geld heeft geleend voor de aankoop van de woning en de auto en omdat cliënt op dat
moment nog niet kon terugbetalen omdat het bedrijf nog niet was opgericht.
Dan is er nog de verklaring van [betrokkene 4] . Zij heeft verklaard dat zij zaakvoerder is
geweest van [D] dat zij vijf jaar geleden samen met haar man bestierde. Nu doet
ze niks meer. Zij ontvangt nu Sozialhilfe, Hartz IV, € 450,00 per maand. Samen met haar man
heeft zij € 1.200,00 netto per maand. Zoals gezegd, dit is niet gecontroleerd door de politie.
Voor het overige kan of wil zij feitelijk geen vragen beantwoorden en geeft steeds aan dat
het aan haar man is, om de betreffende vragen te beantwoorden. Als er vragen worden
gesteld over de lening voor het huis, geeft zij aan dat haar man ook bevoegd is over de
rekening te beschikken en dat zij daarover niet kan vertellen. Opmerkelijk evenwel, is dat zij
verklaart dat inderdaad beschikkingsbevoegd is, en dat als in de beschrijving bij de
bankrekening staat "lening volgens overeenkomst de dato 1 september 2018", dan is dat zo
wel mogelijk.
Vragen over de onderneming wil ze niet beantwoorden, dat moet haar man doen. Ook
vragen over de BMW beantwoordt zij niet. Opmerkelijk genoeg geeft zij daarbij aan dat op
het moment dat er vragen worden gesteld over het hotel, zij wil dat het verhoor wordt
afgebroken. Als haar man de vragen niet kan beantwoorden, gaat zij er wel mee akkoord dat
zij aansluitend aan het verhoor van haar man misschien nog een keer wordt gehoord. Huh??
Wat ik niet begrijp is dat [getuige 1] zegt dat hij de BMW heeft gekocht op naam van zijn bedrijf,
dat hij de auto heeft opgehaald in [plaats 1] en daar mee naar [plaats 1] is gereden waar
hij de auto aan cliënt heeft gegeven.
Dit terwijl de autofirma aangeeft dat de koper van de BMW de firma [C] GmbH betreft, en
het bedrijf een valse Duitse volmacht overlegt. Als de koper van de auto [C] GmbH zou zijn,
zou de auto toch ook meteen op die naam zijn gezet. Toch niet op naam van [getuige 1] ? Dan
had [betrokkene 3] de auto toch opgehaald en niet [getuige 1] ? Die had toch geen volmacht om de
auto op te halen.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat deze informatie aan de politie is verteld om
cliënt in diskrediet te brengen.
Wat mij betreft wordt de verklaring van cliënt over de wijze waarop het huis en de BMW zijn
verkregen, juist ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] zou het bedrag dat hij
zogenaamd van cliënt zou hebben ontvangen, hebben gestort op zijn rekening terwijl
vervolgens [D] het bedrag (een hoger bedrag overigens) in een tijdsbestek van
twee dagen in drie delen contant wordt afgegeven door [betrokkene 3] . De persoon waarmee
[getuige 1] jaren geleden een [D] had.
Waarom heeft [getuige 1] het aankoopbedrag (dat hij toch op zijn rekening had gestort) niet op
de rekening van [D] overgeboekt? Waarom worden er drie contante betalingen
verricht? En waar komt dat geld vandaan?
[getuige 1] heeft verklaard dat hij cliënt een kwitantie heeft gegeven voor de € 200.000,00. Waar
is die kwitantie dan? En dan het vreemde verhaal dat dit bedrag wordt gestort bij een
bankautomaat die vervolgens € 5.000,00 ''opeet"?
Dit alles ondersteunt de verklaring van cliënt dat hij [getuige 1] geen geld heeft gegeven!
Witwassen? Niet aan de zijde van cliënt! Als uit de bankrekening van [getuige 1] zou blijken dat
er alleen een bedrag van € 195.000,00 zou zijn gestort, kon men zich daar vragen bij stellen.
Maar als je kijkt naar de enorme bedragen die contant op de rekening van [getuige 1] worden
gestort, zoals gezegd € 85.000,00 op 10 januari 2019, lijkt het er sterk op dat [getuige 1] eigen
geld witwast via het verstrekken van leningen. Ik merk daarbij op dat cliënt daarvan niet op de hoogte was. Hij dacht evenals [betrokkene 5] dat [getuige 1] een vermogend man was. Wat hij
naar eigen zeggen ook was. 15 miljoen euro op vijf jaar tijd. Niet slecht!
Conclusie: Integrale vrijspraak van beide feiten. Geen verbeurdverklaring van de auto en de
woning!
Het openbaar ministerie heeft in haar requisitoir aangegeven dat hoewel het verhoor van
[getuige 2] enigszins bevreemdt vanwege het gebrek aan lange termijn geheugen, dit
niet afdoet aan het belastende bewijs tegen cliënt.
Het feit dat hij een auto ter waarde van € 75.000,00 ongezien laat aanschaffen is in strijd
met elke logica en derhalve ongeloofwaardig. Die opvatting deel ik niet. Cliënt heeft ter
zitting terecht uitgelegd waarom een auto in deze prijsklasse ongezien kan worden gekocht.
Ik kan U aangeven dat ik vorig jaar hetzelfde heb gedaan.
Ik kom nog even terug op het verhoor van de echtgenote van [getuige 1] . Opvallend
daarbij was dat de getuige nog voor aanvang van het verhoor meteen aangaf dat zij geen
antwoord kon geven. Bij het verhoor in 2018 heeft mevrouw hetzelfde gedaan en heeft ze
aangegeven dat ze bij haar man navraag moesten doen. De Raadsheer-Commissaris heeft
mevrouw dan ook kritisch bevraagd. Toen hij haar vroeg waar uit haar werkzaamheden als
directeur van het [E] GmbH bestond, gaf mevrouw aan dat ze dat niet wist en dat ze
daar niet over kon zeggen. Ze wist zelfs niet meer waaruit haar werkzaamheden bestonden.
Daarop vroeg de Raadsheer-Commissaris haar hoe het kan zijn dat ze niet meer wist wat
haar werkzaamheden waren terwijl ze directeur van een hotel was. Daarop gaf mevrouw
aan dat zij een slecht geheugen heeft. Waarop de raadsheer commissaris aangaf dat het
toch niet zomaar een functie is, directeur van een hotel zijn. Antwoord van de getuige: "ik
kan er niks over zeggen, niks". Daarop gaf de raadsheer commissaris te kennen dat hij
begreep dat zij zich geen details meer kan herinneren maar dat hij het moeilijk te geloven
vindt dat zij zich geen details meer weet te herinneren van haar werkzaamheden als
directeur van een hotel.
Ik heb mevrouw vervolgens ook vragen gesteld. Ik heb haar gevraagd of ze taken heeft
verricht in het hotel. Dat wist zij niet... Toen ik haar aangaf dat ze die vraag alleen maar met
ja of nee kon beantwoorden gaf ze mij aan neen, met andere woorden zij had geen
werkzaamheden verricht in het hotel.
Ik heb haar vervolgens voorgehouden dat uit de stukken blijkt van een overboeking van
haar rekening naar de rekening van [verdachte] . Het gaat om een bedrag van € 200. 000,-
met als vermelding "lening volgens overeenkomst d.d. 11-09-2018" en dat zij bij de politie
hierover heeft verklaard dat als die vermelding er bij staat dat het dan ook zo zou zijn.
Daarop heeft de getuige aangegeven dat als zij dat destijds zo heeft gezegd, dat dan zo zal
zijn.
Gehecht aan de pleitnota, vindt U een overzicht van de beroepswerkzaamheden van
[getuige 2] . Blijkbaar kon mevrouw zich tijdens het verhoor evenmin herinneren dat
ze nog steeds Geschaftsführer van een B.V. is.
Gelet daarop stel ik grote vraagtekens bij de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Zij
beweren weliswaar dat ze op dit moment leven van een uitkering. Echter, dit gegeven is
nooit gecontroleerd. De [getuige 1] heeft verklaard over zijn omzet van € 15.000.000. Hij
was zeer wel in staat cliënt geld te lenen!
Ten slotte merk ik nog op dat het openbaar ministerie in eerste aanleg heeft betoogd dat
cliënt zijn woning zou hebben betaald met misdaadgeld (uit onderzoek Vidar). Dat kan niet
correct zijn, nu cliënt zijn woning in 2018 heeft gekocht.
Mijn cliënt heeft zich de moeite getroost om een vergelijkend handschriftonderzoek te laten
verrichten, om zijn onschuld aan te tonen. Het resultaat daarvan ondersteunt zijn verklaring!
Daar is de Rechtbank helaas zonder meer aan voorbij gegaan.”
4.4
Het hof overwoog met betrekking tot het bewijs in de zaak met parketnummer 18-730001-21:
“Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is ten aanzien van feit 1 en feit 2 vrijspraak bepleit.
Verdachte heeft verklaard dat hij beide geldbedragen van [getuige 1] heeft geleend en dat hij deze bedragen terug zou betalen als zijn bedrijf winst zou maken. Hetgeen [getuige 1] heeft verklaard is onjuist.
Door de verdediging is aangevoerd dat op de rekening van [getuige 1] diverse bedragen zijn bij- en afgeschreven en dat daaruit weldegelijk blijkt dat [getuige 1] in staat was om bedragen van deze grote aan verdachte te lenen. Bovendien is niet geverifieerd of [getuige 1] daadwerkelijk van een uitkering leeft, zoals door hem en zijn vrouw is verklaard. De verklaring van [getuige 1] wordt als waarheid aangenomen.
[…]
Feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 19 oktober 2018 en woning aan [b-straat 1]
te [plaats 1] heeft gekocht voor € 200.000,-. De woning is niet
bezwaard met een hypotheek of andere beslagen. Ten aanzien van de financiering van de
woning is gebleken dat op 15 oktober 2018 € 204.956,71 is overgemaakt naar de notaris
[betrokkene 6] . Dit geld is afkomstig van de bankrekening van verdachte. Op 11 september 2018
is € 195.000,- op de bankrekening van verdachte gestort door [getuige 1] onder vermelding
‘Darlehn laut vertrag’.
[getuige 1] heeft verklaard dat verdachte bij hem is gekomen met een contant geldbedrag van
€ 200.000,00 en aan hem heeft gevraagd dit bedrag naar de bankrekening van verdachte
over de maken. Volgens [getuige 1] wou verdachte een vastgoedobject aflossen. [getuige 1] zou
€ 5.000,00 krijgen. [getuige 1] heeft verder verklaard dat de overboeking geen lening betreft en
dat hij financieel ook niet in staat om een dergelijk bedrag aan een derde te lenen.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aan gevoerd geen aanleiding om te twijfelen
aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Het hof kan zich met de
navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna
voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat,
moet nu ‘hof worden gelezen.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [getuige 1] door
verdachte is ingezet als geldezel (money mule of katvanger) om € 195.000,00 naar de
rekening van verdachte over te maken. Voor deze handeling kreeg [getuige 1] een "provisie"
van € 5.000,00. [getuige 1] heeft € 200.000,00 aan contanten van verdachte ontvangen. [getuige 1]
heeft vervolgens € 195.000,00 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar de
rekening van verdachte. Deze heeft het bedrag vervolgens gebruikt voor de aankoop van een
woning aan de [b-straat 1] te [plaats 1] . De rechtbank is van oordeel dat de
voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [getuige 1]
geleverde € 200.000,00 van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit
van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen
door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst
ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is
verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag
worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst
onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.
Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden
tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader
onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan
dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is
en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad
en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te
verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [getuige 1] sprake geweest van een
voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De
intellectuele en materiële bijdrage van verdachte dan het feit is daarbij, gelet op de
intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de
voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het
belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als
medeplegen.”
Aanvullend overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft gesteld dat uit de
bankafschriften van [getuige 1] blijkt dat er grote bedragen heen en weer worden gestort die
niet zijn te relateren aan een leven op bijstandsniveau. Hoewel uit het dossier blijkt dat er
grote bedragen worden bij- en afgeschreven op de rekening van [getuige 1] stelt het hof vast
dat het begin- en eindsaldo van de rekening in 2018, 2019 en 2020 steeds tussen € - 8,74 en
€ 5,97 ligt. Daarin ziet het hof aanleiding ervan uit te gaan dat [getuige 1] meerdere malen als
katvanger is gebruikt. [getuige 1] heeft uitleg gegeven en ook toegegeven dat hij met het
voorstel van verdachte snel geld kon verdienen. Het hof ziet daarin in ieder geval geen
aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring met betrekking tot de gang van
zaken van de door verdachte aan [getuige 1] gegeven € 200.000 te twijfelen. De verklaring van [getuige 1] vindt ondersteuning in ander bewijs. Verdachtes verklaring daarentegen niet, deze
wordt weersproken door het bewijs. Van de door verdachte gefingeerde lening is nooit
sprake geweest. Het hof stelt vast dat verdachte door middel van een schijnconstructie een
legale geldstroom heeft gecreëerd. Over de herkomst van het omvangrijke contante
geldbedrag heeft verdachte ook in hoger beroep geen concrete, verifieerbare en niet op
voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Met de rechtbank is het hof van
oordeel dat geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp
onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap
heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad
en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te
verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Feit 2
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.
Op 17 juni 2019 wordt een BMW 740LD aangekocht bij [A] & Co. KG
te [plaats 1] . Het voertuig wordt contant betaald. Ten behoeve van de betaling is op 5
juni 2019 € 5.000,00 en op 17 juni 2019 € 70.000,00 en € 700,00 contant bij de kassa
gestort. Het voertuig is gekocht door [C] GmbH en het voertuig is opgehaald door [betrokkene 6]
. Hij is tevens de persoon die de contante geldbedragen heeft gestort.
[getuige 1] heeft verklaart dat [verdachte] geïnteresseerd was in een personenauto van het merk
BMW 7-serie. [getuige 1] vond dit voertuig bij [A] in [plaats 1] . [verdachte] heeft
[getuige 1] geld gegeven voor de aankoop van de auto. Het betrof € 75.000,00 aan contanten.
[getuige 1] ontving € 2.500,00 provisie. De auto is gekocht met het contante, geld van [verdachte] .
De aankoop van de auto verliep via het agrarische bedrijf van [verdachte] : [C] . [getuige 1]
heeft verder verklaard (op 18 augustus 2020) dat [verdachte] de BMW met [kenteken]
sinds vorige zomer (het hof begrijpt: 2019) heeft.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aan gevoerd geen aanleiding om te twijfelen
aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Ook het
handschriftonderzoek dat op verzoek van de verdediging is, verricht geeft daartoe, bezien in
het licht van het geheel van de bewijsmiddelen, naar het oordeel van het hof geen
aanleiding. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en
zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne
maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof worden gelezen.
“Het verweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en de aan die
bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft geen aanleiding
om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van die bewijsmiddelen. Uit de uiterlijke
verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [getuige 1] ook hier door verdachte
is ingezet als geldezel. [getuige 1] heeft € 75.000,00 contant van verdachte gekregen om voor
verdachte een BMW aan te schaffen. [getuige 1] krijgt voor deze transactie een provisie van
€ 2.500,00. [getuige 1] laat de BMW aanschaffen en zet de auto op naam van zijn niet-actieve
bedrijf. Feitelijk is verdachte echter de eigenaar van de auto en maakt hij daarvan gebruik.
De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden
rechtvaardigen dat de aan [getuige 1] , geleverde € 200.000,00 (het hof begrijpt: € 75.000,-) van
enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid
dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van
onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag
worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst
onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag en de BMW niet van misdrijf
afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte
geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot
een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie
mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf
afkomstig zijn en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad
en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de BMW te verhullen en te verhullen
wie de rechthebbende daarop is. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat
tenaamstelling op naam van een ander dan de werkelijke eigenaar er toe strekt om het
eigendom te verhullen.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [getuige 1] sprake geweest van een
voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De
intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan het feit is daarbij, gelet op de
intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de
voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het
belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als
medeplegen.”
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht
het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander ( [getuige 1] )
opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen.”
4.5
Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren.10.Ook de motiveringsplicht van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter zijn beslissing nader zal dienen te motiveren wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Wil het ingenomen standpunt de verplichting tot beantwoording scheppen, dan dient het echter wel duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren te worden gebracht.11.Is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv en wijkt de rechter in zijn vonnis of arrest van dit standpunt af, dan is hij gehouden in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de aard van hetgeen aan de orde is gesteld en aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.12.In het bijzonder met betrekking een betrouwbaarheidsverweer stelt de Hoge Raad geen al te hoge eisen aan de verwerping ervan.13.
4.6
Bij de bespreking van het middel begin ik met de tweede klacht die inhoudt dat het hof in strijd met art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet (voldoende) heeft gerespondeerd op het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn.
4.7
De raadsvrouw van de verdachte heeft bij pleidooi gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft zij aangevoerd dat en waarom zij grote vraagtekens stelt bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Anders dan de steller van het middel veronderstelt, kan hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . In zoverre mist het middel feitelijke grondslag en faalt het.
4.8
Wat betreft de eerste klacht, die ziet op de motivering van de bewezenverklaring, merk ik het volgende op. De verdediging heeft ter onderbouwing van de bepleite vrijspraak de verklaringen van [getuige 1] betwist. Daarnaast heeft zij grote twijfels geuit over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en van [getuige 2] . Het hof heeft voor de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde zowel verklaringen van [getuige 1] als van [getuige 2] gebruikt en telkens overwogen dat het in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding ziet te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Daarmee heeft het hof toereikend gereageerd op de door de verdediging geuite twijfels over de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Verder heeft het hof in zijn bewijsoverwegingen de verklaring van [getuige 1] dat hij leeft op bijstandsniveau afgezet tegen het standpunt van de verdediging inhoudende dat uit de bankafschriften van [getuige 1] blijkt dat er grote bedragen heen en weer worden gestort die niet zijn te relateren aan een leven op bijstandsniveau. Het hof heeft vastgesteld dat uit het dossier weliswaar blijkt dat grote bedragen worden bij- en afgeschreven op de rekening van [getuige 1] , maar dat het begin- en eindsaldo van de rekening in 2018, 2019 en 2020 steeds tussen € - 8,74 en € 5,97 ligt. Het hof komt op grond hiervan tot de conclusie dat de verklaring van [getuige 1] dat hij leeft op bijstandsniveau ondersteuning vindt in ander bewijs en de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij van [getuige 1] geld heeft geleend, niet. Gelet op al het voorgaande is de bewezenverklaring voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
4.9
Het middel faalt.
5. Het vijfde en zesde middel
5.1
Het vijfde en zesde middel klagen over de verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen. Ik zal beide middelen gelet op hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.
5.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 18-750038-20 onder 3 en in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 1 en 2 bewezenverklaard:
“Zaak met parketnummer 18-750038-20:
[…]
3. (zaaksdossier 11)
hij in de periode 3 januari 2018 tot en met 2 maart 2020, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] , welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven namelijk:
- het buiten het grondgebied van Nederland brengen en het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en vervaardigen en vervoeren en leveren en verkopen en afleveren en verstrekken van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, strafbaar gesteld in artikel 2 aanhef en onder A en B en D van de Opiumwet en
- het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet en
- witwassen als bedoeld in artikel 420bis en artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht;
[…]
Zaak met parketnummer 18-730001-21 (gevoegd):
1. (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 24 augustus 2018 tot en met 19 oktober 2018 in Nederland en in
Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- van een voorwerp, te weten, een geldbedrag van 195.000 euro (met als omschrijving op
zijn bankrekening ‘Darlehn laut vertrag'), de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de
rechthebbende op dat voorwerp was en
- een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 200.000 euro, voorhanden heeft
gehad en heeft overgedragen, en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit bedrag
(200.000) contant te overhandigen aan een ander persoon en dit bedrag (195.000) te laten
storten op een Duitse bankrekening en via die bankrekening dat bedrag vervolgens met als
omschrijving ‘Darlehn laut vertrag' naar zijn eigen bankrekening te laten overmaken en dit
bedrag vervolgens aan te wenden voor de aankoop van een woning,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk
of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2. (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 27 juni 2019 tot en met 2 maart 2020, in Nederland en in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een ander,
- heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een BMW
740 Ld Xdri met [kenteken] was en
- een voorwerp, te weten een BMW 740 Ld Xdri met [kenteken] heeft verworven,
voorhanden heeft gehad en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt en
- een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft
overgedragen, omgezet en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit geldbedrag
contant te overhandigen aan een ander en een ander van dat geldbedrag een BMW 740 Ld
Xdri te laten kopen en de BMW op naam van een Duits bedrijf(te weten [E] GmbH)
te laten zetten en vervolgens zelf deze BMW te gebruiken,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
5.3
Het hof heeft met betrekking tot de verbeurdverklaring – voor zover hier van belang – als volgt overwogen en beslist:
“Het hof acht de hieronder genoemde goederen vatbaar voor verbeurdverklaring. Naar het
oordeel van het hof betreffen het voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of
uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Het hof overweegt
dat bij de afweging of de woning en auto moeten worden verbeurdverklaard in aanmerking
is genomen dat hierboven is vastgesteld dat zij zijn aangekocht met geld dat uit witwassen
voortkomt. De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Het hof heeft bij de
verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
- woning; adres [b-straat 1] te [plaats 1]
- BMW 740 [kenteken] (nummer 590302)
- geld uit zwarte koffer totaal € 3640,- (nummer 1245483 of 1260483)
- geld uit zwarte koffer totaal € 106,95 (nummer 1245489 of 1260489)
- geld in plastic totaal €3.000,- (nummer 1245116)
- geld totaal € 600,- (nummer 1245135)
- geld totaal 20 GBP(nummer 1245140)
- envelop met totaal € 100,- (nummer 1245126)
- prada doosje met totaal C 600,- (nummer 1245139)
- geld totaal 10 GBP (nummer 1245142)
- 5 x onbekende valuta (nummer 1245146)
- geld totaal € 760,- (nummer 1245152)
- geld totaal € 800,- (nummer 1245155)
- geld totaal € 1450,- (nummer 1245156)
- geld totaal 1000.- (nummer 1245159)
[…]
BESLISSING
Het hof:
[…]
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- woning; adres [b-straat 1] te [plaats 1]
- BMW 740 [kenteken] (nummer 590302)
- geld uit zwarte koffer totaal € 3640,- (nummer 1245483 of 1260483)
- geld uit zwarte koffer totaal € 106,95 (nummer 1245489 of 1260489)
- geld in plastic totaal € 3.000,- (nummer 1245116)
- geld totaal € 600,- (nummer 1245135)
- geld totaal 20 GBP (nummer 1245140)
- envelop met totaal € 100,- (nummer 1245126)
- prada doosje met totaal € 600,- (nummer 1245139)
- geld totaal 10 GBP (nummer 1245142)
- 5 x onbekende valuta (nummer 1245146)
- geld totaal € 760,- (nummer 1245152)
- geld totaal € 800,- (nummer 1245155)
- geld totaal € 1450,- (nummer 1245156)
- geld totaal 1000,- (nummer 1245159)
[…]”
Juridisch kader
5.4
Art. 33a lid 1 Sr luidt:
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;
f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.”
5.5
Indien de rechter een voorwerp verbeurdverklaart, dient hij in de uitspraak vast te stellen dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring.14.Daarbij moet duidelijk zijn op welke in artikel 33a lid 1 Sr genoemde grond of gronden het voorwerp voor verbeurdverklaring vatbaar is.15.Het oordeel van de rechter over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen behoeft niet te worden gestaafd door de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen. Voldoende – maar noodzakelijk – is dat het desbetreffende oordeel berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.16.Onder ‘het strafbare feit’ en ‘het feit’ in artikel 33a lid 1 Sr moet telkens het bewezenverklaarde feit worden verstaan.17.
Bespreking van het vijfde middel
5.6
Het vijfde middel keert zich tegen de verbeurdverklaring van de woning en de BMW 740. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat deze voorwerpen door middel van of uit baten van het bewezenverklaarde witwassen zijn verkregen, niet begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe voert de steller van het middel in de kern aan dat art. 33a lid 1 aanhef en onder a Sr dezelfde betekenis heeft als art. 36e lid 2 Sr en dus alleen van toepassing is op de opbrengst(en) van een strafbaar feit of de baten/het vervolgprofijt daarvan.18.Die situatie doet zich volgens de steller van het middel in deze zaak niet voor, omdat de woning en de auto geen op geld waardeerbaar voordeel zijn, maar slechts het voorwerp van witwassen. Tegen die achtergrond maakt het feit dat de woning en de BMW zijn aangekocht met ‘geld dat uit witwassen voortkomt’ niet zonder meer dat sprake is van voorwerpen die geheel of grotendeels zijn ‘verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit’, aldus de steller van het middel.
5.7
Bewezenverklaard is dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander het geldbedrag waarmee later de woning is aangekocht, voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader wisten dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Vervolgens is dit geldbedrag contant overhandigd aan een ander persoon om dit te laten storten op een Duitse bankrekening en via die bankrekening dat bedrag vervolgens met als omschrijving ‘Darlehn laut vertrag’ naar zijn eigen bankrekening te laten overmaken, waarna de verdachte hiermee de woning heeft gekocht. Wat betreft het geldbedrag waarmee de BMW is aangekocht, is bewezenverklaard dat de verdachte eerder een geldbedrag van € 75.000 voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dit voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Vervolgens is dit geldbedrag contant overgedragen aan een ander om daarmee een BMW te laten kopen. Het op het voorgaande gebaseerde oordeel van het hof dat de woning en de BMW zijn verkregen door middel van het bewezenverklaarde witwassen vind ik niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Dat de verbeurdverklaarde woning en auto geen op geld waardeerbaar voordeel zijn ten opzichte van het oorspronkelijke geldbedrag, maakt dat volgens mij niet anders. Naar de letter van de wet is immers niet vereist dat door middel van het strafbare feit voordeel in de zin van een vermogenstoename is ontstaan.19.
5.8
Het middel faalt.
Bespreking van het zesde middel
5.9
Het zesde middel keert zich tegen de verbeurdverklaring van inbeslaggenomen geldbedragen. Het middel bevat allereerst de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan. Verder klaagt het middel dat het hof heeft nagelaten het oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring te doen berusten op gegevens die zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, althans dat het oordeel van het hof dat het verbeurdverklaarde aan de verdachte toebehoorde en is verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
5.10
Het hof heeft overwogen dat het de in het arrest genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder geldbedragen, vatbaar acht voor verbeurdverklaring. Het hof heeft vastgesteld dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en dat zij geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Daarmee heeft het hof vastgesteld dat de inbeslaggenomen geldbedragen op grond van art. 33a lid 1, onder a, Sr vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Gelet hierop en mede gelet op hetgeen onder randnummer 5.5 is overwogen, mist de klacht dat het hof niet zou hebben vastgesteld dat aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan, feitelijke grondslag.
5.11
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich onder meer bezig hield met de productie, het vervoer en aflevering van verdovende middelen en met witwassen van de opbrengsten uit de verkoop van harddrugs. In dat verband heeft het hof in zijn arrest20.overwogen dat [medeverdachte 2] zich overwegend bezig hield met de organisatie van de feitelijke uitvoer van de harddrugs en de daarop volgende geldtransporten waarmee de opbrengsten naar Nederland werden gebracht en werden verdeeld onder de verdachte en zijn medeverdachten.
5.12
Gelet op hetgeen ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, terwijl door of namens de verdachte geen verweer is gevoerd met betrekking tot de kennelijk onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedragen, acht ik het oordeel van het hof dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedragen aan de verdachte toebehoren en geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen niet onbegrijpelijk.
5.13
Het middel faalt.
6. Slotsom
6.1
Alle middelen falen. Het derde, vierde, vijfde en zesde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid RO ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑07‑2025
In de zaak 24/02861 is reeds arrest gewezen. Het cassatieberoep in de zaak 24/02874 is ingetrokken.
Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.59.
Het gaat in cassatie “om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen”. Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.75 en 2.76.
Zie EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, (Schatschaschwili t. Duitsland), NJ 2017/294, m.nt. B.E.P. Myjer, r.o. 130, alsmede onderdeel 5.5 van de conclusie van A-G Knigge voor HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1744, NJ 2014/313, m.nt. T.M. Schalken onder verwijzing naar EHRM 10 mei 2012, nr. 28328/03, zaak Aigner t. Oostenrijk.
Zie EHRM 15 december 2011, nr. 26766/05 en 22228/06, (Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2012/283, m.nt. T.M. Schalken, r.o. 119 alsmede EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, (Schatschaschwili t. Duitsland), NJ 2017/294 m.nt. B.E.P. Myjer.
Vgl. EHRM 12 juni 2014, nr. 30265/09 (Dončev & Burgov/Macedonië), § 57-58, waarin het EHRM het niet opgeven van vragen expliciet beoordeelde in het kader van compensatie. In deze zaak was de gelegenheid geboden om schriftelijk vragen op te geven, die door de zittingsrechter aan de getuige zouden worden gesteld. De verdediging had geweigerd vragen op te geven. Het EHRM overwoog dat zij zichzelf daarmee een mogelijkheid had ontnomen om compensatie te bewerkstelligen.
Vgl. EHRM 12 juni 2014, nr. 30265/09 (Dončev & Burgov/Macedonië), § 57-58.
HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, r.o. 2.3, waarin wordt verwezen naar HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, r.o. 3.7.1.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, r.o.. 3.8.4 onder d; HR 21 mei 2019, ECLI:NL:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338, m.nt. Reijntjes; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:646; HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413. Zie ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 284 (7.1.3) en 328 (7.4.2).
Vgl. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1485 en HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:848, NJ 2014/390 m.nt. T.M. Schalken alsmede HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:541.
Zie bijv. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7871.
HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9, NJ 2020/47, r.o.2.5
HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/109, r.o. 3.3.
HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9.
Daarbij doet de steller van het middel een beroep op HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:194.
De steller van het middel gaat eraan voorbij dat art. 36e lid 2 Sr in dit opzicht verschilt van art. 33 lid 1 aanhef en onder a Sr. Art. 36e lid 2 Sr bepaalt dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de persoon die “voordeel (curs. D.P.) heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten”. Art. 33 lid 1 aanhef en onder a Sr stelt niet de eis van voordeel.
Zie p. 218 van het arrest.
Beroepschrift 10‑03‑2025
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 10 december 2024, verlenging termijn t/m 10 maart 2025
Geacht College,
Ondergetekende,
mr D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, kantoorhoudende te Rotterdam aan het Oudehoofdplein 4 (3011 TM), Cleerdin & Hamer Advocaten, die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:
de heer [verdachte],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1979,
wonende op het adres [adres] te ([postcode]) [woonplaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 21-003611-22.
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 12 juli 2024 rekwirant veroordeeld voor de feiten (parketnummer 18-750038-20) 1, 3, 4 en 5, te weten het medeplegen van voorbereiding ex art. 10a Opiumwet van het opzettelijk uitvoeren van 140 kilo amfetamine, het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten feiten zoals bedoeld in art. 2 onder A, B en D van de Opiumwet en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet en witwassen als bedoeld in art. 420bis en 420ter Sr), het medeplegen van witwassen van €30.000,-, €5.000,- en €34.800,-, overtreden van de Wet Wapens en Munitie. En voor de feiten (gevoegd parketnummer 18-730001-21) 1 en 2, te weten het medeplegen van witwassen ten aanzien van €195.000,- en €200.000,- en witwassen van een BMW (740 Ld Xdri) en 75.000,-. Het Hof heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 jaar. De onttrekking aan het verkeer is bevolen van een vuurwapen, kogels en blokken hasj, verbeurd is verklaard onder meer een woning ([a-straat 01] te [a-plaats]) en een BMW 740 verbeurd verklaard.
Het cassatieberoep is door R. Friezo, administratief ambtenaar bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, namens rekwirant op 19 juli 2024 ingesteld. Op 10 maart 2025 is het cassatieberoep partieel ingetrokken door T.J.H. Spreeuwers, administratief ambtenaar bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, te weten voor zover het was ingesteld tegen de door het Hof gegeven vrijspraak van feit 2 in de zaak met parketnummer 18-750038-20.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan.
I. Schending van de artt. 1 en/of 126w en/of 348, 350, 358, 359, 359a en/of 415 Sv en/of art. 6 EVRM en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder is het oordeel van het Hof dat art. 126w Sv als wet in formele zin grondslag biedt aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant en er geen reden is aan te nemen — zoals wel uitdrukkelijk onderbouwd is gesteld namens rekwirant — dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant (A-4110) door het Openbaar Ministerie onrechtmatig is geweest wegens strijd met het legaliteitsbeginsel, gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk.
Het Hof heeft immers aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de wetshistorie geen beletsel opwerpt om art. 126w Sv zo te interpreteren dat deze bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat het aanvankelijk bij motie (Kalsbeek) uitgesproken algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten en later eveneens bij motie (Recourt) op dit verbod is teruggekomen niet afdoet aan de wettelijke grondslag omdat moties uitsluitend een rol zouden spelen in de verhouding tussen de Eerste of Tweede Kamer en kabinet en de rechter in die die verhouding geen rol kan spelen, terwijl daarmee is miskend — zoals ook onderbouwd namens rekwirant naar voren is gebracht — dat moties die door de Tweede Kamer worden aangenomen in diens rol als medewetgever (zoals ten aanzien van de hier van belang zijnde motie-Kalsbeek waarin het verbod werd uitgesproken) onderscheiden dienen te worden van het type politieke moties waar het Hof naar verwijst en is uitgegaan van het onjuiste oordeel/rechtsopvatting dat moties (dus kennelijk) voor de (straf)rechter geen betekenis (kunnen) hebben, hetgeen de Tweede Kamer (en de Eerste Kamer) van een belangrijk wetgevingsinstrument berooft en dit niet als juist kan worden aanvaard.
En/of is het oordeel dat art. 126w Sv als wet in formele zin grondslag biedt aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk (gemotiveerd) nu het Hof kennelijk tot een wetshistorische interpretatie van art. 126w Sv is gekomen maar daarbij de genoemde moties buiten beschouwing heeft gelaten omdat daarin alleen een oordeel of verlangen kenbaar wordt gemaakt ten aanzien van een minister of het kabinet, waar minister en kabinet niet aan gebonden zijn en verder uitsluitend een rol spelen in de verhouding tussen Tweede (of Eerste) Kamer en kabinet en de rechter in die verhouding geen rol kan spelen. Mede gelet op hetgeen namens rekwirant naar voren was gebracht is dat (en deze wijze van het geven van een wetshistorische interpretatie van een wetsbepaling) niet (voldoende) begrijpelijk, nu een motie waarin zo een expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer wordt vastgelegd strafrechtelijk gezien wel degelijk van groot belang kan zijn, omdat de inhoud daarvan een zwaarwegend argument kan aanleveren om vast te stellen wat de bedoeling van ‘de wetgever’ met die wet (of een onderdeel) is geweest. De categorische uitsluiting van de (mogelijke) betekenis van moties in het wetgevingsproces en de totstandkomingsgeschiedenis van een wettelijke bepaling is onjuist en dat maakt dat het oordeel dat de wetshistorie geen beletselen opwerpt tot de interpretatie te komen dat art. 126w Sv de inzet van een criminele burgerinfiltrant niet uitsluit en dus die inzet bij wet in formele zin geregeld is, niet (voldoende) begrijpelijk.
Toelichting
Blijkens het arrest van het Hof d.d. 12 juli 2024 is ten aanzien van rekwirant (onder meer en voor zover hier relevant) bewezenverklaard dat:
‘Zaak met parketnummer 18-750038-20:
- 1.
(zaaksdossier 7)
hij omstreeks de periode van 22 juni 2019 tot en met 11 oktober 2019, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk uitvoeren van 140 kilo amfetamine (speed), een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bestemd voor Finland, voor te bereiden, tezamen en in vereniging anderen,
- —
zich en anderen gelegenheid toen inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- —
voorwerpen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders
- —
meermalen contact gehad via cryptotelefoons en
- —
ontmoetingen gehad in [b-plaats] (in de [locatie]) en in [pleegplaats 1] en in [pleegplaats 2] (in Hotel [A]) óm te óverleggen over de uitvoer van 140 kilo speed naar Finland en
- —
cryptotelefoons voorhanden gehad om te communiceren over uitvoer van 140 kilo speed naar Finland en
- —
een geldbedrag van 78.000 voorhanden gehad dat bestemd was voor de financiering van dé uitvoer van 140 kilo speed naar Finland;
- 3.
(zaaksdossier 11)
hij in de periode 3 januari 2018 tot en met 2 maart 2020, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen,; te weten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven namelijk:
- —
het buiten het grondgebied van Nederland brengén en het bereiden en/öf bewerken en/of verwerken en vervaardigen en vervoeren en leveren en verkopén én afleveren en verstrekken van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, strafbaar gesteld in artikel 2 aanhef en onder A en B en D van de Opiumwet en
- —
het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet en
- —
witwassen als bedoeld in artikel 420bis én artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht;
- 4.
(zaaksdossier 12 en'17)
hij in de periode van 13 april 2019 tot en met 8 november 2019, in [pleegplaats 1], gemeente [gemeente] en [pleegplaats 3], tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen, te weten
- —
op 13 april 2019 een' bedrag van €30.000,- en
- —
in de periode van 21 oktober 2019 tot en met 30 oktober 2019 een bedrag van € 5000,- en
- —
op 8 november 2019 een bedrag van € 34.800,-,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijfen hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;’
Ten aanzien van deze feiten is de bewezenverklaring mede (in belangrijke mate) gebaseerd op verklaringen afgelegd door A-4110 en gemaakte opnames van gesprekken waar A-4110 deel van uitmaakte.1. Rekwirant heeft ontkend zich aan dit feit schuldig te hebben gemaakt. A-4110 is ingezette criminele burgerinfiltrant, de inzet van dit opsporingsmiddel is gebaseerd op art. 126w Sv (burger infiltratie).
I.1. Standpunt verdediging
Het Hof heeft in het arrest d.d. 12 juli 2024 onder ‘2. Algemeen standpunt van de verdediging in deze zaak’ weergegeven dat in samengevatte vorm het volgende naar voren is gebracht:
‘Door de verdediging is op gronden vermeld in de pleitnota — kort gezegd — het volgende naar voren gebracht. Aangevoerd is dat al het bewijs direct of indirect het gevolg is van een onrechtmatige inzet van A-4110 in het vooronderzoek en van het bewijs dient te worden uitgesloten. Dat geldt voor de door A-4110 afgelegde verklaringen en de verschillende OVC-opnamen die bij de inzet van A-4110 tot stand zijn gekomen. Subsidiair is aangevoerd dat al het verkregen bewijsmateriaal vanaf 8 maart 2019, de eerste inzet van A-41 10 als criminele burgerinfiltrant, van het bewijs dient te worden uitgesloten. De inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant is met de niet-naleving van de voorwaarden onrechtmatig geweest. Voorts is aangesloten bij hetgeen door mr. Janssen in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] naar voren is gebracht. Door mr. Janssen is het volgende naar voren gebracht. ’Aangevoerd is dat de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant onder art. 126w Sv door middel van enkel de motie Recourt, niet voldoet aan de eisen van het legaliteitsbeginsel en de inzet van A-4110 in dit onderzoek dus een schending van dat legaliteitsbeginsel oplevert, waarmee de inzet van A-4110 onrechtmatig is geweest. Daarnaast is aangevoerd dat de vereisten van artikel 126w juncto artikel 140 Sv zijn aangevuld met de vereisten Uit de motie Recourt. Die vereisten leveren via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht op en deze vereisten zouden in beginsel nageleefd moeten worden. Daarvan is geen sprake. Aan geen van deze vereisten is voldaan. Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat alle informatie die jegens verdachte is ingebracht direct of indirect het gevolg is’ van een onrechtmatige inzet van A- 4110 in het vooronderzoek en van het bewijs dient te worden uitgesloten. Dat geldt dus zowel voor de door A-4110 afgelegde verklaringen, als voor de processen-verbaal van de andere pseudokopers en informanten, als de verschillende OVC-opnamen die bij de inzet van deze verschillende A-nummers. tot stand zijn gekomen. Subsidiair is de verdediging van mening dat de verkregen informatie vanaf het moment van inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant inclusief dé daarbij gemaakte audiovisuele en audiële opnamen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant is met niet-naleving van dé voorwaarden in ieder geval onrechtmatig geweest. Subsidiair is aangevoerd al het verkregen béwijsmatériaal vanaf 8 maart 2019, de eerste inzet van A- 4110 als criminele burgerinfiltrant, van het bewijs dit té sluiten. Mocht het hof niet tot bewijsuitsluiting overgaan dan wordt verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de vormverzuimen.‘’
Ook aan de pleitnoties van de raadsvrouw van rekwirant, mr. Biesmans, waarvan de inhoud onderdeel is van het proces-verbaal terechtzitting2., is te ontlenen dat zij zich heeft aangesloten bij hetgeen door mr. Janssen in de zaak van [medeverdachte 4] naar voren is gebracht en zich heeft aangesloten bij zijn conclusies. Mr. Biesmans heeft herhaald wat zij daarover in eerste aanleg heeft gezegd en aangevuld dat zij zich aansluit bij hetgeen mr. Janssen in hoger beroep naar voren heeft gebracht en verzocht dat hier als ingelast te beschouwen (pleitnotities mr. Biesmans d.d. 12 februari 2024, p. 2). Gelet op het feit dat het Hof in het arrest met zoveel worden benoemt dat is aangesloten bij hetgeen mr. Janssen in de zaak [medeverdachte 4] naar voren heeft gebracht, dient er van te worden uitgegaan dat het Hof met dat aansluiten heeft ingestemd en in het arrest een verkorte versie heeft weergegeven van de standpunten waarbij is aangesloten. Voorts volgt uit het proces-verbaal terechtzitting3. dat mr. Biesmans ook heeft aangesloten bij de dupliek zoals naar voren gebracht in de zaak [medeverdachte 4] en de schriftelijke dupliek van mr. Janssen in die zaak aan het proces-verbaal is gehecht. Gelet hierop wordt hieronder ook een beroep gedaan op hetgeen in de zaak [medeverdachte 4] naar voren is gebracht blijkens de door mr. S.L.J. Janssen overgelegde pleitnotities waar bij is aangesloten en wat in die zaak is gesteld ook namens rekwirant is gesteld.
Namens rekwirant is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (ook gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank) uitgebreid betoogd dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant onrechtmatig is geweest, primair omdat kortgezegd sprake was van strijdigheid met het legaliteitsbeginsel omdat onderdeel van het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de inwerkingtreding van art. 126w Sv is geweest dat de wettelijke grondslag voor de inzet van een burgerinfiltrant werd beperkt door de inzet van criminele burgerinfiltranten uit te sluiten/daar een verbod op aan te nemen (aangenomen tweede motie-Kalsbeek) en dat het met de motie-Recourt waarmee die beperking werd beoogd te herroepen geen afdoende wettelijke grondslag voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant tot stand is gekomen. Naar voren is gebracht dat de inzet daarmee onrechtmatig is geweest omdat deze inzet niet gebaseerd kon worden op art. 126w Sv en verzocht is al het bewijs dat is verkregen door en als gevolg van de inzet van A-4110 van het bewijs uit te sluiten.
Daartoe is in hoger beroep namens rekwirant (door aan te sluiten bij hetgeen mr. S.L.J. Janssen naar voren had gebracht) nog eens de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de wet Bob geschetst en in het bijzonder de totstandkoming van het wettelijk kader van art. 126w Sv. Verwezen wordt naar de randnummers 11 t/m 31 uit de pleitnotities zoals voorgedragen en overgelegd aan het Hof ter terechtzitting d.d. 12 februari 2024 in de zaak [medeverdachte 4] waarbij is aangesloten.
Vervolgens is in dupliek (blijkens de aan het proces-verbaal gehechte schriftelijke dupliek van mr. Janssen waarbij is aangesloten) namens rekwirant nog eens kernachtig naar voren gebracht (en aan het Hof verzocht te bepalen dat):
- ‘A.
Dat met het aannemen van de tweede motie-Kalsbeek (verbod inzet criminele burgerinfiltrant, 1998 — 1999, nummer 33) de werking van het binnen de wet Bob nieuw in te voeren artikel 126w Sv waarin burgerinfiltratie van een wettelijke grondslag werd voorzien, expliciet werd beperkt in die zin dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant expliciet werden uitgesloten, en dat deze motie gezien formulering en context binnen de totstandkoming van de Wet Bob en van dat artikel 126w als het Openbaar Ministerie bindend moet worden aangemerkt;
- B.
Dat met het middels de Motie-Recourt herroepen van die tweede motie-Kalsbeek gezien het wetgevingsproces als geheel waaronder ook het in stand laten van de eerste motie-Kalsbeek (1995 — 1996, nummer 51 over rechterlijk toezicht op overeenkomsten met criminelen), geen afdoende wettelijke grondslag voor inzet van de criminele burgerinfiltrant tot stand is gekomen. Gezien de in het strafvorderlijk legaliteitbeginsel besloten liggende eis dat opsporingsmethoden die risicovol moeten worden geacht voor de integriteit van de opsporing expliciete grondslag in de formele wet behoeven, is de inzet van de criminele burgerinfiltrant bij die stand van zaken in strijd met dat legaliteitsbeginsel en daarmee onrechtmatig;
- C.
Dat dit dient te leiden tot uitsluiting van het via A-4110 verkregen bewijsmateriaal, primair vanaf 5 juli 2018 (het moment dat de pseudokoopovereenkomst gecombineerd werd met de stelselmatige informatie inwinning en de facto sprake was van infiltratie) en subsidiair vanaf het moment van sluiten van de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie op 28 februari 2019;’
Gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank over de formele rechtmatigheid, is in hoger beroep door de verdediging in het bijzonder aandacht besteed aan de betekenis van moties in het wetgevingsproces. Kortgezegd had de rechtbank geoordeeld dat geen sprake was van strijd met het legaliteitsbeginsel omdat een taalkundige interpretatie van art. 126w Sv zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burgerinfiltrant en ook de wetshistorie geen beletselen opwierp, waarbij verwezen is naar de Memorie van Toelichting waaruit (zonneklaar) zou blijken dat de wetgever deze inzet op grond van art. 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. Niet heeft ter discussie gestaan dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant gepaard kan gaan met inbreuken op grondrechten en bovendien gepaard gaat met risico's voor de (integriteit van de) opsporing en om die reden de bevoegdheid tot inzet van deze opsporingsmethode in een formele wet dient te zijn vastgelegd (het in art. 1, eerste lid, Sv vastgelegde formele legaliteitsbeginsel).4. Door de verdediging zou volgens de rechtbank zijn gesteld dat het juridische raamwerk niet voldeed omdat niet zou zijn voldaan aan de vereisten die de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Recourt c.s. stelt aan de inzet van criminele burgerinfiltranten, vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat een motie een advies is aan de Minister en deze vooral politieke betekenis hebben. Het negeren van een motie zou politieke consequenties kunnen hebben, maar niet direct relevant zijn voor de rechterlijke toetsing.
Namens rekwirant is in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank een onjuiste lezing van de totstandkomingsgeschiedenis (van art. 126w Sv) en het recht heeft gegeven. Zowel over de vraag wie er in het wetgevingsproces als ‘de wetgever’ aangemerkt dient te worden en de betekenis van de verschillende fases en instrumenten binnen dat wetgevingsproces, als over de vraag hoe de rechter in strafzaken tot een wetshistorische interpretatie kan komen. Dit door een onjuiste interpretatie van het begrip ‘de wetgever’ te hanteren (in de zin van wat ‘de wetgever’ wilde) en het verschil tussen verschillende moties te miskennen en enkel uit te gaan van een motie die als een aanbeveling aan het kabinet kunnen worden beschouwd — die volgens het (onderbouwde) standpunt van de verdediging moeten worden onderscheiden van moties die de Tweede Kamer in het kader van een wetgevingstraject kan aannemen en waarin het standpunt van de Tweede Kamer met betrekking tot een specifiek onderdeel van dat wetgevingsproces wordt vastgelegd. Gesteld is dat dit type motie bij uitstek geschikt is om het standpunt van de Tweede Kamer in diens rol als (mede)wetgever over een onderdeel van een aan te nemen wet vast te leggen. Gesteld is dat met de motie van het lid Kalsbeek de expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer — inhoudende de inzet van de criminele burgerinfiltrant dwingend te verbieden — is vastgelegd en de verdediging heeft tevens het standpunt ingenomen dat art. 126w Sv in de huidige vorm niet in het Wetboek van Strafvordering opgenomen zou zijn zonder de toevoeging van die motie-Kalsbeek aan de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel. En dat ook steeds het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie is geweest dat met de motie-Kalsbeek sprake was van een opgelegd algemeen verbod op het inzetten van een criminele burgerinfiltrant, welk verbod blijkens de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden eerst met de motie-Recourt werd opgeheven. In die Aanwijzing is immers opgenomen:
‘Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, nr. 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen (…)’.
Gesteld is dat een motie (waarin zo een expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer wordt vastgelegd) strafrechtelijk gezien wel degelijk van groot belang kan zijn, omdat de inhoud daarvan een zwaarwegend argument kan aanleveren om vast te stellen wat de bedoeling van ‘de’ wetgever met die wet (of een onderdeel) is geweest. De stelling is gehandhaafd dat de inhoud van de motie-Recourt vervolgens niet voldeed aan de eisen van het legaliteitsbeginsel, althans die motie niet maakte dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant bij wet in formele zin geregeld was. Ten aanzien van de gehele onderbouwing wordt verwezen naar de randnummers 12 t/m 31 van de pleitnotities zoals voorgedragen in hoger beroep, zoals daarbij is aangesloten door mr. Biesmans.
I.2. Oordeel Hof
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de rechtbank een juiste afweging heeft gemaakt en heeft de overwegingen van de rechtbank deels overgenomen, voorts zijn die overwegingen aangevuld. Het oordeel van het Hof houdt het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot dit verweer een juiste afweging heeft gemaakt. Het hof kan zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet ‘hof’ worden gelezen en waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld. Waar in de cursief overgenomen tekst van de rechtbank niet-cursieve tekst is opgenomen, betreft dit aanvullingen van het hof.
‘De wet informele zin.
De inzet van een criminele burgerinfiltrant kan gepaard gaan met inbreuken op grondrechten en gaat bovendien gepaard met risico's voor de (integriteit van de) opsporing. Om die reden dient de bevoegdheid lot inzet van deze opsporingsmethode in een formele wet te zijn vastgelegd (zie het in artikel 1, eerste lid, Sv vastgelegde formele legaliteitsbeginsel).
De bevoegdheid tot burgerinfiltratie is geregeld in artikel 126w, eerste lid, Sv. Op grond van deze bepaling kan in een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
De rechtbank constateert dat een taalkundige interpretatie van voornoemde bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burger als burgerinfiltrant. Immers, een criminele burger betreft eveneens een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Ook de wetshistorie werpt geen beletselen op. Uit de memorie van toelichting bij de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet Bob) blijkt zonneklaar dat de wetgever de inzet van de criminele burgerinfiltrant op grond van het bepaalde in artikel 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. In artikel 126w Sv is daarom geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet- criminele burgerinfiltranten. Zowel de niet-criminele als de criminele burgerinfiltrant valt onder deze bepaling en kan in beginsel dus worden ingezet. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet Bob wordt bovendien nadrukkelijk vermeld dat in de wet geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten.’
Het hof overweegt aanvullend het volgende.
Zoals hierboven overwogen, wordt in de tekst van de wet geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. Bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling is er ook aandacht geweest voor dit vraagstuk. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de wetgever zich bewust is van de bijzondere risico's die met de inzet van burgers voor infiltratie gepaard gaan. In de memorie van toelichting is vervolgens opgenomen:
‘Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan’.
Dit betekent dat de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten. De Tweede Kamer heeft vervolgens de motie-Kalsbeek aanvaard, zijnde een motie waarin wordt uitgesproken dat een verbod geldt voor de politie en het Openbaar Ministerie op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Het hof stelt vast dat de Tweede Kamer geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement. Dit heeft dus niet geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. De motie-Kalsbeek heeft evenwel tot een rechtspraktijk geleid waarbij gedurende langere tijd geen gebruik werd gemaakt van de criminele burgerinfiltrant.
Meer dan een decennium later heeft de Tweede Kamer door de aanvaarding van de motie-Recourt haar algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten laten vervallen. Achtergrond voor deze wijziging was een verschuiving van het accent op de belangen van een integere strafrechtspleging naar het oplossen van problemen bij de opsporing van zware georganiseerde criminaliteit. Met het aannemen van de motie-Recourt wilde de Tweede Kamer het instrumentarium voor opsporing versoepelen in die zin dat er sprake zou moeten kunnen zijn van ‘een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant’. In de motie zijn de randvoorwaarden geformuleerd waaronder die inzet mogelijk zou moeten zijn. Uit de verhandelingen voorafgaande aan het aannemen van deze motie blijkt dat men zich ervan bewust was dat de tekst van de wet ‘een vorm van criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt’. Een (formeel) wettelijke verankering werd daarom niet nodig bevonden, ook de (formeel) wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet.
De Tweede Kamer koos, zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, voor het instrument van de motie. Met het aannemen van een motie maakt de Tweede Kamer een oordeel of verlangen kenbaar ten aanzien van een Minister of het kabinet. De Minister of het kabinet is aan het oordeel dat in de motie tot uitdrukking is gebracht, voor zover hier relevant, niet gebonden. Een motie speelt verder uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede kamer en het kabinet. De rechter kan in deze verhouding geen rol spelen.
Het hof concludeert alles afwegende, dat artikel 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten. Dat aanvankelijk bij motie een algeheel verbod van inzet van criminele burgerinfiltranten is uitgesproken en de Tweede Kamer enkele jaren voorafgaand aan de onderhavige inzet van een criminele burgerinfiltrant, wederom bij motie, hierop is teruggekomen doet aan de wettelijke grondslag niet af.
Er is derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant in algemene zin onrechtmatig moet worden geacht, nu de mogelijkheid tot inzet van deze opsporingsbevoegdheid is vastgelegd in een formele wet.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan beschikt het Openbaar Ministerie over discretionaire ruimte.
Het hof zal vervolgens, net als de rechtbank heeft gedaan, beoordelen of in deze zaak is voldaan aan de geldende voorwaarden voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant.’
1.3. Oordeel gebaseerd op onjuiste rechtsopvatting dat (kortgezegd) Dat moties uitsluitend een rol spelen in de verhouding tussen Eerste of Tweede Kamer en het kabinet en (dus kennelijk) voor de (straf)rechter geen betekenis (kunnen) hebben, dan wel is dat oordeel onbegrijpelijk
Anders dan de rechtbank heeft het Hof (naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht) ten aanzien van de vraag of de inzet van de criminele burgerinfiltrant geregeld is bij wet in formele zin (en of de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant door middel van enkel het aannemen van de motie-Recourt in strijd is met het legaliteitsbeginsel) wel iets meer overwogen omtrent de totstandkomingsgeschiedenis van art. 126w Sv. Het Hof heeft echter (in de kern) aansluitend bij- en in lijn met de overwegingen van de rechtbank geoordeeld dat de in eerste instantie motie-Kalsbeek en in tweede instantie motie-Recourt geen rol speelt bij de vaststelling van het juridisch raamwerk waarbinnen de strafrechter de inzet van de criminele burgerinfiltrant moet beoordelen. Moties spelen uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede Kamer en kabinet en de rechter kan in die verhouding geen rol spelen, aldus het Hof.5. Het Hof heeft overwogen dat de Tweede kamer zowel bij het formuleren van het verbod als bij het vervallen verklaren van het verbod heeft gekozen voor het instrument van de motie (en geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement) en met het aannemen van een motie een oordeel of verlangen kenbaar maakt ten aanzien van een Minister of het kabinet, terwijl Minister en/of kabinet daar niet aan gebonden zijn. Een motie zou verder alleen een rol spelen in de verhouding tussen de Eerste of Tweede Kamer en het kabinet, een verhouding waarin de rechter geen rol kan spelen. Dat aanvankelijk bij motie een verbod is uitgesproken en de Tweede Kamer hier later eveneens bij motie op is teruggekomen, zou aan de wettelijke grondslag niet afdoen.
Naar het standpunt van rekwirant is het oordeel van het Hof dat de wet in formele zin art. 126w Sv) voorziet in de inzet van de criminele burgerinfiltrant (en dit ondanks de besproken moties ook al vanaf de inwerkingtreding zo was) gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting over de (mogelijke) betekenis van moties in een wetgevingsproces en bij het beoordelen van de bedoeling van ‘de wetgever’ met een bepaalde wettelijk bepaling. Het oordeel is naar het standpunt van rekwirant in ieder geval niet begrijpelijk, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Naar het oordeel van rekwirant heeft het Hof miskend dat moties die door de Tweede Kamer worden aangenomen in diens rol als medewetgever onderscheiden dienen te worden van het type politieke moties waar het Hof naar verwijst. Daarbij is er door de verdediging op gewezen dat het verschil tussen verschillende types moties, zoals dat verschil ook kan worden afgeleid uit de verschillende redactie die de tekst van moties kent. Gewezen is op de andersluidende formulering van de motie-Kalsbeek waarin niet wordt verzocht of gevraagd maar waarin een oordeel wordt neergelegd hetgeen volgt uit de tekst ‘spreekt uit…’:
‘De Kamer (…) overwegende, dat het werken met een criminele burgerinfiltrant een hoog processueel afbreukrisico kent; overwegende, dat het handelen van een criminele burgerinfiltrant in het algemeen slecht controleerbaar is; overwegende, dat door de vaak voorkomende zogenaamde ‘dubbele agenda’ bij een criminele burgerinfiltrant slecht te controleren is of zijn handelen voldoet aan het Tallon-criterium; spreekt uit, dat met criminele burgerinfiltranten niet dient te worden gewerkt en dat voor de politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele burgerinfiltranten.’6.
Het Hof heeft dit geheel onbesproken gelaten en vervolgens wel de overweging van de rechtbank overgenomen dat (ook) de wetshistorie geen beletselen opwerpt ten aanzien van de vaststelling dat de bepaling van art. 126w Sv zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burger als burgerinfiltrant. Terwijl hierbij een deel van de wetshistorie buiten beschouwing is gelaten.
Het is juist dat uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt dat de toenmalig Minister het verbod op een criminele burgerinfiltrant niet expliciet in de wet wilde opnemen, maar wel is steeds verzekerd dat de inzet van criminele burgerinfiltranten in beginsel buiten de orde zal zijn.7. Dit tot ongenoegen van de verschillende fracties, die in de door hen ingediende vragen — onder meer met verwijzing naar het advies van de Raad van State — benadrukken dat het wél in de wet opnemen van zo'n verbod verstandig wordt geacht.8. Wat rechtbank en Hof niet lijken te hebben onderkend is dat de wisseling van standpunten tussen Kamer en Minister in de Nota nu juist in direct verband staat tot de motie Kalsbeek: met die laatste motie werd de expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer de inzet van een criminele burgerinfiltrant wél dwingend te verbieden vastgelegd. Vandaar ook de andersluidende formulering waarin niet wordt verzocht of gevraagd, maar waarin een oordeel wordt neergelegd.
Ook heeft het Hof miskend dat met het aannemen van in eerste instantie de motie-Kalsbeek en in tweede instantie de motie-Recourt de inhoud van die motie onderdeel is geworden van het normerend kader waarbinnen de inzet van de criminele burgerinfiltrant moet worden getoetst.9. Dat moties uitsluitend een rol spelen in de verhouding tussen Eerste of Tweede Kamer en het kabinet en (dus kennelijk) voor de (straf)rechter geen betekenis (kunnen) hebben, is ten principale onjuist en berooft de Tweede Kamer (en de Eerste Kamer) van een belangrijk wetgevingsinstrument. Het miskent zoals in pleidooi aangevoerd dat Tweede en Eerste Kamer binnen het Nederlands politieke bestel samen met de Regering de wetgevende macht vormen. Dat het Hof enkel en alleen stelt dat een Minister of het kabinet niet gebonden is aan een motie (behalve een motie van wantrouwen), een motie uitsluitend een rol speelt in de verhouding tussen Eerste of Tweede Kamer en het kabinet en de rechter in die verhouding geen rol kan spelen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is ieder geval — (mede) gelet op hetgeen onderbouwd naar voren is gebracht — niet voldoende begrijpelijk. Het rechtens in stand blijven van dit oordeel van het Gerechtshof zou reeds daarmee vergaande consequenties hebben voor de positie van zowel de Tweede als Eerste Kamer in het wetgevingsproces. Dat kan niet als juist worden aanvaard en het oordeel van (eerst de rechtbank en toen) het Hof getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting over de betekenis die een aangenomen motie kan hebben voor — op zijn minst — de interpretatie van de bedoeling van de wetgever met een tot stand gekomen wettelijke bepaling. Reeds om die reden kan het oordeel van het Hof niet in stand blijven.
I.4. Oordeel inhoudende wetshistorische interpretatie van art. 126w Sv is niet (zonder meer) begrijpelijk (gemotiveerd)
Het is onjuist en in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof bij het oordeel dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant geregeld is bij wet in formele zin, te weten in art. 126w Sv, in doorslaggevende, doch in ieder geval belangrijke, mate heeft betrokken dat blijkens de Memorie van Toelichting de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten en bij die wetshistorische interpretatie heeft uitgesloten dat aan de inhoud van moties een rol van betekenis kan worden toegekend (die spelen immers alleen een rol in de verhouding tussen Tweede of Eerst Kamer en het kabinet, de rechter kan daarin geen rol spelen). Een Memorie van Toelichting is een onderdeel van de parlementaire geschiedenis waar argumenten aan kunnen worden ontleend voor het geven van een oordeel over de wil en bedoeling van de wetgever met een wet(svoorstel) maar om alleen daaraan te ontlenen dat dus ‘de wetgever’ de inzet van de criminele burgerinfiltrant niet heeft uitgesloten, miskent dat de parlementaire behandeling verder is gegaan en ook aan bijvoorbeeld nadere verslagen, moties etc. argumenten kunnen worden ontleend die maken dat de totstandkomingsgeschiedenis (van in dit geval art. 126w Sv) wel ervan blijk geeft dat beoogd is het werken met criminele burgerinfiltranten als bijzonder opsporingsmiddel uit te sluiten (en de uiteindelijk tot stand gekomen wet dan ook zo geïnterpreteerd moet worden dat daarin wel een verbod besloten ligt voor de bijzondere en uiterst risicovolle versie van een burgerinfiltrant; de criminele). Zo stelt ook Borgers:
‘Wie is feitelijk de wetgever en kan men wel spreken van de bedoeling van de wetgever? (…) Er is dus niet één persoon die spreekt en geen van de betrokkenen kan er zonder meer aanspraak op maken dat zijn uitlatingen als die van de wetgever hebben te gelden. Indien de rechter zijn oordeel motiveert aan de hand van bijvoorbeeld een passage uit een memorie van toelichting, dan verlaat de rechter zich, strikt genomen, op een opvatting van een minister. Daarmee is niet gezegd dat alle andere actoren in het wetgevingsproces, indien zij zich niet hebben uitgelaten over die passage, de strekking ervan onderschrijven en dat dus de opvatting van de minister als de opvatting van de wetgever heeft te gelden. Wie zwijgt, stemt niet altijd toe.’10.
Wordt iets verder gelezen dan de zinsnede die het Hof aanhaalt, te weten dat ‘Met de inzet van infiltratie nog terughoudender zal moeten worden omgegaan’, dan volgt uit de wetsgeschiedenis dat werd beoogd dat in een richtlijn het kabinetsstandpunt zou worden verwoord dat niet met criminele burgerinfiltranten behoort te worden gewerkt, met een ontheffingsmogelijkheid om van het verbod ontheffing te verlenen ten behoeve van een kortstondige, eenmalige, overzichtelijke actie waarbij wordt verwezen naar voorlopige uitgangspunten van het College Procureurs-Generaal waarin een uitzondering stond voor zaken waarin het kort en eenmalig inzetten van een criminele burgerinfiltrant een doorbraak kon forceren in een onderzoek, waarbij alleen kon worden gedacht aan zaken waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan. Zoals ontvoeringen, gijzelingen, levensdelicten, aanslagen.11. Dat kennelijk op dat moment werd beoogd weliswaar 126w Sv in werking te laten treden, maar met een neergelegd kabinetsstandpunt van een verbod met enkel een ontheffingsmogelijkheid van het verbod betrekt het Hof geheel niet bij de beoordeling. Ook niet in die zin dat vervolgens de motie-Kalsbeek is aangenomen waarin de Tweede Kamer uitspreekt dat met criminele burgerinfiltranten geheel niet dient te worden gewerkt en dat voor de politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Een motie die door het Hof geheel buiten de beoordeling van de vraag of wel sprake was van een voldoende specifieke in de wet in formele zin gerelde inzet van dit opsporingsmiddel wordt gelaten.
Voorts lijkt het Hof zwaar te hebben meegewogen dat geen gebruik is gemaakt van het instrument van het amendement en dit dus niet heeft geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. En dat de Tweede Kamer zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, koos voor het instrument van de motie. Dat komt erop neer dat naar het oordeel van het Hof kennelijk alleen indien een amendement wordt aangenomen en de wettekst wordt aangepast sprake kan zijn van de interpretatie dat bedoeld is het opsporingsmiddel te beperken tot de inzet van niet-criminele burgerinfiltranten en dat een motie inhoudende dezelfde strekking niet kan bijdragen aan de beoordeling van reikwijdte en strekking van een wettelijke bepaling en de bedoeling van de wetgever daarmee. Dat is naar het standpunt van rekwirant onjuist. Zoals ook in hoger beroep naar voren gebracht door de verdediging is uitgangspunt dat wanneer parlementaire stukken aan onduidelijkheid of zelfs aan innerlijke tegenstrijdigheid leiden het moeilijk is om aan de wetsgeschiedenis een dwingende argumentatie te ontlenen, maar dat dit niet wil zeggen dat in zo'n geval één onderdeel van de wetsgeschiedenis leidend moet zijn omdat dit het risico in zich heeft dat een grabbelton ontstaat. Juist wanneer verschillende standpunten worden betrokken dient het geheel van die standpunten te worden gewogen om onderbouwd tot een oordeel te komen over welke betekenis aan die wetsgeschiedenis kan worden toegekend.12. Het uitgangspunt van meerdere actoren is ook het startpunt van waaruit het wetgevingsproces door Bovend'Eert en Kummeling wordt beschreven in ‘Het Nederlandse parlement’.13. Om (meerderheids)standpunten van de Tweede Kamer zoals neergelegd in moties daarbij uit te sluiten vanwege het feit dat het moties zijn, is niet juist.14.
Hetgeen het Hof heeft geoordeeld heeft (in belangrijke mate) bijgedragen aan het oordeel van het Hof dat art. 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten en de inzet van de criminele burgerinfiltrant (A-4110) niet onrechtmatig is nu de inzet van dit opsporingsmiddel is vastgelegd in een formele wet. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is in ieder geval niet begrijpelijk (gemotiveerd), waardoor dit oordeel en het arrest niet in stand kunnen blijven.
II. Schending van de artt. 1, 126w en/of 348, 350, 358, 359, 359a en/of 415 Sv en/of art. 6 EVRM en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte het ex art. 359a Sv namens rekwirant gevoerde verweer/beroep op bewijsuitsluiting verworpen, althans op onjuiste en/of zonder nadere toelichting niet begrijpelijke gronden verworpen, dan wel nagelaten (voldoende begrijpelijk) te responderen op dit ex art. 359a Sv gedane beroep op bewijsuitsluiting van alle resultaten verkregen door de inzet van criminele burgerinfiltrant A-4110, terwijl het Hof gehouden was daar een (voldoende begrijpelijk) gemotiveerde beslissing op te nemen.
Immers heeft het Hof het verweer zo uitgelegd dat namens rekwirant is gesteld dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing opsporingsgevoegdheden van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht opleveren en in die zin nageleefd moeten worden en geen sprake is van naleving van de Aanwijzing en dit tot bewijsuitsluiting moest leiden (omdat het niet naleven van de eigen regelgeving door het Openbaar Ministerie een vormverzuim kan opleveren), terwijl aan het verweer iets anders ten grondslag is gelegd (en het verweer ook bezwaarlijk anders kan worden verstaan of uitgelegd), te weten dat de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Recourt waarin aanvullende vereisten (naast die van art. 126w Sv) zijn neergelegd voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant als bindend voor het Openbaar Ministerie moest worden aangemerkt (en het dus niet zo was dat het Openbaar Ministerie alleen door naar eigen keuze vereisten in een Aanwijzing op te nemen gebonden was aan dergelijke vereisten) en het Openbaar Ministerie heeft nagelaten conform die vereisten het bedoelde normerende kader te scheppen waarbinnen het bijzondere opsporingsmiddel van de inzet van de criminele burgerinfiltrant kan plaatsvinden, dat uit de inhoud van de Aanwijzing dat normerende kader niet (voldoende) volgt en dit nalaten moest worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim, waarbij gesteld is dat sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, te weten de zwaarbevochten randvoorwaarden waaronder de inzet van een criminele burgerinfiltrant in een strafrechtelijk onderzoek weer toegestaan werd geacht en dat bewijsuitsluiting in dit geval noodzakelijk moest worden geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat dergelijke vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Het Hof heeft op dit verweer (zoals gevoerd) ten onrechte (geheel) niet gerespondeerd, terwijl het daar wel toe gehouden was.
Indien dit niet-responderen het gevolg is van een andere uitleg van het verweer dan geldt dat die uitleg (gelet op hetgeen zeer duidelijk en stellig naar voren is gebracht) niet begrijpelijk is.
Een (voldoende begrijpelijke) gemotiveerde beslissing op het verweer ligt voorts ook niet besloten in de beoordeling van het Hof of het Openbaar Ministerie heeft gehandeld conform de eigen regelgeving, te weten de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden waarin wordt verwezen naar vereisten uit de motie-Recourt, nu het Hof de vereisten grotendeels heeft ontdaan van de aanvullende en drempelverhogende strekking ten opzichte van de vereisten zoals deze reeds gelden op grond van art. 126w Sv en dus (ook) niet voldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie de eigen regelgeving heeft nageleefd.
Toelichting
Ook ten aanzien van dit middels is van belang hetgeen het Hof als de feiten 1, 3 en 4 bewezen heeft verklaard (parketnummer 18-750038-20) en het belang van de verklaringen van A-4110 voor de bewezenverklaring van die feiten, zoals beschreven in middel I — waar naar wordt verwezen.
II.1. Standpunt verdediging
Zoals in middel I gesteld is namens rekwirant aangesloten bij hetgeen mr. Janssen in de zaak [medeverdachte 4] naar heeft gebracht en kan uit het arrest van het Hof worden afgeleid dat hiermee door het Hof is ingestemd en in het arrest een verkorte versie heeft weergegeven van de standpunten waarbij is aangesloten. Voorts volgt uit het proces-verbaal terechtzitting15. dat mr. Biesmans ook heeft aangesloten bij de dupliek zoals naar voren gebracht in de zaak [medeverdachte 4] en de schriftelijke dupliek van mr. Janssen in die zaak aan het proces-verbaal is gehecht. Gelet hierop wordt hieronder ook een beroep gedaan op hetgeen in de zaak [medeverdachte 4] naar voren is gebracht blijkens de door mr. S.L.J. Janssen overgelegde pleitnotities waar bij is aangesloten en wat in die zaak is gesteld ook namens rekwirant is gesteld.
Namens rekwirant is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (ook gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank) uitgebreid betoogd dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant onrechtmatig is geweest, primair omdat kortgezegd sprake was van strijdigheid met het legaliteitsbeginsel omdat onderdeel van het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de inwerkingtreding van art. 126w Sv is geweest dat de wettelijke grondslag voor de inzet van een burgerinfiltrant werd beperkt door de inzet van criminele burgerinfiltranten uit te sluiten (tweede motie-Kalsbeek) en dat het met de motie-Recourt waarmee die beperking werd herroepen geen afdoende wettelijke grondslag voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant tot stand is gekomen. Geklaagd wordt in middel I over het oordeel van het Hof gegeven naar aanleiding van dit verweer.
Tevens is (subsidiair) in hoger beroep namens rekwirant- in de kern — betoogd dat indien er een voldoende wettelijke basis was voor inzet van de criminele burgerinfiltrant de in de motie-Recourt opgenomen eisen voor die inzet als het Openbaar Ministerie bindend recht moeten worden aangemerkt en het dus niet — zoals de rechtbank had geoordeeld- zo is dat het Openbaar Ministerie aan die eisen slechts gebonden is omdat het Openbaar Ministerie zich (kennelijk) heeft willen binden aan die vereisten door in de Aanwijzing te verwijzen naar die motie, waardoor de vereisten uit de motie (ook) alsnog onderdeel uitmaken van het voor de rechter relevante juridische raamwerk omdat de Aanwijzing kan worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 Wet RO. Hierop wordt in randnummers 32 t/m 57 van de pleitnotities zoals overgelegd en voorgedragen ter terechtzitting van het Hof d.d. 12 februari 2024 ingegaan, waarbij namens rekwirant is aangesloten.
Ook is hetgeen naar voren is gebracht over de betekenis van moties (randnummers 11 t/m 30) in het wetgevingsproces relevant, nu hier in randnummer 31 van wordt gesteld dat indien het Hof niet tot een schending van het legaliteitsbeginsel zou komen, het Hof zou moeten uitspreken dat de vereisten in de motie-Recourt dwingend aan het Openbaar Ministerie zijn opgelegd en niet slechts politieke aanbevelingen zijn die het Openbaar Ministerie zonder consequenties naast zich neer kan leggen (waarbij het tegenovergestelde oordeel van grote betekenis kan en ook zal zijn voor de verhouding tussen Minister, Tweede Kamer en rechtsprekende macht). Gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank over de formele rechtmatigheid, is in hoger beroep door de verdediging in het bijzonder aandacht besteed aan de betekenis van moties in het wetgevingsproces. De rechtbank had overwogen dat een motie een advies is aan de Minister en vooral politieke betekenis kan hebben. Het negeren van een motie zou politieke consequenties kunnen hebben, maar niet direct relevant zijn voor de rechterlijke toetsing.
Namens rekwirant is in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank een onjuiste lezing van de totstandkomingsgeschiedenis (van art. 126w Sv) en het recht heeft gegeven. Zowel over de vraag wie er in het wetgevingsproces als ‘wetgever’ aangemerkt dient te worden en de betekenis van de verschillende fases en instrumenten binnen dat wetgevingsproces, als over de vraag hoe de rechter in strafzaken tot een wetshistorische interpretatie kan komen. Dit door een onjuiste interpretatie van het begrip ‘wetgever’ te hanteren (in de zin van wat ‘de wetgever’ wilde) en het verschil tussen verschillende moties te miskennen en enkel uit te gaan van een motie die als een aanbeveling aan het kabinet kan worden beschouwd — die volgens het (onderbouwde) standpunt van de verdediging moeten worden onderscheiden van moties die de Tweede Kamer in het kader van een wetgevingstraject kan aannemen en waarin het standpunt van de Tweede Kamer met betrekking tot een specifiek onderdeel van dat wetgevingsproces wordt vastgelegd. Gesteld is dat dit type motie bij uitstek geschikt is om het standpunt van de Tweede Kamer in diens rol als wetgever over een onderdeel van een aan te nemen wet vast te leggen.
Betoogd is dat sprake is van materiele en formele normering in de motie-Recourt en welke betekenis de (rand)voorwaarden uit die motie hebben. De verdediging heeft in dit kader beschreven dat uit de motie-Recourt naast de proportionaliteits- en subsidiariteitseis vier aanvullende eisen volgen voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant waaraan getoetst moet worden, te weten:
- a)
dat de inzet alleen onder een zeer strikt regime van waarborgen kan plaatsvinden,
- b)
bij zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit,
- c)
in korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van groei-informanten en
- d)
na toestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie.
En dat het klopt dat Corstens en Borgers schrijven dat er vanuit wordt gegaan dat daarbij sprake is van ‘nog nader uit te werken en te concretiseren randvoorwaarden’16., maar dat niet juist was dat het Openbaar Ministerie betoogde (of leek te betogen) dat die uitwerking van de wetgever moest komen:
‘in lijn met de inhoud van het in de Tweede Kamer gevoerde debat lag er een opdracht en verantwoordelijkheid bij het Openbaar Ministerie, vanuit welke organisatie ook het verzoek bij de minister was gekomen dit middel weer beschikbaar te maken (omdat anders de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit niet gewonnen zou kunnen worden)’.
Bepleit is dat van (verder) uitgewerkte of geconcretiseerde randvoorwaarden (naar aanleiding van de inhoud van de motie-Recourt) in de Aanwijzing op geen enkele wijze sprake is en dat het een beslissing van het Openbaar Ministerie is de benodigde nadere normering ter invulling van de onderdelen uit de motie niet tot stand te brengen. Enige nadere normering is blijkens hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht17. in weerwil van de mandatering aan het Openbaar Ministerie uitgebleven en dit is van belang geacht voor de vraag of de inzet van A-4110 in onderhavige zaak bijvoorbeeld heeft plaatsgevonden ‘onder een zeer streng regime van waarborgen’. Een vraag die door de verdediging ontkennend is beantwoord gelet op het ontbreken van het in het leven roepen van een dergelijk regime.
Vanaf randnummer 33 zijn in pleidooi de genoemde (rand)voorwaarden uit de motie-Recourt nagelopen, waar blijkens dat pleidooi aan moest worden getoetst. De randvoorwaarde dat een criminele burgerinfiltrant alleen mag worden ingezet ‘onder een zeer streng regime van waarborgen’ is voornamelijk uitgebreid besproken, zowel is materieel getoetst of de inzet had plaatsgevonden onder een dergelijk regime (hetgeen blijkens het pleidooi niet het geval was), als is besproken dat en waarom in het vonnis het in motie vereiste ‘zeer strenge regime van waarborgen’ ten onrechte was vertaald naar ‘strikte waarborgen’. En de rechtbank hier eigenlijk geen extra vereisten in las, omdat de wettelijke voorwaarden (bedoeld zal zijn: proportionaliteit, subsidiariteit en instemming College Procureurs-Generaal) al dergelijke strikte voorwaarden zouden opleveren en verwezen werd naar het feit dat in de Aanwijzing wordt aangegeven dat steeds bijzondere aandacht moet worden besteed aan de betrouwbaarheid en stuurbaarheid van de in te zetten burger en deze begeleid moet worden.
Dat de verdediging zich namens rekwirant op het standpunt heeft gesteld dat het niet zozeer ging om de vraag op welke wijze de inzet van A-4110 in deze zaak heeft plaatsgehad, maar om de afwezigheid van een geconcretiseerd zeer streng regime van waarborgen waar in meer algemene zin de inzet van een criminele burgerinfiltrant aan moet worden getoetst, blijkt duidelijk uit hetgeen naar voren is gebracht. Zo is ook naar voren gebracht dat de officieren van justitie zich in eerste aanleg op het standpunt stelden dat uit de wijze waarop in deze zaak de inzet van een criminele burgerinfiltrant heeft plaatsgevonden, blijkt dat wel degelijk sprake was van een zeer streng regime van waarborgen, waarvan de verdediging heeft gesteld dat die stelling niet overtuigt omdat dit de vaste werkwijze bij zowel reguliere infiltranten als gewone burgerinfiltranten betrof er dus geen sprake was van aanvullende vereisten voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Daarbij is ook naar voren gebracht dat het feit dat in deze zaak sprake is van OVC-opnames en camerabeelden welke de controleerbaarheid van de inzet verbeteren, niet maakt dat in een volgende zaak eveneens zal worden gekomen tot een dergelijke controleerbare inzet van een criminele burgerinfiltrant omdat nergens voor het Openbaar Ministerie bindend is vastgelegd dat aan een dergelijke voorwaarde moet worden voldaan. De verdediging heeft juist om die reden gesteld dat geoordeeld zou moeten worden dat bij gebrek aan zo'n nader ingevuld en geconcretiseerd streng regime van waarborgen niet voldaan werd aan de motie (Recourt) en daarmee de inzet van de criminele burgerinfiltrant op voorhand niet rechtmatig kan zijn. Het ging kortom duidelijk om een toetsing aan de vereisten uit de motie-Recourt en niet om de vraag of het Openbaar Ministerie zich aan eigen regelgeving — te weten de Aanwijzing — heeft gehouden, omdat nu juist naar het standpunt van de verdediging was nagelaten naar aanleiding van de motie-Recourt tot een geconcretiseerd streng regime van waarborgen te komen.
Gesteld is ook dat dit eens te meer geldt nu uit de verslaglegging en de verhoren van de verschillende betrokkenen duidelijk volgt dat bij de inzet en de begeleiding van A-4110 van het strikt de hand houden aan enig aangescherpt regime geen sprake was.18. Daar is de verdediging in randnummer 33 nog nader op ingegaan, waarbij is gesteld dat met de stap van het gaan inzetten van A-4110 als criminele burgerinfiltrant een nieuwe realiteit ontstond waarin de zware eisen van de motie die de inzet van een dergelijke burgerinfiltrant rechtmatig maakten van toepassing waren. En dat zijn begeleiders vanaf dat moment het geldende zeer strenge regime van waarborgen zouden moeten gaan handhaven en daarover verantwoording zouden moeten gaan afleggen aan hun teamleiding en het Openbaar Ministerie. Gesteld is dat uit de verhoren van zowel A-4110 als van de begeleiders ondubbelzinnig naar voren kwam dat daar op geen enkele wijze sprake van is geweest en dat er helemaal niks was veranderd ten opzichte van de eerdere situatie waarin A-4110 steeds was ingezet in het kader van de overeenkomst tot pseudokoop en vervolgens een overeenkomst tot stelselmatige informatie inwinning. De suggestie dat er vanuit de top van het Openbaar Ministerie weliswaar niet gezorgd is voor een invulling van het vereiste zeer strenge regime van waarborgen maar desondanks in de uitvoering sprake was van aangescherpt toezicht in enige vorm, was niet aan de orde, aldus de verdediging (pleitnotities, p. 27). Gesteld is dat aan dit vereiste uit de motie noch aan de formele kant, noch aan de materiele kant is voldaan. Ook is aangegeven dat op het punt van de verdiensten van A-4110 als criminele burgerinfiltrant, of verdiensten van criminele burgerinfiltranten in het algemeen, is nagelaten dit op een zorgvuldige manier te regelen (hetgeen als exemplarisch naar voren is gebracht voor het ontbreken van dat dergelijke zeer strenge regime van waarborgen).
Vervolgens is de verdediging erop ingegaan dat het in de motie geformuleerde vereiste ‘zeer strenge regime van waarborgen’ door de rechtbank in het vonnis is vertaald naar ‘strikte waarborgen’ en dat de rechtbank lijkt te stellen dat hierin eigenlijk geen extra vereisten hoeven te worden gelezen dan de wettelijke voorwaarden van proportionaliteit, subsidiariteit en instemming van het College procureurs-generaal. Dat zou betekenen dat de rechtbank impliciet oordeelt dat de Tweede Kamer voor niets tot de eisen in de motie is gekomen, omdat die strenge eisen er allang (wettelijk) waren en dus niets toevoegden. De verdediging heeft gesteld dat hij die lezing van de rechtbank niet kan verenigen met wat er rondom die motie door verschillende parlementariërs is gezegd en ook niet met de tekst van die motie, waarin dat zeer strenge regime van waarborgen als eis wordt toegevoegd aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het was ondubbelzinnig de bedoeling van de toenmalige Tweede Kamer aanvullende eisen te stellen aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant, verdergaand dan de algemene eisen van art. 126w Sv. In randnummer 38 wijst de verdediging erop dat bij uitstek een van de belangrijkste kritiekpunten in het pleidooi in eerste aanleg is geweest dat het Openbaar Ministerie bij monde van de Minister gedane toezegging dat zou worden voorzien in een streng normerend kader, waarbinnen de inzet van een criminele burgerinfiltrant zou plaats hebben, niet gestand heeft gedaan en dat de rechtbank daar geen oordeel over heeft gegeven terwijl duidelijk moet zijn geweest dat hierover een beslissing werd gevraagd. In randnummer 39 is aangegeven:
‘ik verzoek uw Hof u nadrukkelijk uit te laten over het uitblijven van dat normerend kader en wat dat zegt over de rechtmatigheid van het optreden van het Openbaar Ministerie in deze zaak.’
Ook ten aanzien van het vereiste uit de motie dat de criminele burgerinfiltrant alleen mag plaatsvinden bij ‘zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ is (randnummer 45 van de pleitnotities) gesteld dat sprake is van een als drempelverhogend bedoelde voorwaarde, dat een nadere invulling van de betekenis hiervan volgend op het aannemen van de motie had moeten plaatshebben en dit niet plaatsgevonden heeft. Duidelijk is uiteengezet dat deze voorwaarde nader invulling zou moeten geven aan het feit dat slechts in hoge uitzonderingsgevallen gebruik moest kunnen worden gemaakt van een criminele burgerinfiltrant. Aangegeven is dat de rechtbank in het vonnis ten aanzien van dit vereiste is afgeweken van de in de motie-Recourt gebezigde terminologie omdat slechts wordt gesproken van (en getoetst aan) ‘zware criminelen en criminele organisaties’ om vervolgens te kunnen stellen dat daarvan sprake is bij internationale handel in verdovende middelen. Gesteld is:
‘Het is gewoon een rechtsvraag die hier bij Uw Hof voorligt: valt het type strafbare feiten begaan onder de omstandigheden van deze zaak onder dat door de Tweede Kamer genoemde criterium van de ‘ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ of is dat niet zo? Daar krijgt de verdediging ook met het oog op de op dit onderdeel gewenste rechtsvorming graag (dit keer wel) een antwoord op. Voor alle duidelijkheid: het antwoord van de verdediging op die vraag luidt nog altijd ontkennend.’
(randnummer 47 pleitnotities). Ook van een ‘zeer gesloten organisatie’ was blijkens het pleidooi geen sprake.
De randvoorwaarden van ‘korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een groei-infiltrant’ en ‘na toestemming van de minister van Veiligeid en Justitite’ zijn korter besproken nu de rechtbank ten aanzien van die vereisten wel een vormverzuim had aangenomen. Uitgebreider is ingegaan op het feit dat daar geen rechtsgevolgen aan verbonden waren.
In randnummers 58 t/m 65 worden daar conclusies aan verbonden. Te weten dat de toetsing van de uitvoerende macht bij de rechtsprekende macht ligt en dat op grond van de jurisprudentie van uw College d.d. 1 december 2020 ook ruimte is voor bewijsuitsluiting bij ernstige schendingen van strafvorderlijke voorschriften of rechtsbeginselen, waardoor bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat dergelijke vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Gesteld is dat sprake is van een ernstige schending van een strafrechtelijk voorschrift, te weten de zwaarbevochten randvoorwaarden waaronder de inzet van een criminele burgerinfiltrant in een strafrechtelijk onderzoek weer toegestaan werd geacht. Gesteld is dat het College van Procureurs-Generaal had moeten voorzien in duidelijke en toetsbare kaders waarbinnen de inzet van dit middel zou moeten plaatshebben en dat voorzien had moeten worden in toezicht van de zaaksofficier(en) dat die kaders gehandhaafd zouden worden en de inzet van de infiltrant zou voldoen aan de daaraan in de motie gestelde voorwaarden. Gesteld is dat beiden niet is gebeurd en dat dit getuigt van een dermate eigengereidheid van het Openbaar Ministerie dat aangenomen mag worden dat het bij een volgende inzet van de criminele burgerinfiltrant niet anders zal gaan indien hier door het Hof geen gevolgen aan zouden worden verbonden. Bewijsuitsluiting was blijkens de conclusies noodzakelijk om vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst te voorkomen.
In randnummer 60 is naar voren gebracht:
‘Deze casus Vidar is een exemplarisch voorbeeld van de wijze waarop het in het Nederlandse bestel op fundamenteel niveau telkens mis gaat waarbij het Openbaar Ministerie zich bevoegdheden toekent die het op basis van de wet niet heeft, in strijd met daarover gedane toezeggingen nalaat het eigen handelen afdoende te normeren en als gevolg daarvan — met respect voor iedereen en ieders goede bedoelingen — maar wat aanrommelt om wanneer daarop kritiek komt zich te verweren met de stelling dat het pionieren is en dat naar beste kunnen getracht is op een zorgvuldige wijze aan opsporing te doen.’
Aangegeven is dat sprake is van een patroon en een vergelijk is gemaakt met de kroongetuige- en getuigenbeschermingsproblematiek:
‘Ten aanzien van de kroongetuige- en getuigenbeschermingsproblematiek is in de afgelopen 10 jaar bij alle mogelijke gerechtelijke instanties aangedrongen op beslissingen die zowel wetgever als Openbaar Ministerie ervan zouden doordringen dat zowel systematiek als uitvoering verandering behoeven. Tot op het niveau van de Hoge Raad is dat niet gebeurd en zijn de gebrekkige wettelijke en beleidsmatige fundamenten van voor de integriteit van de opsporing riskante opsporingsmethodes in stand gelaten of zelfs verder verzwakt met zachte heelmeester-achtige redeneringen, die vooral ten doel leken te hebben de zaken (veroordelingen) in de lucht te houden en het Openbaar Ministerie niet voor de voeten te lopen. Vervolgens is het kalf verdronken en worden er lijvige rapporten geschreven waarin wordt opgetekend dat het niet goed gegaan is, dat de verschillende staatsmachten hun verantwoordelijkheid moeten nemen en stappen moeten zetten, dat wordt dan vervolgens door de staatsmachten in kwestie vroom in ontvangst genomen met een plechtige belofte het beter te gaan doen, en vervolgens blijft alles bij het oude.’
Geconcludeerd is dat het uitsluiten van het middels de inzet van A-4110 verkregen bewijs het geëigende en juiste middel is om een niet mis te verstaan signaal af te geven aan de opsporing dat deze manier van werken niet geaccepteerd wordt.
Vervolgens is in dupliek (blijkens de schriftelijke dupliek van mr. Janssen die ook aan het proces-verbaal terechtzitting in de zaak tegen rekwirant is gehecht en waar de raadsvrouw eveneens bij heeft aangesloten) nog eens kernachtig naar voren gebracht (en aan het Hof verzocht te bepalen dat):
- ‘D.
Dat voor zover de Motie-Recourt die eerdere motie-Kalsbeek wél rechtmatig zou kunnen herroepen de daarin opgenomen eisen voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant als het Openbaar Ministerie bindend recht moeten worden aangemerkt en het dus niet — zoals de rechtbank stelt — zo is dat het Openbaar Ministerie aan die eisen slechts gebonden is als gevolg van de beslissing die eisen over te nemen in de eigen Aanwijzing;
- E.
Dat de in die motie opgenomen eis van het zeer streng regime van waarborgen gezien de redigering van die motie waarin die eis volgt op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en bezien in het licht van al hetgeen over die vereisten is besproken bij de totstandkoming van de Motie-Recourt, een aanvullende eis oplevert waaraan het Openbaar Ministerie moet voldoen en deze niet — zoals de rechtbank suggereert — slechts een herhaling betreft van de algemene eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in combinatie met artikel 140a Sv;
- F.
Dat het Openbaar Ministerie door in strijd met de gedane toezegging niet te voorzien in dat in die motie vereiste zeer strenge regime van waarborgen de formele voorwaarden waaronder tot rechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant zou kunnen worden gekomen niet heeft gecreëerd en daarmee van een rechtmatige inzet ook geen sprake kan zijn;
- G.
Dat uit de gang van zaken bij de inzet van A-4110 in ieder geval ondubbelzinnig volgt dat van een aangescherpt regime of een aangepaste werksituatie of enige aanvullende eisen die aan de criminele burgerinfiltrant of diens begeleiders werden gesteld geen sprake is geweest en dat daarmee materieel gezien duidelijk geen zeer streng regime van waarborgen is toegepast bij de inzet van A-4110, waarmee die inzet niet rechtmatig kan worden geacht;
- H.
Dat de groep verdachten waarbinnen A-4110 als criminele burgerinfiltrant werd ingezet niet beschouwd kan worden als een zeer gesloten groepering die zich schuldig maakt aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit;
- I.
Dat van een kort traject zoals vereist door de motie met de meer dan een jaar durende inzet van A-4110 geen sprake is geweest;
- J.
Dat het nietszeggende briefje van 21 maart 2019 van mr. Grapperhaus niet als de waarborg kan gelden die blijkens de overwegingen rondom de totstandkoming van de Motie-Recourt beoogd werd en dat voor zover dat briefje wél als de vereiste toestemming van de minister kan gelden deze toestemming pas gekomen is nadat al tot sluiting van de overeenkomst met de criminele burgerinfiltrant en zelfs tot daadwerkelijke inzet als zodanig was overgegaan;
- K.
Dat aldus aan de vier belangrijkste eisen uit die Motie-Recourt voor een rechtmatige inzet van een criminele burgerinfiltrant in dit onderzoek Vidar niet is voldaan;
- L.
Dat dit een groot aantal vormverzuimen oplevert waarmee niet alleen sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, maar die bovendien als exemplarisch moeten worden gezien voor de wijze waarop het Openbaar Ministerie zich in de afgelopen jaren keer op keer onttrekt aan door de wetgever opgelegde beperkingen, dan wel door die beperkingen eenvoudig naast zich neer te leggen c.q. geen opvolging te laten krijgen in de praktijk, dan wel door niet te voorzien in het bij gelegenheid van de totstandkoming van die wetgeving toegezegde heldere en kenbare kader waarbinnen de inzet van een specifieke opsporingsactiviteit streng genormeerd zal worden, waarmee sprake is van een ernstig vormverzuim dat zich bij herhaling voordoet;
- M.
Dat bij die stand van zaken bewijsuitsluiting als hierboven genoemd bij punt C de enige sanctie is waarmee het Openbaar Ministerie er in voldoende mate van doordrongen zal raken dat deze handelingswijze niet geaccepteerd wordt en die bewijsuitsluiting daarmee passend en geboden.’
Met het voorgaande is sprake van een in de vorm van art. 359a Sv gegoten verweer. Het verweer kan in ieder geval bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat bepleit is dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim (meerdere zelfs) zoals bedoeld in art. 359a Sv en dat de in het tweede lid van dat artikel genoemde belangen rechtvaardigen dat aan dat vormverzuim het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt verbonden. Er is weliswaar op meerdere punten gesteld dat niet is voldaan aan de eisen uit de motie-Recourt, welke eisen ook in de Aanwijzing zijn neergelegd (korte trajecten, toestemming van de minister) en dus ook niet conform de Aanwijzing was gehandeld, een belangrijker deel van het beroep op bewijsuitsluiting zag op het punt dat de motie-Recourt voor het Openbaar Ministerie bindend moet worden aangemerkt en het Openbaar Ministerie ten onrechte heeft nagelaten aan de hand van de randvoorwaarden het bedoelde normerend kader in het leven te roepen voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. En dat de inhoud van de Aanwijzing niet als dat bedoelde normerend kader kon worden aangemerkt, bijvoorbeeld omdat daaruit geen ‘zeer streng regime van waarborgen’ volgt en slechts wordt vermeld dat de inzet alleen onder strikte waarborgen mag plaatsvinden en omdat geen invulling wordt gegeven aan het vereiste dat inzet alleen plaatsvindt bij ‘zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ (en wat daaronder moet worden verstaan) maar vermeld wordt dat het moet gaan om zware criminelen en criminele organisaties, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. De formele voorwaarden waaronder tot rechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant zou kunnen worden gekomen zijn door het Openbaar Ministerie niet gecreëerd zodat van een rechtmatige inzet (reeds om die reden) geen sprake kan zijn.
Dit verweer, dat naar het oordeel van rekwirant voldoet aan de daaraan op grond van HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 en HR 1 december 2020, NJ 2021, 169 te stellen eisen, is een verweer waarop het Hof blijkens art. 359a lid 3 Sv en het zojuist genoemde arresten een gemotiveerde beslissing moest nemen.
II.2. Oordeel Hof
Voor het oordeel van het Hof is relevant dat onder het kopje ‘Algemeen standpunt van de verdediging’ gesteld wordt:
‘Daarnaast is aangevoerd dat de vereisten van art. 126w juncto 140 Sv zijn aangevuld met de vereisten uit de motie-Recourt. Die vereisten leveren via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht op en deze vereisten zouden in beginsel nageleefd moeten worden. Daarvan is geen sprake. Aan geen van deze vereisten is voldaan.’19.
Vervolgens is nadat tot de conclusie wordt gekomen dat het Openbaar Ministerie op grond van art. 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant, overgegaan tot de beoordeling of in deze zaak is voldaan aan de geldende voorwaarden voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Daarvoor worden eerst de vereisten uit art. 126w Sv nagelopen, vervolgens of voldaan is aan de vereisten van art. 140a Sv en art. 131 Wet RO. Daaromtrent wordt geoordeeld dat het College van procureurs-generaal te laat heeft ingestemd met de overeenkomst tot burgerinfiltratie zoals bedoeld in art. 126w Sv en dat op dit punt sprake is geweest van een vormverzuim. Ook ten aanzien van de voorwaarde de Minister van Justitie tijdig op de hoogte te brengen van de beslissing tot inzet van de criminele burgerinfiltrant is geoordeeld dat sprake is van een vormverzuim. Geoordeeld is dat niet enig gerechtvaardigd belang van verdachten door het vormverzuim is geschonden.
De overweging van de rechtbank dat de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden verwijst naar de motie-Recourt en de regels uit de Aanwijzing recht zijn in de zin van art. 79 Wet RO en tot het daarmee juridisch raamwerk behoren waaraan dient te worden getoetst, wordt door het Hof overgenomen. Als het Openbaar Ministerie zich immers niet aan de eigen regelgeving heeft gehouden kan dit een schending opleveren van de beginselen van een behoorlijke procesorde en een vormverzuim opleveren als bedoeld in art. 359a Sv.
Onder het kopje ‘Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?’ overweegt het Hof ten aanzien van ‘Zware criminelen en criminele organisaties’ dat het moet gaan om zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstige vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit en dat het Hof zich aansluit bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, te weten dat deze randvoorwaarde te vereenzelvigen valt met het in art. 126w Sv vervatte proportionaliteitsbeginsel. En dat behoudens Aanwijzingen voor het tegendeel bij de internationale drugshandel naar algemene ervaringsregels per definitie zware criminelen en criminele organisaties betrokken zijn en daarvan in onderzoek Vidar ook sprake is geweest. Omdat het gaat om aanmerkelijke handelshoeveelheden harddrugs, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat de internationale handel in harddrugs de samenleving ernstig kan ontwrichten omdat achter die handel doorgaans een wereld van (grootschalige) georganiseerde en ondermijnende criminaliteit schuilgaat waarbij het gebruik van (excessief) geweld niet geschuwd wordt. Aanvullend heeft het Hof overwogen dat het opsporingsonderzoek tot aan de aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie van begin 2019 had opgeleverd dat de reële verdenking was gerezen dat verdachten zich bezighielden met grootschalige internationale drugshandel en dat op dat moment er wel degelijk vrees is voor ondermijnende criminaliteit. Omdat het behalve om verdenkingen van grootschalige drugshandel ook om export naar diverse landen ging waarvan (kader)leden van de Hells Angels en motorclub Red Devils volgens vaste patronen betrokken leken te zijn, kon naar het oordeel van het Hof aangenomen worden dat er sprake was van zware criminaliteit en van een criminele organisatie.
Onder het kopje ‘Zeer succesvolle afscherming van criminele activiteiten waardoor deze met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt’ heeft het Hof zich aangesloten bij hetgeen de rechtbank reeds had overwogen, te weten dat deze voorwaarde valt te vereenzelvigen met het in art. 126w, tweede lid, Sv vervatte subsidiariteitsbeginsel. Voorts heeft het Hof overwogen dat uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat het gaat om een zeer gesloten groepering die zich succesvol weet af te schermen van de opsporingsautoriteiten.
Ten aanzien van de voorwaarde ‘Alleen in hoge uitzonderingsgevallen’ heeft het Hof zich aangesloten bij hetgeen de rechtbank hieromtrent had overwogen, te weten dat het feit dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant slechts in hoge uitzonderingsgevallen plaats mag vinden reeds blijkt uit de wettelijke voorwaarden voor die inzet. Daaruit kan worden afgeleid dat met die inzet zeer terughoudend moet worden omgegaan en dat aan die voorwaarde is voldaan zou blijken uit hetgeen ‘hierboven is toegelicht’. Kennelijk beoogt het Hof daarmee te verwijzen naar hetgeen ten aanzien van de vraag of is voldaan aan het vereisten van art. 126w Sv was overwogen.
Ten aanzien van de ‘Strikte waarborgen’ overweegt het Hof te hebben geconstateerd dat in de motie-Recourt, waarnaar in de Aanwijzing wordt verwezen, in de inleidende overwegingen de term strikte waarborgen wordt gebruikt en dat later in het verzoek aan de regering de term zeer streng regime van waarborgen is gebezigd. Het Hof stelt vervolgens vast dat de Aanwijzing spreekt van strikte waarborgen bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat de beoordeling voorligt de vraag of aan die voorwaarden is voldaan. Het Hof sluit zich voor wat betreft de toetsing aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, namelijk dat het feit dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant moet plaatsvinden onder strikte voorwaarden reeds blijkt uit de wettelijke voorwaarden waaronder de inzet mag plaatsvinden, maar ook uit de wijze waarop de infiltratie zal moeten worden uitgevoerd nu die uitvoering geen afbreuk zal mogen doen aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. Overwogen wordt dat in de Aanwijzing ten behoeve daarvan is opgenomen dat bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant steeds bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger en dat deze dan ook altijd begeleid moet worden door een opgeleide begeleider van de afdeling afgeschermde operaties van de Landelijke Eenheid.
Vervolgens sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank over het voortdurende toezicht dat is gehouden op het handelen van A-4110 als criminele burgerinfiltrant. Uit het procesdossier zou niet zijn gebleken dat tijdens het onderzoek Vidar de integriteit van opsporing op enig moment in het geding is gekomen, zo zou niet zijn gebleken dat het Openbaar Ministerie de regie over en de controle op het handelen van A-4110 kwijt is geraakt en dat uit stukken naar voren komt dat A-4110 stuurbaar en betrouwbaar was. In het licht daarvan wordt tot het oordeel gekomen dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant heeft plaatsgevonden onder strikte waarborgen. Het Hof stelt verder nog vast dat in de overeenkomst tot burgerinfiltratie afspraken en voorwaarden zijn opgenomen waar A-4110 zich aan moet houden en dat van de inzet van A-4110 door de voortdurend meervoudige WOD-begeleiding telkens verslag is gedaan. Verder hebben de WOD-begeleiders als getuigen verklaard en een toelichting gegeven over de inrichting van hun begeleiding, bijvoorbeeld hoe de selectie van A-4110 heeft plaatsgevonden, in welke frequentie zij contact hadden met A-4110 en hoe de verslaglegging na afloop van hun inzet plaatsvond. Gelet op al die omstandigheden concludeert het Hof, met de rechtbank, dat aan de in de Aanwijzing gestelde voorwaarden van inzet uitsluitend onder strikte waarborgen is voldaan, overigens ook in die zin dat het Hof van oordeel is dat is voldaan aan een zeer streng regime van waarborgen.
Ten aanzien van het vereiste dat voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit overweegt het Hof dat is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en dit reeds is uitgewerkt bij de bespreking van respectievelijk het eerste en tweede lid van art. 126w Sv.
Onder het kopje ‘De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van een groei-infiltrant’ sluit het Hof zich wederom aan bij de overwegingen van de rechtbank. Inhoudende dat door het Openbaar Ministerie niet is voldaan aan de genoemde randvoorwaarden. In het onderzoek Vidar is geen sprake geweest van een kortstondig traject en een eenmalige inzet, ook was het hoofddoel — vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) de Hells Angels bij de internationale handel in harddrugs — niet direct te bereiken. Het Hof is hier met de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie zich niet aan de eigen regelgeving heeft gehouden en dit een vormverzuim oplevert ex art. 359a Sv. Daar hoeven echter geen rechtsgevolgen aan te worden verbonden. De verdachten zijn door het geconstateerde vormverzuim niet daadwerkelijk in hun verdediging geschaad.
Het Hof heeft daar aan toegevoegd dat het van oordeel is dat bij infiltratie aan het begrip ‘kort’ en ‘kortdurend’ geen vastomlijnde of eenduidige betekenis kan worden gegeven. Of een inzet kortdurend is zal afhangen van diverse factoren omdat een infiltrant tijd nodig heeft om te infiltreren. Naar het oordeel van het Hof is het ook voor wat betreft de term groei-infiltrant belangrijk om te kijken naar het wezen en traject van de infiltratie. De definitie en uitspraken van de Minister (Opstelten in Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr.195, p. 20) vallen moeilijk te rijmen met de uitvoeringspraktijk. Maar omdat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen om een beperkte definitie in de Aanwijzing op te nemen, zijn rechtbank en Hof daaraan gebonden en moeten daaraan toetsen. Die toetsing verdient evenwel nuancering, zo volgt uit de overwegingen van het Hof. Vervolgens wordt inhoudelijk ingegaan op de wijze en duur van het infiltratietraject met A-4110 en stelt het Hof vast dat uit diverse processen-verbaal van aanvraag van burgerinfiltratie volgt dat het steeds de bedoeling is geweest en werd geprobeerd om de rol van A-4110 kleiner te maken of hem uit het infiltratietraject te halen, maar dat dat door het vertrouwen dat binnen de organisatie in A-4110 werd gesteld telkens vanwege uitlatingen en/of gedragingen van betrokkenen in die organisatie niet lukte. Ook deze aanvullende overwegingen maken dat het Hof van oordeel is dat het Openbaar Ministerie zich niet aan eigen regelgeving heeft gehouden en dit in die zin een vormverzuim oplevert ex art. 359a Sv, maar van oordeel is dat daaraan geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden.
Als laatste wordt door het Hof nog de voorwaarde genoemd dat de Minister toestemming moet geven voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Hieromtrent wordt vastgesteld dat de door de Minister verleende toestemming te laat is verleend nu de overeenkomst tot burgerinfiltratie op 1 maart 2019 al is gesloten. Dit levert — hoe dan ook — een vormverzuim op. Het Hof volstaat met de constatering dat er een vormverzuim is en heeft daar geen consequenties aan verbonden nu rekwirant daardoor niet in zijn belangen is geschaad.
Er wordt door het Hof aldus niet overgegaan tot bewijsuitsluiting en slechts deels wordt vastgesteld dat sprake is geweest van vormverzuimen.
II.3. Ten onrechte nagelaten (voldoende begrijpelijk) te responderen op het ex art. 359a Sv gedane beroep op bewijsuitsluiting
Naar het standpunt van rekwirant heeft het Hof ten onrechte niet gerespondeerd op zeer wezenlijk onderdelen (oftewel de kern) van het betoog waarin tot de conclusie werd gekomen dat sprake was van meerdere vormverzuimen en een beroep op bewijsuitsluiting werd gedaan wegens een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waardoor bewijsuitsluiting noodzakelijk werd geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat dergelijke vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Het Hof vat in algemene zin het standpunt dat namens rekwirant is ingenomen zo samen dat gesteld is dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht opleveren en deze in beginsel nageleefd zouden moeten worden en dat naar voren is gebracht dat daarvan geen sprake zou zijn en aan geen van die vereisten is voldaan. Het Hof oordeelt vervolgens zelf met de rechtbank (alleen) dat de in de Aanwijzing vastgestelde regels zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast, aangemerkt kunnen worden als recht in de zin van art. 79 Wet RO en derhalve onderdeel zijn van het juridisch raamwerk waaraan rechtbank en Hof dienen te toetsen. Het gaat er daarbij om dat wanneer het Openbaar Ministerie zich niet aan eigen regelgeving heeft gehouden dit een schending kan opleveren van de beginselen van een behoorlijke procesorde en eveneens een vormverzuim kan opleveren ex art. 359a Sv. Het betreft aldus het feit dat het Openbaar Ministerie in de Aanwijzing verwijst naar de motie-Recourt en de in de Aanwijzing neergelegde regels recht in de zin van art. 79 Wet RO opleveren dat het Hof toetst of het Openbaar Ministerie zich aan de eigen regelgeving heeft gehouden, omdat het Openbaar Ministerie zichzelf aan die regels gebonden had aldus en niet omdat de voorwaarden uit de motie-Recourt het Openbaar Ministerie bond enkel onder die omstandigheden tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant over te gaan. Om vervolgens, met de rechtbank, zeker ten aanzien van de uit de motie-Recourt volgende (aanvullende) vereisten dat sprake moet zijn van een zeer streng regime van waarborgen en de criminele burgerinfiltrant alleen mag worden ingezet bij de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit en bij zeer gesloten groeperingen, te oordelen dat die voorwaarden te vereenzelvigen zijn met de ook wettelijk (art. 126w Sv) al geldende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en het uitgangspunt dat de uitvoering geen afbreuk zal mogen doen aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. En deze dus niets zouden toevoegen aan die wettelijke vereisten.
Echter namens rekwirant is niet gesteld dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing alsnog dwingend recht opleveren en daarom nageleefd moesten worden, de verdediging heeft aangehaald dat de rechtbank tot dat oordeel was gekomen:
‘De rechtbank heeft zoals hierboven al aangestipt geoordeeld dat nu de eisen uit de motie-Recourt via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht opleveren deze in beginsel nageleefd zouden moeten worden.’
(pleitnota hoger beroep, randnummer 33). Namens rekwirant is niet gesteld dat die vereisten via de Aanwijzing dwingend recht opleveren en zo tot het juridische raamwerk van de (straf)rechter behoren, integendeel. Er is juist onderbouwde kritiek geuit op de wijze waarop de rechtbank tot het oordeel was gekomen dat de vereisten grotendeels te vereenzelvigen waren met de wettelijke vereisten en er is juist gesteld dat het Openbaar Ministerie de bij monde van de minister gedane toezegging dat zou worden voorzien in een streng normerend kader waarbinnen de inzet van een criminele burgerinfiltrant zou plaatshebben, niet is opgevolgd en het Openbaar Ministerie dus had nagelaten tot het strenge normerende kader te komen waar blijkens de motie-Recourt wel in had moeten worden voorzien en dit (ook in combinatie met het niet-naleven van voorwaarden uit de Aanwijzing) een vormverzuim opleverde waarbij bewijsuitsluiting het noodzakelijke rechtsgevolg werd geacht.
Zie daarover bijvoorbeeld ook de verdediging in randnummer 54 van de pleitnotities in hoger beroep, waarin wordt gesteld:
‘Ook heeft het Openbaar Ministerie zich aangesloten bij het (onjuiste) standpunt van de rechtbank dat via de Aanwijzing de voorwaarden uit de motie in ieder geval als recht in de zin van artikel 79 RO hebben te gelden.’
Uit het betoog van de verdediging blijkt (over)duidelijk dat het oordeel van de rechtbank dat het Openbaar Ministerie enkel door een eigen keuze zichzelf gebonden had geacht aan de vereisten uit de motie-Recourt als onjuist moest worden beoordeeld. Te meer nu die vereisten niet in dezelfde (drempelverhogende) terminologie in die Aanwijzing zijn neergelegd en de inhoud van de Aanwijzing niet kon gelden als de uitwerking van een geconcretiseerd zeer strikt regime van waarborgen en daarin niet tot uitdrukking werd gebracht wat moest worden verstaan onder ‘zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van criminaliteit’. En dat vervolgens als gevolg daarvan en bij aanvaarding van het oordeel dat alleen door het opnemen van vereisten in een Aanwijzing sprake was van een onderdeel van het juridisch raamwerk waar ook de (straf)rechter aan heeft te toetsen, het zo zou zijn dat het Openbaar Ministerie als uitvoerende macht niet alleen zelf de regels mag opstellen waaraan de inzet van een dergelijk ingrijpend en risicovol opsporingsmiddel moet voldoen en die inzet daar zelf aan mag toetsen, maar het opstellen van die regels ook achterwege kan laten of kan nalaten die regels overeen te laten komen met randvoorwaarden die door de Tweede Kamer als medewetgever zijn gesteld. Dat kan niet als juist worden aanvaard. Het is zoals door de verdediging gesteld de rechtsprekende macht die het optreden van uitvoerende macht toetst en het Hof onttrekt zich naar het standpunt van rekwirant aan die toetsing door geheel niet te responderen op het betoog dat het Openbaar Ministerie gebonden was aan de vereisten/randvoorwaarden uit de motie-Recourt en daar niet zelf een afgezwakte vorm van in een Aanwijzing kon neerleggen om zich enkel daaraan gebonden te achten, maar juist ter uitwerking van die motie diende te komen tot een strikt normerend kader waar vervolgens de inzet van de criminele burgerinfiltrant aan kan worden getoetst.
Aan de vraag of het Openbaar Ministerie gehouden was een geconcretiseerd normerend kader te scheppen waar vervolgens de inzet (ook nadien door de strafrechter) aan kan worden getoetst, is het Hof volledig voorbij gegaan. Dit terwijl het betoog niet alleen zag op het feit dat de vereisten zoals geformuleerd in de motie-Recourt niet op de dezelfde wijze en met een aanvullende en drempelverhogende strekking in de Aanwijzing zijn opgenomen, maar vooral ook op het feit dat daarin dat concrete normerende kader niet is neergelegd terwijl dat kader ook niet uit andere regelgeving van het Openbaar Ministerie volgt. Zeker het vereiste van een ‘zeer streng regime van waarborgen’ had blijkens hetgeen naar voren is gebracht nadere uitwerking moeten krijgen zodat kenbaar en toetsbaar zou zijn welke waarborgen daartoe behoren te worden nageleefd en ook kan worden nagegaan dat daarmee inderdaad sprake is van een zeer streng regime van waarborgen. Maar ook de uit de motie volgende eis dat de inzet alleen plaatsvindt ten aanzien van ‘zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ behoefde naar het standpunt dat namens rekwirant is ingenomen nadere uitwerking, nu de parlementaire geschiedenis daar nog niet concreet in voorzag.
Dat een gemotiveerde beslissing op het beroep op bewijsuitsluiting (ex art. 359a Sv) zoals gevoerd niet achterwege kon blijven, geldt te meer nu de rechtbank blijkens het vonnis (d.d. 17 augustus, p.10) wel heeft overwogen dat door de verdediging is betoogd dat het juridisch raamwerk niet voldoet omdat niet voldaan was aan de vereisten uit de motie-Recourt en de inhoud van de Aanwijzing niet toereikend was om het handelen van het Openbaar Ministerie bij de inzet van de criminele burgerinfiltrant (nader) te normeren, maar vervolgens naar het standpunt van rekwirant een onjuiste uitleg heeft gegeven van de (mogelijke) betekenis van moties en ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechter niet rechtstreeks gebonden is aan de inhoud van de motie-Recourt en de door de minister (Opstelten) in 2013 en 2014 gedane toezeggingen over de inzet van criminele burgerinfiltranten. En de verdediging in hoger beroep nu juist als gevolg daarvan onderbouwd naar voren heeft gebracht dat en waarom daar anders over moest worden geoordeeld en dit ook (op zijn minst) raakte aan de vraag of het Openbaar Ministerie gebonden moest worden geacht aan de vereisten uit de motie-Recourt en het (ondanks toezeggingen die daarover door de toenmalige minister zijn gedaan) nalaten daar gevolg aan te geven als gevolg had dat van een rechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant reeds geen sprake kon zijn.
II.4. Andere uitleg van het gevoerde verweer is onbegrijpelijk/zou niet voldoende begrijpelijk zijn
Indien het Hof is gekomen tot een andere uitleg van het gevoerde verweer, namelijk dat de vereisten uit de motie-Recourt (alleen) via de Aanwijzing alsnog dwingend recht opleveren en het handelen van het Openbaar Ministerie dus aan die Aanwijzing moet worden getoetst, is die uitleg — gelet op hetgeen naar voren is gebracht — onbegrijpelijk (en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd). En het kan het arrest om die reden niet in stand blijven.
II.5. Een voldoende begrijpelijke reactie op het ex art. 359a Sv gevoerde verweer ligt niet (reeds) besloten in het oordeel dat blijkens de parlementaire geschiedenis (ook) een formeel wettelijk verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet nodig werd gevonden omdat de wet in formele zin een vorm van de criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakte/in het oordeel dat moties slechts een — niet bindend — oordeel of verlangen kenbaar maken en kortgezegd voor de (straf)rechter geen rol spelen
Zoals gesteld hangt het standpunt zoals verwoord namens rekwirant samen met hetgeen in reactie op het vonnis naar voren is gebracht over de onjuiste uitleg die de rechtbank had gegeven aan de betekenis van moties, in het bijzonder dat een aangenomen motie een advies is aan de minister en dat het negeren daarvan politieke consequenties kan hebben maar voor de rechterlijke toetsing niet direct relevant is en de rechtbank voor de vraag of het juridisch raamwerk voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant voldoet dus niet rechtstreeks gebonden is aan de inhoud van de motie-Recourt of overigens aan de toezeggingen van toenmalig minister Opstelten. Uitsluitend in het kader van de legaliteitsdiscussie is het Hof vervolgens ingegaan op het wetgevingstraject en de betekenis van moties, echter de randvoorwaarden uit de motie-Recourt worden daar wel (summier) in genoemd en uit de (materiele) toetsing van het Hof aan verschillende genoemde vereisten/voorwaarden in de Aanwijzing volgt dat het Hof vervolgens (ook met rechtbank) van oordeel is dat die vereisten/voorwaarden grotendeels te vereenzelvigen zijn met de reeds wettelijk geldende voorwaarden van art. 126w Sv en/of het meer algemene uitgangspunt dat bij de toepassing van de inzet van een bijzonder opsporingsmiddel geen afbreuk mag worden gedaan aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Dat overweegt het Hof in ieder geval ten aanzien van het vereiste van ‘zware criminele en criminele organisaties’, ‘zeer succesvolle afscherming van criminele activiteiten waardoor deze met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt’, ‘alleen in hoge uitzonderingsgevallen’ en ‘strikte waarborgen’. Dit terwijl hetgeen namens rekwirant naar voren is gebracht duidelijk inhield dat sprake was van aanvullende vereisten, naast de proportionaliteits- en subsidiariteitseis van art. 126w Sv en algemene uitgangspunten bij de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen. Gelet op het feit dat voor de inzet van een burgerinfiltrant al geldt dat dit middel slechts in uitzonderlijke situaties kan worden ingezet en dit ten aanzien van de criminele burgerinfiltrant nog eens alleen zo is in nog uitzonderlijker gevallen (althans dat is beoogd).
Dat het Hof (in het kader van de legaliteitsdiscussie) overweegt dat uit de verhandelingen voorafgaande aan de motie-Recourt blijkt dat men zich ervan bewust was dat de wet een vorm van de criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt en een formeel-wettelijke verankering daarom niet nodig werd bevonden en ook de formeel-wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet nodig werd gevonden, kan uit de kamerstukken waar het Hof naar verwijst (zonder weergave van een paginanummer) niet volgen. In ieder geval niet voor zover daarmee wordt bedoeld dat de Tweede Kamer een wettelijke verankering van de randvoorwaarden niet nodig vond omdat de wet al een vorm van criminele burgerinfiltratie mogelijk maakte en dit ook zou betekenen dat met het aannemen van de motie-Recourt inhoudende de randvoorwaarden slechts een — niet bindend — oordeel of verlangen kenbaar is gemaakt ten aanzien van de minister (waar vervolgens het Openbaar Ministerie ook niet aan gebonden was). Voor zover al moet worden aangenomen dat het Hof dit bij de beoordeling van het verweer heeft betrokken, want zoals gezegd volgt dat niet zonder meer uit de overwegingen van het Hof.
Uit de kamerstukken waar het Hof naar verwijst (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195) volgt in ieder geval dat de vraag is gesteld of een randvoorwaarde (voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant) kan zijn dat dit wettelijk wordt verankerd, waarop het lid Recourt heeft geantwoord:
‘Het is reeds wettelijk verankerd. Niet die randvoorwaarden, maar die komen in de motie te staan.’
Door het lid Berndsen-Jansen is aangegeven:
‘In de wettelijke verankering kunnen de randvoorwaarden nadrukkelijk worden geregeld, waardoor je de deur wellicht op een kiertje kunt zetten, maar ook niet verder dan dat kiertje. Zo werd dit ook in de hoorzitting genoemd.’
Daarop heeft Recourt geantwoord:
‘We zien aan de motie-Kalsbeek hoe een motie kan uitwerken: zoiets kan een absoluut verbod opleggen. Daar hebben we dus geen wet voor nodig. We kunnen op dezelfde wijze in de motie de randvoorwaarden neerleggen, helemaal als daarbij hoort dat we de zaak na twee jaar bekijken.’20.
Daaruit volgt dat door Recourt gesteld is dat een wettelijke verankering voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant al bestond, maar niet dat in die wettelijke verankering (art. 126w Sv) ook al voldoende randvoorwaarden besloten lagen en het dus om die reden niet nodig werd gevonden die van een wettelijke verankering te zien: die noodzaak werd niet gezien omdat de randvoorwaarden in de voorgestelde motie terecht zouden komen. Waarbij uit het laatste antwoord nog kan worden opgemaakt dat het aannemen van die (of een) motie ook als voldoende zekerheid werd gezien dat van de inhoud daarvan niet zou worden afgeweken, daarvoor werd nu juist gewezen op hoe de motie-Kalsbeek al die jaren had uitgewerkt: als een absoluut verbod dat daarin was opgelegd voor het Openbaar Ministerie.
Met het voorgaande ligt naar het oordeel van rekwirant dan ook niet — en zeker niet voldoende begrijpelijk — in hetgeen het Hof over de betekenis van moties overweegt aangaande de vraag of voldaan was aan het vereiste van een wet in formele zin, besloten dat het van oordeel is geweest dat een motie niet als het Openbaar Ministerie bindend kan worden aangemerkt en het nalaten van het Openbaar Ministerie gevolg te geven aan de inhoud van een motie niet beoordeeld hoeft te worden (omdat alleen het nalaten aan de eigen regelgeving te voldoen een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en daarmee een vormverzuim kan opleveren). Gelet op hetgeen naar voren is gebracht is dat een onjuiste benadering van de (mogelijke) betekenis van het instrument van de motie in een wetgevingsproces en kan nu juist aan de parlementaire geschiedenis worden ontleend dat de randvoorwaarden waar de inzet van een criminele burgerinfiltrant aan moest voldoen zoals die zouden worden neergelegd in een motie (en dat ook zijn in de motie-Recourt) als bindend moesten gelden en moesten worden nageleefd (zoals steeds het in de motie-Kalsbeek geldende absolute verbod door het Openbaar Ministerie was nageleefd). Het andersluidende oordeel van het Hof is dan ook onjuist en in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk — voor zover de beoordeling van het Hof zo moet wordt opgevat dat reeds aan het verweer/beroep op bewijsuitsluiting voorbij kon worden gegaan gelet op het oordeel dat in een motie een oordeel of verlangen kenbaar wordt gemaakt aan minister of kabinet, maar die minister of het kabinet daar niet aan gebonden is.
II.6. Een voldoende begrijpelijke reactie op het ex art. 359a Sv gevoerde verweer ligt niet (reeds) besloten in hetgeen het Hof overweegt onder het kopje ‘Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?’
Als laatste moet nog worden opgemerkt dat — zoals gezegd — het Hof onder het kopje ‘Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?’ het handelen van het Openbaar Ministerie wel heeft getoetst aan de inhoud van de Aanwijzing waarvan het Hof stelt dat daarin wordt verwezen naar de vereisten uit de motie-Recourt, maar dat in die toetsing niet een (voldoende begrijpelijke) gemotiveerde beslissing besloten ligt op het verweer/beroep op bewijsuitsluiting zoals gevoerd namens rekwirant. Namens rekwirant is gesteld dat sprake was van meerdere vormverzuimen en ook in die zin dat het Openbaar Ministerie delen van de eigen regelgeving niet had nageleefd, bijvoorbeeld op het punt dat alleen sprake mag zijn van korte trajecten en dat niet (of niet tijdig) toestemming van de minister was gevraagd, echter ten aanzien van de overige randvoorwaarden is (in de kern) gesteld dat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten het bedoelde normerende kader te scheppen en de inhoud van de Aanwijzing niet als zodanig kan gelden. Ook niet voor zover daar vergelijkbare voorwaarden in zijn opgenomen, die door de rechtbank ook in de toetsing waren betrokken maar die niet (geheel) overeenkomen met de randvoorwaarden zoals deze blijken uit de motie.
Uit de beoordeling van het Hof wordt niet geheel duidelijk aan welke vereisten nu is getoetst, zo wordt onder ‘Zware criminelen en criminele organisaties’ (bewoordingen uit de Aanwijzing) gesteld dat sprake moet zijn van zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstige21. vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit (bewoordingen uit de motie), om vervolgens aan te sluiten bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen en aan te vullen dat sprake was van een verdenking van zware criminaliteit en een criminele organisatie op het moment van de aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie. Inhoudelijk blijkt aldus niet aan een zwaarder criterium te zijn getoetst dan dat sprake moet zijn van zware criminelen en criminele organisaties, terwijl ook het criterium van groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van criminaliteit wordt genoemd en naar het standpunt van rekwirant ook aan dat criterium getoetst had moeten worden — ook indien het Hof van oordeel was dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing onderdeel zijn geworden van het juridisch raamwerk waar aan moet worden getoetst aangezien dan de betekenis van de inhoud van de Aanwijzing moet worden uitgelegd conform de aanvullende en drempelverhogende strekking van de vereisten van de motie ten opzichte van de reeds uit art. 126w Sv geldende voorwaarden. Dat heeft het Hof duidelijk niet gedaan, door de overweging van de rechtbank over te nemen dat deze eis te vereenzelvigen valt met de uit art. 126w Sv al voortvloeiende proportionaliteitseis.
Ten aanzien van de ‘Strikte waarborgen’ (bewoordingen uit de Aanwijzing) noemt het Hof dat ook de motie spreekt van ‘strikte waarborgen’, zo ook van een ‘zeer streng regime van waarborgen’ en de Aanwijzing van ‘strikte waarborgen’, maar wordt niet duidelijk of het Hof nu van oordeel is dat hierin dezelfde voorwaarde tot uitdrukking komt en wat daar dan mee is bedoeld. Inhoudelijk komt het Hof tot het oordeel dat er kortgezegd steeds toezicht is geweest op het handelen van A-4110 als criminele burgerinfiltrant, sprake is geweest van (de)briefings, daar processen-verbaal van zijn opgemaakt, er opnames zijn gemaakt tijdens de inzet van A-41100 en A-4110 verhoord is en het Openbaar Ministerie daarbij nooit de controle op zijn handelen is kwijtgeraakt en daarmee voldaan zou zijn aan de uit de Aanwijzing volgende voorwaarde van inzet uitsluitend onder strikte waarborgen, ‘overigens ook in die zin dat het hof van oordeel is dat is voldaan aan een zeer streng regime van waarborgen’. Met name ten aanzien van deze randvoorwaarde ligt een respons op het ex art. 359a Sv gevoerde verweer niet besloten, nu uitdrukkelijk is gesteld dat het feit dat de inzet wellicht in dit geval heeft plaatsgevonden onder strikte waarborgen (hetgeen ook door de verdediging onderbouwd is betwist) niet maakt dat sprake is van een vooraf vastgesteld en in regelgeving neergelegd zeer streng regime van waarborgen, zoals dat als gevolg van de motie tot stand had moeten komen. Dat tijdens de toepassing van de inzet van dit opsporingsmiddel (strikte) waarborgen in acht zijn genomen, is wezenlijk iets anders dan dat er een kenbaar zeer streng regime van waarborgen is en daar de toepassing van de inzet vervolgens (ook achteraf) aan getoetst kan worden. In hetgeen het Hof overweegt ligt niet besloten dat het Hof heeft beoordeeld of dit door het Openbaar Ministerie ten onrechte is nagelaten en welke consequenties dat zou moeten hebben. Dat daarvan geen sprake is geweest en dus materieel er niet vanuit kon worden gegaan dat sprake is van een dergelijk normerend kader na opheffing van het verbod van de motie-Kalsbeek, is door de verdediging illustratief naar voren gebracht door te verwijzen naar de verhoren van begeleiders van A-41100 die in de kern hebben verklaard dat er vanaf het moment dat de infiltratie-overeenkomst werd gesloten in de dagelijkse aansturing of begeleiding van A-4110 (die al geruime tijd voor de start van onderzoek Vidar werkzaam was tegen betaling voor justitie) helemaal niets veranderde. Ook op die argumenten is geen reactie van het Hof gekomen. Ook in die zin is geen sprake van een (in deze overweging besloten liggende) voldoende begrijpelijk reactie op hetgeen namens rekwirant in aangevoerd.
Het enige dat het Hof (met de rechtbank) doet is vereisten zoals aangenomen in de motie-Recourt, of overigens zoals deze zijn opgenomen in de Aanwijzing, versoepelen of van het aanvullende en drempelverhogende karakter ontdoen door te stellen dat deze te vereenzelvigen zijn met de voorwaarden die wettelijk al uit 126w Sv volgen, dat deze algemeen uitgangspunt zijn bij de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden (zoals dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing) of anderszins nuance behoeven (zoals het vereiste dat de inzet kortdurend moet zijn kan). Waarmee er naar het standpunt van rekwirant aan voorbij wordt gegaan dat ook indien er van moet worden uitgegaan dat art. 126w Sv de inzet van een criminele burgerinfiltrant niet uitsluit, hoe dan ook sprake is van een bijzondere en meer risicovolle variant van bij de opsporing gebruik maken van een (gewone) burger. Uit de parlementaire geschiedenis, ook delen die het Hof wel heeft aangehaald, blijkt dat slechts in beperkte zin sprake kon zijn van de inzet van de criminele burgerinfiltrant en dit dus een bijzondere uitzonderingssituatie zou zijn (zoals ook in de Aanwijzing is opgenomen dat slechts in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen de inzet van dit middel mag plaatsvinden). Hoe dat past bij het (kennelijke) oordeel dat in de kern de inzet niet tot nauwelijks onderworpen hoeft zijn aan een (ook ten opzichte van de inzet van de ‘gewone’ burgerinfiltrant) strikt normerend en ook bij volgende inzetten toepasbaar kader is onbegrijpelijk.
Het Hof heeft zich er naar het standpunt van rekwirant aan onttrokken een oordeel te geven op een uitgebreid gemotiveerde en stellig naar voren gebrachte standpunten (waarbij nog eens puntsgewijs is herhaald in dupliek op welke punten een reactie werd gevraagd en waaruit eveneens kan worden afgeleid dat dit ten grondslag werd gelegd aan het beroep op bewijsuitsluiting en niet de samengevatte vorm die het Hof in het arrest heeft opgenomen) over de wijze waarop het Openbaar Ministerie — na zich jarenlang te hebben gehouden aan een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant — heeft gehandeld na opheffing van dat verbod (onder zeer strikte randvoorwaarden) bij de motie-Recourt, terwijl dit de eerste strafzaak was waarin daaromtrent een oordeel kon (en gelet op hetgeen is aangevoerd moest) worden gegeven.
Gelet op het voorgaande kan het arrest van het Hof niet in stand blijven.
III. Schending van art. 6 EVRM alsmede van de artt. 287, 288, 315, 330, 331, 350, 358, 359 en 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof (het ter terechtzitting gedane verzoek tot) de oproeping van de getuige aangeduid als A-4110 (de criminele burgerinfiltrant) afgewezen op onjuiste gronden, althans gronden die deze afwijzing niet, althans niet zonder nadere motivering (die ontbreekt) kunnen dragen, althans en in elk geval is deze afwijzing onbegrijpelijk,
nu zich immers door een nieuw ingebracht neuropsychologisch rapport (van prof. dr. [neuropsycholoog]) over deze getuige de omstandigheid voordeed dat de eisen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de concrete toepassing van het (van toepassing zijnde) ‘noodzakelijkheidscriterium’ niet wezenlijk behoort te verschillen van wat met de toepassing van het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ zou worden bereikt en niet, althans niet voldoende begrijpelijk, blijkt dat het Hof in die zin de juiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd;
en/of
is de afwijzende beslissing onbegrijpelijk, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het Hof in de kern aan de afwijzende beslissing op het verzoek ten grondslag heeft gelegd hoe de verhoren van A-4110 bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris zijn verlopen en geconcludeerd wordt dat de verklaringen van A-4110 bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris niet onbetrouwbaar of onbruikbaar zijn geworden en het verdedigingsbelang door de ingebrachte informatie van prof. dr. [neuropsycholoog] niet is gaan herleven en het hernieuwde verhoor van A-4110 niet noodzakelijk is en de verdediging door de afwijzing niet in zijn belangen wordt geschaad, terwijl namens rekwirant in de kern aan de motivering van het verzoek ten grondslag is gelegd dat gelet op de nieuw ingebrachte informatie van prof. dr. [neuropsycholoog] getwijfeld diende te worden aan de eerlijkheid en betrouwbaarheid van A-4110 en de (inhoudelijke) juistheid en betrouwbaarheid van diens verklaringen over hetgeen hij heeft waargenomen en ondervonden tijdens zijn inzet als criminele burgerinfiltrant in de onderzoeksperiode en de verdediging aan A-4110 zelf wilde vragen of hij destijds waanbeelden had, vanaf welk moment en daarover heeft gesproken met zijn begeleiders, en het Hof daaraan (ten onrechte) voorbij is gegaan,
althans en in elk geval heeft het Hof ten onrechte en in strijd met het recht de verklaring van deze getuige gebezigd voor het bewijs zonder rekwirant in de gelegenheid te stellen op voldoende (effectieve) wijze gebruik te maken van het ondervragingsrecht.
Toelichting
III.1. bewezenverklaring in vonnis en arrest en belang verklaringen A-4110 in bewijsconstructie
Blijkens het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 18 augustus 2022 is rekwirant in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 18/750038-20 schuldig bevonden aan (feit 1) het medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 140 kilo Amfetamine bestemd voor Finland door meermaals contact te hebben via cryptotelefoons over deze voorgenomen uitvoer, ontmoetingen te hebben in [b-plaats] in de [B] en in [pleegplaats 1] en in de [pleegplaats 2] in het [A] Hotel om te overleggen over deze uitvoer, door cryptotelefoons voorhanden te hebben om te communiceren over die uitvoer en door een geldbedrag van €78.00,00 voorhanden te hebben dat bestemd was voor de financiering van de uitvoer.
Ook is rekwirant schuldig bevonden aan het tweede tenlastegelegde feit, eveneens het voorbereiden van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van 300 kilo cocaïne en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA bestemd voor Australië, door meerdere ontmoetingen/gesprekken/overleggen te hebben in onder meer Thailand en [b-plaats] en [pleegplaats 2] en [pleegplaats 3], door meermalen contact te hebben en encrypted berichten te versturen per cryptotelefoon met een partij over de invoer van harddrugs naar Australië en de aanbetaling, door per handgeschreven briefje inlichtingen te vragen, door cryptotelefoons voorhanden te hebben om te communiceren over de uitvoer van harddrugs naar Australië, door een briefje met vragen over het opzetten van een transportlijn voor harddrugs naar Australië voorhanden te hebben.
Als feit 3 is rekwirant blijkens het vonnis schuldig bevonden aan het deelnemen aan een criminele organisatie bestaande uit [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en welke organisatie het oogmerk had tot het plegen van Opiumwetdelicten betrekking hebbend op lijst 1 middelen, strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet en/of witwassen als bedoeld in artikel 420ter Sr.
Als feit 4 is rekwirant blijkens het vonnis schuldig bevonden aan het medeplegen van het witwassen van €100.000,00 en €5.000,00 en €34.800,00 terwijl daarvan een gewoonte is gemaakt. Verder is nog bewezenverklaard dat rekwirant in zijn woning een wapen en munitie voorhanden heeft gehad.
Blijkens het arrest van het Hof d.d. 12 juli 2024 is ten aanzien van rekwirant een vergelijkbare bewezenverklaring gevolgd ten aanzien van de feiten 1 ,3, 4 en 5. Van het tweede feit is rekwirant in hoger beroep vrijgesproken. Ten aanzien van de het derde feit, het deelnemen aan een criminele organisatie is blijkens het arrest sprake van meer deelnemers aan het samenwerkingsverband, te weten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8].
Rekwirant heeft ontkend zich aan deze feiten schuldig te hebben gemaakt. Uit de aanvulling op het verkort vonnis kan worden opgemaakt dat de bewezenverklaring van in ieder geval de feiten 1, 2, 3 en 4 zoals de rechtbank daartoe is gekomen, voor een belangrijk deel is gebaseerd op opgenomen gesprekken waar A-4110 aan deelneemt en hetgeen A-4110 als criminele burgerinfiltrant heeft teruggekoppeld over hetgeen besproken is tijdens gesprekken waar hij bij aanwezig is geweest of waar hij over heeft gehoord. Zo zijn de verklaringen van A-4110 redengevend geweest voor de bewezenverklaringen, omdat uit de verklaringen van A-4110 zou moeten volgen wat de verdere inhoud en strekking van bepaalde onderlinge gesprekken is geweest en hoe opgenomen delen van gesprekken moeten worden begrepen en geduid. Dit is uiteindelijk in het arrest niet anders.
Uit de weergave van de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 (vanaf p. 82 van het arrest) blijkt dat voor bewijs veelvuldig gebruik is gemaakt van informatie van A-4110 in zijn functie als criminele burgerinfiltrant. Voornamelijk van hetgeen hij heeft verklaard ten aanzien van ontmoetingen die hij met de verdachten in de zaak Vidar heeft gehad, wat tijdens die ontmoetingen zou zijn besproken, wat hij tijdens die ontmoetingen heeft waargenomen over bijvoorbeeld ontmoetingen met andere verdachten, het afleveren van contant geld/doen van betalingen etc. Zo bijvoorbeeld ook over een ontmoeting met Finnen die in verband zou staan met een voorgenomen drugstransport naar Finland (arrest, p. 91). De verklaringen zijn belastend voor de verdachten die uiteindelijk ook als deelnemers aan een criminele organisatie zijn veroordeeld.
Specifiek ten aanzien van rekwirant kan het bijzonder gewezen worden op een tot het bewijs gebezigde verklaring van A-4110 over een gesprek dat hij met medeverdachte [medeverdachte 2] zou hebben gehad over ‘de boertjes’, dat deze boertjes in de veehandel zouden zitten en een van de boertjes zich bezig zou houden met drugstransporten en regelmatig naar Duitsland rijdt, dat die persoon de contacten heeft en ook een speciale telefoon en dit boertje al 20 jaar lang transporten zou doen. Die verklaring zou gaan over rekwirant (arrest, p. 96). Ook is de verklaring van A-4110 redengevend geacht voor de vaststelling dat er ontmoetingen zijn geweest met rekwirant, bijvoorbeeld bij Hotel [A] in de [pleegplaats 2], een ontmoeting die ook in de bewezenverklaring van feit 1 is genoemd. In het bijzonder redengevend voor het bewijs is ook een verklaring van A-4110 geacht over een ontmoeting op 3 augustus 2019 tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en een kleine Hells Angel die uit Italië zou komen. [medeverdachte 2] zou van een envelop met €5.000,00 een bedrag van €4.000,000 aan A-4110 in bewaring hebben gegeven en zij zouden hebben gesproken over het transport naar Finland, waarvan A-4110 heeft verklaard dat ‘de boer’ dit transport regelt (arrest, p. 103). Eveneens belastend specifiek ten aanzien van rekwirant is een verklaring van A-4110 over een ontmoeting op 6 augustus 2019 waarbij [medeverdachte 2], rekwirant en A-4110 aanwezig zouden zijn geweest, waar blijkens de verklaring van A-4110 gesproken zou zijn over Finland en rekwirant zou hebben gezegd dat het logistiek moeilijker is om naar Finland te brengen, dat er nog betaald moet worden en dat [medeverdachte 2] na die bespreking tegen A-4110 heeft gezegd dat de drugs naar [pleegplaats 3] gaan en dat het daar op de vrachtwagen wordt gebracht (arrest, p. 107). Op deze manier zou kunnen worden verdergegaan met het beschrijven van de bewijsconstructie, ten aanzien van veel ontmoetingen die zouden hebben plaatsgevonden en opgenomen gesprekken volgt uit het arrest dat A-4110 daar steeds over verhoord is en belastend heeft verklaard over de betekenis van die ontmoetingen en gesprekken in het kader van het tenlastegelegde.
III.2. Verloop inhoudelijke behandeling en het gedane verzoek (bij pleidooi) tot het opnieuw horen van A-4110
Gelet op het belang van de belastende informatie die afkomstig is van A-4110 zoals daar al van bleek uit het vonnis tegen rekwirant, is door zijn raadsvrouw bij appelschriftuur d.d. 12 september 2022 al direct verzocht de criminele burgerinfiltrant A-4110 te horen als getuige ter zake zijn inzet als criminele burgerinfiltrant en de door hem afgelegde verklaringen. Dat verzoek is blijkens het (tussen) arrest van het Hof d.d. 29 augustus 2023 afgewezen omdat A-4110 in eerste aanleg door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging is gehoord en om die reden is getoetst aan de hand van het noodzaakscriterium. Overwogen is dat de verdediging haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, dat A-4110 uitvoerig is gehoord op meerdere dagen en de raadsvrouw van rekwirant hierbij aanwezig is geweest en ook gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid vragen te stellen.
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 5, 9, 12 en 16 februari 2024 en 12 juli 2024 — zijnde het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling van deze zaak in hoger beroep — is namens rekwirant, door zijn raadsvrouw mr. Biesmans, bij aanvang een aanhoudingsverzoek gedaan om A-4110 als getuige te horen. Aan het verzoek heeft zij het volgende ten grondslag gelegd:
‘In hoger beroep heeft een regiezitting plaatsgevonden. Pas maanden na die regiezitting werd bekend dat A-4110 lijdt aan waanbeelden. Dat was niet bekend toen wij A-4110 in eerste aanleg hebben gehoord. In mijn pleitnota in eerste aanleg is gewezen op veel discrepanties tussen OVC-gesprekken en hetgeen A-4110 later aan zijn begeleiders heeft verteld. De verdediging wil A-4110 horen over de waanbeelden. Het hof heeft de mogelijkheid geboden om nadere vragen te stellen aan de neuropsycholoog, maar de vragen die de verdediging heeft zien op het beleven van die waanbeelden en het informeren van zijn begeleiders en psychologen. Dat zijn vragen die alleen A-4110 kan beantwoorden. De verdediging wil hem ook bevragen over of hij alle vragen die hem eerder zijn gesteld goed heeft begrepen. Met name omdat de neuropsycholoog zegt dat A-4110 zeer slechthorend is, en als A-4110 dingen niet goed begrijpt vult hij die in en dan geeft hij aan wat hij denkt te hebben gehoord of gezien. Gelet op ons verweer in eerste aanleg in de verdediging de noodzaak om hem te horen als getuige. Daarbij speelt ook een rol dat de rechtbank naar aanleiding van het verweer over de rechtmatigheid van de inzet van A-4110 vier vormverzuimen heeft geconstateerd en er geen rechtsgevolgen aan heeft verbonden. Nu blijkt dat de CBI tijdens de inzet in het onderzoek Vidar aan waanbeelden leed die, zoals neuropsycholoog zegt, in ernst toenamen. Dat in combinatie met zijn slechthorendheid en met het invullen van dingen die hij denkt te hebben gezien en gehoord is de noodzaak om die A4-4110 te horen aanwezig. Het hof moet zich ervan vergewissen of de procedure in zijn geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 van het EVRM. De vereniging vindt het van belang dat het verhoor van A-4110 plaatsvindt voor het requisitoir.’
Vervolgens blijkt uit het proces-verbaal terechtzitting dat eerder per e-mail gecommuniceerd is over dit verzoek en het Hof heeft gevraagd of het akkoord is dat het Hof na de inhoudelijke behandeling van alle zaken in raadkamer een beslissing neemt op het verzoek en dan eventueel bij tussenarrest het onderzoek kan heropenen. De raadsvrouw heeft daarop medegedeeld dat het Hof een beslissing kan nemen na de feitenbehandeling. Het Openbaar Ministerie is wel in de gelegenheid gesteld direct op het verzoek te reageren. Die reactie houdt in dat de kern van het aanhoudingverzoek is gelegen in de omstandigheid dat de verdediging stelt dat A-4110 in aanwezigheid van een neuropsycholoog moet worden gehoord bij de raadsheer-commissaris om op die manier te kunnen verifiëren of A-4110 alle vragen goed heeft begrepen en om te kunnen vaststellen of na een goed begrip van de vraag antwoord is gegeven en het Openbaar Ministerie meent dat dit verzoek moet worden afgewezen en dus ook het aanhoudingsverzoek omdat de raadsheer-commissaris heeft kennis genomen van het rapport van 22 oktober 2023 van de neuropsycholoog en toen in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 7] de beslissing heeft genomen dat het niet nodig was om een neuropsycholoog aanwezig te laten zijn bij het verhoor van A-4110 (dat in de zaak [medeverdachte 7] nog niet had plaatsgevonden). Gesteld is dat de verdediging in alle zaken een afschrift van verhoor heeft ontvangen. De raadsheer-commissaris en andere aanwezigen hadden zich nadrukkelijk van vergewist of A-4110 de vragen begreep. Ten aanzien van het andere punt dat de verdediging naar voren heeft gebracht, te weten de betrouwbaarheid van A-4110 in de onderzoeksperiode, is door het Openbaar Ministerie gesteld dat de bevindingen en verklaringen van A-4110 betrouwbaar zijn, ook al is in een later stadium een en ander bekend geworden over de geestelijke gesteldheid van A-4110. De betrouwbaarheid zou vaststaan omdat uit het dossier blijkt dat alles wat A-4110 heeft gedaan volstrekt onder controle en sturing van politie en justitie is geschiedt en via opgenomen OVC-gesprekken of anderszins toetsbaar is.
Vervolgens is de raadsvrouw nog in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, zij heeft aangevoerd:
‘Het gaat mij er niet alleen omdat ik wil kunnen toetsen of A-4110 de vragen in eerste aanleg heeft begeven, maar ik wil hem bevragen over de waanbeelden waarvan nu pas sprake blijkt te zijn. Hij is de kernfiguur in het hele proces. Ik wil vragen wanneer die waanbeelden begonnen zijn, wat voor effect die hadden en of hij zijn begeleiders op de hoogte heeft gebracht et cetera. Het bewijsmiddel in de zaak van mijn cliënt is met name de verklaringen van A-4110. Het is absoluut noodzakelijk om A-4110 opnieuw te horen.’
De advocaten-generaal hebben vervolgens afgezien van een nadere reactie.
Na een onderbreking is het onderzoek ter terechtzitting hervat en heeft het hof een beslissing genomen op het verzoek, deze beslissing houdt het volgende in:
‘Het hof heeft voor de beoordeling van het verzoek gekeken naar de in houd van het gehele dossier in het bijzonder de verklaringen van A-4110 zoals die zijn afgelegd. In de zaak van verdachte is een verhoor geweest bij de rechter-commissaris dat meerdere dagen heeft bestreken. Het hof heeft in het tussenarrest daarover overwogen dat daar de gelegenheid is geweest tot het ondervragen van A-4110. Destijds bij de rechtbank is ook aandacht geweest voor de manier van verhoren van A-4110 en dat is ook terug te zien in de vraagstelling. Je kunt lezen dat er bijvoorbeeld een pauze werd genomen door de rechter-commissaris of door hem wordt ingegrepen ter verduidelijking van een vraag en dat A-4110 toen ook werd bijgestaan door een advocaat als adviseur die ook heeft ingegrepen wanneer in de visie van die advocaat de vraagstelling voor A-4110 niet helder was. In hoger beroep is door het Openbaar Ministerie informatie en de wens ingebracht om de raadsheer-commissaris onderzoek te laten doen naar de psychische situatie van A-4110. De raadsheer-commissaris heeft dat verzoek opgepakt in alle zaken. Er is een deskundige benoemd. De raadsheer-commissaris heeft in alle zaken de raadslieden gelegenheid geeft om schriftelijk vragen in te brengen zodat we konden worden meegenomen in het deskundigenonderzoek naar de psychische situatie van A-4110. Daar is geen gebruik van gemaakt. Het onderzoek heeft geleid tot een deskundige rapportage van prof. dr. [neuropsycholoog]. A-4110 is door hem onderzocht en bij zijn onderzoek heeft hij vragen beantwoord. Het hof heeft gekeken naar de inhoud van alle verklaringen die er liggen en ook naar de conclusies van prof. dr. [neuropsycholoog], zoals die zijn getrokken naar aanleiding van zijn onderzoek. Daarbij is ook betrokken het bestaan van waanbeelden zoals prof. dr. [neuropsycholoog] dat heeft geduid. Het is heel helder dat er een zorgvuldige waardering en beoordeling van de verklaringen van A-4110 moet plaatsvinden. Gelet op hetgeen nu is aangevoerd maakt echter niet, dat ook gelet op wat prof. dr. [neuropsycholoog] heeft geconcludeerd, en gelet op het feitelijke verloop van de verhoren van bij A-4110 de rechter-commissaris waarbij aandacht heeft bestaan voor de begrijpelijkheid van de vragen, dat in dit stadium van de procedure zoals die nu bij het hof dient, het noodzakelijk is dat er een hernieuwd verhoor van A-4110 plaatsvindt en het maakt ook niet dat op dit moment moet worden aangenomen dat een hernieuwd verhoor in het belang is voor enig te nemen beslissing in de zin van 348/350 Sv. Dat betekent dat het hof het verzoek tot aanhouding om A-4110 opnieuw te horen zoals dat nu ter zitting is gedaan niet toewijst.’
Na deze beslissing is verder gegaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak, waaronder de ondervraging van rekwirant.
Uit het proces-verbaal blijkt dat op 12 februari 2024 het onderzoek ter terechtzitting is hervat en dit het moment is geweest waarop namens rekwirant door zijn raadsvrouw pleidooi is gevoerd. De pleitnotities zijn aan het proces-verbaal terechtzitting gehecht en de inhoud daarvan is geacht te zijn ingevoegd in het proces-verbaal terechtzitting. Uit die pleitnotities volgt dat uitgebreid is ingegaan op de (on)betrouwbaarheid van A-4110 en diens afgelegde verklaringen. Daarvoor is ten aanzien van de feiten waarvan rekwirant werd verdacht verwezen naar delen van verklaringen van A-4110 over zaken die besproken zouden zijn met of in aanwezigheid van rekwirant, terwijl de inhoud van die gesprekken niet bevestigd wordt door de inhoud van de OVC-opnames van die gesprekken.22. Voorts is een veelheid van voorbeelden genoemd van de slechthorendheid van- en onwaarheden vertelt door A-4110.23.
Voorts is ingegaan op de in het hoger beroep verkregen informatie over mentale problemen bij A-4110 tijdens zijn inzet in het onderzoek Vidar. Daartoe is het volgende naar voren gebracht:
‘Dat klemt temeer nu er in de hoger beroep fase informatie is verstrekt over mentale problemen bij A-4110 tijdens zijn inzet in het onderzoek Vidar. Prof Prof. dr. [neuropsycholoog] heeft — A-4110 op 19 oktober 2023 onderzocht en heeft gerelateerd dat A-4110 sinds 2017/2018 geluiden en stemmen begon te horen waar hij heftig op kon reageren. Deze later als ‘waanbeelden’ getypeerde verschijnselen namen later (lees: tijdens het onderzoek Vidar) in ernst toe. Hij had daar veel last van, vooral van de stemmen die altijd dreigend waren.
De deskundige heeft voorts gerelateerd dat het zeer slechte gehoor van A-4110 de testprestaties, zeker bij de verbale geheugentaken, heeft gedrukt. Opvallend is dat A-4110 nauwelijks of te laat aangeeft dat hij instructies en verbaal aangeboden test items niet goed verstaat en/of er een eigen betekenis aan geeft. Hij vertelt wat hij meent gehoord of begrepen te hebben, aldus professor [neuropsycholoog].
De politiemedewerker die hem al kent sinds 2016 heeft hierover gemeld dat A-4110 een tijd lang minder goed heeft gefunctioneerd (met de eerste tekenen in 2017/2018) door het slechte slapen en het horen van stemmen, maar dit is met medicatie verholpen. Daarbij zij opgemerkt dat A-4110 ten tijde van het neuropsychologisch onderzoek eerst sinds een half jaar — derhalve vanaf juli 2023 — gebruikt hij medicatie en zijn de waanbeelden nagenoeg (dus nog niet helemaal) afwezig. Overigens liegt die medicatie daar ook niet om: Risperidon remt wanen (je gelooft of denkt dingen die niet kloppen) en hallucinaties (je ziet, voelt of hoort dingen die er niet zijn). Het wordt voorgeschreven bij psychoses, schizofrenie, manie en dementie.
Daarbij zij opgemerkt dat B-2992 op 9 januari 2024 ten overstaan van de RHC heeft verklaard (pag. 4) dat hij merkte dat A-4110 wel eens dingen door elkaar haalde. Dat hij dingen of tijdstippen door elkaar haalde.
De advocaten-generaal zijn tot de conclusie gekomen dat er geen indicaties waren voor mentaal disfunctioneren van A-4110 tijdens zijn inzet in het onderzoek Vidar omdat zijn inzet aan de hand van onafhankelijk bewijsmateriaal, zoals OVC-opname, kan worden getoetst.
Dat is niet helemaal correct. Om u een paar voorbeelden te geven:
- —
Het fentanyl nieuw verhaal;
- —
De ontmoeting bij de [B] met A-4110 en [medeverdachte 2] op 10 september:
A-4110 heeft over deze ontmoeting verklaard (pag. 9837EV./Digitale pag. 8800) dat [medeverdachte 2] nog met cliënt had afgesproken over 50 liter efedrine die naar Noorwegen moet en het transport van 140 kilo naar Finland. Ik hoorde dat de boer zei dat het geen probleem was, naar Noorwegen rijden ze elke week.
OVC pag. 3996 (digitale pag. 2945):
In de hele opname is geen woord te horen over efendrine, Noorwegen of 140 kilo die naar Finland moet!!!
- —
Het gegeven dat cliënt zegt dat hij koeien heeft gekocht in Oost-Berlijn (te horen op de OVC) en A-4110 heeft verklaard dat cliënt Bulgarije zou hebben gezegd.
Voorts heeft A-4110 verteld dat dat cliënt elke week vee opkoopt in Brazilië. Dat heeft hij nog nooit gedaan en dat de boeren zeetransporten hebben naar Marokko, Australië, Denemarken, Finland en Noorwegen. Cliënt (evenals zijn broer) heeft nog nooit een koe verkocht naar een van deze landen. Het is jammer dat het Openbaar Ministerie dit zonder meer voor waarheid heeft aangenomen. Het was namelijk heel eenvoudig geweest om het bedrijf van cliënt en dat van zijn broer te controleren en na te gaan naar welke landen koeien en kalveren worden geëxporteerd. Dit wordt namelijk allemaal nauwkeurig bijgehouden door het veterinair ambt. Anders krijg je niet eens exportpapieren.
Het is dan wel opmerkelijk te noemen dat de begeleiders van A-4110 die de OVC's uitluisteren, de verklaring van A-4110 klakkeloos overnemen!
Gelet op het bovenstaande, kan ik slechts concluderen dat er naast materiële en formele vormverzuimen, sprake was van mentale problemen bij A-4110.
Mr. [officier], officier van justitie bij het Landelijk parket, destijds belast met de inzet van burgers in opsporing, heeft hier op 7 februari 2024 over aangegeven dat hij betrokken is geweest bij de intake van A-4110 in de voorbereiding op diens inzet in het onderzoek Vidar. Deze intake heeft onder meer bestaan uit een psychologisch onderzoek. Ten tijde van de intake en de daaropvolgende periode waarin A-410 is ingezet in het onderzoek Vidar was hij niet bekend met mentale problemen bij A-4110. Deze zijn ook niet naar voren gekomen bij het destijds uitgevoerde psychologisch onderzoek. Hij heeft voorts nog aangegeven dat uit de processen-verbaal van de verantwoordelijke officieren van justitie blijkt dat tijdens de inzet van A-4110 geen mentale problemen aanwezig waren. Als dat wel het geval zou zijn geweest, was inzet onmiddellijk gestaakt.
De neuropsycholoog prof. dr. [neuropsycholoog] heeft geconstateerd dat deze mentale problemen wel degelijk aanwezig waren en bovendien tijdens de het onderzoek Vidar in ernst toenamen, zet ik vraagtekens bij het psychologisch onderzoek tijdens de intake van A-4110. Nu het OM heeft aangegeven niet op de hoogte te zijn geweest van de waanbeelden, waanbeelden die blijkbaar zo ernstig waren dat hij een buurman geagiteerd heeft aangesproken en heeft beschuldigd — kan het niet anders dan dat A-4110 op geen enkel moment melding heeft gemaakt van die waanbeelden en heeft hij blijkbaar ook de uitvoerder van het psychologisch onderzoek om de tuin kunnen leiden.
Dat levert wat mij betreft grote twijfels op over de eerlijkheid en betrouwbaarheid van A-4110, de spilfiguur in deze strafzaak, wiens inzet niet zoals het OM betoogt volledig kan worden getoetst aan de hand van OVC-opname. De noodzaak om A-4110 hernieuwd te horen als getuige, is daarmee gegeven. Indien uw hof mijn mening deelt, wil ik u vriendelijk verzoeken dat te gelasten middels het wijzen van een tussenarrest. D
e stelling van het OM dat er geen indicaties zijn van mentaal disfunctioneren in die tijd, is voor mij een raadsel gelet op de bevindingen van prof. dr. [neuropsycholoog].’
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting heeft de raadsvrouw aan pagina zes van het pleidooi het volgende toegevoegd:
‘Ik moet zeggen dat het verdedigingsbelang van toepassing is. Het verzoek moet aan dat criterium worden getoetst. Primair is het verzoek om alles voortgekomen uit de inzet van A-4110 van het bewijs uit te sluiten. Subsidiair doet de verdediging het verzoek om A-4110 opnieuw te horen. Het hof kan zich bij tussenarrest uitlaten over dit verzoek.’
III.3. De beslissing op het verzoek van het hof en de motivering daarvan
Blijkens het arrest d.d. 12 juli 2024 heeft het Hof een beslissing genomen onder het kopje ‘Voorwaardelijk verzoek’ op p. 53–55 van het arrest. Het Hof constateert eerst dat in hoger beroep het (voorwaardelijk) verzoek is gedaan om A-4110 nogmaals te horen. Dat op het verzoek A-4110 opnieuw te horen in het tussenarrest een beslissing is genomen waaruit volgt dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat verdediging haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen nu de getuige is gehoord bij de rechter-commissaris.
Het Hof heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:
‘Beslissing in tussenarrest
Het hof heeft in de zaak op het verzoek om het (opnieuw) horen als getuige van A-4110 in zijn tussenarrest het navolgende overwogen:
‘A-4110
(…)…
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat deze verzoeken dienen te worden afgewezen. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Deze getuigen zijn reeds gehoord bij de rechter-commissaris.
A-4110 is uitvoerig gehoord en wel op 21 september 2021, 23 september 2021, 29 april 2021 en 30 april 2021. Ten aanzien van de verhoren in september 2021 heeft dit geresulteerd in een proces-verbaal van verhoor van 1,5 pagina's en wat de verhoren in april 2021 betreft in een proces-verbaal van verhoor van 45 pagina's. De raadsvrouw was hierbij aanwezig. De verdediging, van verdachte heeft de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen en heeft van deze mógelijkheid gebruik gemaakt.
(…)
Het hof ziet in de door de verdediging gegeven onderbouwing geen noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen. Het hof ziet daarnaast ook niet vanwege een andere reden de noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen. Er is alles afwegend sprake geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid en de procedure voldoet in haar geheel aan het door artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.’
Oordeel van het hof op het voorwaardelijk verzoek
Vraag is of hetgeen de verdediging bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft aangevoerd tot een andere afweging dan in het tussenarrest leidt. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is.
Het hof heeft de motivering van het verzoek tot een hernieuwd verhoor bij zijn afweging betrokken. Het hof heeft in het kader van de beoordeling daarvan de inhoud van het gehele dossier en in het bijzonder de verschillende verklaringen van A-4110 zoals die bij de politie en bij de rechter-commissaris zijn afgelegd in aanmerking genomen. Het hof heeft in het tussenarrest al overwogen dat bij de rechter-commissaris de gelegenheid is; geweest en/of genomen tot het ondervragen van A-4110. Het hof stelt vast dat in hoger beroep in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 7] A-4110 bij raadsheer-commissaris gehoord. In die zaak was A-41 10 immers nog niet door de rechter-commissaris gehoord. Die verklaring bij de raadsheer-commissaris is in de zaak van verdachte gevoegd.
Het hof heeft bij zijn afweging in het bijzonder gelet op het navolgende. In hoger beroep heeft de raadsheer-commissaris, op verzoek van het Openbaar-Ministerie, onderzoek laten doen naar de psychische situatie van A-4110. Dit heeft geleid tot een deskundigenrapportage van prof. dr. [neuropsycholoog] die in alle zaken is gevoegd. De raadsheer-commissaris heeft in alle zaken de raadslieden gelegenheid gegeven om schriftelijk vragen in te brengen zodat die konden worden meegenomen in het deskundigenonderzoek naar de psychische situatie. Daar is geen gebruik van gemaakt. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek betrokken het onderzoek en de conclusies die prof. dr. [neuropsycholoog] heeft getrokken naar aanleiding van zijn onderzoek, ook ten aanzien van het bestaan van waanbeelden zoals prof. dr. [neuropsycholoog] dat duidt.
Het hof begrijpt uit het rapport van prof. dr. [neuropsycholoog] dat op basis van de huidige informatie niet valt te zeggen hoe A-4110 functioneerde tijdens zijn inzet in Vidar en tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris.
Het hof stelt vast dat er bij de rechter-commissaris en bij de raadsheer-commissaris speciale aandacht is geweest voor de gezondheidstoestand van A-4110. Hij werd tijdens het verhoor bijgestaan door een advocaat, er werd gepauzeerd en er is ingegrepen wanneer in de visie van de advocaat van A-4110 de vraagstelling niet helder was. De rechter-commissaris grijpt zelf ook in wanneer wordt gesignaleerd dat — al dan niet naar aanleiding van een ingewikkelde vraagstelling — verduidelijking noodzakelijk is. Het hof heeft ook gezien dat er aandacht is geweest voor het gehoor van A-4110 en dat ook daar is ingegrepen als er iets niet duidelijk bleek. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat het verhoor door de rechter-commissaris en door de raadsheer-commissaris in de gevoegde verklaring op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Voorts stelt het hof vast dat de antwoorden van A-4110 op de gestelde vragen niet onbegrijpelijk zijn of duiden op verwarring of onbegrip. Bij onduidelijkheid wordt doorgevraagd en concreet antwoord gegeven. Voor zover er op bepaalde punten iets anders of nieuws in de verklaring naar voren komt, geeft A-4110 op vragen die hem dan worden gesteld nadere uitleg. De antwoorden die worden gegeven passen bij de gestelde vragen en de antwoorden vinden qua inhoud ondersteuning in het dossier. Op grond van al deze omstandigheden, in samenhang bezien, concludeert het hof dat de verklaringen van A-4110 bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris niet als onbetrouwbaar en onbruikbaar zijn geworden en dat het verdedigingsbelang door de ingebrachte, informatie van prof dr. [neuropsycholoog] niet is gaan herleven. In de motivering tot hernieuwd verhoor vindt het hof derhalve geen aanleiding uit te gaan van het door de verdediging gestelde belang over te gaan tot hernieuwd verhoor. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk dat er een hernieuwd verhoor van A-4110 plaatsvindt en de verdediging wordt door afwijzing van het verzoek niet in zijn belangen geschaad. Een hernieuwd verhoor is niet van belang voor enige te nemen beslissing in de zin van 348/350 Sv. Er is, alles afwegende, sprake geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid en de procedure voldoet in haar geheel aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof wijst het verzoek af.’
III.4. Onjuiste beoordelingsmaatstaf/niet voldoende duidelijk dat de juiste beoordelingsmaatstaf is gebruikt
Naar het standpunt van rekwirant is niet, althans niet zonder meer, begrijpelijk dat het Hof het verzoek A-4110 (opnieuw/nogmaals) te horen heeft afgewezen en/of berust die afwijzing op onjuiste gronden. Meer in het bijzonder is gegeven het belang dat aan het horen van A-4110 gehecht moest worden niet begrijpelijk dat het Hof dit verzoek heeft afgewezen, met de motivering dat een hernieuwd verhoor niet van belang is voor enige te nemen beslissing in de zin van art. 348/350 Sv en er, alles afwegende, al sprake is geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid en de procedure in haar geheel voldoet aan de door art. 6 EVRM te stellen eisen.
Van belang is dat gesteld is door de verdediging (dat staat ook niet ter discussie) dat in een vrij late fase in het hoger beroep belangrijke nieuwe informatie over deze zeer belangrijke getuige (bovendien een criminele burgerinfiltrant) is verkregen en aan de processtukken is toegevoegd. Het Hof overweegt dat op verzoek van het Openbaar-Ministerie de raadsheer-commissaris onderzoek heeft laten doen naar de psychische situatie van A-4110 en dat dit heeft geleid tot een deskundigenrapportage van prof. dr. [neuropsycholoog] die in alle zaken is gevoegd. Die rapportage is blijkens de motivering van het verzoek van de raadsvrouw — in samenhang met de door haar naar voren gebrachte onjuistheden in de verklaringen van A-4110 en de voorbeelden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat op belangrijke en voor het bewijs relevante onderdelen niet steeds juist of betrouwbaar is verklaard door A-4110 — de aanleiding is geweest om ten tijde van de inhoudelijke behandeling opnieuw te verzoeken A-4110 (nogmaals) te horen. Dat verzoek is uiteindelijk ook bij pleidooi nog gedaan, subsidiair aan het standpunt dat tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van A-4110 moest worden gekomen wegens het standpunt dat kortgezegd sprake was van een onrechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant, tot welke beslissing het Hof blijkens het arrest niet is gekomen. Het getuigenverzoek zoals (nogmaals) gedaan bij pleidooi lag dus aan het Hof voor, daar moest op worden beslist. De raadsvrouw heeft daarvan aangegeven dat het verdedigingsbelang van toepassing was bij de beoordeling van het verzoek.
Gelet op het feit dat in deze fase van het hoger beroep (en in ieder geval ruimschoots na de regiefase) sprake was van belangrijke nieuwe informatie over deze getuige — en tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist — brengt de eis van een eerlijke procesvoering mee dat het Hof bij gebruikmaking van de wettelijke bepalingen, hoewel het ‘noodzakelijkheidscriterium’, zoals vastgelegd in artikel 315 Sv van toepassing is, de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk behoort te verschillen van wat met de toepassing van het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ zou worden bereikt (HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702).
Alhoewel het Hof, indien uitsluitend artikel 315 Sv in acht wordt genomen, het juiste (wettelijke) criterium lijkt te hebben toegepast is de weigering om A-4110 op te roepen/toewijzend te beslissen op het verzoek A-4110 te horen niet goed, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, begrijpelijk, gegeven de eisen, zoals geformuleerd in uw arrest van 19 juni 2007, die een eerlijke procesvoering in deze met zich mee brengen, mede gelet op het tijdstip waarop het verzoek in hoger beroep kon worden gedaan en werd gedaan. De overwegingen van het Hof duiden erop dat getoetst is aan het noodzakelijkheidscriterium en in ieder geval op een toepassing van dit criterium dat wel wezenlijk verschilt van wat met toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt, terwijl die toepassing daar niet wezenlijk van behoort te verschillen. Zo overweegt het Hof dat hetgeen de verdediging bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft aangevoerd niet tot een andere afweging dan in het tussenarrest leidt, in welk tussenarrest getoetst is aan het noodzakelijkheidscriterium (de nieuwe informatie zoals verkregen door het onderzoek van prof. dr. [neuropsycholoog] was toen ook nog niet opgevraagd/beschikbaar). Ook overweegt het Hof uiteindelijk, terwijl het stelt de motivering van de verdediging bij de beoordeling te hebben betrokken, dat een hernieuwd verhoor niet van belang is voor enige te nemen beslissing in de zin van 348/350 Sv hetgeen eveneens meer duidt op toepassing van het noodzakelijkheidscriterium dan op een toepassing van dat criterium terwijl dat niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het verdedigingsbelang. Het Hof concludeert op grond van een aantal omstandigheden dat de verklaringen van A-4110 bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris niet als onbetrouwbaar en onbruikbaar zijn geworden en ‘dat het verdedigingsbelang door de ingebrachte, informatie van prof dr. [neuropsycholoog] niet is gaan herleven’. Ook die zinsnede kan zo worden uitgelegd dat door de ingebrachte informatie van prof. dr. [neuropsycholoog] geen sprake is van een herleving van het criterium van het verdedigingsbelang bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van het opnieuw horen van A-4110. Uit de overwegingen van het Hof valt in die zin niet (voldoende) duidelijk en eenduidig op te maken dat het voor wat betreft de beoordelingsmaatstaf voor het verzoek van oordeel is geweest dat in dit geval de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk behoorde te verschillen van hetgeen met toepassing van het verdedigingsbelang zou worden bereikt, terwijl daarvan naar het standpunt van rekwirant wel sprake behoorde te zijn gelet op de nieuwe ingebrachte informatie van prof, dr. [neuropsycholoog] en het naar aanleiding daarvan gedane verzoek (en de eisen van een eerlijke procesvoering).
III.5. Afwijzende beslissing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag was gelegd niet (zonder meer) voldoende begrijpelijk (gemotiveerd)
Indien het Hof er wel voldoende blijk van heeft gegeven het noodzakelijkheidscriterium te hebben toegepast op een wijze die niet wezenlijk verschilt van hetgeen met toepassing van het criterium van het ‘verdedigingsbelang’, zoals vermeld in artikel 288 Sv, zou worden bereikt, geldt dat de afwijzende beslissing — mede gelet op hetgeen namens rekwirant ter motivering van het verzoek naar voren was gebracht — niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Aan de motivering van het afwijzing van het verzoek valt immers op dat het Hof daarin uitsluitend ingaat op de wijze waarop de verhoren van A-4110 bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris zijn verlopen en — kortgezegd — welke waarborgen daar in acht zijn genomen om te voorkomen dat voor A-4110 de vraagstelling niet duidelijk was of dat er antwoorden werden gegeven waaruit bleek dat sprake was van verwarring of onbegrip. Het Hof concludeert immers dat de verklaringen van A-4110 bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris niet als onbetrouwbaar en onbruikbaar zijn geworden24. en dat het verdedigingsbelang door de ingebrachte, informatie van prof dr. [neuropsycholoog] niet is gaan herleven. En in de motivering van een hernieuwd verhoor dus geen aanleiding wordt gezien uit te gaan van het door de verdediging gestelde belang over te gaan tot een hernieuwd verhoor.
Dit terwijl het verzoek door de raadsvrouw is gemotiveerd aan de hand van de inhoud van het rapport van prof. dr. [neuropsycholoog] en is gesteld dat daaruit wel af te leiden is dat A-4110 vanaf 2017/2018 psychische problemen had die later in ernst zijn toegenomen, waarvan de raadsvrouw heeft gesteld dat dit tijdens de inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant in onderzoek Vidar was (en toen niet met medicatie onder controle waren) en die later zijn getypeerd als ‘waanbeelden’ door prof. dr. [neuropsycholoog]. Zij heeft ook aan het verzoek ten grondslag gelegd dat weliswaar wordt gesteld dat een psychologisch onderzoek ten aanzien van A-4110 had plaatsgevonden in de fase van de intake ter voorbereiding van de inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant, maar dat er bij dat onderzoek vraagtekens kunnen worden geplaatst gelet op de nieuw ingebracht informatie en het niet anders kan zijn dan dat A-4110 op geen enkel moment melding heeft gemaakt van die waanbeelden en blijkbaar ook de uitvoerder van het psychologisch onderzoek om de tuin heeft kunnen leiden (pleitnotities, p. 5). Geconcludeerd is door de raadsvrouw dat dit wat haar betreft ‘grote twijfels oplevert over de eerlijkheid en betrouwbaarheid van A-4110, de spilfiguur in deze strafzaak, wiens inzet niet zoals het OM betoogt volledig kan worden getoetst aan de hand van OVC-opnamen’.
In de onderbouwing van het verzoek van de raadsvrouw zoals gedaan bij pleidooi is niet zozeer af te leiden dat zij twijfels plaatste bij de wijze waarop de verhoren bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris (in de zaak [medeverdachte 7]) zijn verlopen en gelet op de van prof. dr. [neuropsycholoog] ingebrachte informatie aan getwijfeld moest worden of van die verhoren wel uitgegaan kon worden gelet op het mogelijk onjuiste begrip van A-4110 van de vraagstelling of antwoorden die blijk gaven van verwarring of onbegrip. Het ging om de eerlijk en betrouwbaarheid van A-4110 in de zin dat (mogelijk) getwijfeld moest worden aan hetgeen hij tijdens de inzet stelt te hebben waargenomen en ondervonden. Dit volgt ook uit het feit dat de raadsvrouw ter onderbouwing ook wijst op onderdelen van verklaringen van A-4110 die inhoudelijk juist geen bevestiging vinden in andere onderzoeksresultaten. Dit geldt te meer indien daar ook de onderbouwing van het verzoek zoals bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting gedaan bij wordt betrokken. De raadsvrouw heeft ook daar in reactie op de advocaten-generaal, die meenden dat de kern van het (aanhoudings)verzoek gelegen was in de omstandigheid dat A-4110 in aanwezigheid van een neuropsycholoog zou moeten worden gehoord bij de raadsheer-commissaris om te verifiëren of hij alle vragen wel goed begrepen heeft, gesteld dat zij hem wilde bevragen over de waanbeelden waar nu pas van bleek dat daar sprake van was geweest, mede gelet op het feit dat A-4110 de kernfiguur in de zaak was en de kern van het bewijs gevonden was in de verklaringen van A-4110. Zij heeft daar naar toegelicht:
‘Ik wil vragen wanneer die waanbeelden begonnen zijn, Wat voor effect die hadden en of hij zijn begeleiders op de hoogte heeft gebracht etc.’25.
Nu het Hof deze motivering van de raadsvrouw (kennelijk) niet heeft betrokken bij de beoordeling of de verdediging in zijn belangen zou worden geschaad door afwijzing van het verzoek, is de afwijzende beslissing niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Niet gesteld kan worden dat nadere vragen aan A-4110 zelf over diens psychische gesteldheid en het (mogelijk) bestaan van waanbeelden, zoals door prof. dr. [neuropsycholoog] beschreven en geduid, en de mogelijke antwoorden daarop op voorhand elk belang voor (in ieder geval) het onder 1, 226., 3, 4 ten laste gelegde zouden missen en dus het horen van A-4110 niet van belang kon zijn voor enige ex art. 348/350 Sv te nemen beslissing door het Hof. Specifiek de bewijsvraag lag immers mede gelet op de ontkenning van rekwirant voor, waarvan duidelijk is dat namens hem (zoals dat ook in eerste aanleg het geval was geweest) een betrouwbaarheidsverweer werd gevoerd (mede) ten aanzien van de van A-4110 verkregen informatie. Nadere informatie, van A-4110 te verkrijgen, kon daarvoor redelijkerwijs van belang zijn voor de verdediging.
Dat het Hof overweegt dat het uit het rapport van prof. dr. [neuropsycholoog] begrijpt dat op basis van de huidige informatie niet valt te zeggen hoe A-4110 functioneerde tijdens zijn inzet in Vidar en tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris, doet daar niet aan af en maakt de beslissing van het Hof niet (voldoende) begrijpelijk. Niet valt immers (zonder meer) in te zien hoe het Hof dat ‘begrijpt’ uit het rapport van de neuropsycholoog en dit in de beoordeling betrekt, nu eerder in het arrest (in het kader van het betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van A-4110) het volgende wordt overwogen:
‘In die tijd zijn kennelijk geen signalen waargenomen, die zouden kunnen wijzen op mogelijke problemen met de mentale gezondheid van A-4110 waardoor zijn bijstand bij de opsporing onrechtmatig was of op grond waarvan aan zijn waarnemingen en verklaringen getwijfeld diende te worden. Men heeft destijds in ieder geval geen reden gezien A-4110 niet (langer) in te zetten. Achteraf is gebleken dat er in de betreffende periode kennelijk sprake was van verschijnselen, het horen van geluiden en stemmen, die later werden getypeerd als waanbeelden. De relevante passage uit het rapport van prof, dr. [neuropsycholoog], betrekking hebbende op informatie van begeleidende politiemedewerkers, inhoudende dat ‘meest opvallende verandering bij onderzochte was het horen van geluiden (bv. kloppen op de deur) en stemmen die er niet waren, waar hij soms heftig op kon reageren (bv. haar een bovenbuurman die hij geagiteerd aansprak en beschuldigde), is gebaseerd op een in een begeleidend, gesprek geuite vrij algemene waarnemingen die jaren teruggaan. Dit begon in 2017/2018 en deze later als ‘waanbeelden’ getypeerde verschijnselen namen in ernst toe.’ is gebaseerd op in een interview door begeleidende medewerkers van de politie geuite vrij algemene waarnemingen die jaren teruggaan. Dat deze verschijnselen in ernst toenamen — aldus de aan [neuropsycholoog] gegeven informatie — is verder naar het oordeel van het hof weinig concreet.’
Dat het Hof in dat kader de informatie dat de verschijnselen na 2017/2018 in ernst toenamen ‘weinig concreet’ vindt en op grond daarvan niet komt tot het oordeel dat A-4110 (en diens verklaringen) als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, is wellicht niet zozeer onbegrijpelijk, maar in het kader van de beoordeling of er een verdedigingsbelang is A-4110 opnieuw te horen is dat anders. De motivering van dat verzoek had nu juist de strekking via een verhoor van A-4110 meer/concretere informatie te verkrijgen over diens psychische gesteldheid en de mogelijke verschijnselen in de onderzoeksperiode. Het rapport van prof. dr. [neuropsycholoog] gaf naar het standpunt van rekwirant wel een voldoende aanknopingspunt/een begin van aannemelijkheid dat zich in de voor deze zaak relevante periode — te weten tijdens de inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant — dergelijke verschijnselen hebben voorgedaan die (mogelijk) van invloed zijn geweest op zijn waarnemingen en ondervindingen waarover hij informatie heeft gedeeld met zijn begeleiders en heeft verklaard (welke informatie/verklaringen als belangrijk belastend bewijs tegen rekwirant zijn gebruikt).
Rekwirant is daarom van mening dat, mede gegeven het bepaalde bij artikel 6 EVRM, het Hof niet, althans niet zonder nadere motivering (die ontbreekt) vrijstond om de verklaringen van A-4110 te bezigen voor het bewijs zonder over te gaan tot het toewijzen van het verzoek A-4110 (nogmaals) te horen als getuige. Al met al moet geconcludeerd worden dat het Hof ten onrechte niet, dan wel in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk), gemotiveerd heeft gereageerd op het verzoek getuige A-4110 te horen. Het Hof heeft het verzoek ten onrechte, althans in ieder geval (mede gelet op art. 6 EVRM) onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Het arrest van het Hof kan dan ook niet in stand blijven.
IV. Schending van art. 420bis en/of de artt. 350, 358, 359 en/of 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte nagelaten de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 (beide het medeplegen van witwassen) in de gevoegde zaak met parketnummer 18-730001-21 naar de eis der wet met redenen te omkleden, althans is de bewezenverklaring van die feiten — mede gelet op de uitvoerig bepleite vrijspraak — niet voldoende begrijpelijk (gemotiveerd).
En/of heeft het Hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nagelaten in het bijzonder de redenen aan te geven op grond waarvan het Hof in het arrest is afgeweken van het namens rekwirant naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet betrouwbaar zijn en/of niet kunnen en/of mogen worden gebruikt als (betrouwbaar) belastend bewijs en rekwirant als gevolg daarvan moest worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2. De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is vervolgens in belangrijke mate gebaseerd op in het bijzonder de verklaringen van [getuige 2], maar ook op die van [getuige 1]. Aldus is er sprake van het ten onrechte niet, althans niet voldoende en/of voldoende begrijpelijk reageren op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, althans is de bewezenverklaring van deze feiten 1 en 2 zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk, nu een voldoende (begrijpelijke) reactie van de zijde van het Hof met betrekking tot de bruikbaarheid van deze verklaringen in het arrest van het Hof daarvoor wel noodzakelijk was.
Toelichting
IV.1. Bewezenverklaring
Het Hof heeft blijkens het arrest d.d. 12 juli 2024 ten aanzien van rekwirant bewezen verklaard dat:
‘Zaak met parketnummer 18-73001-21 (gevoegd):
- 1.
(Zaaksdossier 18)
Hij in de periode van 24 augustus 2018 tot en met 19 oktober 2018 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- —
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 195.000 euro (met als omschrijving op zijn bankrekening ‘Darlehn laut vertrag’), de herkomst heeft verhuld en heeft genoemd wie de rechthebbende op het voorwerp was en
- —
een voorwerp, te weten geldbedrag van (ongeveer) 200.000 euro, voor handen heeft gehad en heeft overgedragen, en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit bedrag (200.000) contant te overhandigen aan een ander persoon en dit bedrag (195.000) te laten storten op een Duitse bankrekening en via die bankrekening dat bedrag vervolgens met als omschrijving ‘daar Darlehn laut vertrag ’ naar zijn eigen bankrekening te laten overmaken en dit bedrag vervolgens aan te wenden voor de aankoop van een woning, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf;
- 2.
(Zaaksdossier 18)
hij in de periode van 27 juli 2019 tot en met 2 maart 2020, in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- —
heeft vervuld en/of verborgen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een BMW 740 LdXdri met kenteken [kenteken] was en
- —
een voorwerp te weten een BMW 740 LdXdri met kenteken [kenteken] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt en
- —
een voorwerp te weten een geldbedrag van 75.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, omgezet en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit geldbedrag contant te overhandigen aan een ander en een ander dan dat geldbedrag een BMW 740 LdXdri te laten kopen en de BMW op naam van een Duits bedrijf (te weten [C]) te laten zetten en vervolgens zelf deze BMW te gebruiken, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf’
IV.2. Hetgeen namens rekwirant naar voren is gebracht ter onderbouwing van het tot vrijspraak strekkende verweer/ het ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt
Rekwirant heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan deze feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft hij in de kern betwist dat hij uit enig misdrijf afkomstig contant geld heeft overgedragen aan een ander — te weten [getuige 2] — die dat geldbedrag vervolgens met omschrijving ‘Darlehn laut vertrag’ naar rekwirant heeft overgemaakt en hier een woning van is aangeschaft. De stelling van rekwirant is dat het naar hem overgemaakte geld een lening betreft van die [getuige 2]. Ten aanzien van de BMW heeft rekwirant in de kern betwist met de aankoop daarvan te maken te hebben gehad en betwist dat hij €75.000,- (welk bedrag uit enig misdrijf afkomstig zou zijn) heeft overgedragen aan een ander om dit voertuig van aan te schaffen.
In het licht van de verklaring van rekwirant dat de bedragen die ten laste zijn gelegd ten aanzien van feit 1 een geleend bedrag van [getuige 2] is en ten aanzien van feit 2 hij niet de BMW heeft laten aanschaffen met een van hem afkomst bedrag van €75.000,-, heeft de raadsvrouw blijkens haar pleitnotities d.d. 12 februari 2024 (onder meer) naar voren gebracht dat de andersluidende verklaring van [getuige 2], alsmede de verklaringen van hem en zijn vrouw neerkomend op het feit dat zij op bijstandsniveau leven en niet over het geld zouden beschikken dergelijke bedragen aan een ander te lenen, niet kloppen, althans die verklaringen over de vermeende gang van zaken bij het geldbedrag waarmee uiteindelijk de woning is aangeschaft en de gang van zaken rondom de aankoop van de BMW niet als betrouwbaar bewijs ten rekwirant kunnen worden gebruikt. En rekwirant van beide feiten moest worden vrijgesproken.
Naar voren is gebracht:
‘Cliënt heeft van meet af aan verklaard dat hij beide geldbedragen van [getuige 2] heeft geleend en dat hij deze zou terugbetalen zodra zijn bedrijf winst zou maken. [getuige 2] daarentegen heeft verklaard dat hij deze geldbedragen contant heeft ontvangen van cliënt en vervolgens op de rekening van [verdachte] heeft gestort c.q. een BMW mee heeft gekocht voor cliënt. Volgens het Openbaar Ministerie vindt de verklaring van [getuige 2] steun in de genoemde storting op de rekening van cliënt en contante stortingen op de bankrekening van [getuige 2]. Bovendien leven [getuige 2] en zijn vrouw leven op bijstandsniveau en kunnen zij zelf niet beschikken over een dergelijk bedrag. Om met het laatste te beginnen, ik verwijs u naar pagina 10.967 van het dossier waaruit blijkt van de mutaties op de bankrekening van het echtpaar [getuige 2]. Er werd in 2018 € 718.606, 79 bijgeschreven en € 718.592,08 afgeschreven. In 2019 werd er 285.725,09 euro bijgeschreven en € 285.729,70 afgeschreven. Waar dat geld is heengegaan, is niet onderzocht door de politie. En dan heb ik het niet over de contante bedragen die worden gestort op 10 en 11 september waarvan het Openbaar Ministerie zegt dat deze aan mijn cliënt te relateren zijn. Dan heb ik het over bijvoorbeeld 8 maart 2018. Dan wordt er een contant bedrag van € 65.000 gestort of 22 november 2018 wanneer een contante opname wordt gedaan van € 65.000. Een ander voorbeeld: op 10 januari 2019 wordt een contant bedrag gestort van € 85.000. Al met al geen bedragen die relateert aan het leven op het bijstandsniveau. Daar komt nog bij dat dhr. [getuige 2] op 30 maart 2020 heeft verklaard (op pag. 13341) dat zijn jaarlijkse omzet in de voorbije vijf jaren, drie miljoen euro betrof. Derhalve een omzet van 15 miljoen euro over vijf jaar.
Dat betekent dat [getuige 2] zeer wel in staat was om cliënt een privé lening te verstrekken. Het openbaar ministerie heeft in haar requisitoir aangegeven het verhaal van de privéleningen niet te geloven c.q. (begrijp ik dan) niet logisch te vinden. Want: als [getuige 2] zoveel miljoenen in bezit zou hebben, zoals cliënt heeft betoogd, waarom zou hij dan leven van een uitkering? Vast staat dat hij miljoenen heeft (gehad). Waarom hij desalniettemin leeft van een uitkering, ook daar kan ik wel een paar redenen voor bedenken maar het is aan [getuige 2] om die vraag te beantwoorden. Bovendien heb ik nergens gelezen dat er door het Openbaar Ministerie is geverifieerd of [getuige 2] daadwerkelijk leeft van een uitkering! Het lijkt erop dat men de verklaringen van [getuige 2] eenvoudigweg als waarheid aanneemt zonder deze te verifiëren. Ook met betrekking tot de BMW, wordt de verklaring van [getuige 2] hoe een en ander in zijn werk is gegaan, als waarheid aangenomen. Een verklaring die wederom niet wordt geverifieerd door de politie. Een verklaring die aantoonbaar onjuist is.
[getuige 2] heeft verklaard dat cliënt hem € 75.000,00 contant heeft gegeven onder de toezegging dat cliënt de auto zou overschrijven. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat cliënt € 70.000,00 zou hebben gegeven. Zijn echtgenote [getuige 1] heeft overigens ook ten overstaan van de Duitse politie verklaard dat de auto € 70.000,00 kostte. De auto is tegen contante betaling gekocht bij [D] in [b-straat] met contant geld van cliënt. De provisie voor [getuige 2] was € 2.500,00. [getuige 2] heeft die € 75.000,00 naar eigen zeggen op zijn bankrekening gestort (pag. 13371). Ik heb de bankrekening nageplozen: geen spoor van een storting van € 75.000,00!! Bovendien moest [getuige 2] dan nog wel ergens € 75.700,00 (en dus geen € 70.000,00 of € 75.000,00) onder het bed hebben liggen omdat het autobedrijf aangeeft dat de auto is betaald in drie contante deelbetalingen:
- 1.
€ 5.000,00 op 5 juni 2019 om 16.00 uur (aanbetaling)
- 2.
€ 70.000,00 op 17 juni 2019 om 10.34 uur (restbedrag) en vervolgens 8 minuten later:
- 3.
€ 700,00 op 17 juni 2019 om 10.42 uur (!?)
De koper van het voertuig is firma [E] gelegen aan de [c-straat 01] in [postcode] [c-plaats]. Het geld is betaald geworden door [betrokkene 3] (aanspreekpartner en betaler, zo geeft het [F] aan). Cliënt zou [betrokkene 3] schriftelijk hebben gemachtigd de BMW op 17 juni 2019 te betalen en over te nemen, (pag. 13397). Cliënt heeft van meet af aan verklaard dat dit niet zijn handtekening betreft. Ik heb Uw rechtbank verzocht om een handtekeninganalyse te laten verrichten met name in verband met de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2]. Dat verzoek heeft Uw rechtbank helaas afgewezen. Daarom heeft cliënt dat onderzoek op eigen kosten laten verrichten omdat hij wil aantonen dat hij onschuldig is in deze kwestie.
Het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau heeft uitvoerig onderzoek gedaan met als conclusie dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de betwiste handtekening een vervalsing is dan wanneer het gaat om een authentieke handtekening. De kans op het vinden van deze resultaten is 10.000 tot 1 miljoen keer groter wanneer de handtekening een vervalsing betreft dan wanneer het om een authentieke handtekening gaat. Een afschrift van het rapport treft U voor de goede orde aangehecht aan de pleitnota (bijlage 6) in eerste aanleg.
[getuige 2] heeft verklaard dat hij de BMW heeft gekocht op naam van zijn bedrijf en dat hij met de BMW van [b-straat] naar [c-plaats] is gereden, waar hij de BMW aan cliënt heeft gegeven (pag. 13343/13371) en daarbij cliënt de beschikking heeft gegeven over alle autopapieren (auf jeden Fall sind die kompletten Fahrzeugpapiere im Besitz von Herrn [verdachte]! Pag. 13344/13372). Om in een later verhoor nogmaals aan te geven dat hij zowel de Fahrzeugschein als ook de Fahrzeugbrief en alle sleutels aan cliënt heeft overhandigd (pag. 12915).
Hoe kan het dan dat cliënt [getuige 2] op 25 november 2019 appt met de vraag of hij de brief (Fahrzeugbrief) van de BMW kan krijgen omdat hij een plan met de BMW heeft. Omdat hij die brief al heeft? Lijkt me sterk. [getuige 2] heeft aangegeven dat de BMW binnen vier weken zou worden overgeschreven op het bedrijf van cliënt, [E]. Zonder Fahrzeugbrief kan cliënt de BMW niet overschrijven op zijn naam. In geen enkel appgesprek is terug te lezen dat [getuige 2] cliënt vraagt de auto op zijn naam over te schrijven. Waarom laat [getuige 2] cliënt vervolgens negen maanden rijden in de BMW zonder hem de kans te geven de auto op zijn naam te zetten? Het antwoord op die vraag is te vinden in de WhatsApp conservatie die aan het dossier is toegevoegd. Cliënt heeft [getuige 2] gevraagd een GmbH op te richten, daarvoor heeft [getuige 2] € 22.000,00 van cliënt opgenomen (welk bedrag cliënt van zijn moeder heeft geleend) maar die GmbH is nooit daadwerkelijk tot leven gekomen.
[getuige 2] zegt dat hij dat bedrag een dag na de opname heeft gegeven aan cliënt. Uit de WhatsApp conservatie blijkt net het tegenovergestelde! Namelijk dat [getuige 2] hem heeft opgelicht! Hij zou een GmbH oprichten en dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft er wel geld voor gekregen om dat te doen! Uiteindelijk heeft cliënt dan maar zelf een GmbH opgericht. Die € 22.000 heeft cliënt uiteraard nooit teruggekregen. Ik kan me daarbij voorstellen dat [getuige 2] dit geld heeft gehouden omdat hij cliënt geld heeft geleend voor de aankoop van de woning en de auto en omdat cliënt op dat moment nog niet kon terugbetalen omdat het bedrijf nog niet was opgericht.
Dan is er nog de verklaring van [getuige 1]. Zij heeft verklaard dat zij zaakvoerder is geweest van het [F] dat zij vijf jaar geleden samen met haar man bestierde. Nu doet ze niks meer. Zij ontvangt nu Sozialhilfe, Hartz IV, € 450,00 per maand. Samen met haar man heeft zij € 1.200,00 netto per maand. Zoals gezegd, dit is niet gecontroleerd door de politie. Voor het overige kan of wil zij feitelijk geen vragen beantwoorden en geeft steeds aan dat het aan haar man is, om de betreffende vragen te beantwoorden. Als er vragen worden gesteld over de lening voor het huis, geeft zij aan dat haar man ook bevoegd is over de rekening te beschikken en dat zij daarover niet kan vertellen. Opmerkelijk evenwel, is dat zij verklaart dat inderdaad beschikkingsbevoegd is, en dat als in de beschrijving bij de bankrekening staat ‘lening volgens overeenkomst de dato 1 september 2018’, dan is dat zo wel mogelijk. Vragen over de onderneming wil ze niet beantwoorden, dat moet haar man doen. Ook vragen over de BMW beantwoordt zij niet. Opmerkelijk genoeg geeft zij daarbij aan dat op het moment dat er vragen worden gesteld over het hotel, zij wil dat het verhoor wordt afgebroken. Als haar man de vragen niet kan beantwoorden, gaat zij er wel mee akkoord dat zij aansluitend aan het verhoor van haar man misschien nog een keer wordt gehoord. Huh??
Wat ik niet begrijp is dat [getuige 2] zegt dat hij de BMW heeft gekocht op naam van zijn bedrijf, dat hij de auto heeft opgehaald in [b-straat] en daar mee naar [c-plaats] is gereden waar hij de auto aan cliënt heeft gegeven Dit terwijl de autofirma aangeeft dat de koper van de BMW de firma [E] betreft, en het bedrijf een valse Duitse volmacht overlegt. Als de koper van de auto [E] zou zijn, zou de auto toch ook meteen op die naam zijn gezet. Toch niet op naam van [getuige 2]? Dan had [betrokkene 3] de auto toch opgehaald en niet [getuige 2]? Die had toch geen volmacht om de auto op te halen. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat deze informatie aan de politie is verteld om cliënt in diskrediet te brengen. Wat mij betreft wordt de verklaring van cliënt over de wijze waarop het huis en de BMW zijn verkregen, juist ondersteund door de verklaring van [getuige 2]. [getuige 2] zou het bedrag dat hij zogenaamd van cliënt zou hebben ontvangen, hebben gestort op zijn rekening terwijl vervolgens het [F] het bedrag (een hoger bedrag overigens) in een tijdsbestek van twee dagen in drie delen contant wordt afgegeven door [betrokkene 3]h. De persoon waarmee [getuige 2] jaren geleden een [F] had. Waarom heeft [getuige 2] het aankoopbedrag (dat hij toch op zijn rekening had gestort) niet op de rekening van het [F] overgeboekt? Waarom worden er drie contante betalingen verricht? En waar komt dat geld vandaan? [getuige 2] heeft verklaard dat hij cliënt een kwitantie heeft gegeven voor de € 200.000,00. Waar is die kwitantie dan? En dan het vreemde verhaal dat dit bedrag wordt gestort bij een bankautomaat die vervolgens € 5.000,00 ‘opeet’? Dit alles ondersteunt de verklaring van cliënt dat hij [getuige 2] geen geld heeft gegeven! Witwassen? Niet aan de zijde van cliënt! Als uit de bankrekening van [getuige 2] zou blijken dat er alleen een bedrag van € 195.000,00 zou zijn gestort, kon men zich daar vragen bij stellen. Maar als je kijkt naar de enorme bedragen die contant op de rekening van [getuige 2] worden gestort, zoals gezegd € 85.000,00 op 10 januari 2019, lijkt het er sterk op dat [getuige 2] eigen geld witwast via het verstrekken van leningen. Ik merk daarbij op dat cliënt daarvan niet op de hoogte was. Hij dacht evenals dhr. [betrokkene 5] dat [getuige 2] een vermogend man was. Wat hij naar eigen zeggen ook was. 15 miljoen euro op vijf jaar tijd. Niet slecht! Conclusie: Integrale vrijspraak van beide feiten. Geen verbeurdverklaring van de auto en de woning!
Het openbaar ministerie heeft in haar requisitoir aangegeven dat hoewel het verhoor van mevrouw [getuige 2] enigszins bevreemdt vanwege het gebrek aan lange termijn geheugen, dit niet afdoet aan het belastende bewijs tegen cliënt. Het feit dat hij een auto ter waarde van € 75.000,00 ongezien laat aanschaffen is in strijd met elke logica en derhalve ongeloofwaardig. Die opvatting deel ik niet. Cliënt heeft ter zitting terecht uitgelegd waarom een auto in deze prijsklasse ongezien kan worden gekocht. Ik kan U aangeven dat ik vorig jaar hetzelfde heb gedaan.
Ik kom nog even terug op het verhoor van de echtgenote van de heer [getuige 2]. Opvallend daarbij was dat de getuige nog voor aanvang van het verhoor meteen aangaf dat zij geen antwoord kon geven. Bij het verhoor in 2018 heeft mevrouw hetzelfde gedaan en heeft ze aangegeven dat ze bij haar man navraag moesten doen. De Raadsheer-Commissaris heeft mevrouw dan ook kritisch bevraagd. Toen hij haar vroeg waar uit haar werkzaamheden als directeur van het [C] bestond, gaf mevrouw aan dat ze dat niet wist en dat ze daar niet over kon zeggen. Ze wist zelfs niet meer waaruit haar werkzaamheden bestonden. Daarop vroeg de Raadsheer-Commissaris haar hoe het kan zijn dat ze niet meer wist wat haar werkzaamheden waren terwijl ze directeur van een hotel was. Daarop gaf mevrouw aan dat zij een slecht geheugen heeft. Waarop de raadsheer commissaris aangaf dat het toch niet zomaar een functie is, directeur van een hotel zijn. Antwoord van de getuige:
‘ik kan er niks over zeggen, niks’.
Daarop gaf de raadsheer commissaris te kennen dat hij begreep dat zij zich geen details meer kan herinneren maar dat hij het moeilijk te geloven vindt dat zij zich geen details meer weet te herinneren van haar werkzaamheden als directeur van een hotel.
Ik heb mevrouw vervolgens ook vragen gesteld. Ik heb haar gevraagd of ze taken heeft verricht in het hotel. Dat wist zij niet… Toen ik haar aangaf dat ze die vraag alleen maar met ja of nee kon beantwoorden gaf ze mij aan neen, met andere woorden zij had geen werkzaamheden verricht in het hotel. Ik heb haar vervolgens voorgehouden dat uit de stukken blijkt van een overboeking van haar rekening naar de rekening van dhr. [verdachte]. Het gaat om een bedrag van € 200. 000,- met als vermelding ‘lening volgens overeenkomst d.d. 11-09-2018’ en dat zij bij de politie hierover heeft verklaard dat als die vermelding er bij staat dat het dan ook zo zou zijn. Daarop heeft de getuige aangegeven dat als zij dat destijds zo heeft gezegd, dat dan zo zal zijn. Gehecht aan de pleitnota, vindt U een overzicht van de beroepswerkzaamheden van mevrouw [getuige 2]. Blijkbaar kon mevrouw zich tijdens het verhoor evenmin herinneren dat ze nog steeds Geschaftsführer van een B.V. is. Gelet daarop stel ik grote vraagtekens bij de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Zij beweren weliswaar dat ze op dit moment leven van een uitkering. Echter, dit gegeven is nooit gecontroleerd. De heer [getuige 2] heeft verklaard over zijn omzet van € 15.000.000. Hij was zeer wel in staat cliënt geld te lenen!
Ten slotte merk ik nog op dat het openbaar ministerie in eerste aanleg heeft betoogd dat cliënt zijn woning zou hebben betaald met misdaadgeld (uit onderzoek Vidar). Dat kan niet correct zijn, nu cliënt zijn woning in 2018 heeft gekocht. Mijn cliënt heeft zich de moeite getroost om een vergelijkend handschriftonderzoek te laten verrichten, om zijn onschuld aan te tonen. Het resultaat daarvan ondersteunt zijn verklaring! Daar is de Rechtbank helaas zonder meer aan voorbij gegaan‘’.
Met het voorgaande is uitgebreid en onderbouwd betoogd waarom rekwirant van beide feiten moest worden vrijgesproken, dat het ten aanzien van het geldbedrag dat op de rekening van rekwirant is gekomen met een omschrijving die duidt op een lening en waarvan hij een woning heeft gekocht en ten aanzien van de aanschaf van de BMW feitelijk zo is gegaan als voornamelijk de getuige [getuige 2] heeft verklaard, is uitgebreid betwist. Ten aanzien van [getuige 1] is naar voren gebracht dat de raadsvrouw uit haar verklaring bij de raadsheer-commissaris juist afleidde dat de omschrijving bij de overboeking van het geldbedrag waarmee de woning is aangekocht zou kloppen, terwijl verder naar voren is gebracht dat het zeer bevreemdt dat [getuige 1] niks kon (of onwelwillend was te) verklaren over haar werkzaamheden als directeur van [C] — terwijl dit bedrijf een rol speelt in de (vermeende) feitelijke gang van zaken rondom het witwassen van de BMW. En dat de raadsheer-commissaris haar dan ook kritisch heeft bevraagd, maar er geen antwoorden van deze getuige zijn gekomen.
Los van het feit dat met het voorgaande gemotiveerd verweer is gevoerd tegen de twee tenlastegelegde feiten en het Hof vervolgens toch tot een bewezenverklaring komt (waarbij [getuige 2] overigens de medepleger van rekwirant in het witwassen zou zijn), is naar het standpunt van rekwirant ook sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangaande de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Het standpunt kan in ieder geval bezwaarlijk anders worden verstaan, nu duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht dat (en waarom) ernstige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij hun verklaringen, dat nooit is gecontroleerd dat zij zouden leven van een uitkering (en dus niet in staat zouden zijn dergelijke geldbedragen te lenen) en dit dus niet al waar kon worden aangenomen. Hoewel wellicht de ondubbelzinnige conclusie ten aanzien van de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen duidelijker had gekund, is ondubbelzinnig de conclusie getrokken dat rekwirant moest worden vrijgesproken en dat dit was omdat niet kon worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] als het belangrijkste belastende bewijs tegen rekwirant blijkt voldoende duidelijk uit het betoog van de raadsvrouw.
Belangrijke onderdelen van de argumentatie waren in ieder geval;
- —
Dat de bijschrijvingen van grote geldbedragen op de rekening van (het echtpaar) [getuige 2] niet passend waren bij een leven op bijstandsniveau zoals de getuigen daarover hebben verklaard en dus getwijfeld diende te worden aan de stelling dat zij financieel niet in staat zouden zijn een lening aan rekwirant te verstrekken;
- —
Dat de verklaring van [getuige 2] (in 2020) dat hij in de vijf jaar daarvoor 15 miljoen (3 miljoen per jaar) omzet had gehad ook deed twijfelen aan het ontbreken van een vermogenspositie die het toelaat een aanzienlijk geldbedrag te lenen aan een ander;
- —
Dat naast rekwirant ook dhr. [betrokkene 5] er vanuit ging dat [getuige 2] een vermogend man was;
- —
Dat onderzoek naar de rekening en vermogenspositie van het echtpaar [getuige 2] geheel is uitgebleven en gelet daarop (en de omvangrijke bijschrijvingen op de rekening) niet kon worden uitgegaan dat de verklaringen over het leven op bijstandsniveau/ontbreken van verdere inkomsten waar waren;
- —
Dat evenmin is verifieerd of het überhaupt klopte dat [getuige 2] en zijn vrouw een bijstandsuitkering ontvangen;
- —
Dat de af- en bijschrijvingen op de rekening er op zouden kunnen duiden dat [getuige 2] zijn eigen geld via de rekening witwast door leningen te verstrekken (maar rekwirant niet op de hoogte was van de herkomst van die gelden);
- —
Dat [getuige 2] ten aanzien van het geldbedrag voor de aanschaf van de BMW wisselende bedragen heeft genoemd: €75.000,- en €70.000,-;
- —
Dat [getuige 2] heeft verklaard de €75.000,- op zijn rekening te hebben gestort, maar dat dit niet volgt uit de mutaties van zijn rekening en niet zou verklaren waar de contant betaalde €75.000,- bij [D] voor de aanschaf van de BMW dan vandaan kwam;
- —
Dat rekwirant in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] dat de BMW was aangeschaft door/via het bedrijf van rekwirant een handschriftonderzoek heeft laten verrichten waaruit volgt dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de handtekening op een machtiging waarmee [betrokkene 3]h de betalingen kon doen en de auto kon overnemen een vervalsing is (van de handtekening van rekwirant);
- —
Dat [getuige 2] heeft verklaard dat hij rekwirant alle autopapieren had gegeven (Fahrzeugschein als ook de Fahrzeugbrief en alle sleutels), maar dit niet kon kloppen met een bericht van rekwirant aan [getuige 2] waarin hij (op 25 november 2019) aan [getuige 2] vroeg om de Fahrzeugbrief omdat hij een plan had met de BMW terwijl hij die brief dan volgens [getuige 2] al had;
- —
Dat [getuige 2] heeft verklaard dat de BMW binnen vier weken op naam van [E] zou worden overgeschreven, wat zonder Fahrzeugbrief niet kan en niet verklaarbaar is dat [getuige 2] rekwirant dan negen maanden met de BMW laat rondrijden zonder hem de kans te geven de BMW op naam van zijn bedrijf te zetten;
- —
Dat een verklaring daarvoor gevonden kan worden in whatsappconversaties waaruit volgt dat [getuige 2] op verzoek van rekwirant een GmbH zou oprichten en daar €22.000,- voor heeft aangenomen van rekwirant maar hem vervolgens heeft opgelicht door geen GmbH op te richten en rekwirant dit vervolgens zelf maar heeft gedaan;
- —
Dat niet te begrijpen is dat [getuige 2] verklaart de BMW te hebben opgehaald, terwijl [betrokkene 3]h (blijkens een valse volmacht) de auto op kon halen namens [E] en niet [getuige 2];
- —
Dat [getuige 1] geen vragen wilde beantwoorden over het bedrijf ([C] waar zij directeur van was) en de BMW;
IV.3. Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen inhoudende redengevende feiten en omstandigheden staan weergegeven in het arrest d.d. 12 juli 2024 op p. 207 en 208 ten aanzien van de geldbedragen zoals relevant voor feit 1 en op pagina 208 onderaan tot en met 212 bovenaan ten aanzien van de aankoop van de in feit 2 genoemde BMW. Ten aanzien van beide feiten geldt dat de bewezenverklaringen voor het overgrote deel gebaseerd zijn op verklaringen van [getuige 2]. In mindere mate wordt gebruik gemaakt van de verklaringen van getuige [getuige 1], maar ook aan haar verklaring is bewijs ontleend — inhoudende dat zij getrouwd is met [getuige 2], zij een bijstandsuitkering ontvangt, zij en [getuige 2] samen ongeveer €1.200,00 netto per maand ontvangen en zij een gemeenschappelijke bankrekening hebben. Die verklaring is op zijn minst redengevend geacht ter ondersteuning van de verklaring van [getuige 2] waarin hij verklaart dat hij leeft van de sociale bijstand, hij en zijn vrouw samen ongeveer €1.200,00 netto per maand ontvangen en zij niet over verdere inkomsten beschikken.
Voorts blijkt kortgezegd ten aanzien van feit 1 uit de bewijsmiddelen dat rekwirant op 19 oktober 2018 de woning aan de [a-straat 01] te [pleegplaats 3] geleverd heeft gekregen en de woning is aangeschaft voor € 200.000,00 en deze niet is bezwaard met een hypotheek of andere beslagen. Ook blijkt vanaf de rekening van de rekening van rekwirant een bedrag van € 204.956,71 te zijn overgemaakt naar notariskantoor [naam 1] op 15 oktober 2018. Uit de rekening van het echtpaar [getuige 1 en 2] volgt dat op 10 september 2018 contante bedragen zijn gestort en op 11 september nog een grotere contante storting van €165.645,00 en het totaal van die bedragen €195.000,00 betreft. En dat blijkt dat op 11 september 2018 vanaf die rekening een bedrag van €195.000,00 overgeboekt wordt naar de rekening van rekwirant onder vermelding van de tekst ‘Dahrlehn laut vertrag’. Voor de herkomst van die geldbedragen geldt dat het bewijs volledig gevonden zou moeten worden in de verklaring van [getuige 2], inhoudende dat rekwirant hem een contant geldbedrag van €200.000,00 heeft gegeven en heeft gevraagd of [getuige 2] dat bedrag naar de rekening van rekwirant wilde overmaken om een vastgoedobject af te lossen. Dat [getuige 2] daar €5.000,00 provisie voor zou krijgen en dat snel verdiend vond en dat het ook rekwirant is geweest die aan hem heeft gevraagd om in de omschrijving bij de overboeking op te schrijven dat het een lening betrof. Dit terwijl het geen lening betrof en [getuige 2] ook financieel niet in staat zou zijn een dergelijk bedrag aan een derde te lenen. Tot het bewijs is ook nog gebezigd een proces-verbaal van analyse van de bankrekeningen van rekwirant waaruit volgt dat in de periode van juli 2019 tot en met juni 2020 niet is gebleken dat betalingen zijn gedaan met betrekking tot de rente en aflossing van een vermeende onderhandse lening van €200.000,00.
Ten aanzien van de BMW met kenteken [kenteken] volgt uit de bewijsmiddelen dat deze gekocht is door het bedrijf [E] en contant is betaald bij [D] en co. KG. Op 5 juni 2019 is €5.000,00 bij de kassa gestort. Op 17 juni € 70.000,00 en even later op 17 juni €700,00. Het voertuig zou zijn opgehaald voor de onderneming [E] door [betrokkene 3]h die de contante bedragen ook aanleverde. Het bedrijf [D] beschikte over een notitie waaruit zou volgen dat rekwirant namens [E] [betrokkene 3] opdracht zou hebben gegeven het voertuig te betalen en over te nemen. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat [C] sinds 27 juni 2019 kentekenhouder van de BMW met het kenteken [kenteken] is, dat rekwirant op 17 juni 2019 staande is gehouden in het desbetreffende voertuig, dat er observaties en peilbakengegevens zijn waaruit volgt dat rekwirant het voertuig op meerdere momenten heeft gebruikt. Tot het bewijs is gebezigd een getapt telefoongesprek waarin rekwirant aangeeft de Audi te hebben ingeruild voor de BMW en een gesprek waarin rekwirant aangeeft een BMW 740 te hebben.
Verder geldt ook ten aanzien van dit feit dat het bewijs zou moeten worden gevonden in de getuigenverklaringen van [getuige 1], inhoudende dat zij en haar man een bedrijf hebben gehad met de naam en [C] en op dit bedrijf een BMW hebben geregistreerd. Dat zij leeft van een bijstandsuitkering, geen eigen onderneming of werk heeft en met haar man samen ongeveer €1.200,00 netto per maand ontvangt. Voor de vermeende gang van zaken bij de aankoop van de BMW en de herkomst van het geld om die BMW aan te schaffen, moet het bewijs wederom voornamelijk gevonden worden in de verklaringen van [getuige 2]. Ook hij verklaart dat zijn vrouw de directeur van [C] is geweest en dat een BMW op het bedrijf is geregistreerd en dat deze bestemd was voor rekwirant. Uit de verklaringen van [getuige 2] zoals tot het bewijs gebezigd door het Hof volgt dat rekwirant geïnteresseerd zou zijn geweest in een BMW 7 serie en [getuige 2] dit voertuig heeft gevonden bij [D] in [b-straat] voor een prijs van €75.000,00 en dat rekwirant hem geld heeft gegeven voor de aankoop van die auto in contanten. [getuige 2] ontving daar een provisie voor en de aankoop verliep via het agrarische bedrijf van rekwirant waarvan het Hof begrijpt dat dit [E] was. Het voertuig zou later zijn voorzien van het kenteken [kenteken], op naam van het bedrijf [C] te zijn geregistreerd en aan rekwirant te zijn overgedragen. Rekwirant zou ook alle documenten van de auto hebben, maar het voertuig na de aankoop niet op zijn naam hebben overgeschreven. Ook is het deel van de verklaring van [getuige 2] gebezigd waarin hij aangeeft dat hij het kentekenbewijs (deel één en twee) en de sleutels aan rekwirant heeft overhandigd en dat het plan was de auto op naam van [E] te zetten.
Voorts heeft het Hof nadere bewijsoverwegingen opgenomen ten aanzien van deze feiten. Inhoudende ten aanzien van feit 1:
‘Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aan gevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof worden gelezen.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [getuige 2] door verdachte is ingezet als geldezel (money mule of katvanger) om € 195.000,00 naar de rekening van verdachte over te maken Voor deze handeling kreeg [getuige 2] een ‘provisie’ van € 5.000,00. [getuige 2] heeft € 200.000,00 aan contanten van verdachte ontvangen. [getuige 2] heeft vervolgens € 195.000,00 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar de rekening van verdachte. Deze heeft het bedrag vervolgens gebruikt voor de aankoop van een woning aan de [a-straat 01] te [pleegplaats 3]. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [getuige 2] geleverde € 200.000,00 van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij ’ op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op légale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd;
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet pp voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dal de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat hét ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [getuige 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de ral van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en hét belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.’
Aanvullend overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft gesteld dat uit de bankafschriften van [getuige 2] blijkt dat er grote bedragen heen en weer worden gestort die niet zijn te relateren aan een leven op bijstandsniveau. Hoewel uit het dossier blijkt dat er grote bedragen worden bij- en afgeschreven op de rekening van [getuige 2] stelt het hof vast dat het begin- en eindsaldo van de rekening in 2018, 2019 en 2020 steeds tussen € −8,74 en € 5,97 ligt. Daarin ziet het hof aanleiding ervan uit te gaan dat [getuige 2] meerdere malen als katvanger is gebruikt. [getuige 2] heeft uitleg gegeven en ook toegegeven dat hij met het voorstel van verdachte snel geld kon verdienen. Het hof ziet daarin in ieder geval geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring met betrekking tot de gang van zaken van de door verdachte aan [getuige 2] gegeven € 200.000 te twijfelen. De verklaring van [getuige 2] vindt ondersteuning in ander bewijs. Verdachtes verklaring daarentegen niet, deze wordt weersproken door het bewijs. Van de door verdachte gefingeerde lening is nooit sprake geweest. Het hof stelt vast dat verdachte door middel van een schijnconstructie een legale geldstroom heeft gecreëerd. Over de herkomst van het omvangrijke contante geldbedrag heeft verdachte ook in hoger beroep geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.’
En ten aanzien van feit 2:
‘Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aan gevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Ook het handschriftonderzoek dat op verzoek van de verdediging is, verricht geeft daartoe, bezien in het licht van het geheel van de bewijsmiddelen, naar het oordeel van het hof geen aanleiding. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof worden gelezen.
‘Het verweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en de aan die bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van die bewijsmiddelen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [getuige 2] ook hier door verdachte is ingezet als geldeze[getuige 2] heeft € 75.000,00 contant van verdachte gekregen om voor verdachte een BMW aan te schaffen. [getuige 2] krijgt voor deze transactie een provisie van € 2.500,00. [getuige 2] laat de BMW aanschaffen en zet de auto op naam van zijn niet-actieve bedrijf. Feitelijk is verdachte echter de eigenaar van de auto en maakt hij daarvan gebruik. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [getuige 2], geleverde € 200.000,00 (het hof begrijpt: € 75.000,-) van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden, hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank: is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag en de BMW niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de BMW te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling op naam van een ander dan de werkelijke eigenaar er toe strekt om het eigendom te verhullen.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [getuige 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.’
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander ([getuige 2]) opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen.’
IV.5. Bewezenverklaring niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd/niet voldoende begrijpelijk gerespondeerd op het namens rekwirant ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen
Een voldoende begrijpelijke reactie op het verweer van de raadsvrouw dat rekwirant diende de te worden vrijgesproken van feit 1 en de verklaring van [getuige 2] (en [getuige 1]) niet als voldoende betrouwbaarheid belastend bewijs tegen rekwirant kon worden gebezigd, is in hetgeen de rechtbank heeft overwogen (zoals overgenomen door het Hof) niet te vinden. De uiterlijke verschijningsvorm die wordt beschreven is immers gebaseerd op de verklaring van [getuige 2], zonder die verklaring zou uit het bewijs in de kern allen volgen dat onder de vermelding ‘Darlehn laut Vetrag’ een geldbedrag door [getuige 2] is overgemaakt naar rekwirant en rekwirant van zijn eigen bankrekening vervolgens een betaling aan een notaris en dat rekwirant eigenaar is geworden van de woning. Dat eerst contant geld door rekwirant is overhandigd en dit de stortingen op de rekening van het echtpaar [getuige 1] verklaart, volgt uit overige bewijsmiddelen niet. De uiterlijke verschijningsvorm dat [getuige 2] katvanger van rekwirant zou zijn is gebaseerd op de verklaring van [getuige 2], waarvan de juistheid en betrouwbaarheid nu juist gemotiveerd is betwist. Een voldoende begrijpelijke reactie op het verweer mocht worden verwacht indien voor het bewijs toch gebruik zou worden gemaakt van deze verklaring (en die van [getuige 1]) en er daarmee van zou worden uitgegaan dat het echtpaar financieel gezien een dergelijk bedrag niet aan een derde kon lenen. Dit geldt te meer nu uit de uiterlijke verschijningsvorm ook het witwasvermoeden zou moeten volgen, op grond waarvan van rekwirant een verklaring werd verlangd en het uitblijven daarvan heeft gemaakt dat tot de conclusie is gekomen dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is en dit bestanddeel op die wijze bewezen is verklaard (bewijs voor een gronddelict waar het geld uit afkomstig zou zijn is er immers niet).
Dat de overweging van de rechtbank niet volstond lijkt het Hof ook onderkend te hebben, want de bewijsoverweging wordt aangevuld. In die aanvulling is echter van een voldoende begrijpelijke respons op het vrijspraakverweer en het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zoals beschreven ook geen sprake. De raadsvrouw heeft immers meer naar voren gebracht dan het enkele gegeven dat op de bankrekening van [getuige 2] te zien is dat vaker grote geldbedragen worden gestort en dit zou kunnen wijzen op een heel andere inkomenspositie dan waarover [getuige 2] heeft verklaard. Die gegevens op die bankrekening heeft de raadsvrouw in samenhang naar voren gebracht met de verklaring van [getuige 2] zelf over het omzetten van miljoenen in de vijf jaren voorafgaand aan zijn verhoor in 2020 (en daarmee in de voor deze feiten relevante periode). Ook heeft zij verwezen naar een verklaring van dhr. [betrokkene 5] die net als rekwirant dacht dat [getuige 2] een vermogend man was. Een belangrijk onderdeel van het betoog was voorts dat ondanks die gegevens een onderzoek naar de vermogenspositie van [getuige 2]/het echtpaar [getuige 1] in de voor deze feiten relevante periode van de kant van het Openbaar Ministerie is uitgebleven en dus ook gelet daarop niet zonder meer afgegaan kon worden op de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] dat zij leefden van een bijstandsuitkering en financieel niet in staat zouden zijn leningen van dergelijke bedragen aan derden te verstrekken.
Het Hof heeft het door de raadsvrouw geschetste beeld van stortingen en afschrijven van de rekening van [getuige 2] van grote geldbedragen bevestigd, maar uit het enkele gegeven dat het begin- en eindsaldo van de rekening in 2018, 2019 en 2020 steeds tussen € − 8,74 en € 5,97 ligt, leidt het Hof af dat [getuige 2] vaker als katvanger is gebruikt. En daaruit dus kennelijk niet kan volgen dat sprake is van een betere vermogenspositie dan waarover deze getuigen hebben verklaard, of om die reden niet getwijfeld hoeft te horen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaringen. Dat is — zeker in het licht van het feit dat er een punt van is gemaakt dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden — onbegrijpelijk. Zonder gedegen onderzoek naar het verkeer op die rekening en zonder ook onderzoek te doen naar de vraag of [getuige 2]/het echtpaar [getuige 1] nog over andere rekeningen beschikten waar contant gestorte geldbedragen naar over worden gemaakt (waardoor het saldo op de desbetreffende rekening wel weer nihil zou kunnen zijn, maar de vermogenspositie van het echtpaar niet), of algemener naar de bestemming van overgemaakte geldbedragen, kunnen aan de enkel gesignaleerde begin- en eindsaldo's in die jaren geen conclusies worden verbonden, laat staan de conclusie dat [getuige 2] dus vaker katvanger zou zijn geweest. Te meer nu de raadsvrouw ook de mogelijkheid heeft geopperd dat [getuige 2] via de rekening zijn eigen (niet legaal verkregen) geld witwast door leningen te verstrekken. Dat [getuige 2] vaker katvanger zou zijn geweest en dit de grote bedragen en af- en bijschrijvingen op zijn rekening zou verklaren, zoals het Hof heeft aangenomen, kan niet volgen uit de verklaring van [getuige 2] zelf, terwijl het Hof ook het door de raadsvrouw benoemde deel van zijn verklaring dat hij in de voor deze feiten relevante periode miljoenen zou hebben omgezet geheel onbesproken laat. Het Hof heeft voorts enkel aangegeven dat de verklaring van [getuige 2] bevestiging vindt in ander bewijs (en die van rekwirant niet), maar benoemt niet welk bewijs dat dan zou zijn. Met het standpunt over een geheel andere vermogenspositie van [getuige 2] dan waarover hij heeft verklaard, heeft de raadsvrouw immers ook de verklaring van [getuige 1] gemotiveerd betwist — voor zover het Hof op die verklaring doelt als bevestiging van die van [getuige 2]. Uit de analyse van de rekening van rekwirant kan de bevestiging (of weerlegging van de verklaring van rekwirant) ook niet zonder meer volgen, het betreft een relatief korte periode waar onderzoek naar is gedaan en dat in die periode kortgezegd geen aflossingen of rentebetalingen zijn gedaan die te relateren zijn aan de lening zoals rekwirant daarover heeft verklaard maakt niet dat van een dergelijke lening geen sprake kan zijn geweest. Te meer nu ook namens rekwirant naar voren is gebracht dat afgesproken zou zijn dat hij zou gaan terugbetalen als zijn bedrijf winst zou maken.
Hier komt bij dat de nadere bewijsoverweging van de rechtbank zoals overgenomen door het Hof aangaande de aanschaf van de BMW in de kern niet meer inhoudt dan dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel wordt afgeleid dat [getuige 2] ook hier door rekwirant zou zijn ingezet als geldezel, maar ook die uiterlijke verschijningsvorm is aangenomen op grond van (in de kern) de verklaring van [getuige 2] — in ieder geval op het punt dat het aankoopbedrag van €75.000,00 van rekwirant afkomstig zou zijn en aan [getuige 2] zou zijn gevraagd de BMW aan te schaffen en op naam te zetten van [C]. Aan dit feit heeft het Hof niet nog een aanvullende bewijsoverweging gewijd, los van het overgenomen deel van de rechtbank.
Het enige dat het Hof hierover nog overweegt is dat het handschriftonderzoek in het licht van het geheel van de bewijsmiddelen ook geen aanleiding geeft te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Dat is gelet op de zeer hoge mate van waarschijnlijkheid dat de handtekening van rekwirant op de notitie die is aangetroffen bij [D] niet zonder meer begrijpelijk, ook niet indien de overige bewijsmiddelen daarbij zouden worden betrokken. Te meer nu die bewijsmiddelen niets inhouden over hoe het contante geld van rekwirant (€75.000,00) waarvan [getuige 2] (blijkens de bewijsmiddelen) verklaart dat hij dit bedrag van rekwirant heeft ontvangen, dan bij [betrokkene 3]h terecht zou zijn gekomen die daar contante betalingen van zou hebben gedaan bij de BMW-dealer [D]. Ook hier geldt dat voor wat betreft de herkomst van het contante geldbedrag van €75.000,- (dat het van rekwirant afkomstig was) geheel gevaren zou moeten worden op de verklaring van [getuige 2]. Dit terwijl de raadsvrouw nadrukkelijk naar voren heeft gebracht dat [getuige 2] heeft verklaard dat geldbedrag te hebben ontvangen en op zijn rekening te hebben gestort — terwijl dit onderdeel van zijn verklaring niet klopt met de af- en bijschrijvingen op zijn rekening en dat dit de vraag opriep waar het geld dat contant betaald is bij de BMW-dealer dan van afkomstig was. Op dat onderdeel van het betoog is het Hof evenmin ingegaan, maar dat laat (ook in de bewijsmiddelen) in het midden hoe het door rekwirant aan [getuige 2] gegeven geldbedrag dan bij [betrokkene 3] terecht zou zijn gekomen.
Ten aanzien van beide feiten geldt gelet op het voorgaande dat het Hof naar het standpunt van rekwirant niet de (voldoende begrijpelijke) bijzondere redenen heeft opgegeven die ertoe hebben geleid dat het Hof in afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt toch de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] als (belangrijk, zo niet het belangrijkste) belastend bewijs tegen rekwirant heeft gebruikt. Zeker het onbesproken laten van het argument dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vermogenspositie van het echtpaar in de voor het bewezenverklaarde relevante periode en vervolgens zelf een (niet zonder meer begrijpelijke) uitleg geven aan rekeningmutaties waaraan mogelijk een veel betere vermogenspositie te ontlenen is dan waarover is verklaard, is niet begrijpelijk en doet ook afbreuk aan de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring.
De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 (parketnummer 18-730001-21) is niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het arrest kan om die reden niet in stand blijven.
V. Schending van de artt. 33 en/of 33a Sr en/of de artt. 350, 353, 358, 359 en/of 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte een woning (aan de [a-straat 01] te [pleegplaats 3]) en een auto (BMW 740 met kenteken [kenteken]) verbeurd verklaard, althans heeft het Hof de verbeurdverklaring in ieder geval onvoldoende gemotiveerd door ten aanzien van deze voorwerpen over te gaan tot verbeurdverklaring zonder (voldoende begrijpelijk) aan te geven op grond waarvan het Hof heeft aangenomen dat deze woning en auto geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen zijn verkregen en/of is het kennelijke oordeel dat de woning en auto door middel van of uit de baten van witwassen zijn verkregen omdat het geld waarmee deze woning en auto zijn aangekocht ‘uit witwassen voorkomt’ onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk, nu goederen die worden aangeschaft met geld dat (slechts) het voorwerp van witwassen is niet reeds daarmee verkregen zijn ‘door middel van of uit de baten van’ dat witwassen. Dit maakt dat het arrest van het Hof — nu de verbeurdverklaring als onderdeel van de strafoplegging moet worden beschouwd — voor wat betreft de strafoplegging niet in stand kan blijven, althans dat het arrest van het Hof in ieder geval niet in stand kan blijven voor wat betreft de verbeurdverklaring van de genoemde woning en auto.
Toelichting
Art. 33a Sr bepaalt welke voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Het gaat dan om:
- a.
voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen;
- b.
voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
- c.
voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
- d.
voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
- e.
voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;
Kort gezegd komt het erop neer dat verbeurdverklaring van een voorwerp alleen kan volgen indien er een sterke band is tussen dat voorwerp en het strafbare feit (of de strafbare feiten) ten aanzien waarvan een veroordeling is gevolgd. Uit de uitspraak waarbij de verbeurdverklaring wordt uitgesproken zal moeten blijken dat aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan. Doorgaans is daarvoor voldoende dat aangegeven wordt wat de relatie met het delict is en op welke wijze aan het toebehorensvereiste is voldaan.
Voldoende — maar noodzakelijk — is dat het oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van in beslag genomen voorwerpen berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.27. Indien dit niet kan worden vastgesteld, is in dat opzicht niet beslist naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het Hof dient in zo een geval dat oordeel te verduidelijken.28.
In het arrest van het Hof d.d. 12 juli 2024 heeft het Hof onder hoofdstuk ‘10. Beslag’ weergegeven dat namens rekwirant ten aanzien van het beslag is bepleit om de BMW (740 [kenteken]) en de woning aan het adres [a-straat 01] te [pleegplaats 3] niet verbeurd te verklaren. Weergegeven dat het Openbaar Ministerie heeft gevorderd deze auto en deze woning wel verbeurd te verklaren en voor het overige beslag te beslissen conform het vonnis van de rechtbank.
Het Hof heeft ten aanzien van de genoemde verbeurdverklaring in het arrest overwogen:
‘Het hof acht de hieronder genoemde goederen vatbaar voor verbeurdverklaring. Naar het oordeel van het hof betreffen het voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Het hof overweegt dat bij de afweging of de woning en auto moeten worden verbeurdverklaard in aanmerking is genomen dat hierboven is vastgesteld dat zij zijn aangekocht met geld dat uit witwassen voortkomt. De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Het hof heeft bij de verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
- —
woning, adres [a-straat 01] te [pleegplaats 3]
- —
BMW 740 [kenteken] (nummer [001]) (…)’
Uit het arrest van het Hof is door deze zeer algemene motivering van de verbeurdverklaring onvoldoende af te leiden op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld dat deze bij rekwirant inbeslaggenomen woning en auto voor verbeurdverklaring in aanmerking kwamen. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, valt niet in te zien hoe het Hof (op grond van het verhandelde ter terechtzitting) is gekomen tot het oordeel dat deze woning en auto ‘geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen’. De zinsnede dat ‘bij de afweging of de woning en auto moeten worden verbeurdverklaard’ duidt meer op een proportionaliteitsafweging dan op een (nadere motivering van de) vaststelling dat deze goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Uit de zinsnede blijkt wel dat bij het Hof ten aanzien van de verbeurdverklaring van de woning en auto kennelijk de ogen (enkel) gericht zijn geweest op het witwassen zoals dat in de zaak met parketnummer 18-730001-21 bewezen is verklaard, het Hof verwijst immers naar een eerdere vaststelling dat de woning en auto zijn aangekocht met geld dat uit witwassen voortkomt en daarmee wordt verwezen naar de feiten 1 en 2 in de zaak met genoemd parketnummer. Bewezen is immers verklaard dat:
- ‘1.
(Zaaksdossier 18)
hij in de periode van 24 augustus 2018 tot en met 19 oktober 2018 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- —
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 195.000 euro (met als omschrijving op zijn bankrekening ‘Darlehn laut vertrag’), de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp was en
- —
een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 200.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit bedrag (200.000) contant te overhandigen aan een ander persoon en dit bedrag (195.000) te laten storten op een Duitse bankrekening en via die bankrekening dat bedrag vervolgens met als omschrijving ‘Darlehn laut vertrag’ naar zijn eigen bankrekening te laten overmaken en dit bedrag vervolgens aan te wenden voor de aankoop van een woning, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf;
- 2.
(Zaaksdossier 18)
hij in de periode van 27 juli 2019 tot en met 2 maart 2020, in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander,
- —
heeft vervuld en/of verborgen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een BMW 740 Ld Xdri met kenteken [kenteken] was en
- —
een voorwerp te weten een BMW 740 Ld Xdri met kenteken [kenteken] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt en
- —
een voorwerp te weten een geldbedrag van 75.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, omgezet en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit geldbedrag contant te overhandigen aan een ander en een ander met dat geldbedrag een BMW 740 Ld Xdri te laten kopen en de BMW op naam van een Duits bedrijf (te weten [C]) te laten zetten en vervolgens zelf deze BMW te gebruiken, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.’
Voorts volgt uit de nadere bewijsoverweging ten aanzien van deze feiten in het arrest dat sprake is van een onbekend gronddelict waar de voorwerpen (€195.000,- en €200.000,- en een BMW en €75.000,-) geheel of gedeeltelijk en middellijk of onmiddellijk uit afkomstig waren. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf is gebruikt gemaakt van de conclusie dat het niet anders kon zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren. Uit de gegevens zoals die blijken uit het onderzoek ter terechtzitting volgt niet dat rekwirant ook veroordeeld is (of verdacht werd van) het gronddelict waaruit de voorwerpen afkomstig zouden zijn.
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van de inhoudelijke behandeling bij het Hof heeft mr. Biesmans namens rekwirant het volgende naar voren gebracht:
‘De verbeurdverklaring van de woning en auto wordt gevraagd omdat dat zou zijn betaald met crimineel geld. Welke strafbare feiten zijn gepleegd waarmee hij dat heeft gepleegd? [verdachte] heeft de woning in 2018 gekocht en hij komt pas in juli 2019 in beeld. De verdediging verzoekt om de woning en auto niet verbeurd te verklaren’.
Uit het verhandelde ter terechtzitting, meer specifiek uit het requisitoir in eerste aanleg volgt dat het Openbaar Ministerie het volgende naar voren heeft gebracht:
‘De tenlastegelegde geldbedragen zijn door verdachte [verdachte] gebruikt voor de aanschaf van zijn woning en de BMW. Dat maakt dat de woning en de BMW hem toebehoren en geheel door middel van het strafbare feit zijn verkregen (33a-1-a Sr). Dat de BMW op naam staat van de GmbH past bij de toegepaste schijnconstructie en om die reden vormt 33a lid 2 Sr in dit geval geen beletsel voor een verbeurdverklaring (en zo wel, stellen wij vast dat de tenaamgestelde op de hoogte was en meegewerkt heeft aan deze witwasconstructie, tegen betaling). Daarmee zijn ze vatbaar voor verbeurdverklaring, hetgeen wij ook vorderen. Wij vinden dat proportioneel aangezien het evident is dat de woning geheel is gefinancierd met misdaadgeld zonder dat sprake is van vermenging. De WOZ-waarde bedroeg in 2019 €353.000,-.De waardevermeerdering sinds de aankoop door verdachte is in onze ogen vervolgprofijt dat met een verbeurdverklaring ongedaan dient te worden. Het is in de ogen van de wetgever nadrukkelijk de bedoeling om vervolgprofijt af te pakken; juist ook in het geval met criminele winsten een woning is aangekocht en met de verkoop ervan meer winsten zouden worden gerealiseerd.’
In het vonnis staat een vergelijkbare redenering:
‘Aangezien misdaad niet mag lonen zal de rechtbank voorts als bijkomende straf de verbeurdverklaring uitspreken ten aanzien van verdachtes woning aan de [a-straat 01] te [postcode] [pleegplaats 3] en van verdachtes auto, de BMW 740Ld xDrive, voorzien van kenteken [kenteken] op grond van artikel 33a, eerste lid, aanhef onder a, Sr. Beide goederen zijn aangeschaft met crimineel geld.’
Op welke criminele winsten of crimineel geld Openbaar Ministerie en rechtbank hebben gedoeld volgt uit het requisitoir en vonnis niet, evenmin volgt daaruit door middel van/uit de baten van welk (bewezenverklaard) strafbaar feit of feiten de woning en BMW verkregen zouden zijn. Het uitgangspunt dat misdaad niet mag lonen is één ding, maar of een verbeurd te verklaren goed ook geheel of grotendeels verkregen is door middel van of uit de baten van een bewezenverklaard strafbaar feit is nog iets anders.
Zoals gesteld heeft het Hof een nog wat kortere overweging aan deze verbeurdverklaring gewijd, inhoudende dat bij de afweging of de woning en auto verbeurd moesten worden verklaard ‘in aanmerking is genomen dat is vastgesteld dat deze zijn aangekocht met geld dat uit witwassen voortkomt’. Zoals volgt uit de bewezenverklaring (en nadere bewijsoverwegingen die betrekking hebben op deze feiten) heeft het Hof geoordeeld dat (ten aanzien van de woning) rekwirant €200.000,- dat uit enig misdrijf afkomstig was, voorhanden had, heeft overgedragen aan een ander, die dat op een bankrekening heeft gezet en (daarvan) €195.000,- heeft overgemaakt naar een bankrekening van rekwirant, die vervolgens van dat bedrag een woning heeft gekocht (het bedrag is overgemaakt naar een notaris). En heeft verhuld wat de herkomst was van — en wie de rechthebbende was op die €195.000,-. En ten aanzien van BMW dat rekwirant €75.000,- dat uit enig misdrijf afkomstig was voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, omgezet en er gebruik van heeft gemaakt door een ander er een BMW van te laten kopen en die vervolgens zelf te gebruiken. En ook die BMW heeft verworven, voorhanden gehad en daar gebruik van heeft gemaakt en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was.
De vraag is of de woning en het voertuig dan geheel of grotendeels zijn ‘verkregen door middel van of uit de baten van’ de bewezenverklaarde strafbare feiten — te weten witwassen. Een strafbaar feit dat in beginsel niet zorgt voor een vermogenstoename. En de vraag die zich opdringt is of ook hier geldt dat de enkele omstandigheid dat een goed (zoals een geldbedrag) voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, (nog) niet met zich meebrengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt, zoals dat geldt bij profijtontneming waarbij het voordeel zou zijn verkregen door middel van het bewezenverklaarde witwassen (HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217.) Aan deze rechtspraak ligt ten grondslag dat de strafbaarstellingen van witwassen in de kern steeds het verrichten van handelingen betreffen ten aanzien van een voorwerp dat al uit misdrijf afkomstig is en dus de opbrengst van dat misdrijf vormt, vaak met als doel het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan. Het verrichten van witwashandelingen leidt op zichzelf niet ertoe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. Het enkele verrichten van die handelingen heeft immers niet tot gevolg dat de opbrengst die met het gronddelict (bijvoorbeeld de verkoop van drugs) is behaald, toeneemt. Dit is niet anders bij het omzetten van een uit misdrijf afkomstig voorwerp in relatie tot (de waarde van) het voorwerp waarin dat wordt omgezet. Uit de enkele omstandigheid dat geldbedragen zijn omgezet, volgt immers nog niet dat, en in welke mate, de betrokkene daardoor ook over meer vermogen is komen te beschikken dan de al verworven uit misdrijf afkomstige geldbedragen, of dat de betrokkene anderszins op geld waardeerbaar voordeel heeft gehad als gevolg van die omzetting (HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:194.)
Artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr bepaalt dat ‘voorwerpen en vorderingen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van een strafbaar feit zijn verkregen’, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Een gelijkluidende formulering is te vinden in artikel 36e, tweede lid, Sr, dat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van deze voorwerpen mogelijk maakt (en waar de voorgaande rechtspraak bij witwassen op van toepassing is). Gezien de wetsgeschiedenis van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr en de nauwe samenhang tussen beide wijzen van profijtontneming, dient naar het standpunt van rekwirant eenzelfde betekenis te worden toegekend aan ‘verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit’29..
In 1993 werd artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr gewijzigd, waardoor de mogelijkheid om voorwerpen die uit de baten van een strafbaar feit zijn verkregen verbeurd te verklaren, werd uitgesloten.30. Hieraan lag ten grondslag dat artikel 36e Sr reeds voorzag in deze mogelijkheid en dat de toepassingsgebieden van beide sancties strikter van elkaar moesten worden gescheiden.31. In 2011 werd deze opvatting echter verlaten en werd ook verbeurdverklaring van voorwerpen afkomstig uit de baten van een strafbaar feit weer mogelijk. Hierbij werd voor de definitie van ‘baten’ bij verbeurdverklaring zelfs expliciet aangesloten bij het begrip ‘vervolgprofijt’ in het kader van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ten aanzien van de genoemde ‘baten’ is dan ook duidelijk de betekenis voor beide bepalingen gelijk is.
Voor voorwerpen die door middel van het strafbare feit zijn verkregen, geldt hetzelfde, zij het dat dit niet zo expliciet volgt uit de wetsgeschiedenis. Niettemin kan dit hieruit indirect worden afgeleid. Bij de eerdergenoemde beperking van het toepassingsgebied van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr overwoog de wetgever zoals gezegd dat deze wijziging diende om de overlap tussen verbeurdverklaring en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te verkleinen, maar dat overlap zal blijven bestaan.32. Dat de wetgever met deze blijvende overlap in het toepassingsgebied doelt op voorwerpen die door middel van het strafbare feit zijn verkregen blijkt uit de verduidelijking die verderop wordt geboden ten aanzien van de aangewezen grondslag bij overlap ten aanzien van deze voorwerpen. Zo overwoog de wetgever dat blijkt dat voorwerpen die een direct gevolg zijn van een misdrijf bij voorkeur verbeurd worden verklaard, terwijl voorwerpen die in een meer verwijderd verband met het misdrijf staan via artikel 36e Sr worden ontnomen.33. Hieraan werd door A-G Keulen in zijn conclusie bij ECLI:NL:HR:2024:1821 het gevolg verbonden dat de wetgever een ‘'door middel van een strafbaar feit verkregen voorwerp’ in beginsel, behoudens aftrek van kosten, (ook) als ‘voordeel’ in de zin van artikel 36e Sr’ beschouwt.34.
Dit standpunt wordt ondersteund door een arrest van uw College van 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, waarin werd geoordeeld dat voorwerpen die als opbrengst van een strafbaar feit kunnen worden aangemerkt, zowel via verbeurdverklaring als via ontneming kunnen worden afgenomen.35. Dit oordeel werd gebaseerd op de wetsgeschiedenis van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr en leidde ertoe dat de opbrengst bij verbeurdverklaring in mindering moet worden gebracht op de betalingsverplichting uit hoofde van ontneming, zoals bedoeld in artikel 36e, tiende lid, Sr. Zo werd beoogd te voorkomen dat hetzelfde voordeel tweemaal kon worden ontnomen. In het arrest van uw College d.d. 1 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:479 verwoordt uw College het zo dat door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit als bedoeld in art. 33a, eerste lid aanhef en onder a, Sr, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen.
Uit het voorgaande volgt dan ook dat ‘verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit’ zoals die bewoordingen zijn opgenomen in artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr en artikel 36e, tweede lid, Sr, eenzelfde betekenis hebben en het daarbij gaat om de opbrengst(en) van een strafbaar feit of de baten/het vervolgprofijt daarvan.
Naar het standpunt van rekwirant maakt het feit dat de woning en BMW zijn aangekocht met ‘geld dat uit witwassen voortkomt’ dan ook niet (zonder meer) dat sprake is van voorwerpen die geheel of grotendeels zijn ‘verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit’ witwassen zoals bedoeld art. 33a, eerste lid, onder a Sr. De witwasvoorwerpen (de geldbedragen) kunnen niet worden aangemerkt als de opbrengst(en) van witwassen, deze zijn (eerder) verkregen door middel van het onbekende gronddelict dat ten aanzien van rekwirant niet bewezen is verklaard en dus ook niet het ‘strafbare feit’ kan zijn waar het om gaat in art. 33a, eerste lid, onder a Sr. Deze witwasvoorwerpen zijn niet in waarde toegenomen door het witwassen daarvan (althans daarvan blijkt niet), evenmin is de vermogenspositie van rekwirant door de witwashandelingen ten aanzien van de geldbedragen verbeterd. Het enkele aanwenden van de bedragen voor de aanschaf van een woning en auto (omzetten) brengt ook niet met zich dat het vermogen van rekwirant daardoor is toegenomen met de waarde van deze bedragen/de woning en auto.
Het oordeel van het Hof dat de verbeurd verklaarde woning en auto geheel of grotendeels zijn verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten (het medeplegen van witwassen) is zonder nadere motivering, die ontbreekt, dan ook niet begrijpelijk en in ieder geval niet (zonder meer) begrijpelijk gemotiveerd.
Dit maakt dat het arrest van het Hof — nu de verbeurdverklaring als onderdeel van de strafoplegging moet worden beschouwd36. — voor wat betreft de strafoplegging niet in stand kan blijven, althans dat het arrest van het Hof in ieder geval niet in stand kan blijven voor wat betreft de verbeurdverklaring van de woning en de BMW.
VI. Schending van de artt. 33, 33a en/of 34 Sr en/of de artt. 350, 358, 359 en/of 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten aanzien van de verbeurd verklaarde voorwerpen/geldbedragen
- —
geld uit zwarte koffer totaal €3640,-;
- —
geld uit zwarte koffer totaal €106,95;
- —
geld in plastic totaal €3.000,-;
- —
geld totaal €600,-;
- —
geld totaal 20 GBP;
- —
envelop met totaal €100,-;
- —
prada doosje met totaal €600,-;
- —
geld totaal 10 GBP;
- —
5 x onbekende valuta;
- —
geld totaal €760,-;
- —
geld totaal €800,-;
- —
geld totaal €1450,-;
- —
geld totaal €1000,-,
ten onrechte nagelaten vast te stellen dat aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan, nu uit het arrest niet volgt wat de relatie zou zijn tussen deze geldbedragen en het delict/de delicten en niet op welke wijze aan het toebehorensvereiste zou zijn voldaan, althans en in ieder geval heeft nagelaten het oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring te doen berusten op gegevens die zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, nu immers uit gegevens die zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting niet blijkt dat en op welke wijze aan het toebehorensvereiste is voldaan en uit die gegevens niet blijkt dat het voorwerpen betreffen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. En/of heeft het Hof nagelaten de vereiste relatie tussen deze voorwerpen en de strafbare feiten, welke relatie niet direct duidelijk is, nader te motiveren waardoor dat oordeel niet toereikend is gemotiveerd. Het Hof heeft in dezen dan ook niet beslist naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, althans is het oordeel van het Hof dat het verbeurdverklaarde aan rekwirant toebehoorde en is verkregen door middel van of uit de baten van de (bewezenverklaarde) strafbare feiten zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Dit maakt dat het arrest van het Hof — nu de verbeurdverklaring als onderdeel van de strafoplegging moet worden beschouwd — voor wat betreft de strafoplegging niet in stand kan blijven, althans dat het arrest van het Hof in ieder geval niet in stand kan blijven voor wat betreft de verbeurdverklaring van de genoemde geldbedragen.
Toelichting
In het arrest van het Hof d.d. 12 juli 2024 heeft het Hof onder hoofdstuk ‘10. Beslag’ weergegeven dat namens rekwirant ten aanzien van het beslag is bepleit om de BMW (740 [kenteken]) en de woning aan het adres [a-straat 01] te [pleegplaats 3] niet verbeurd te verklaren. Weergegeven dat het Openbaar Ministerie heeft gevorderd deze auto en deze woning wel verbeurd te verklaren en voor het overige beslag te beslissen conform het vonnis van de rechtbank. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat het de hieronder genoemde goederen vatbaar voor verbeurdverklaring acht nu het naar het oordeel van het Hof voorwerpen betreffen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Ten aanzien van woning en BMW overweegt het Hof nog dat is vastgesteld dat deze zijn aangekocht met geld dat uit witwassen voortkomt. De voorwerpen behoren blijkens het oordeel van het Hof aan rekwirant toe en rekening is gehouden met de draagkracht van rekwirant. Vervolgens worden de verbeurdverklaarde voorwerpen weergegeven, het gaat om:
- —
woning, adres [a-straat 01] te [pleegplaats 3];
- —
BMW 740 [kenteken]
- —
geld uit zwarte koffer totaal €3640,-;
- —
geld uit zwarte koffer totaal €106,95;
- —
geld in plastic totaal €3.000,-;
- —
geld totaal €600,-;
- —
geld totaal 20 GBP;
- —
envelop met totaal €100,-;
- —
prada doosje met totaal €600,-;
- —
geld totaal 10 GBP;
- —
5 x onbekende valuta;
- —
geld totaal €760,-;
- —
geld totaal €800,-;
- —
geld totaal €1450,-;
- —
geld totaal €1000,-,
Verbeurdverklaring is een bijkomende straf die door de rechter kan worden opgelegd bij veroordeling voor een strafbaar feit. Het is een vermogensstraf, die ertoe strekt de verdachte in zijn vermogen te treffen. Ingevolge art. 33a Sr is voor verbeurdverklaring in beginsel vereist dat de voorwerpen aan de verdachte toebehoren. Verder vergt art. 33a Sr een bepaalde relatie tussen het voorwerp en hetgeen bewezen is verklaard. Blijkens art. 33a lid 1 Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer:
- a.
voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.
Blijkens het arrest zij naar het oordeel van het Hof de genoemde voorwerpen (totaal zonder de GBP en onbekende valuta een geldbedrag van €12.056,95) vatbaar voor verbeurdverklaring op grond van deze a-grond.
De rechter die overgaat tot verbeurdverklaring dient in het vonnis of arrest vast te stellen dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, hetgeen inhoudt dat aangegeven moet worden wat de relatie met het delict is en op welke wijze aan het toebehorensvereiste is voldaan. De vatbaarheid voor verbeurdverklaring hoeft niet te blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voldoende is dat het oordeel over die vatbaarheid berust op gegevens die zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.37. Wanneer de voor verbeurdverklaring vereiste relatie tussen voorwerp en feiten niet direct duidelijk is, moet de rechter deze nader motiveren.38. Zie voor deze uitgangspunten ook nog A-G Spronken in haar conclusie ECLI:NL:PHR:2023:1111.
Het Hof heeft ten aanzien van geen van de genoemde verbeurdverklaarde voorwerpen, met uitzondering van de woning en BMW, in het arrest gespecificeerd door middel van of uit de baten van welk bewezenverklaarde feit of feiten deze zijn verkregen. Een directe relatie tussen de voorwerpen, het betreffen allemaal geldbedragen met genoemde (goed)nummers, en de strafbare feiten die ten aanzien van rekwirant bewezen zijn verklaard valt niet uit het arrest of de processen-verbaal terechtzitting op te maken. Rekwirant is blijkens het arrest immers veroordeeld wegens het medeplegen van voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in art. 10a Opiumwet, deelnemen aan een criminele organisatie, het medeplegen van gewoontewitwassen van €30.000,-, €5.000,- en €34.800,- (bestaande uit he verwerven, voorhanden hebben en overdagen, waarbij niet valt in te zien dat de verbeurdverklaarde geldbedragen in verband staan met de witgewassen geldbedragen waar dit feit betrekking op heeft) en het overtreden van de Wet Wapens en Munitie, alsmede (zaak met parketnummer 18/730001-21) het witwassen van €195.000,- en €200.000,- en van een BMW en van €75.000,-. Dat de verbeurdverklaarde geldbedragen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van (één van) die feiten zijn verkregen, valt daar niet direct uit af te leiden.
De gegevens zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting brengen niet meer duidelijkheid over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van de geldbedragen, wat steeds de relatie met het delicten of de delicten is blijkt daaruit niet (dus ook niet dat deze zijn verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten) en evenmin dat steeds aan het toebehorensvereiste is voldaan. Aan gegevens die tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken valt niet te ontlenen dat de geldbedragen aan rekwirant toebehoorden.
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van het Gerechtshof d.d. 5, 9, 12 en 16 februari 2024 en 12 juli 2024, de terechtzitting waarop de zaak in hoger beroep inhoudelijk is behandeld, blijkt ten aanzien van het beslag niet méér dan dat de voorzitter heeft medegedeeld dat in de zaak van rekwirant beslag is gelegd, onder andere op de BMW, de woning, vuurwapens en drugs en dat de rechtbank daar een beslissing op heeft genomen (meer voorwerpen of geldbedragen worden niet genoemd). Verder blijkt alleen dat de advocaten-generaal hun vordering hebben voorgelezen, inhoudende dat ten aanzien van het beslag wordt gevorderd om de auto (BMW 740 [kenteken]) en de woning aan het adres [a-straat 01] de [pleegplaats 3] verbeurd te verklaren. De vordering is aan het Hof overgelegd bevindt zich ook bij de kernstukken en daaruit blijkt inderdaad dat de verbeurdverklaring is gevorderd van de woning en de auto. Voorts blijkt dat namens rekwirant door zijn raadsvrouw mr. Biesmans naar voren is gebracht dat de verbeurdverklaring van de woning en auto wordt gevraagd omdat deze zou zijn betaald met crimineel geld en zij zich heeft afgevraagd welke strafbare feiten dan zijn gepleegd waarmee rekwirant dat geld heeft verkregen. Gesteld is dat rekwirant de woning in 2018 heeft gekocht en bij de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht wordt pas in juli 2019 in beeld komt. Verzocht is de woning en de auto niet verbeurd te verklaren. Overige in beslag genomen voorwerpen of voorwerpen die anderszins vatbaar zouden zijn voor verbeurdverklaring, worden in het proces-verbaal terechtzitting niet genoemd. Daaruit blijkt dan ook niet van gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verbeurd verklaarde geldbedragen aan rekwirant toebehoren en geheel of grotendeels zijn verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten.
Ook uit de overige processen-verbaal van de terechtzittingen bij het Hof en bij de rechtbank in eerste aanleg volgen niet meer gegevens waaruit überhaupt iets zou kunnen worden afgeleid uit de verbeurd verklaarde geldbedragen. Uit het requisitoir van het Openbaar Ministerie in eerste aanleg volgt ten aanzien van rekwirant dat gesteld is dat de woning en de BMW in beslag zijn genomen en dat de verbeurdverklaring daarvan wordt gevorderd. Uit dat requisitoir blijkt verder niets van andere geldbedragen die vatbaar zouden zijn voor verbeurdverklaring omdat ze rekwirant toebehoren en geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van strafbare feiten zijn verkregen. Uit het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 18 augustus 2022, volgt dat de rechtbank verbeurd heeft verklaard de woning aan de [a-straat 01] te [pleegplaats 3] en de BMW met kenteken [kenteken], een aantal voorwerpen zijn onttrokken aan het verkeer, de bewaring is gelast van een iPhone 8 en verder is de teruggave gelast aan rekwirant van overige voorwerpen die met toepassing van artikel 94 Sv onder hem in beslag zijn genomen en ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave was gegeven. Op welke voorwerpen die beslissing ziet, wordt uit het vonnis niet duidelijk. Maar in ieder geval blijkt ook uit het vonnis niet dat in eerste aanleg de reeks geldbedragen verbeurd is verklaard, zoals het Hof daar wel toe is overgegaan.
Dat betekent dat naar het standpunt van rekwirant dat het oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring, namelijk het kennelijke oordeel van het Hof dat de geldbedragen aan rekwirant toebehoren en geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen, niet berust op gegevens die zijn gebleken uit onderzoek ter terechtzitting. In dat opzicht is door het Hof niet beslist naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het Hof is weliswaar overgegaan tot verbeurdverklaring en in het arrest is vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, te weten dat aangegeven is de voorwerpen zijn verkregen door middel van of uit de baten en dat aan het vereiste van toebehoren is voldaan, maar de motivering voor die vaststelling ontbreekt. Nu de relatie tussen de verbeurd verklaarde voorwerpen en de bewezen verklaarde feiten ook niet direct duidelijk is, had het Hof tot een nadere motivering moeten komen, welke motivering in het arrest niet te vinden is. Het oordeel van het Hof dat de verbeurd verklaarde geldbedragen aan rekwirant toebehoorden en zijn verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Dit maakt ook dat het arrest van het Hof — nu de verbeurdverklaring als onderdeel van de strafoplegging moet worden beschouwd aangezien verbeurdverklaring een bijkomende straf is en het verbeurd verklaren van een geldbedrag van (tenminste) € 12.056,95 rekwirant financieel raakt — voor wat betreft de strafoplegging niet in stand kan blijven. In ieder geval kan het arrest van het Hof niet in stand blijven voor wat betreft de verbeurdverklaring van de genoemde geldbedragen.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden op 12 juli 2024 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigde,
mr D.N. de Jonge
Rotterdam, 10 maart 2025
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑03‑2025
Zie arrest d.d. 12 juli 2024, p. 82 t/m 206 waarin meermaals verwezen wordt naar hetgeen A-4110 (in belastende zin) verklaard heeft over onder meer ontmoetingen die het Hof redengevend heeft geacht om te komen tot deze bewezenverklaringen. Op p. 212 t/m 225 staan nadere bewijsoverwegingen die mede gebaseerd zijn op de bewijsmiddelen waarin informatie/verklaringen van A-4110 een belangrijke plaats innemen.
Proces-verbaal terechtzitting Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 5, 9, 12 en 16 februari en 12 juli 2024.
Proces-verbaal terechtzitting Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 5, 9, 12 en 16 februari en 12 juli 2024, p.11
Vonnis d.d. 17 augustus 2022, p. 9 en arrest d.d. 12 juli 2024, p. 8
Arrest d.d. 12 juli 2024, p. 10.
Motie van het lid Kalsbeek-Jasperse, Kamerstukken II 1998–1999, 23251, nr. 33.
Zie bijvoorbeeld (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 403, nr. 7) ‘Een informant is in de praktijk meestal een persoon uit het criminele milieu. Een persoon uit een dergelijk milieu kan niet optreden als infiltrant. De criminele burgerinfiltrant is immers in beginsel verboden’ (p. 39); ‘Inderdaad blijven aan de inzet van burgers bij de opsporing risico's kleven. Dat geldt zeker in het geval van de criminele burgerinfiltrant. De wettelijke kaders verminderen deze risico's echter, vooral ook doordat zij tot een zeer restrictieve inzet van deze opsporingsmethodes verplichten. Inzet van een criminele burgerinfiltrant is in principe verboden’ (p. 67); ‘Deze leden vragen de regering voorts of in de praktijk niet de behoefte zal bestaan om de gestuurde burgerinformant hetzelfde te laten doen als wat juist door het verbod op de criminele burgerinfiltrant moet worden voorkomen. Ik verwacht niet dat deze behoefte zal bestaan’ (p. 70).
Zo onder meer de (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 403, nr. 7) PvdA-fractie (p. 71), de CDA-fractie (p. 72), de VVD-fractie (p. 73) en de GPV-fractie (p. 74).
Dat was ook het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie dat er blijkens de Aanwijzing wel degelijk van uit ging dat sprake was van een opgelegd algemeen verbod dat eerst met de motie-Recourt werd opgeheven: ‘Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen (…).’
M.J. Borgers, ‘Wetshistorische interpretatie in de strafrechtspraak’, in M.S. Groenhuijsen en J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen — Liber amicorum J. de Hullu, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 54
Verwezen is naar J.P.A. Fleuren, ‘Wetshistorische interpretatie, de bedoeling van de wetgever’, in P.P.T. Bovend'Eert e.a. (red.), De staat van wetgeving. Opstellen aangeboden aan prof. mr. C.A.J.M. Kortmann, Deventer: Kluwer 2009, p. 155 en S.L.J. Janssen, De kroongetuige in het Nederlandse strafproces (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2013, p. 182.
P.P.T. Bovend' Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, twaalfde druk Deventer 2017, p. 217
In ieder geval wordt daarmee uit het oog verloren dat een motie een van geval tot geval verschillende politieke betekenis heeft, zie daarvoor: P.P.T. Bovend' Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, twaalfde druk Deventer 2017, p. 366
Proces-verbaal terechtzitting Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 5, 9, 12 en 16 februari en 12 juli 2024, p.11
Verwijzend naar Corstens en Borgers, het Nederlandse strafprocesrecht, achtste druk 2014, p. 520.
Randnummers 34, 35, alsmede 39 pleitnota eerste aanleg zoals herhaald in randnummer 32 pleitnota hoger beroep, p. 23–24.
Pleitnotities zoals overgelegd en voorgedragen ten overstaan van het Hof dd. 12 februari 2024, p. 24.
Arrest d.d. 12 juli 2024, p. 7
Mogelijk bedoeld zal zijn de ernstigste.
Zie bijvoorbeeld p.4 van de pleitnotities
Verwezen kan worden naar p. 25 van de pleitnotities
Terwijl niets wordt overwogen over de verklaringen die in een eerder stadium zijn afgelegd/onderzoeksbevindingen waarin van A-4110 afkomstige informatie is opgenomen.
Proces-verbaal terechtzitting Hof d.d. 5, 9, 12 en 16 februari 2024 en 12 juli 2024, p. 5.
Van dit feit is rekwirant in appel uiteindelijk vrijgesproken.
HR 6 februari 2007, NJ 2007, 109.
HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2931 en HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8590. Zie ook HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6361, NJ 2007, 630, waarin uw College overwoog dat het oordeel dat het verbeurd verklaarde geld geheel of grotendeels door middel van de bewezenverklaarde feiten was verkregen dan wel tot het begaan van die feiten was bestemd, zonder nadere (doch ontbrekende) motivering niet begrijpelijk was.
Met dien verstande dat dat voor toepassing van art. 33a lid 1, onder a Sr ook ‘grotendeels verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit’ kan zijn en het karakter van de ontnemingsmaatregel maakt dat het zal moeten gaan om het daadwerkelijk behaalde voordeel (met aftrek van kosten).
Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11.
Conclusie bij HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1821, par. 39.
HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874.
Zie in dat kader ook HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:244, r.o. 2.2.
HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668.
Zie HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK2136; HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7366; HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1423.