Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.1
4.3.6.1 Inleiding
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS379893:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide beschrijving van de inrichting van het hoger beroep, de achtergronden daarvan en een waardering van de huidige inrichting Hovens 2005, i.h.b. hfdst. 5 en 7.
Zie Snijders & Wendels 2003, nr. 162. Vgl. Ras/Hammerstein 2004, nrs. 16 en 24.
Zie o.m. HR 5 december 2003 (C7ickly.com/Johnson Spark), NJ 2004, 76, AA 2004, p. 282-287 (G.R. Rutgers). Niet vereist is dat de bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg onder de benaming 'grieven' worden aangevoerd, zie HR 24 april 1981 (lansen/MAL), NJ 1981, 495 (WHH).
Vgl. HR 19 februari 1993 (The Flying Dutchman), NJ 1993, 364 (HER). Blijkens de rechtspraak kan appellant bij memorie van grieven bovendien het hoger beroep uitbreiden met een beroep tegen andere onderdelen van het bestreden vonnis dan vermeld in de dagvaarding of zelfs met een beroep tegen een niet in de dagvaarding vermeld tussenvonnis. Zie HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 509 (HJS); HR 26 oktober 2001, NJ 2001, 655; HR 27 april 1990 (Martens/Moret), NJ 1991, 121 en (Van der Kloof/CSU), NJ 1991, 122 (HJS onder NJ 1991, 123). Daarover Snijders & Wendels 2003, nrs. 53 en 138, alsmede Ras/Hammerstein 2004, nrs. 3, 4 en 7.
Zo Asser, annotatie van HR 7 december 2001, NJ 2003, 76; Snijders & Wendels 2003, nr. 162 en Ras/Hammerstein 2004, nr. 19.
Zie o.m. HR 23juni 2000, NJ 2001, 347 (WMK) en HR 24 december 1993 (Leebeek/Vrumona), NJ 1994, 214. Voorts: Ras/Hammerstein 2004, nr. 61; Snijders & Wendels 2003, nrs. 5,163 en 216. Zie ook Hovens 2001a, p. 75-77; Hammerstein 1991 en Rutten 1945.
Zie bijv. HR 28 februari 1969 (Van Oosten/Van Komen), NJ 1969, 389; HR 26 maart 2004 (Anthea/ABN AMRO), NJ 2004, 309 (Pv5) en HR 12 november 2004 (Gardenier/Trudo), NJ 2005, 24.
Zie HR 1 februari 2002, NJ 2003, 655 (DA).
Over de herstelfunctie van het hoger beroep: Snijders & Wendels, nr. 3. Kritisch over de 'ruimhartige herstelmogelijkheden' in het licht van het beginsel van twee feitelijke instanties: Hovens 2001a, 2001b en 2003 en Asser, Groen & Vranken 2003, p. 198-201.
Zie voor een praktische uitwerking: HR 8 december 2000 (Zeegers/Franssen), NJ 2001, 197 en HR 24 januari 1997 (B./Korpsbeheerder Regiopolitie Gelderland-Zuid), NJ 1998, 398 (Overkleeft-Verburg).
Dat de dagvaarding hiervan melding maakt wordt niet uitdrukkelijk door de wet voorgeschreven, maar algemeen wordt verondersteld dat dit vereiste wel geldt; zie Snijders & Wendels 2003, nr. 137 en Ras/Hammerstein 2004, nr. 2.
Hoewel de wet dit niet bepaalt, mag voorts worden aangenomen dat de appèldagvaarding ook niet, zoals de dagvaarding in eerste aanleg, de verweren van gedaagde en de gronden daarvoor hoeft te behelzen. De dubbele ratio van deze eis - enerzijds eiser er toe aan te zetten om in overleg te treden met de wederpartij alvorens deze te dagvaarden, anderzijds er aan bij te dragen dat al in een vroeg stadium van de procedure aan de rechter duidelijk wordt wat partijen verdeeld houdt - mist in hoger beroep iedere betekenis. Het zou bovendien ongerijmd zijn van eiser te verlangen dat hij de verweren en de gronden daarvoor van gedaagde vermeldt, nu eiser zelf in de dagvaarding nog niet eens de gronden voor het hoger beroep hoeft op te nemen.
Onder omstandigheden kan appellant volstaan met een herhaling van hetgeen door hem in eerste aanleg was gesteld, als gronden van de eis in hoger beroep, zie HR 28 maart 1997 (De Witte/Jager), NJ 1997, 452 en HR 21 december 1990 (Roefs/Fanfare Eendracht maakt macht), NJ 1992, 96 (HJS). Nader hierover Snijders & Wendels 2003, nrs. 168-169 en Ras/Hammerstein 2004, nrs 26/27. Kritisch over de summiere inhoud van de appèldagvaarding Ras 1994, p. 65; Snijders & Wendels 2003, nr. 133 en Hovens 2001b, p. 872.
Zie o.m. HR 18 januari 1973, NJ 1973, 186 en HR 6 januari 1984, NJ 1984, 397 (WIE). Of appellant de gronden van zijn verzoek voldoende heeft omschreven, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals van hetgeen in eerste aanleg door partijen is gesteld, het resultaat van eventuele bewijsverrichtingen en de inhoud van de bestreden, zie HR 5 februari 1993 (B./Gem. Hoogezand-Sappermeer), NJ 1993, 300 (HER). Ook in de verzoekschriftprocedure zal appellant soms kunnen volstaan met een verwijzing naar of herhaling van hetgeen door hem in eerste aanleg is gesteld, vgl. de bij nr. 169 genoemde jurisprudentie. Nader hierover Snijders & Wendels 2003, nrs. 352-355.
168. Het Nederlands burgerlijk procesrecht biedt partijen in beginsel de mogelijkheid om zich, nadat hun zaak in eerste instantie is berecht, tot een hogere rechter te wenden om de zaak opnieuw in volle omvang te laten onderzoeken en berechten. De omvang van de stellast van partijen in hoger beroep en hun mogelijkheden om nieuwe stellingen, stukken en bewijzen aan te voeren, wordt in hoge mate bepaald door het samenspel van het in hoger beroep gehanteerde grievenstelsel, het beginsel van de devolutieve werking van het hoger beroep en het uitgangspunt dat het hoger beroep partijen de gelegenheid biedt tot een volledige, tweede behandeling van de zaak door een hogere rechter.1
Het grievenstelsel brengt mee dat de appèlrechter is gebonden aan eindbeslissingen van de rechter in eerste aanleg, voor zover deze in hoger beroep niet met een grief worden bestreden.2 Als grieven worden aangemerkt alle stellingen die appellant aanvoert als zelfstandige grond voor vernietiging van de bestreden uitspraak.3 Dit stelsel geeft uitdrukking aan de gedachte dat het hoger beroep een voortzetting is van het debat in eerste aanleg. Partijen zijn reeds gebonden aan de beslissingen van de rechter in eerste aanleg. Willen zij die binding teniet doen, dan mag van hen worden verwacht dat zij aangeven waarom de bestreden beslissing in hun ogen geen stand kan houden. De omvang van de rechtsstrijd wordt aldus bepaald door de aangevoerde grieven.4 De toespitsing van de rechtsstrijd in hoger beroep tot de aangevoerde grieven, bevordert bovendien de concentratie van het debat en bespoedigt aldus de procedure.5
De devolutieve werking van het hoger beroep houdt in dat de gehele zaak - mits het om het hoger beroep van een einduitspraak gaat - binnen de door de aangevoerde grieven bepaalde omvang van de rechtsstrijd wordt overgebracht van de eerste rechter naar de hogere rechter.6 De devolutieve werking van het hoger beroep heeft onder meer tot gevolg dat de behoefte om incidenteel appèl in te stellen sterk wordt beperkt. Zij brengt immers mee dat de appèlrechter bij gegrondbevinding van een grief de zaak binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep opnieuw heeft te beoordelen. Staat door de gegrondbevinding van de grief de toewijsbaarheid van de oorspronkelijke vordering aan de appèlrechter ter beslissing, dan zal hij daarbij alle in eerste instantie door partijen aangevoerde stellingen, voor zover niet prijsgegeven, opnieuw moeten beoordelen, ook voor zover die stellingen door de rechter in eerste aanleg waren verworpen of niet behandeld.7 De appèlrechter mag de zaak in een dergelijk geval niet terugverwijzen naar de rechter in eerste aanleg, maar moet deze dan zelf afdoen.8 De devolutieve werking van het hoger beroep kan dan ook tot gevolg hebben dat partijen niet altijd aanspraak kunnen maken op berechting van al het door hen ten processe aangevoerde in twee feitelijke instanties.9
Dat laatste is eveneens aan de orde indien een partij in hoger beroep nieuwe stellingen betrekt of nieuwe bewijzen in het geding brengt. De mogelijkheid hiertoe volgt uit de herstelfunctie van het hoger beroep. Aan de huidige regeling van het hoger beroep ligt de gedachte ten grondslag dat het hoger beroep er niet alleen toe strekt om 'fouten' van de rechter in eerste aanleg recht te zetten, maar tevens om partijen in staat te stellen eigen 'fouten' in hun procesvoering te herstellen, dan wel die procesvoering te verbeteren door nieuwe stellingen te betrekken of andere bewijzen aan te voeren.10 Deze herstelfunctie is tot op zekere hoogte ook inherent aan de devolutieve werking van het hoger beroep, nu die werking meebrengt dat het object van het hoger beroep niet is beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechter in eerste aanleg in het licht van de toen aangevoerde feiten en bewijzen rechtens houdbaar is, maar tevens de vraag omvat - voor zover deze binnen de door de grieven ontsloten rechtsstrijd valt - of hetgeen in eerste aanleg is gevorderd of verzocht, in het licht van alle feiten en bewijzen die in eerste aanleg én in hoger beroep zijn aangevoerd, kan worden toegewezen.11 Daarbij heeft de appèlrechter te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing.12 Dient de rechter in hoger beroep stellingen te beoordelen die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest, dan zullen partijen en rechter al snel behoefte hebben aan een nadere uitwerking van deze stellingen, gevolgd door een nieuwe bewijslevering.
169. Het hoger beroep in een dagvaardingsprocedure wordt blijkens art. 343 Rv aangevangen door een dagvaarding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als die in eerste aanleg, echter zonder dat deze dagvaarding de middelen waarop het hoger beroep is gegrond, behoeft uit te drukken. De appèldagvaarding behelst dan ook in essentie niet meer dan de aanzegging, tevens mededeling van de appellant aan geïntimeerde dat hij in hoger beroep komt, van welk vonnis hij in hoger beroep komt13, tegen welke dag en welk uur geïntimeerde wordt opgeroepen om in rechte te verschijnen en wat appellant vordert, te weten de vernietiging van het bestreden vonnis.14 De gronden waarop appellant vernietiging van het bestreden vonnis vordert, behoeft hij pas aan te voeren in de conclusie van eis, voorgeschreven door art. 347 Rv en in de praktijk memorie van grieven genoemd.15
Heeft appellant van memorie van grieven gediend, dan is het aan geïntimeerde om zich bij conclusie van antwoord, in hoger beroep doorgaans memorie van antwoord genoemd, te verweren. Nu uit art. 347 Rv wordt afgeleid dat in hoger beroep slechts plaats is voor één conclusiewisseling, is de memorie van antwoord in beginsel, afgezien van de mogelijkheid van pleidooi, de enige gelegenheid waarbij geïntimeerde haar verweren in het geding kan brengen. Evenzo biedt de memorie van grieven in beginsel, afgezien van de mogelijkheid van pleidooi, aan appellant de enige gelegenheid om stelling te nemen.16 Overigens wordt in de praktijk doorgaans tevens gelegenheid gegeven tot nadere conclusies naar aanleiding van bewijsverrichtingen, zoals een deskundigenbericht of een getuigenverhoor. Daarnaast is het toegestaan dat partijen na het wisselen van de memories nog een akte nemen, bijvoorbeeld om een bewijsaanbod te doen of om stukken in het geding te brengen.17
170. Anders dan de appèldagvaarding dient het appèlrekest, ook wel beroepschrift genoemd, wél de gronden te vermelden waarop het beroep berust. Art. 359 Rv schrijft immers voor dat het beroepschrift ook vermeldt wat ingevolge art. 278 lid 1 Rv in het verzoekschrift in eerste aanleg moet worden vermeld. Daartoe behoort een duidelijke omschrijving van het verzoek (vernietiging van de bestreden beschikking) en de gronden daarvan, hetgeen erop neerkomt dat uit het beroepschrift moet blijken welke grieven appellant tegen de door hem bestreden beschikking aanvoert.18
Nadat appellant zijn beroepschrift heeft ingediend, kan ingevolge art. 361 lid 3 Rv iedere belanghebbende een verweerschrift indienen. Dit verweerschrift zal, naar analogie van het beroepschrift, onder meer een duidelijke omschrijving van het verweer en de gronden waarop dit berust, moeten bevatten. Wordt geen incidenteel appèl ingesteld, dan blijft ook in de verzoekschriftprocedure de schriftelijke ronde beperkt tot één conclusie (beroepschrift, verweerschrift) van beide partijen. Op de schriftelijke ronde volgt een mondelinge behandeling van de zaak, waarna de rechter doorgaans de beschikking geeft.