Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/4.5
4.5 Batig liquidatiesaldo
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706209:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor vereffening is een uitkering vereist, zie Asser/Kroeze 2-I 2021/422. Er is geen sprake van overgang onder algemene titel van het restant aan de gerechtigden, zie Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Aanpassing BW, p. 210.
Of in zo’n geval de aandeelhouders steeds een aanspraak hebben op geld, wordt in de literatuur bediscussieerd. Zie voor een positief antwoord op deze vraag: Dortmond 2013, nr. 386, 389 en 390. Anders Asser/Kroeze 2-I 2021/422.
Zie Perrick 2020/12.5.4; Dortmond 2013/184; Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:251 BW, aant. 4.3 (actueel t/m 01-01-2021).
Zie Steneker 2022/2.19; Stokkermans 2017/2.6.5; Schuijling 2016/234; Snijders in NJ 2016/208 bij HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3463 (Heijloo Beheer/Delta Lloyd Levensverzekering); Wolf, in: GS Rechtspersonen, art. 2:198 BW, aant. 16 (actueel t/m 25-04-2020); Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:229 BW, aant. 3.2.5 (actueel t/m 01-09-2019). Voor 1992 werd de inningsbevoegdheid ook al aangenomen (§4.2).
In gelijke zin Perrick 2020/12.5.4.
Vgl. A-G Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2014:682, nr. 2.5. Anders: Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:89 BW, aant. 7.7 (actueel t/m 10-12-2021); Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:229 BW, aant. 3.2.5 (actueel t/m 01-09-2019).
Zie Rb. Amsterdam 3 februari 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0399, r.o. 4.4 (Heijloo Beheer/Delta Lloyd Levensverzekering). Zie voorts HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3463 (Heijloo Beheer/Delta Lloyd Levensverzekering), waaruit ook delen van het ongepubliceerde arrest van het gerechtshof kenbaar worden.
173. Bij de vereffening van het vermogen van de vennootschap moet wat overblijft na de voldoening van de schuldeisers worden afgedragen aan de gerechtigden (art. 2:23b lid 1 BW).1 Dit restant van het vermogen van de vennootschap wordt wel het batig liquidatie-overschot genoemd. Dit kan worden uitgekeerd in de vorm van geld, maar ook voldoening in natura is mogelijk.2 Dit naturarestant kan dan bijvoorbeeld worden verdeeld door toedeling van een gedeelte van de goederen, tenzij de statuten of een eventuele rechterlijke beschikking daaraan in de weg staan (art. 2:23b lid 3 onderdeel a BW). Indien een aandeelhouder is gerechtigd tot dit restant, en zijn aandeel is verpand, dan rijst de vraag wat de positie van de pandhouder is tot dit restant. In de literatuur wordt aangenomen dat de pandhouder bevoegd is om dit saldo te innen.3 Als grondslag daarvoor wordt sinds 1992 de algemene zaaksvervangingsregel bij pandrecht uit artikel 3:229 lid 1 BW aangewezen.4 Ik sluit mij daarbij aan, omdat ik meen dat deze vordering inderdaad in de plaats treedt van het verpande aandeel. Daarnaast vind ik dat de inningsbevoegdheid evengoed kan worden gegrond op de analoge toepassing van artikel 3:246 lid 1 BW.5 Net zoals ik betoog met betrekking tot winst, vrije reserves en claims, kan het batig liquidatiesaldo worden gezien als een opbrengst van het aandeel waartoe de openbaar pandhouder inningsbevoegd is (§4.3.2) – zij het dat het de finale opbrengst is.
Hoewel in de literatuur daarover ook anders wordt gedacht, volgt de toepasselijkheid van de zaaksvervangingsregeling mijns inziens niet uit het arrest van de Hoge Raad inzake Heijloo Beheer/Delta Lloyd Levensverzekering.6 Hoewel door Delta Lloyd Levensverzekering als pandhouder van de aandelen een substitutiepandrecht ten grondslag werd gelegd aan haar inningsbevoegdheid, lijkt deze stelling in eerste aanleg onweersproken te zijn gebleven. In appel is tegen het oordeel daarover vervolgens niet gegriefd, en in cassatie is tegen de bewuste rechtsoverweging geen middel gericht. Daarom kan er mijns inziens niet worden gezegd dat de Hoge Raad een oordeel heeft gegeven over de juistheid van de toepassing van artikel 3:229 lid 1 BW.7