Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.3.2
3.3.2 Het toepassingsbereik van het beginsel van loyale samenwerking
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401932:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jans e.a. 2011, p. 33; Jans e.a. 2007, p. 37.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 10 februari 2000, C-202/97 (Fitzwilliam), Jur. 2000, p, 1-883, r.o. 51. Zie Jans e.a. 2011, p. 33; Jans e.a. 2007, p. 37. Zie hieromtrent ook Temple Lang 2008A, p. 77; Kahl 2007, p. 434.
Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 43. Zij verwijzen in dat kader naar de arresten HvJEG 12 juli 1990, C-188-89 (Foster), Jur. 1990, p. 1-3313, r.o. 18-22 en HvJEG 4 december 1997, gevoegde zaken C-253/96-C-258/96 (Kampelmann), Jur. 1997, p. 1-6907, r.o. 46. Uit deze arresten kan worden afgeleid dat een uit een richtlijn voortvloeiende verplichting ook rust op '... organisaties of lichamen die onder gezag of toezicht van de staat stonden of die over bijzondere, verdergaande bevoegdheden beschikten dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden', 'zoals territoriale overheden of organisaties die, ongeacht hun rechtsvorm, krachtens een overheidsmaatregel zijn belast met de uitvoering, onder toezicht van de overheid, van een dienst van openbaar belang'. Volgens Widdershoven/ Verhoeven e.a. kan worden aangenomen dat de uitleg van het begrip lidstaat niet alleen geldt voor het gevolg geven aan richtlijnen, maar eveneens van toepassing is in andere situaties waarin Europeesrechtelijke verplichtingen moeten worden nageleefd.
In HvJEG 13 juli 1990, C-2/88 (Zwartveld), Jur. 1990, p. 1-4405, r.o. 18. Het beginsel van loyale samenwerking komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de verplichting voor de nationale rechter om in sommige gevallen prejudiciële vragen te stellen.
Jans e.a. 2011, p. 33; Jans e.a. 2007, p. 38; Kahl 2007, p. 435; Widdershoven 2005, p. 28 e.v.; Schmidt-A13mann 1999, p. 19. Zie omtrent de administratieve samenwerking tussen de lidstaten Lafarge 2010; Boswijk, Jansen & Widdershoven 2009 en Widdershoven 2004, p. 303304.
HvJEG 20 maart 2000, C-178/97 (Batiks), Jur. 2000, p. 1-2005; HvJEG 5 oktober 1994, C-165/91 (van Munster), Jur. 1994, p. 1-4661.
ABRvS 10 april 2001, JB 2001/152, r.o. 2.7.3 en ABRvS 6 augustus 2003, JB 2003, 263, r.o. 2.1. Zie hieromtrent Widdershoven 2005, p. 31 en Van de Gronden & Mortelmans 2001.
HvJEG 13juli 1990, C-2/88 (Zwartveld), Jur. 1990, p. 1-4405, r.o. 17; HvJEG 2 februari 1989, 94/87 (Commissie/Duitsland), Jur. 1989, p. 175, r.o. 9. Zie ook Temple Lang 2008B, p. 1495; Jans e.a. 2007, p. 38; Kahl 2007, p. 435 en p. 463 e.v.; Schmidt-ABmann 1999, p. 19; Mortel-mans 1998.
Schmidt-A13mann 1999, p. 19. Zie ook HvJEG 2 februari 1989, 94/87 (Commissie/Duitsland), Jur. 1989, p. 175, r.o. 9.
ABRvS 11juni 2008, AB 2008, 371, m.nt. P.C. Adriaanse; CBb 10 juli 2007, AB 2008, 68, m.nt. P.C. Adriaanse en W. den Ouden; CBb 14 december 2006,AB 2007, 136, m.nt. P.C. Adriaanse en W. den Ouden en CBb 7 april 2004, LJN A07843. Zie hieromtrent HvJEG 26 november 2002, C-275/00 (First en Franex), Jur. 2002, p. 1-10943, r.o. 49; HvJEG 11 juli 1996, C-39/94 (SFEI e.a.), Jur. 1996, p. 1-3547, r.o. 50.
Zie de mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door de nationale rechterlijke instanties, Pb. 2009, C 85/1.
Zie hieromtrent HvJEG 11 juni 2009, C-429/07 (Inspecteur van de Belastingdienst tegen X), Jur. 2009, p.1-4833, AB 2009, 341, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven. Zie voorts HvJEG 28 februari 1991, C-234/89 (Delimitis), Jur. 1991, p. 1-935, r.o. 53 waarin het HvJEG overweegt dat de bevoegdheid tot het stellen van vragen door de nationale rechter aan de Europese Commissie ook bestaat in het kader van het mededingingsrecht.
Zie hieromtrent HvJEG 11 juni 2009, C-429/07 (Inspecteur van de Belastingdienst tegen X), Jur. 2009, p. 1-4833, AB 2009, 341, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven. Zie ook HvJEG 13 juli 1990, C-2/88 (Zwartveld), Jur. 1990, p. 1-4405, r.o. 18.
Zie ook Temple Lang 1998, p. 129.
Zie Widdershoven 2005, p. 27.
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat het beginsel van loyale samenwerking een zeer ruim toepassingsbereik heeft.1 Zo heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat het beginsel van loyale samenwerking, anders dan de tekst van artikel 4, derde lid, VEU wellicht doet vermoeden, niet alleen geldt voor de centrale overheden van de lidstaat, maar voor alle autoriteiten van die lidstaat die het Europese recht toepassen.2 Dat het beginsel van loyale samenwerking ook van toepassing is op andere nationale uitvoeringsorganen dan de centrale overheden van de lidstaten, is van groot belang voor de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving. Voor Nederland geldt namelijk dat deze uitvoering voor een groot deel in handen ligt van de decentrale overheden. Ook instanties buiten de overheid kunnen op grond van het beginsel van loyale samenwerking gebonden zijn aan de op de lidstaat rustende Europese verplichtingen.3 Deze jurisprudentie is van belang voor het feit dat ook nationale privaatrechtelijke organen worden belast met het verstrekken van Europese subsidies, zoals in het kader van Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie. Het beginsel van loyale samenwerking geldt uiteraard ook voor de nationale rechter.4
Het beginsel van loyale samenwerking ziet niet alleen op de verhouding tussen de lidstaten en de EU, maar het beginsel geldt ook in de verhouding tussen de lidstaten of hun autoriteiten onderling.5 Zo heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat sociale zekerheidsinstanties uit verschillende lidstaten verplicht kunnen zijn samen te werken.6 Op nationaal niveau heeft de ABRvS uit het beginsel van loyale samenwerking een verplichting tot samenwerking afgeleid voor de Commissariaten van de Media uit verschillende lidstaten.7 Wat betreft de uitvoering van de Europese subsidieregelingen is uit de gehouden interviews gebleken dat het per regeling sterk verschilt in hoeverre contacten bestaan met uitvoeringsorganen uit andere lidstaten. Zo geldt voor Jeugd in Actie dat er regelmatig contact bestaat tussen de verschillende nationale agentschappen. Het Agentschap szw heeft in de hoedanigheid van beheersautoriteit in het kader van de uitvoering van het ESF daarentegen weinig contact met beheersautoriteiten in andere lidstaten.
Niet alleen op de lidstaten rust de verplichting om het beginsel van loyale samenwerking in acht te nemen. De verplichting voor de lidstaten om samen te werken met de Europese instellingen geldt ook in omgekeerde richting. De Europese instellingen zijn derhalve ook verplicht om samen te werken met de lidstaten.8 Aan het in artikel 4, derde lid, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking ligt derhalve een systeem van wederzijdse plichten tot loyale samenwerking en ondersteuning ten grondslag.9 Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de samenwerking tussen de nationale rechter en de Europese Commissie. In nationale staatssteunzaken zijn bijvoorbeeld door nationale rechters een aantal keren vragen aan de Europese Commissie gesteld.10 Inmiddels heeft de Europese Commissie hieromtrent een mededeling vastgesteld.11 Voorts is in de Mededingingsverordening een mechanisme voor samenwerking tussen de Europese Commissie, de nationale mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten ingevoerd.12
Volgens het Hof is de verplichting van de Europese instellingen tot loyale samenwerking van bijzonder belang in de betrekkingen met de nationale rechters, die tot taak hebben te waken over de toepassing en de eerbiediging van het Europese recht in de nationale rechtsorde.13 Ook indien door nationale uitvoeringsorganen vragen worden gesteld over de uitvoering van een Europese subsidieregeling, is de Europese Commissie gehouden daarop te antwoorden.14 Wat betreft de samenwerking tussen het Hof van Justitie en de nationale rechter komt artikel 4, derde lid, VEU het meest tot uitdrukking in de prejudiciële procedure.15