Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.5.3
4.5.3 Het katholieke subsidiariteitsbeginsel en het gereformeerde beginsel van soevereiniteit in eigen kring
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457611:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Galston spreekt in dit verband over ‘Reformation liberalism’ dat in tegenstelling tot ‘Enlightment liberalism’ (dat het belang van persoonlijke autonomie benadrukt) uitgaat van religieuze verdraagzaamheid en het belang erkent van verschillen tussen individuen en groepen over zaken als het ‘goede leven’, bronnen van morele autoriteit, rede versus religie, etc. Galston, Ethics 105(3) 1995, p. 521.
De eerste aanzetten voor dit beginsel kan men vinden in de encycliek van Paus Leo XIII, Rerum Novarum, 15 mei 1891. Later is dit beginsel verder uitgewerkt in de encycliek van Paus Pius XI, Quadragesimo Anno, 15 mei 1931, www.papalencyclicals.net.
Post, TvRRB 2011/2-3, p. 54.
Kuyper 1959, p. 50.
Dooyeweerd 1950, p. 54-55. Post, TvRRB 2011/2-3, p. 54. Zie uitgebreid werk Dooyeweerd 1935.
Zie hierover Murray S.J. 1965.
Stichting De Ark 1986.
Paus Paulus VI, De verklaring Dignitatis Humanae, over de godsdienstvrijheid. In de plechtige zitting van het Tweede Vaticaanse concilie van 7 december 1965, Hilversum: Gooi & Sticht 1966.
Paus Paulus VI, De verklaring Dignitatis Humanae, over de godsdienstvrijheid. In de plechtige zitting van het tweede Vaticaanse concilie van 7 december 1965, Hilversum: Gooi & Sticht 1966, hfdst. 2, art. 3.
Mgr. Hendriks 2011, p. 1-9.
Kuyper 1959, p. 50.
Verschillende liberalen hebben hiertegen geageerd. Zie Rawls, Philosophy & Public Affairs 1985/14, p. 223-251; Dworkin, Taking rights seriously 1978 en ‘Liberalism’ 1978; Ackerman 1980. Volgens Habermas zijn collectieve rechten vreemd aan het rechtssysteem. Zie Habermas 1995, p. 138.
Barry 2002, p. 149.
Kymlicka 2002, p. 336.
Zie hierover uitgebreid het themanummer van Netherlands Journal of Legal Philosophy, 2015 (44) en in het bijzonder het artikel van Cohen daarin, p. 165-211.
Post, TvRRB 2011/2-3, p. 58. Post noemt overigens ook het recht van gewetensbezwaarde ambtenaren om op godsdienstige gronden geen homoseksuelen te trouwen. Volgens Post is het niet toestaan van weigerambtenaren een aantasting van de soevereiniteit in eigen kring van een orthodox-gelovige groepering. Mijns inziens is hier geen sprake van een ‘kring’ die in zijn soevereiniteit wordt aangetast maar van individuele gelovigen die binnen de kring van decentrale overheden werkzaam zijn als ambtenaar.
De Hoge Raad verklaarde in het Amghane-arrest (HR 31 mei 1996, NJ 1996, 693) dat de rechter het oordeel van de Commissie van Beroep niet als bindend hoeft te beschouwen. De rechter moet als gevolg van dit arrest, ook als hij na een besluit van de Commissie van Beroep wordt ingeschakeld, het geschil in volle omvang en niet slechts marginaal toetsen. Zie hierover Jansen & Van de Laar, School en Wet 2010, p. 8-13. Overigens kan men het opheffen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) wellicht ook zien als het verdwijnen van een vrucht van de beginselen van subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring. Zie o.a. Handelingen II 2012/13, 104-40, p. 1-4.
Er zijn ook meer gematigde staatsvormen van religieuze pluriformiteit denkbaar die men toch ook als communautaristisch zou kunnen kenschetsen en waarmee het EHRM minder moeite zal hebben. Men kan daarbij denken aan de katholieke sociale leer zoals die in tweede helft van de 19e eeuw werd ontwikkeld en aan de gereformeerde traditie1 die in hetzelfde tijdsgewricht ontstond. De beginselen van ‘subsidiariteit’ respectievelijk ‘soevereiniteit in eigen kring’ zijn belangrijke communautaristische elementen van deze politieke theorieën. De katholieke sociale leer gaat ervan uit dat mensen van nature sociale wezens zijn en benadrukt het belang van kleine en middelgrote maatschappelijke verbanden zoals het gezin, de kerk, vakbonden, vrijwilligersorganisaties en verenigingen als structuren die het individu in staat stellen zich in te zetten voor de maatschappij en die het individu en de maatschappij als geheel met elkaar verbinden. Binnen deze leer vormt het subsidiariteitbeginsel een belangrijke rol.2 Het beginsel is gebaseerd op de autonomie en waardigheid van het individu en stelt dat alle maatschappelijke instellingen, van het familieverband tot de staat en de internationale orde zich ten dienste van de mens dienen te stellen.3 Het komt er kortweg op neer dat de staat niet moet proberen op centraal niveau alles te regelen maar dat hij ruimte moet laten aan zulke verbanden om beslissingen op een lager niveau te nemen. Het idee is dat de lagere niveaus beter in staat zijn om binnen hun eigen context beslissingen te nemen. Volgens het subsidiariteitsbeginsel behoort de overheid slechts initiatieven te nemen waar individuen en private organisaties niet in staat blijken de problemen zelfstandig op te lossen.
Het gereformeerde beginsel van soevereiniteit in eigen kring is vergelijkbaar met het katholieke subsidiariteitsbeginsel. De eerste uitwerking van dit beginsel treffen we bij de Duitse calvinist Althusius (1557-1638). Volgens deze filosoof bestaan er vele verschillende sociale gemeenschappen, elk met haar door God gegeven kring van bevoegdheden en met specifieke wetten die niet zijn afgeleid van enige andere kring. Volgens Althusius behoort elk maatschappelijk verband geregeerd te worden door eigen recht en dient de wettelijke macht van de staat tevens door dit eigen recht te worden begrensd. In Nederland zet Abraham Kuyper, oprichter van de Anti Revolutionaire Partij (ARP) en later minister-president, het beginsel van soevereiniteit in eigen kring eind 19e eeuw op de agenda. Soevereiniteit in eigen kring is in Kuypers ogen een typisch calvinistisch beginsel dat het recht op burgerlijke vrijheden inhoudt. Dit betreft onder meer het gezin, de school, het bedrijf, de wetenschap en de kunst.4 Dooyeweerd ontwikkelde op basis van de politieke opvattingen van Kuyper een geheel eigen filosofie in de gereformeerde traditie. Hierin betoogt hij onder meer dat niet-statelijke verbanden een eigen, oorspronkelijke competentie tot rechtsvorming hebben. Vanwege hun aard bezitten zij een oorspronkelijke bevoegdheid om hun eigen interne verhoudingen juridisch te regelen. De consequentie is dan dat de staat niet over een absolute rechtsmacht beschikt. Zijn rechtsmacht houdt op bij de grenzen van de rechtssferen van de niet-statelijke verbanden.5
Opvallend is dat zowel in de katholieke sociale leer als binnen de gereformeerde traditie de vrijheid van godsdienst wordt omarmd. Beide tradities zijn immers geloofstradities en men zou kunnen verwachten dat deze geloofstradities de theocratie als ideale staatsvorm verdedigen. Toch wordt in beide tradities niets afgedaan aan de waarheidsclaims van de eigen religieuze overtuigingen. Zo vloeit de godsdienstvrijheid van de katholieke kerk niet voort uit een aanvaarding van de liberale beginselen maar uit de voortschrijdende inzichten ten aanzien van haar eigen geloofsleer.6 In beide religieuze tradities ligt een bepaalde religieuze verdraagzaamheid vervat.
Ofschoon de katholieke de kerk in vroegere tijden zeer terughoudend was om de mensenrechten – die vaak waren gebaseerd op een radicaal vrijheidsdenken en een anti-statelijk en anti-kerkelijk karakter hadden – te erkennen, wijzigde deze houding zich in de loop van de tijd en erkende ze op grond van de menselijke waardigheid het belang van de mensenrechten. Op het Tweede Vaticaanse Concilie werd vastgesteld:
‘Het is dus nodig al datgene voor de mens toegankelijk te maken wat hij nodig heeft om een waarlijk menselijk leven te leiden, zoals voedsel, kleding, woning, het recht om zijn levensstaat vrij te kiezen en om een gezin te stichten, het recht op opvoeding, op werkgelegenheid, goede naam, respect en passende voorlichting, het recht om te handelen volgens de juiste norm van zijn geweten, het recht op bescherming van zijn privé leven en op een juiste vrijheid, ook in het godsdienstige’.7
Gedurende het Tweede Vaticaanse Concilie was de godsdienstvrijheid het belangrijkste thema. Het concilie verklaarde met het document Dignitatis humanae expliciet de godsdienstvrijheid als burgerrecht te omarmen.8 Daarmee deed zij afstand van haar eerdere gewetensleer die enkel aan het ware geloof rechten toekent. Uit de verklaring Dignitatis humanae blijkt dat de katholieke kerk de aanspraak op mensenrechten niet afleidt uit liberale opvattingen over vrijheid en gelijkheid maar uit haar theologische bronnen. In de verklaring stelt het concilie:
‘Ondanks het feit dat de openbaring zich niet expliciet uitspreekt over de godsdienstvrijheid kunnen we uit de openbaring probleemloos afleiden hoezeer Christus de vrijheid van de mens eerbiedigde.’
En:
‘Jezus was zachtmoedig, nederig van hart en dwong mensen niet tot het geloof. De kerk volgt Christus en de apostelen.’
Uitgangspunt is volgens het concilie daarom dat de mens vrijwillig zijn geloofsantwoord moet kunnen geven aan God. De roep van God legt de mens een gewetensplicht op maar dwingt de mens niet. God houdt rekening met de menselijke waardigheid, aldus het concilie.9
Hoewel dit in Dignitatis humanae niet expliciet zo wordt gesteld, kan men de vrijheid van godsdienst beschouwen als een uitwerking van het subsidiariteitsbeginsel. Dit beginsel gaat immers ervan uit dat de menselijke persoon in de maatschappij centraal moet staan en de wereldlijke overheid zich dienstbaar moet opstellen naar de burgers en hun organisaties door hun de mogelijkheid te geven zelf de initiatieven te ontwikkelen en hen daarbij te steunen. Aan het beginsel ligt de visie ten grondslag dat de staat zich dienstbaar moet opstellen en de burgers een noodzakelijke vrijheid moet laten, ook op godsdienstig terrein.10
Ook in het gereformeerde gedachtegoed wordt de vrijheid van godsdienst erkend. Kuyper ageert tegen het idee van een volkssoevereiniteit zoals geproclameerd ten tijde van de Franse Revolutie. Tegenover de volkssoevereiniteit en de staatssoevereiniteit (het staatsabsolutisme) zet hij de soevereiniteit Gods. Volgens Kuyper is elke vorm van soevereiniteit terug te leiden tot de gratie Gods. De soevereiniteit van de staat en die van maatschappelijke kringen, zoals het huisgezin, het bedrijf, de wetenschap, de kunst, etc. bestaat volgens Kuyper hieruit dat deze alleen God boven zich hebben. De maatschappelijke kringen kunnen om die redenen nooit geheel worden onderworpen aan de overheid.
Kuyper stelt dat ook de individuele mens een soevereiniteit in ‘eigen kring’ kent in de zin van de vrijheid van geweten. Ook het geweten heeft volgens Kuyper nooit een mens maar alleen God boven zich. Kuyper betoogt dat de verschillende soevereine kringen, de kerk, de staat en het individu elkaars soevereiniteit inperken:
‘De kerk mag niet gedwongen worden als lid te dulden, wien zij uit haar kring verwijderen wil, maar ook geen burger van de Staat mag gedwongen worden in een kerk te blijven, die hij uit consciëntiedrang verlaten wil. Doch wat de Overheid ten deze van de kerken eist, heeft ze dan ook zelf in praktijk te brengen, en de vrijheid van consciëntie aan elk burger toe te kennen als primordiaal elk mens toekomend recht.’11
Het communautaristische perspectief had grote invloed op de Nederlandse rechtsorde ten tijde van de verzuiling. Vanaf die periode kregen confessionele organisaties binnen de eigen kring een bepaalde mate van autonomie gegund. In het licht van de hedendaagse secularisering en individualisering zijn het principe van subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring haast archaïsmen. Dat neemt niet weg dat er nog steeds een minderheid bestaat die zich beroept op de vruchten van deze traditie van religieuze autonomie. Zij hechten waarde aan hun groepsidentiteit en in sommige gevallen verkiezen ze deze boven de door de staat gegarandeerde individuele grondrechten.
Het juridische begrip van godsdienst is beïnvloed door het katholieke subsidiariteitsbeginsel en het protestantse beginsel van soevereiniteit in eigen kring. We kunnen dan denken aan het recht van een kerkgenootschap (artikel 2:2 BW) of een instelling van het bijzonder onderwijs (artikel 23 Grondwet) om in de eigen statuten vast te leggen wat de godsdienstige identiteit is en welke uitingen en gedragingen hieraan verbonden zijn. Doordat het kerkgenootschap en het bijzonder onderwijs een bepaalde autonomie genieten om zelf, middels een statuut, regels te stellen hebben zij tot op zekere hoogte ook de autonomie om zelf het begrip godsdienst uit te leggen. Hierdoor kunnen bepaalde op het oog doorsnee uitingen en gedragingen een religieus karakter krijgen. Zie voor voorbeelden hiervan 2.4.
In het licht van de liberale ideologie zijn collectieve rechten die ten koste gaan van de autonomie van het individu niet wenselijk.12 Het druist in tegen het mensbeeld waarin de autonomie en de zelfbeschikking van het individu voorop staan.13 Vanuit de liberale ideologie wordt er minder belang gehecht aan de bescherming van de identiteit van een gemeenschap dan aan die van het individu.14 Wanneer de overheid kerken of bijzondere scholen bijvoorbeeld de vrijheid laat om personeel te selecteren op basis van godsdienst kan dit vanuit een liberaal perspectief een onaanvaardbare onderschikking betekenen van de autonomie van het individu aan de collectieve vrijheid van een kerk of school.15 Op basis van, onder andere, bovenstaande liberale kritiek zijn de afgelopen decennia bepaalde religieuze collectieve rechten, die passen binnen het communautaristisch perspectief begrensd. Men kan dan denken aan aantastingen van het recht van de SGP om zelf op basis van de godsdienstige grondslag de inrichting van de politieke partij (vereniging) vorm te geven, in concreto door geen vrouwen in de eigen gelederen op te nemen16 en aan het verder beteugelen van de vrijheid van het bijzonder onderwijs om eisen te stellen aan docenten en leerlingen door de anti-discriminatiebepalingen van de AWGB strikter te formuleren.17 Een ander minder in het oog springend – maar desalniettemin illustratief – voorbeeld is het onverbindend verklaren en in een later stadium afschaffen van de rechtspraak van de Commissie van Beroep van het bijzonder onderwijs. Deze kringenrechtspraak vindt zijn oorsprong in het beginsel van soevereiniteit in eigen kring en was ooit opgericht vanuit de afwijzing van overheidsinmenging in het bijzonder onderwijs.18