Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.4.3
7.4.3 Het positief belang
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509874:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zoals de Hoge Raad het verwoordt in HR 15 juni 1979, NJ 1980/261 m.nt. M. Scheltema, AB 1979/528 m.nt. J.R. Stellinga (Grubbenvorst/Caldenbroich) ter zake van een vertrouwen wekkend begunstigend besluit dat later werd vernietigd.
Het onderscheid tussen negatief en positief belang wordt vooral gehanteerd in het kader van afgebroken onderhandelingen over de totstandkoming van een overeenkomst. Zie Blei Weissmann, in: GS Verbintenissenrecht, artikel 6:217 BW, aant. 1.77.1.1 e.v. (online, bijgewerkt 9 januari 2018). Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/ 197, Lindenbergh 2014, p. 66-67, en Ruygvoorn 2009, par. 9.3.3.
Zie hierover Langbroek 2017, p. 66-68, die in het kader van toezeggingen – terecht – onderscheid maakt tussen de onrechtmatige daad die bestaat in het beschamen van gewekte verwachtingen (het niet nakomen van een toezegging) en de onrechtmatige daad die bestaat in het wekken van verwachtingen (het doen van een toezegging), en stelt dat slechts in het eerste geval grond bestaat voor vergoeding van het positief belang.
Blijkens HR 2 februari 1990, NJ 1993/635 m.nt. M. Scheltema, AB 1990/223 m.nt. G.P. Kleijn, r.o. 3.3 (Staat/Bolsius) kan de burger op grond van ‘jegens hem onrechtmatig optreden waarvoor de overheid aansprakelijk is, vergoeding vorderen van de schade welke hij heeft geleden doordat hij heeft gehandeld in de door dat optreden gewekte veronderstelling dat in andere zin zou worden beschikt’ en belet het oordeel van de bestuursrechter de burgerlijke rechter niet zonder meer ‘te oordelen dat het geven van die inlichtingen onzorgvuldig was en verplicht tot vergoeden van de daardoor veroorzaakte schade’.
HR 3 april 1992, NJ 1992/396 (N. Belastingadviseurs/Van Ess). Zie ook HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539, r.o. 3.5 (Herbouw woonhuis).
Vgl. ook HR 7 oktober 1994, NJ 1997/174 m.nt. M. Scheltema, AB 1996/125 m.nt. B.J.P.G. Roozendaal, r.o. 3.3.3 (Staat/Van Benten).
Als ‘niet te rijmen met het karakter van de onrechtmatige daad’1 die bestaat in onjuiste informatieverstrekking lijkt vergoeding van het zogenoemde ‘positief belang’ ondenkbaar.2 Anders dan bij de onrechtmatige niet-nakoming van toezeggingen3 bestaat geen grond voor vergoeding van de schade die wordt geleden doordat het gewekte vertrouwen niet wordt bewaarheid, in de zin dat de situatie niet rechtens is of wordt als de burger aanvankelijk is voorgehouden. Dit hangt ermee samen dat de grondslag van de schadevergoedingsverplichting van de overheid is dat zij de burger op het verkeerde been heeft gezet. Die verplichting ontstaat dus doordat het bestuursorgaan ten onrechte vertrouwen heeft gewekt, en niet doordat dat vertrouwen ten onrechte wordt geschonden. Omdat het wekken van vertrouwen de schadeoorzaak is (zie paragraaf 4.7.5), komt slechts schade voor vergoeding in aanmerking die is geleden doordat is gehandeld in de veronderstelling die door de informatieverstrekking is gewekt.4 Deze beperking kan ook in verband worden gebracht met het relativiteitsvereiste, in die zin dat de geschonden norm (slechts) ertoe strekt te bevorderen dat de burger in staat is om goed geïnformeerde keuzes te maken, althans te verhinderen dat de burger slecht geïnformeerde keuzes maakt (paragraaf 6.4). Uitgangspunt bij het bepalen van de schadevergoeding is dan ook dat de burger in de positie wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als hij in staat was geweest om goed geïnformeerde keuzes te maken. Rechtens onmogelijke (rechts)handelingen van de laedens, gelaedeerde en/of aansprakelijkheidsrechtelijke derden waren ook in die situatie niet verricht.
Dat vergoeding van het positief belang niet tot de mogelijkheden behoort, kan worden afgeleid uit het arrest N. Belastingadviseurs/Van Ess,5 dat buiten het overheidsaansprakelijkheidsrecht is gesitueerd. Hierin ging het om het onjuiste belastingadvies van N. aan Van Ess dat neerkwam op een overzicht van de mogelijkheden tot aftrek van de restauratiekosten van een tweetal monumentale panden (‘De Swaen’). De rechtbank had geoordeeld dat als ‘schade’ moest worden aangemerkt, het bedrag dat de restauratie aan Van Ess door het ontbreken van de mogelijkheid tot aftrek netto meer heeft gekost dan met aftrek het geval was geweest (lees: het belastingnadeel). Het hof daarentegen had rekening gehouden met de mogelijkheid dat Van Ess bij juiste advisering had afgezien van de aankoop, althans die aankoop anders en mogelijk fiscaal voordeliger zou hebben geregeld. In dit oordeel van het hof lag besloten dat de schade niet diende te worden gesteld op het belastingaandeel. Dit is volgens de Hoge Raad juist:
‘Wanneer zou komen vast te staan dat N een onjuist advies heeft gegeven en dat Van Ess niet – of op andere wijze – tot aankoop en restauratie van ‘De Swaen’ zou zijn overgegaan als hem een juist advies was gegeven, moet de door Van Ess geleden vermogensschade in beginsel worden gesteld op het nadelige verschil tussen de financiële situatie waarin hij na aankoop en restauratie verkeerde en de financiële situatie waarin hij zou hebben verkeerd indien hij niet – of op andere wijze – tot die aankoop en restauratie zou zijn overgegaan. Niet valt in te zien waarin dit verschil zou moeten worden gesteld op het bedrag van het belastingnadeel dat voortspruit uit het ontbreken van de aftrekmogelijkheid. Deze mogelijkheid bestond immers noch bij aankoop en restauratie noch wanneer van een en ander werd afgezien.’
In essentie oordeelt de Hoge Raad hier dat, wanneer vast komt te staan dat Van Ess heeft gedisponeerd bij de aankoop van ‘De Swaen’, zijn schade moet worden gesteld op de door die dispositie veroorzaakte vermogensachteruitgang en niet op het bedrag van het belastingnadeel. Hoe dan ook – met of zonder (onjuist) belastingadvies – had Van Ess immers geen gebruik kunnen maken van de betreffende aftrekmogelijkheid. Uit dit arrest volgt met andere woorden dat het positief belang, dat hier bestond in de geldigheid van het vertrouwen dat er een fiscale faciliteit openstond na aankoop en restauratie van ‘De Swaen’, niet voor vergoeding in aanmerking komt.6