Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/9.7
9.7 Inlichtingen-, medewerldngs-, meld- en aangifteplicht
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het ongebreidelde eenieder wordt begrensd door het redelijkheidsverereiste. Zie daarover ook paragraaf 9.5 waarin het toezicht aan de orde kwam.
Rb Rotterdam 26 maart 2010, LTN BL9871. Zie ook Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht (2008), p. 109.
In ABRvS 8 december 2010, 1../NB 06623 overwoog de Afdeling terecht dat als de werkgever zich na de vordering om nadere informatie afdoende heeft ingespannen om de identiteit van de vreemdeling alsnog te achterhalen, hem niet een boete kan worden opgelegd wegens het (opzettelijk) niet naleven van art. 5:20 Awb in verbinding met art. 18 lid 2 Wav. Art. 5:20 Awb behelst aldus een inspanningsverplichting.
Met betrekking tot het opzet in art. 26 WED geldt dat het ziet op alle bestanddelen van het in die bepaling omschreven strafbare feit, zodat voor de strafbaarheid van het in deze bepaling bedoelde misdrijf is vereist dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte betrekking heeft op de omstandigheid dat de opsporingsambtenaar bij het doen van de vordering handelde krachtens enig voorschrift van de WED, aldus HR 11 maart 2008, LJN BC6140.
HR 19 september 2006, NJ2007/39, par. 6.5.2. Zie in vergelijkbare zin HR 2 juni 1999, NJ1999/648 en CBb 22 december 2009, AB 2010/216 inzake de Meststoffenwet.
Zie ook Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (2007), p. 84-86.
CRvB 2 december 2003, JWWB 2004/40 en 3 oktober 2006, JWWB 2006/325.
CRvB 24 oktober 2006, L/NAZ0787 en 28 november 2006, JWWB 2007/85. In CRvB 27 juli 2004, RSV 2004/334 is zelfs sprake van een descente door de rechtbank. Het niet meewerken aan een onaangekondigd huisbezoek teneinde die noodzaak van vervanging van huisraad vast te stellen zal dan ook uitdraaien op een afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand (CRvB 6 april 2004, RSV 2004/189).
Bijvoorbeeld CRvB 12 december 2006, JWWB 2007/57.
Zie voor dat laatste Vzr CRvB 21 november 2006, JWWB 2007/9 en CRvB 28 november 2006, JWWB 2007/10.
Art. 2 lid 1 Algemene wet op het binnentreden.
CRvB 22 augustus 1995, RSV1996/86; 7 maart 2005, JB 2005/154 en 2 januari 2007, USZ 2007/53.
CRvB 20 oktober 1998, RSV 1998/15. Het hebben van een andere gelijktijdige afspraak in de privé-sfeer is dan zeker niet toereikend om medewerking te weigeren (CRvB 11 april 2007, LJN BA2445 en 11 april 2007, LJN BA2447).
CRvB 15 augustus 2006, JWWB 2006/304.
CRvB 22 augustus 1995, RSV 1996/86 en 7 maart 2005, JB 2005/154.
No 13 februari 2004, RSV 2004/229.
CRvB 16 maart 1999, RSV 1999/165.
Zie voorts CRvB 11 april 2007, RSV 2007/175 en Vzr Rb Den Haag (civiel) 16 maart 2007, RSV 2007/173.
CRvB 11 april 2007, RSV 2007/175. Zie in vergelijkbare zin eerder CRvB 3 september 2002, RSV 2003/9.
CRvB 1 mei 2001, RSV 2001/144.
Onder meer CRvB 11 april 2007, RSV 2007/175 en 24 november 2009, RSV 2010/18. De hier geformuleerde eis van informed consent zal ik verderop bij de bespreking van onrechtmatig verkregen bewijs en bewijsuitsluiting tegen het licht houden.
Zie bijvoorbeeld EHRM 10 april 2007, NJ 2007/459 (Evans) en 7 oktober 2008, NJCM-Bulletin 2009/4, p. 428 (Bogumil). Zie daarover voorts mijn noot bij CRvB 11 april 2007, RSV 2007/175.
Me hier beperkend tot de verschoningsrechten die in art. 22 t/m 24 WPE 2008 zijn neergelegd, geldt er geen informatieplicht voor zover deze informatie geheime bedrijfs- en fabricagegegevens of anderszins bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie van een onderneming betreft of voor zover deze informatie de persoonlijke levenssfeer betreft, en in deze gevallen het belang van informatieverkrijging door de commissie niet opweegt tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, of voor zover de betrokkene uit hoofde van zijn ambt of beroep tot geheimhouding verplicht is en het informatie betreft die aan hem in die hoedanigheid is toevertrouwd.
HR 8 juli 2003, NJB 2003, p. 1827, nr. 129 en EHRM 23 maart 2006, EHRC 2006/80.
Deze wet is een samenvoeging van Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet ongebruikelijke transacties per 1 augustus 2008. Zie daarover Stijnen, `Compliance en de poortwachterfunctie van trustkantoren' in: Compliance in het financieel toezichtrecht (2008), p. 165-166.
Onder meer kredietinstellingen, levensverzekeraars, beleggingsondememingen, financiële dienstverleners, bemiddelaars in onroerende zaken, geldtransactiekantoren, trustkantoren, belastingadviseurs, notarissen, advocaten. Met betrekking tot de laatste drie categorieën geldt ingevolge art. 1 lid 2 Wwft een beperkte vrijstelling. Die vrijstelling is beperkt tot de juridische- en fiscale advisering en procesvoering. Het Hof van Justitie achtte een dergelijke beperkte vrijstelling niet in strijd met art. 6 EVRM (HvJ EG 26 juni 2007, AB 2007/369). Zie verder Stijnen, `Compliance en de poortwachter-functie van trustkantoren' in: Compliance in het financieel toezichtrecht (2008), p. 162-166.
Er zijn in de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme objectieve en subjectieve criteria opgenomen ter bepaling of een transactie ongebruikelijk is. Voor diverse soorten transacties geldt in het algemeen als objectief criterium dat het een geldbedrag van C15.000 of meer betreft.
Embregts, Uitsluitsel over bewijsuitsluiting. Een onderzoek naar de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs in het strafrecht, het civiele recht en het bestuursrecht (2003), p. 79.
Zie ter zake van de strafbaarstelling van witwassen (art. 420bis, 420ter, 420quater Sr) en van de financiering van terrorisme Stijnen, `Compliance en de poortwachterfunctie van trustkantoren' in: Compliance in het financieel toezichtrecht (2008), p. 159-160 en 178.
Zowel art. 5:20 Awb als art. 24a WED bevat een medewerkingsplicht voor eenieder,1 terwijler dan nog geen sprake hoeft te zijn van een concrete verdenking.2 Het niet verlenen van de redelijkerwijs gevorderde medewerking levert respectievelijk een beboetbaar en een strafbaar feit op (zie bijvoorbeeld art. 18 lid 2 Wav,3art. 1:80 lid 1, onderdeel d, Wft en art. 26 WED4). Ook kan naleving van art. 5:20 Awb worden afgedwongen met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom (zie bijvoorbeeld art. 32, onderdeel c, Warenwet en art. 1:79 lid 1, onderdeel d, Wft). Voorts kan in bestuurswetgeving de verplichting voor ondernemingen worden neergelegd om een boekhouding of anderszins een administratie bij te houden (zie bijvoorbeeld art. 15 Wav). Die boekhouding kan dan gebruikt worden voor het opleggen van een bestraffende sanctie. In een strafzaak waarin voor het bewijs gebruik werd gemaakt van in het kader van bestuurlijk toezicht door de verdachte zelf verzamelde gegevens uit bedrijfsafvalwaterrapportage (BAWR) overwoog de Hoge Raad:
`Blijkens zijn hiervoor onder 6.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat de BAWR-gegevens door de verdachte zijn verzameld en verstrekt toen jegens haar nog geen sprake was van een verdenking of van een "criminal charge" in de zin van art. 6 EVRM. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de verdachte de BAWR-gegevens zelf heeft verzameld en verstrekt, doet daaraan niet af. De desbetreffende vergunningsvoorschriften, die daartoe verplichten, zijn gesteld met het oog op het uit te oefenen toezicht op de naleving van de WVO en de krachtens die wet gegeven vergunningsvoorschriften. De belangen die genoemde wet beoogt te beschermen, rechtvaardigen dat toezicht en de wijze waarop het wordt uitgeoefend, alsmede het gebruik van aldus verkregen gegevens bij de vaststelling van een inbreuk daarop. Art. 6 EVRM verzet zich daartegen niet. Ook het gebruik van die BAWRgegevens als bewijsmateriaal in de strafzaak van de verdachte is niet in strijd met het in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende recht van de verdachte om niet aan zijn eigen veroordeling te behoeven meewerken. Deze gegevens vallen immers buiten het bereik van het recht dat een verdachte kan ontlenen aan art. 29 Sv en art. 6 EVRM om te weigeren informatie en opheldering aan de overheid te verschaffen die in een strafzaak tot bewijs tegen hem kunnen dienen (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 december 1996, no 43/1994/490/572, NJ 1997, 699, rov. 68 en 69).'5
Als equivalent van art. 3:2 en 4:2 lid 2 Awb kennen diverse bijzondere bestuurswetten aanvullende bepalingen omtrent de onderzoeksplicht van het bestuur en inlichtingen-en medewerkingsplicht van de belanghebbende.6 Ik wijs voor wat betreft de sociale-zekerheidswetgeving op de art. 17 en 53a WWB.7 De onderzoeksplicht van het bestuur en de inlichtingen- en medewerkingsplicht van de belanghebbende verhouden zich als communicerende vaten. In zoverre kan wel gesproken worden van een wederkerige rechtsbetrekking. Indien de aanvrager of degene die reeds uitkering ontvangt niet voldoet aan zijn informatie- en medewerkingsverplichting — die bestaat uit het verschijnen op afspraak voor een intake-gesprek of heronderzoek met paspoort, bankafschriften, huurcontract etc. en aan het invullen van de periodieke onderzoeksformulieren — zal negatief op zijn aanvraag worden beslist c.q. zal zijn lopende uitkering worden ingetrokken, dit behoudens de mogelijkheid dat de aanvraag reeds op grond van art. 4:5 Awb buiten behandeling wordt gesteld c.q. de uitkering (eerst) op grond van bijvoorbeeld art. 54 lid 1 WWB wordt opgeschort. Hoewel de inlichtingen- en medewerkingsplicht van de betrokkene voorop staat, kan van het college in bepaalde — van het concrete geval afhankelijke — omstandigheden worden gevergd dat het nader onderzoek verricht.8 Zo kan het voorkomen dat een aanvraag slechts kan worden beoordeeld doordat het bestuursorgaan zelf een actieve houding aanneemt. Te denken valt aan een noodzakelijk huisbezoek om vast te stellen of de verzochte bijzondere bij stand ter vervanging van huisraad dient te worden verstrekt.9 Indien betrokkene wel op afspraken verschijnt, gevraagde bescheiden overlegt en aanvraag- en onderzoeksformulieren invult en die ondertekent, zal op het bestuursorgaan, ingeval van twijfel aan de juistheid van de door betrokkene afgelegde verklaringen en van de door hem verstrekte gegevens, de onderzoeksplicht — dat wil zeggen bewijslast — rusten om aannemelijk te maken dat de verstrekte gegevens en verklaringen ondeugdelijk zijn. Met name bij twijfel of de betrokkene woont op het opgegeven adres of indien wordt vermoed dat sprake is van een verzwegen gezamenlijke huishouding kan een (on)aangekondigd huisbezoek uitkomst bieden.10 Het achterwege laten van een onderzoek in de woning van betrokkene of van diens veronderstelde partner kan het college onder omstandigheden dan ook opbreken in die zin dat (mede) door het achterwege laten daarvan niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene zijn hoofdverblijf elders heeft c.q. dat betrokkene een gezamenlijke huishouding met een ander voert.11
Met betrekking tot de vaststelling van het recht op bijstand is meermaals overwogen dat art. 17 WWB en diens voorgangers art. 65 Abw en art. 30 ABW (oud) een voldoende wettelijke grondslag bieden voor het afleggen van een huisbezoek, indien er gerede twijfel is aan de juistheid van hetgeen betrokkene heeft verklaard over zijn woonsituatie. In dit verband moet bedacht worden dat het hier niet gaat om een dwangmiddel dat een uitdrukkelijke wettelijke basis behoeft. Het is dan ook niet van belang dat die bepalingen niet reppen over een huisbezoek. De betrokkene kan immers de toegang tot de woning te allen tijde weigeren, althans voor zover het huisbezoek niet plaats heeft in een strafvorderlijke context.12 Ingeval betrokkene geen medewerking verleent aan een noodzakelijk huisbezoek kan het recht op uitkering niet (meer) worden vastgesteld en kan op die grond de aanvraag worden afgewezen c.q. de lopende uitkering worden stopgezet.13 Dit is slechts anders ingeval zich een zeer dringende reden voordoet die een rechtvaardigingsgrond vormt om de vereiste medewerking aan een noodzakelijk, maar niet aangekondigd huisbezoek niet te verlenen.14 Overigens levert een huisbezoek niet altijd voldoende gegevens op om te bepalen of betrokkene daar zijn hoofdverblijf heeft. In dat geval zal aanvullend onderzoek nodig zijn.15 Volgens vaste jurisprudentie vormt een dergelijk (on)aangekondigd huisbezoek door toezichthouders of opsporingsambtenaren een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, zodat de toetsing aan art. 8 EVRM binnen bereik komt.16 Die inbreuk geldt ook voor andere minder ingrijpende controle- en opsporingsmethodieken. Te denken valt niet alleen aan observatie van de woning en een buurtonderzoek,17 maar ook aan de verplichting mee te werken aan periodieke heronderzoeken en het daarbij overleggen van bankafschriften.18 Bij de vraag naar de gerechtvaardigdheid van de inbreuk wordt conform art. 8 lid 2 EVRM beoordeeld of de inbreuk bij wet is voorzien en in democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van het economisch welzijn van het land. Zoals hiervoor al werd aangegeven vormen de in de bijzondere wetten neergelegde onderzoeksplicht van het bestuur en de inlichtingen-en medewerkingsplicht van betrokkene een voldoende wettelijke grondslag voor de inbreuken op privacy.19 Ook blijkt uit die uitspraken dat een huisbezoek noodzakelijk kan zijn in het belang van het economisch welzijn van het land (het tegengaan van misbruik van sociale voorzieningen). De vraag naar de noodzaak van de inbreuk op het huisrecht heeft plaats door ten eerste de vraag te beantwoorden of er reden was te twijfelen aan de juistheid van de door betrokkene opgegeven woonsituatie en zo ja, of het voorts noodzakelijk was het verregaande middel van een huisbezoek toe te passen.
De Centrale Raad verwoordde dit als volgt: 'Bij de toetsing van de noodzaak dient te worden onderzocht of het noodzakelijk is om tegen de wil van de belanghebbende een huisbezoek af te leggen en of dat huisbezoek proportioneel is, mede in aanmerking genomen de vraag of voorzien is in voldoende waarborgen tegen willekeur en misbruik. Daarbij dient tevens te zijn voldaan aan het vereiste van subsidiariteit in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de bijstand te onderzoeken.'20
In dezelfde lijn oordeelde de Centrale Raad eerder, met betrekking tot de vraag of de inzage in een bankkluis nodig was, dat hij bij de beoordeling of de belanghebbende in een concreet geval verplicht is mee te werken aan een onderzoek dat een inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer tot uitgangspunt neemt dat deze inbreuk niet onevenredig mag zijn met het doel dat wordt nagestreefd met het onderzoek naar de verlangde gegevens en of dat doel niet op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.21 Die toetsing sluit goed aan bij art. 5:13 Awb, dat bepaalt dat een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is, en bij art. 5:20 lid 1 Awb, dat spreekt van de plicht tot medewerking voor zover die redelijkerwijs kan worden gevorderd door de toezichthouder bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Bij huisbezoeken stelt de Centrale Raad overigens een extra verdragsvereiste, namelijk dat bij de betrokkene sprake is van een zogenaamde informed consent.22De Raad extrapoleert hier een door het Europees Hof aangelegde toets bij met name medische ingrepen, naar het huisrecht van art. 8 EVRM.23
Waar ter zake van een vergunningenstelsel, subsidieverlening, uitkeringverstrekking en belastingheffing een vorm van wederkerigheid zit in die zin dat het bestuur een besluit zal moeten nemen omtrent het recht op een vergunning, op subsidie, op uitkering danwel ter zake van de verschuldigdheid van belasting, ontbreekt die relatie waar het gaat om een in bijzondere wetgeving neergelegde getuig- of meldplicht gericht op waarheidsvinding, zonder dat daar direct een besluit uit voortvloeit voor degene die informatieplichtig is. Sterker nog: teneinde de kans te vergroten dat naar waarheid wordt verklaard c.q. de meldplicht wordt nagekomen is soms voorzien in een bewijsuitsluitingsregel of een vrijwaringsbepaling. Het meest pregnante voorbeeld vormt wellicht de getuigplicht in de WPE 2008, waartegenover een bewijsuitsluiting staat. In art. 14 WPE 2008 is voorzien in een spreekplicht voor degene die wordt opgeroepen voor de Parlementaire Enquêtecommissie, behoudens de aanwezigheid van een verschoningsrecht.24 Ingevolge art. 15 lid 1 WPE 2008 geldt de verplichting tot medewerking eveneens voor degene voor wie een wettelijke verplichting tot geheimhouding geldt, behoudens de mogelijkheid van verschoning. Indien een opgeroepen persoon (zonder wettelijke of redelijke grond) niet verschijnt of wel verschijnt, maar (zonder wettelijke of redelijke grond) weigert te verklaren, kan de commissie een verzoek indienen bij de burgerlijke voorzieningenrechter in Den Haag (hoofdstuk 5 WPE 2008), hetgeen kan uitmonden in een dwangsom of gijzeling. Wel waarborgt de WPE 2008, net als haar voorganger, dat verklaringen voor de commissie niet daarbuiten als bewijs kunnen worden gebruikt. Art. 30 WPE 2008 luidt:
`In een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure kunnen verklaringen en documenten die op vordering van de commissie zijn afgelegd onderscheidenlijk verstrekt, niet als bewijs worden gebruikt. Evenmin kan op zulke verklaringen en documenten een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel worden gebaseerd.'
Ingevolge art. 32 lid 1 WPE 2008 geldt hierop wel een uitzondering: verklaringen en documenten die in het kader van een parlementaire enquête zijn afgelegd onderscheidenlijk verstrekt kunnen als bewijs worden gebruikt in een strafrechtelijke procedure naar meineed, naar omkoping van een getuige of deskundige bij een parlementaire enquête of naar de delicten, bedoeld in de art. 192 tot en met 192c Sr. Die laatste bepaling, althans diens voorgang art. 25 WPE, kwam volgens de Hoge Raad en het Europees Hof niet in strijd met art. 6 EVRM, omdat de plicht om naar waarheid te verklaren tegenover de commissie niet strekt tot the determination of a criminal charge, terwijl art. 6 EVRM weliswaar beoogt te beschermen voor een veroordeling op grond van een onder dwang afgelegde verklaring, maar niet tegen bescherming van een verdachte die alvorens sprake is van een criminal charge opzettelijk in strijd met de waarheid een verklaring heeft afgelegd en daarmee een strafbaar feit heeft gepleegd.25
Een tweede voorbeeld vormt de Wwft.26Art. 16 Wwft bevat een plicht van instellingen27 om een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie28 binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden aan het Meldpunt ongebruikelijke transacties te melden. Art. 19 Wwft luidt:
`1. Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de artikelen 16 of 17 zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens witwassen of financieren van terrorisme door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
2. Gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 16 of 17 kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens, overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die werkzaam zijn voor een instelling die gegevens of inlichtingen heeft verstrekt als omschreven in het eerste of tweede lid en die daaraan hebben meegewerkt.'
Art. 30 WPE 2008 en art. 19 Wwft bieden overigens geen volledige vrijwaring van vervolging ter zake van zichzelf incriminerende verklaringen tegenover de commissie c.q. meldingen aan het meldpunt. Zo kan een getuigenis tegenover de commissie aanleiding vormen voor een strafrechtelijk- en/of bestuursrechtelijk onderzoek, denk aan de bouwfraude. Degene die een belastende verklaring over zichzelf heeft afgelegd kan op basis van ander bewijsmateriaal wel vervolgd worden 29 Ook met betrekking tot de meldplicht in het kader van de Wwft kan een melding nadelig uitpakken indien uit een daarop volgend onderzoek op grond van andere gegevens naar voren zou komen dat de meldingplichtige instelling zich schuldig maakt aan witwassen of de financiering van terrorisme.30
Ook het commune strafrecht kent aangifteverplichtingen. Voor 'openbare colleges en ambtenaren die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast', geldt dat zij verplicht zijn daarvan onverwijld bij het OM gedocumenteerd aangifte te doen ingeval het kort gezegd gaat om ambtsmisdrijven (art. 162 Sv). Verder is de ambtenaar strafbaar die nalaat een wederrechtelijke vrijheidsontneming waarvan hij kennis draagt te melden (art. 368 Sr). Er geldt een vrijwaring. Zo is in art. 162 lid 3 Sv neergelegd dat deze verplichtingen niet van toepassing zijn op de ambtenaar die door het doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zich zelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen. In de art. 135 en 136 Sr is verder strafbaar gesteld het nalaten van een aangifte danwel het niet waarschuwen van justitie, politie of de bedreigde van een samenspanning tot of het voornemen tot het plegen van de in die bepalingen genoemde zeer ernstige misdrijven. Deze meldingsplicht is gelet op art. 137 Sr niet van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar voor een strafvervolging zou doen ontstaan voor zichzelf, voor een van zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in de tweede of derde graad van de zijlinie, voor zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen. Zie in dit verband voorts de art. 218-219 Sv ter zake van verschoningsrechten.