De procesovereenkomst
Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/3.2.4:3.2.4 Afwijking van de regels omtrent de rechtsingang en de gang van zaken tijdens de procedure
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/3.2.4
3.2.4 Afwijking van de regels omtrent de rechtsingang en de gang van zaken tijdens de procedure
Documentgegevens:
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS383506:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. Almelo 1 september 2010, NJF 2010, 402.
Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 367-368.
Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 643.
Van der Linden 2010, p. 77; Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 174, nr. 146.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In verschillende bepalingen wordt het partijen mogelijk gemaakt om af te wijken van de regels omtrent de rechtsingang of de gang van zaken tijdens de procedure. Voor afwijking wordt in deze gevallen geen overeenkomst vereist, maar steeds een bepaalde verklaring of gedraging van partijen.
Ten eerste kunnen partijen in bepaalde gevallen afwijken van het vereiste van een dagvaarding of een exploot. Zo is in artikel 255 lid 2 Rv bepaald dat partijen vrijwillig ter terechtzitting van de voorzieningenrechter in kort geding kunnen verschijnen. In dat geval is een dagvaarding dus niet nodig. Ook kunnen partijen zich, zonder dagvaarding, samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden. De normale procesregels zijn daarbij niet van toepassing. Het geding wordt gevoerd op de wijze als door de kantonrechter bepaald (zie artikel 96 Rv). Voorts geldt dat, indien het geding is geschorst, het in principe bij exploot dient te worden hervat. Blijkens artikel 227 lid 1 sub b en artikel 228 lid 1 Rv kan hervatting echter ook plaatsvinden doordat een van de partijen, met instemming van de andere partij, een akte ter rolle neemt.
Partijen hebben verschillende mogelijkheden om af te wijken van de termijnen die gelden tijdens de procedure. Zo is in artikel 133 lid 2 Rv bepaald dat partijen uitstel kunnen vragen voor het nemen van conclusies. De rechter volgt een daartoe strekkend, eenstemmig verzoek van partijen, tenzij dit zou leiden tot onredelijke vertraging van het geding. Blijkens lid 3 geldt hetzelfde voor de termijnen voor het verrichten van andere proceshandelingen. In artikel 229 Rv is bepaald dat op verlangen van de in het geding verschenen partijen de rechter de uitspraak uitstelt. Ook in de echtscheidingsprocedure is verlenging van termijnen mogelijk. Zo blijkt uit artikel 816 lid 5 Rv dat de rechter de termijn voor het indienen van het verweerschrift op eensluidend verzoek van de echtgenoten verlengt, tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding. Uit artikel 818 lid 3 Rv volgt dat op een eensluidend verzoek van de echtgenoten de behandeling ter terechtzitting niet wordt aangevangen of voortgezet voor het verstrijken van een door hen aangeduide termijn, tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding.
Partijen kunnen ten slotte hun zaak royeren. In artikel 246 lid 1 Rv is bepaald dat op verlangen van partijen de zaak op de rol wordt doorgehaald. De rechtsgevolgen van deze doorhaling kunnen partijen blijkens lid 2 bij overeenkomst bepalen. Mogelijk is dat partijen met het royement de instantie beëindigen, maar noodzakelijk is dit niet.1
Naast deze wetsartikelen die het in een specifiek geval mogelijk maken om af te wijken van de gang van zaken tijdens de procedure, bestaat er een aantal meer algemene bepalingen waarbij afwijking mogelijk wordt gemaakt. Zo is artikel 191 Rv van belang, met welk artikel beoogd wordt het maken van bindende procesafspraken te faciliteren.2 In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de rechter na afloop van een voorlopig getuigenverhoor een comparitie kan bevelen. Daarbij kan, blijkens het tweede lid, ook de verdere wijze van behandeling van geschillen worden besproken. Afspraken dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, in een procesverbaal vastgelegd. Volgens toenmalig minister Korthals wordt hiermee een aanzet gegeven tot een meer algemene erkenning van procesafspraken.3 Het bespreken van de gang van zaken tijdens de procedure is ook mogelijk tijdens andere comparities, zoals de comparitie na antwoord. Dit staat niet met zo veel woorden in de wet, maar is een algemeen erkend doel van de comparitie.4 Naast artikel 191 Rv moet ook gewezen worden op artikel 1.4 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken. In dit artikel is bepaald dat partijen gebonden zijn aan de wijze en termijnen van procesvoering als in het reglement voorzien, tenzij de rechtbank op hun eenstemmig verzoek dat vóór de eerste roldatum is gedaan, een daarvan afwijkende procesvoering toestaat. In paragraaf 7.6 wordt betoogd dat de rechter een dergelijk verzoek in sommige gevallen niet mag weigeren.