De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.4.1:4.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.4.1
4.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948289:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
414. In de inleiding van dit hoofdstuk is reeds aangegeven dat artikel 1:95 lid 1 BW niet de enige regeling van zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht is. In artikel 1:94 lid 6 BW kunnen óók regels van zaaksvervanging worden gevonden. Artikel 1:94 lid 6 BW bepaalt:
“Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.”
Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen bepaalt artikel 1:94 lid 4 oud BW precies hetzelfde. Beide artikelen houden drie afzonderlijke regels van zaaksvervanging in zich. In deze paragraaf zal op deze drie afzonderlijke regels worden ingaan. Daarbij krijgt iedere regel van zaaksvervanging in paragraaf 4.2-4.4 afzonderlijk aandacht.
415. Artikel 1:94 lid 4 oud BW is per 1 januari 2012 ingevoerd. Daarvóór bestond ook voor deze gevallen bij de wettelijke gemeenschap van goederen van zaaksvervanging geen expliciete wettelijke basis (net zoals die voor de ‘algemene’ gevallen van zaaksvervanging niet bestond, zie paragraaf 3.7 hiervóór). Wel bepaalde artikel 1:124 lid 3 oud BW voor de gemeenschap van vruchten en inkomsten:
“Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats treedt van een eigen goed van een echtgenoot, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.”
Algemeen werd aangenomen dat óók deze regeling analoog op de wettelijke gemeenschap van goederen mocht worden toegepast (net zoals artikel 1:124 lid 2 oud BW, zie paragraaf 3.7 hiervóór). In paragraaf 4.5 zal daarom ook nog worden ingegaan op de situatie voor de aanvullende regels van zaaksvervanging zoals die vóór 1 januari 2012 bestond.