Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.1.3:20.1.3 Onderwerpen waarbij een toenemende subjectiverende invloed op het begrip van godsdienst gecorrigeerd wordt door een objectiverende tegenbeweging
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.1.3
20.1.3 Onderwerpen waarbij een toenemende subjectiverende invloed op het begrip van godsdienst gecorrigeerd wordt door een objectiverende tegenbeweging
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458855:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit houders van dieren (hoofdstuk 5), Stb. 2017, 326.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
(1) De kwalificatie van de rituele slacht is onderhevig aan zowel een subjectiverende als objectiverende invloed. In Nederland werd reeds in 1920 ten aanzien van het verbod op onbedwelmde slacht een uitzondering gemaakt voor de Israëlitische ritus. Reeds lang wordt deze ritus onder de vrijheid van godsdienst begrepen. Vanaf de jaren ‘80 van de vorige eeuw gebeurt dit in parlementaire stukken expliciet. De islamitische ritus werd vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw gezien als een godsdienstige gedraging gelijkwaardig aan de joodse ritus. In 1977 wordt naast de bestaande uitzondering voor de Israëlitische ritus een uitzondering voor de islamitische ritus in de wet opgenomen. Ten slotte zien we in de huidige context mede in het licht van EU-wetgeving dat de rituele slacht niet enkel wordt voorbehouden aan joden en moslims maar dat de wetgever in zijn formuleringen principieel ruimte laat voor andere religies en daarmee blijk geeft een subjectiverende kwalificatie te omarmen.
Naast een subjectiverende invloed op de uitleg van rituele slacht kunnen we ook een objectiverende tegenbeweging ontwaren. Dit blijkt uit het feit dat het kabinet slechts een convenant heeft gesloten met de joodse en islamitische gemeenschap en niet met andere gemeenschappen (inmiddels opgenomen in een AMvB1). Men gaat kennelijk ervan uit dat rituele slacht enkel in die tradities een plaats heeft. Een objectivering treffen we ook bij benadering van rituele slacht door de Raad van Europa en het EHRM. Uit de terminologie van het Europees Verdrag inzake bescherming van slachtdieren van de Raad van Europa kunnen we afleiden dat de Raad ritueel slachten impliciet duidt als een gedraging die wordt verricht binnen een geloofsgemeenschap en niet als een gedraging voortvloeiend uit een individueel geloof. Uit het EHRM-arrest Cha’are volgt dat een individu niet voor zichzelf kan besluiten om een rituele slacht uit te voeren maar dat dit altijd georganiseerd dient te worden binnen de gemeenschap. Uit dit arrest volgt ook dat de staat de wijze van ritueel slachten mag objectiveren door de criteria daarvan te laten bepalen door een joodse meerderheidsorganisatie.
In de nationale jurisprudentie wordt rituele slacht gekwalificeerd als godsdienstig. Niet duidelijk is waar deze kwalificatie op is gebaseerd. In de literatuur en in het wetsvoorstel van Thieme zien we de opvatting dat rituele slacht zelf, in tegenstelling tot de consumptie van ritueel geslacht vlees, niet een directe expressie is van godsdienst. Deze benadering vinden we echter niet terug in het geldende recht.
(2) Inzake de kwalificatie van kleding en omgangsvormen als godsdienstig kan eveneens worden geconcludeerd dat deze onderhevig is aan zowel een subjectiverende als objectiverende invloed. In de nationale en EHRM-jurisprudentie vanaf de jaren negentig een voorzichtige trend waar te nemen naar een toenemende subjectiverende wijze van kwalificeren. Met name de CGB heeft hierin een belangrijke rol vervuld. Uitgangspunt in de CGB-jurisprudentie is dat men uitgaat van de verklaringen van de justitiabele om te bepalen of een uiting of gedraging telt als godsdienst. Er is sprake van een voorzichtige trend omdat er in deze jurisprudentie met regelmaat toch ook objectiverende elementen worden gehanteerd. Er wordt dan gesteld dat een uiting of gedraging niet een volledig singulier karakter mag hebben. Met andere woorden, een volledig geïndividualiseerde opvatting is geen godsdienst in juridische zin.
Overigens zien we dat er in deze jurisprudentie wel een volledig geïndividualiseerde benadering wordt gehanteerd ten aanzien van de geloofwaardigheid van het rechtssubject. De beoordelende instantie stelt de verklaringen van het rechtssubject centraal. Het rechtssubject hoeft niet te bewijzen dat zijn godsdienst hem een bepaalde uiting of gedraging voorschrijft. Er wordt aangenomen dat het rechtssubject hierin oprecht is. Dit is echter iets anders dan dat men ook de godsdienst zelf subjectief kwalificeert. De impliciete redenering dat een godsdienst niet gestoeld mag zijn op individuele opvattingen duidt immers op het tegendeel.
In het jongste wetsvoorstel met betrekking tot een boerkaverbod van het kabinet-Rutte II wordt een subjectiverende definitie naar voren gebracht. Er wordt expliciet gemeld dat de motieven voor het dragen van een boerka niet altijd duidelijk zijn maar dat het kan gaan om een religieus motief en dat de wetgever daarom de godsdienstvrijheid in acht moet nemen. In eerdere gestrande wetsvoorstellen die gericht waren op een boerkaverbod werd niet altijd een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst gehanteerd maar eerder een autonome. Men veronderstelde dan bijvoorbeeld dat het vanzelfsprekend is dat een boerka een religieuze uiting is, zonder stil te staan bij andere mogelijke motieven voor het dragen ervan.