Rb. Amsterdam, 24-09-2019, nr. 13/751668-17
ECLI:NL:RBAMS:2019:9678
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
24-09-2019
- Zaaknummer
13/751668-17
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2019:9678, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 24‑09‑2019; (Eerste en enige aanleg)
ECLI:NL:RBAMS:2019:2381, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 29‑03‑2019; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2018:5389, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 27‑07‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig, Prejudicieel verzoek)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2019:108
ECLI:NL:RBAMS:2018:4161, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 14‑06‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
SEW 2018, afl. 10, p. 412
Uitspraak 24‑09‑2019
Inhoudsindicatie
EAB Verenigd Koninkrijk - Detenteiomstandigheden
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751668-17
RK-nummer: 18/2446
Datum uitspraak: 24 september 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 april 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2017 door the District Judge of the Liverpool and Knowsley Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedatum] ,
verblijvend op het adres: [verblijfadres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 14 juni 2018 het onderzoek in de zaak heropend en het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst om de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie van de door het Ierse High Court gestelde prejudiciële vragen in de zaak C-327/18 PPU af te wachten.
Ter zitting van 16 oktober 2018 is het onderzoek in de zaak opnieuw aangevangen en ter zitting van 13 november 2018 is het onderzoek voortgezet.
Ter zitting van 15 maart 2019 is het onderzoek met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat in de stand van het onderzoek van 13 november 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. T.A. Korff en door zijn raadsman, mr. Th.O.M. Dieben.
Bij tussenuitspraak van 29 maart 2019 is het onderzoek in de zaak heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere informatie over de detentie-omstandigheden bij de autoriteit van het Verenigd Koninkrijk op te vragen.
Ter zitting van 10 september 2019 is het onderzoek met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat in de stand van het onderzoek van 15 maart 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door eerdergenoemde raadslieden.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de Liverpool and Knowsley Magistrates’ Court van 30 mei 2017.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5. Detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna; ‘Handvest’)
Inleiding
De rechtbank heeft op 29 maart 2019 tussenuitspraak gewezen waarin onder ander het volgende is vermeld.
"De verdediging heeft de rechtbank op de zitting van 15 maart 2019 gewezen op de volgende stukken:
- -
het jaarverslag 2017-18 van HM Chief Inspector of Prisons for England and Wales, gepubliceerd op 21 juli 2018;
- -
een findings paper van oktober 2017 van HM Inspectorate of Prisons getiteld: Life in prison: Living Conditions
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Birmingham van 6 tot 17 februari 2017
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Birmingham van 30 juli tot 8 augustus 2018
- -
een dringende kennisgeving van 16 augustus 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Birmingham
- -
een dringende kennisgeving van 12 september 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Bedford
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Bedford van 28 augustus tot 6 september 2018
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Liverpool van 4-15 september 2017
- -
een dringende kennisgeving van 17 januari 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Nottingham
- -
een dringende kennisgeving van 30 mei 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Exeter
- -
een overzicht van het Britse Ministerie van Justitie van 31 januari 2019, getiteld: Safety in Custody Statistics, England and Wales: Deaths in Prison Custody to December 2018, Assualts and Self-harm to September 2018
De rechtbank heeft deze stukken als volgt samengevat:
"De Britse hoofdinspecteur voor gevangenissen noemt in het jaarverslag 2017-2018 de detentieomstandigheden in Britse gevangenissen uiterst verontrustend, oordeelt dat deze er sinds de laatste inspectie op achteruit zijn gegaan en dat veel aanbevelingen niet zijn opgevolgd. Bij de detentie-instellingen met de slechtste omstandigheden zijn dringende kennisgevingen gedaan (de zogeheten urgent notification procedure) om alsnog de gedane aanbevelingen na te komen. Deze procedure is onder meer gevolgd bij HMP Wormwood Scrubs, HMP Nottingham, HMP Birmingham, HMP Exeter en HMP Bedford. De dringende kennisgevingen zien in de meeste gevallen op geweld en onveiligheid binnen de instellingen, maar in het geval van HMP Birmingham en HMP Bedford ook nadrukkelijk op de huisvesting en het gebrek aan zinvolle activiteiten. Bij drie detentie-instellingen, waaronder HMP Birmingham is vermeld dat de persoonlijke ruimte per gedetineerde ligt tussen de 3 en 4 m². Ook in HMP Liverpool is sprake van overbevolking, slecht onderhoud, slechte hygiëne en een gebrek aan zinvolle activiteiten."
De rechtbank is van oordeel dat het jaarverslag van de HM Chief Inspector of Prisons for England and Wales, de onderliggende rapporten en dringende kennisgevingen degelijke objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens betreffen. De rechtbank is verder van oordeel dat deze documenten bewijzen bevatten voor het hiervoor bedoelde reële gevaar ten aanzien van in elk geval drie detentie-instellingen, te weten HMP Birmingham, HMP Bedford en HMP Liverpool. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder het arrest van 20 oktober 2016, met kenmerk: 7334/13 (Muršić/Kroatië), is de rechtbank van oordeel dat vanwege de geconstateerde beperkte individuele ruimte en onvoldoende compenserende omstandigheden een reëel gevaar bestaat dat detentie in genoemde detentie-inrichtingen in strijd komt met artikel 4 van het Handvest..
De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen met het oog op de volgende aanvullende vragen:
1a. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon indien zijn overlevering wordt toegestaan, naar verwachting worden geplaatst?
1b. Hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan? Is dit in- of exclusief de sanitaire ruimten?
1c. Wat zijn de overige detentieomstandigheden?
2. Heeft het door de opgeëiste persoon bij zijn laatste woord genoemde incident, inhoudende dat het hoofd van de criminele organisatie in detentie in nek en lichaam is gestoken met een mes, zich voorgedaan en zo ja, welke maatregelen zijn getroffen teneinde herhaling van dergelijke incidenten te voorkomen."
Bij brief van 25 juni 2019 van HM Prison & Probation Service (VK) is antwoord gekomen op voorgaande vragen. Deze brief houdt onder meer het volgende in:
"(…)
The EAW for Mr [opgeëiste persoon] was issued by Liverpool Magistrates Court and his case will be heard at Liverpool Crown Court. It is therefore likely that, throughout the duration of the trial, he will be located at HMP Liverpool.
HMP Birmingham and HMP Bedford are outside the North West region of the United Kingdom and so the likelihood of Mr [opgeëiste persoon] being housed there in advance of his trial is remote.
(…)
Following completion of the court case, if convicted and sentenced Mr [opgeëiste persoon] will be assessed and assigned a security category as per Prison Service Instrucion (PSI)10-2-11 Categorisation of adult males (Annex B) it is most likely that Mr [opgeëiste persoon] will be placed into a prison within the North West of England that is consistent with his assessed security categorisation and sentence length. This could be one of a number of prisons, including HMP Garth, Hindley, Risley and Wymott. He is most likely to remain in one of these North-West prisons throughout the duration of his sentence.
(…)
I have provided you with a photograph of a typical cell and the specifications of each of the different types of cells where Mr [opgeëiste persoon] will be placed if he is located at HMP Liverpool all of which meet the standards described above (Annex D and E). The smallest cell is 7.31m² (single occupancy only) and the largest is 8.67m² with a separate toilet annex that is 2.60m². Some cells are certified for double occupancy but all of those provide at least 4m² per person.
(…)
The latest published figures, from 26 april 2019, show that HMP Liverpool has an operational capacity of 700 places and held 661 prisoners on this day.
(…)
Safer custody is a priority for HMP Liverpool and significant activity has already taken place and work continues at the prison to address the safety concerns raised by HMIP in September 2015.
(…)
There remains a continued focus on the use of force at the prison with additional training being introduced for staff in decision making and de-escalating techniques.
We are rolling out keyworkers across the prison estate, under which prison officers based on residential wings take on a small caseload of around 6 prisoners each. This will allow them to provide prisoners with one-to-one time every week, so that they can develop a positive relationship and provide the support each prisoner needs. HMP Liverpool, an early adopter of this scheme, has had an additional 67 staff allocated which ensures that 7 sessions per day take place.
(…)
HMPPS are aware that an incident occurred in May 2018 in which a male linked to an Organised Criminal Group sustained an injury to the back of his head and that this has been referenced by Mr [opgeëiste persoon] . The male involved in the incident would not believed to be linked to Mr [opgeëiste persoon] . Since this incident, the work described above and as set out in the action plan has been undertaken to support violence management within HMP Liverpool.
(…)"
Standpunt van de verdediging:
De verdediging heeft ter zitting aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van een mogelijke flagrante schending van artikel 4 Handvest bij overlevering van de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk nu de kans bestaat dat hij wordt blootgesteld aan vernederende en onmenselijke detentieomstandigheden. Hiertoe wordt het volgende aangevoerd.
Ten eerste wordt aangevoerd dat nu er geen garantie is verstrekt, dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in HMP Liverpool, niet uit te sluiten valt dat hij wordt geplaatst in de HMP's Birmingham en Bedford waar al eerder een urgent notification procedure is gestart.
Ten tweede is het geweldsniveau dermate hoog in de detentie instellingen in het Verenigd Koninkrijk en in het bijzonder in HMP Liverpool dat de opgeëiste persoon eveneens een reëel gevaar loopt dat hij wordt blootgesteld aan omstandigheden die in strijd zijn met
artikel 4 Handvest. Anders dan in de brief van 25 juni 2019 staat vermeld is er sinds 2015 geen verbetering opgetreden in het aantal geweldsincidenten in detentie instellingen in het Verenigd Koninkrijk. Blijkens recente overgelegde gegevens van het ministerie van justitie van het Verenigd Koninkrijk van 25 juli 2019 en van de BBC uit augustus 2019 zijn het aantal geweldsincidenten in detentie instellingen in het Verenigd Koninkrijk sinds 2015 gelijk gebleven danwel gestegen. Het stelt de opgeëiste persoon niet gerust dat aan een medeverdachte van de opgeëiste persoon ernstige verwondingen zijn aangebracht terwijl er geen verband is met de zaak van de opgeëiste persoon.
Voorts verzoekt de verdediging om aanhouding van de zaak in verband met de aan het Europees Hof van Justitie in de zaak Dorobantu gestelde prejudiciële vragen over het meetellen van het meubilair voor de berekening van de 'personal space' per gedetineerde.
Ten slotte verzoekt de verdediging om aanhouding van de behandeling van de zaak in verband met de te verwachten rapporten van de Chief Inspector of Prisons over HMP Liverpool en van het CPT over onder andere HMP Liverpool.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan op grond van de informatie zoals die is verstrekt in de brief van het Verenigd Koninkrijk waarin wordt gesteld dat minimaal 4m² 'personal space' beschikbaar is voor gedetineerden in HMP Liverpool. De recente informatie over het geweldsniveau in de Britse gevangenissen vormt geen beletsel tot overlevering nu er geen gegevens beschikbaar zijn die wijzen op een reëel gevaar op schending van artikel 4 Handvest.
Zij verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak in verband met het afwachten van de uitspraak van het Hof van Justitie op de in de zaak Dorobantu gestelde prejudiciële vragen. In de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Muršić is al bepaald dat het meubilair niet wordt meegenomen in de berekening van de 'personal space'.
Ten slotte verzet zij zich tegen aanhouding in verband met het afwachten van het rapport van de Chief Inspector of Prisons van HMP Liverpool en het CPT rapport nu naar de ervaring leert het nog wel één jaar kan duren voordat het rapport wordt gepubliceerd.
Oordeel rechtbank
Reëel gevaar in verband met te weinig 'personal space' per gedetineerde
Allereerst stelt de rechtbank vast dat blijkens de brief van 25 juni 2019 de opgeëiste persoon waarschijnlijk gedurende de gerechtelijke procedure in de HMP Liverpool zal worden geplaatst en dat de opgeëiste persoon bij een veroordeling waarschijnlijk in de regio North-West zal worden geplaatst, mitsdien in een van de HMP’s in Garth, Hindley, Risley of Wymott. In al deze gevangenissen zal sprake zijn van een oppervlakte van minimaal 4 m2 in een meerpersoonscel. In Liverpool heeft de kleinste éénpersoonscel een oppervlakte van 7,31 m2.
Volgens de verdediging valt met de hierboven genoemde mededeling van de autoriteit van het Verenigd Koninkrijk niet uit te sluiten dat hij alsnog in een gevangenis zal worden geplaatst waarin een reëel gevaar op schending van artikel 4 Handvest aanwezig is.
De rechtbank overweegt hiertoe dat blijkens de uitspraak in de zaak ML van het Hof van Justitie van 25 juli 2018 met nummer ECLI:EU:C:2018:589 het voldoende is dat alleen die detentie instellingen worden onderzocht waarvan het waarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon daar zal worden geplaatst.
Immers heeft het Hof van Justitie in die uitspraak bij punt 117 overwogen dat:
"de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in penitentiaire inrichtingen waar de betrokkene, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis."
Over de 'personal space' per persoon in de detentie-instelling HMP Liverpool vermeldt de brief van 25 juni 2019 dat voor alle meerpersoonscellen geldt dat die tenminste 4m² bedraagt. De kleinste eenpersoonscel heeft een oppervlakte van 7,31 m2.
Van een beperkte individuele ruimte, die de rechtbank eerder aanleiding gaf tot het aannemen van een reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling, is ten aanzien van de detentie-instelling in Liverpool om die reden geen sprake meer. Een en ander heeft tot gevolg dat daardoor ook geen voornoemd reëel gevaar bestaat ten aanzien van de detentie-instelling in Liverpool, zie ook de uitspraak van de rechtbank van 2 juli 2019 ECLI:NL:RBAMS:2019:4524. Voor de andere mogelijke detentie instellingen waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering kan worden geplaatst zijn geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens beschikbaar die duiden op een reëel gevaar.
Aanhoudingsverzoek in verband met Dorobantu
In de zaak Dorobantu is de volgende in het geding gebrachte prejudicieel gestelde vraag aan het Hof van Justitie gesteld:
"Moet bij het bepalen van de celafmetingen de oppervlakte in mindering worden gebracht die door het meubilair in beslag wordt genomen?"
Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), in het bijzonder het arrest van 20 oktober 2016, met kenmerk: 7334/13 (Muršić/Kroatië), volgt dat er wat betreft de materiële condities een minimummaatstaf geldt van 3 m2 ‘floor space’ per gedetineerde in geval van ‘multi-occupancy accommodation’. Als er in geval van ‘multi-occupancy accommodation’ sprake is van minder dan 3 m2 ‘personal space’, levert dit een ‘strong presumption’ op dat de detentieomstandigheden vernederend zijn in de zin van artikel 4 Handvest. In deze uitspraak wordt alleen het sanitair genoemd als iets dat buiten de berekening van de personal space van meerpersoonscellen dient te blijven, en niet het meubilair.
De minimumnormen die het EHRM in het arrest Muršić tegen Kroatië heeft gedefinieerd voor het verblijf in een meerpersoonscel, zijn niet als zodanig van toepassing op het verblijf in een enkelvoudige cel. Echter in het geval van de enkelvoudige cel is in voornoemde brief van 25 juni 2019 vermeld dat in Liverpool minimaal 7,31m² aan 'personal space' aanwezig is, hetgeen ruim boven de CPT-norm van 6m² ligt.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
Geweldsniveau in de detentie instellingen van het Verenigd Koninkrijk
In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).
De rechtbank heeft in dit verband kennis genomen van het rapport van het CPT-rapport van 19 april 2017, dat ziet op een bezoek aan penitentiaire inrichtingen in het Verenigd Koninkrijk van 30 maart tot 12 april 2016. Hierin staat onder ander het volgende vermeld.
"The CPT examined the violence through the prism of three criteria: recording incidents of violence, responding to such incidents and specific measures taken to reduce violence. Despite the considerable number of instruments established to capture data regarding violent incidents, there were systemic and structural weaknesses in the documentation process. At both Doncaster and Pentonville Prisons, the delegation gained the impression that the actual number of violent incidents appreciably exceeded the number recorded. This issue appeared to be particularly acute at Doncaster Prison, where the delegation established that some violent incidents had either not been recorded or recorded as being less serious than they were in practice. Moreover, the delegation observed first-hand that violent incidents were not always reported by staff. While the number of recorded violent incidents at all prisons visited was alarmingly high, the CPT believes that these figures under-record the actual number of incidents and consequently fail to afford a true picture of the severity of the situation.
(…)
While noting that the White Paper and Prisons’ Bill have yet to be finalised, the CPT recommends that concrete and effective measures to address the lack of safety and high levels of violence in English adult prisons and the youth estate be prioritised.
These should include urgent measures to bringing prisons back under the effective control of staff, measurably reversing the recent trends of escalating violence, self-harm and self-inflicted deaths; as well as concrete steps to significantly reduce the current prison population, without which the implementation of the wider reform programme will be unattainable."
Uit het voorgaande valt af te leiden dat het CPT sterk de indruk heeft dat in de bezochte detentie instellingen het aantal geweldsincidenten hoger lag dan het gedocumenteerde aantal gevallen. Aanbevolen wordt een betere registratie te voeren van het aantal geweldsincidenten en maatregelen te nemen binnen de organisatie van de detentie instellingen die nodig zijn om het aantal geweldsdelicten terug te brengen. Bovendien dient ter bestrijding van het aantal geweldsincidenten de overbevolking te worden tegengegaan.
In het door de verdediging aangehaalde jaarverslag van 2018 van de Chief Prison Inspector is onder meer het volgende opgenomen ten aanzien van alle gevangenissen in het verenigd Koninkrijk opgenomen:
"that far too many of out jails have been plagued by drugs, violence, appalling living conditions and a lack of access meaningful rehability activity."
Specifiek over de HMP Liverpool is het volgende opgenomen:
The prison had deteriorated to such an extent that living conditions were among the worst inspectors had ever seen.
De rechtbank leidt echter uit voornoemde brief van 25 juni 2019 af dat ten aanzien van HMP Liverpool maatregelen zijn genomen en in de praktijk zijn gebracht om geweldsincidenten tegen te gaan.
De rechtbank heeft niet zoals in de door de verdediging onder de aandacht gebrachte recente uitspraak van 20 augustus 2019 van de rechtbank Amsterdam over de detentie- omstandigheden in Litouwen (ECLI:NL:RBAMS:2019:6202) vast kunnen stellen dat sprake is van buitengewone niveaus van geweld, intimidatie en uitbuiting in de detentieinstellingen waar de opgeëiste persoon mogelijk kan worden geplaatst.
Alhoewel er zorgen zijn over de veiligheid brengt dit de rechtbank niet tot de conclusie dat de veiligheid binnen de detentie instellingen in het Verenigd Koninkrijk van dien orde is dat voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling bestaat.
Afwachten rapporten Chief Inspector Prison
Het verzoek tot aanhouding van de verdediging om publicatie van eerder genoemde rapporten af te wachten wijst de rechtbank af nu de ervaring leert dat vooral een nieuw CPT-rapport nog lang op zich kan laten wachten en het bij de beoordeling van het reële gevaar gaat om de actuele gegevens. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak hiervoor aan te houden.
Overlevering
Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank geen beletsel om de overlevering van de opgeëiste persoon toe te staan.
6. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan
the District Judge of the Liverpool and Knowsley Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk).
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. H.J. Fehmers en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 september 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitspraak 29‑03‑2019
Inhoudsindicatie
vervolgings EAB / VK / detentieomstandigheden / tussenuitspraak
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751668-17
RK-nummer: 18/2446
Datum uitspraak: 29 maart 2019
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 april 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2017 door the District Judge of the Liverpool and Knowsley Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1985,
verblijvend op het adres: [BRP-adres] ,
domicilie kiezend op het adres van zijn raadsvrouw mr T.E. Korff,
[adres]
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Nadien heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 14 juni 2018 het onderzoek in de zaak heropend en het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst om de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie van de door het Ierse High Court gestelde prejudiciële vragen in de zaak C-327/18 PPU af te wachten.
Ter zitting van 16 oktober 2018 is het onderzoek in de zaak opnieuw aangevangen en ter zitting van 13 november 2018 is het onderzoek voortgezet.
Ter zitting van 15 maart 2019 is het onderzoek met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat in de stand van het onderzoek van 13 november 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw respectievelijk raadsman, mr. T.A. Korff en mr. Th.O.M. Dieben.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de Liverpool and Knowsley Magistrates’ Court van 30 mei 2017.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5. Brexit en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De verdediging heeft zich ter zitting van 16 oktober 2018 op het standpunt gesteld dat onduidelijk is hoe de rechten van de opgeëiste persoon - zoals vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) - worden gewaarborgd op het moment dat het Verenigd Koninkrijk geen onderdeel meer is van de Europese Unie. Bij uitspraak van 31 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:654) heeft de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 september 2018 (C-327/18 PPU) geoordeeld dat ervan uit mag worden gegaan dat het Verenigd Koninkrijk na zijn terugtrekking uit de Europese Unie de fundamentele rechten van de over te leveren persoon zal eerbiedigen en de essentiële inhoud van de aan het kaderbesluit ontleende rechten die van toepassing zijn op de periode na de overlevering, zal toepassen ten aanzien van de over te leveren persoon.
6. Detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk en artikel 4 van het Handvest
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en ziet reden dit te heropenen vanwege het volgende.
De verdediging heeft voorafgaand aan en ter zitting van 15 maart 2019 verwezen naar de navolgende stukken:
- -
het jaarverslag 2017-18 van HM Chief Inspector of Prisons for England and Wales, gepubliceerd op 21 juli 2018;
- -
een findings paper van oktober 2017 van HM Inspectorate of Prisons getiteld: Life in prison: Living Conditions
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Birmingham van 6 tot 17 februari 2017
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Birmingham van 30 juli tot 8 augustus 2018
- -
een dringende kennisgeving van 16 augustus 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Birmingham
- -
een dringende kennisgeving van 12 september 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Bedford
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Bedford van 28 augustus tot 6 september 2018
- -
het verslag van de HM Chief Inspector of Prisons van de inspectie van HMP Liverpool van 4-15 september 2017
- -
een dringende kennisgeving van 17 januari 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Nottingham
- -
een dringende kennisgeving van 30 mei 2018 van de HM Chief Inspector of Prisons aan de Secretary of State ten aanzien van de HMP Exeter
- -
een overzicht van het Britse Ministerie van Justitie van 31 januari 2019, getiteld: Safety in Custody Statistics, England and Wales: Deaths in Prison Custody to December 2018, Assualts and Self-harm to September 2018
Uit voornoemde stukken blijkt – kort samengevat – het volgende. De Britse hoofdinspecteur voor gevangenissen noemt in het jaarverslag 2017-2018 de detentieomstandigheden in Britse gevangenissen uiterst verontrustend, oordeelt dat deze er sinds de laatste inspectie op achteruit zijn gegaan en dat veel aanbevelingen niet zijn opgevolgd. Bij de detentie-instellingen met de slechtste omstandigheden zijn dringende kennisgevingen gedaan (de zogeheten urgent notification procedure) om alsnog de gedane aanbevelingen na te komen. Deze procedure is onder meer gevolgd bij HMP Wormwood Scrubs, HMP Nottingham, HMP Birmingham, HMP Exeter en HMP Bedford. De dringende kennisgevingen zien in de meeste gevallen op geweld en onveiligheid binnen de instellingen, maar in het geval van HMP Birmingham en HMP Bedford ook nadrukkelijk op de huisvesting en gebrek aan zinvolle activiteiten. Bij drie detentie-instellingen, waaronder HMP Birmingham is vermeld dat de persoonlijke ruimte per gedetineerde ligt tussen de 3 en 4 m². Ook in HMP Liverpool is sprake van overbevolking, slecht onderhoud, slechte hygiëne en een gebrek aan zinvolle activiteiten.
Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting naar voren gebracht dat hij vreest voor zijn veiligheid in de Britse gevangenissen, onder meer omdat het hoofd van de criminele organisatie waar hij deel van uitmaakte, tijdens zijn detentie in het Verenigd Koninkrijk is gestoken in zijn hoofd en nek.
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de inhoud van de door de verdediging overgelegde rapporten, maar dat zij niet bekend is met uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is geoordeeld dat in detentie-instellingen in het Verenigd Koninkrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM.
Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru van 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, r.o. 88 en 89) is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat wanneer zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend – afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten – worden behandeld, verplicht om te beoordelen of dit gevaar bestaat wanneer zij moet beslissen of de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd wordt overgeleverd aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat. De tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel mag immers niet leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling van die persoon.
Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.
De rechtbank is van oordeel dat het jaarverslag van de HM Chief Inspector of Prisons for England and Wales, de onderliggende rapporten en dringende kennisgevingen dergelijke objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens betreffen. De rechtbank is verder van oordeel dat deze documenten bewijzen bevatten voor het hiervoor bedoelde reële gevaar ten aanzien van in elk geval drie detentie-instellingen, te weten HMP Birmingham, HMP Bedford en HMP Liverpool. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder het arrest van 20 oktober 2016, met kenmerk: 7334/13 (Muršić/Kroatië), is de rechtbank van oordeel dat vanwege de geconstateerde beperkte individuele ruimte en onvoldoende compenserende omstandigheden een reëel gevaar bestaat dat detentie in genoemde detentie-inrichtingen in strijd komt met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen met het oog op de volgende aanvullende vragen:
1a. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon indien zijn overlevering wordt toegestaan, naar verwachting worden geplaatst?
1b. Hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan? Is dit in- of exclusief de sanitaire ruimten?
1c. Wat zijn de overige detentieomstandigheden?
2. Heeft het door de opgeëiste persoon bij zijn laatste woord genoemde incident, inhoudende dat het hoofd van de criminele organisatie in detentie in nek en lichaam is gestoken met een mes, zich voorgedaan en zo ja, welke maatregelen zijn getroffen teneinde herhaling van dergelijke incidenten te voorkomen.
De rechtbank verzoekt de Britse justitiële autoriteit bij de beantwoording van vraag 1b en c, in haar antwoord rekening te houden met de uitspraak van het EHRM van 20 oktober 2016, met kenmerk: 7334/13 (Muršić/Kroatië), waarin het Hof zich heeft uitgelaten over de vraag wanneer detentieomstandigheden vernederend (kunnen) zijn in de zin van artikel 3 EVRM en dus, gelet op art. 52 lid 3 Handvest, vernederend in de zin van artikel 4 Handvest.
De rechtbank komt tot de volgende beslissingen:
7. Beslissingen
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hierboven geformuleerde vragen aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Engelse taal tegen de nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2019.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitspraak 27‑07‑2018
Inhoudsindicatie
Overlevering. De rechtbank Amsterdam stelt een prejudiciële vraag naar aanleiding van haar uitleg van artikel 22, vierde lid, OLW: is voortzetting van de overleveringsdetentie nadat 90 dagen na de aanhouding van de opgeëiste persoon zijn verstreken in strijd met artikel 6 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder met het daarin gewaarborgde rechtszekerheidsbeginsel?
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751.668-17
RK nummer: 18/4081
TUSSENBESCHIKKING
op het op 27 juni 2018 ontvangen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [gebooretedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] .
1. Procesgang
1.1
De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, [opgeëiste persoon] en zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam. [opgeëiste persoon] werd bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.
2. Prejudiciële vraag
Uniewetgeving
2.1
De artikelen 12 en 17 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PbEG 2002, L 190/1) luiden, voor zover van belang, als volgt:
Artikel 12
Voortgezette hechtenis van de persoon
Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip
overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.
Artikel 17
Termijnen en modaliteiten van de beslissing
1. Europese aanhoudingsbevelen worden met spoed behandeld en ten uitvoer gelegd.
(…)
3. In de andere gevallen zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen 60 dagen na de aanhouding van de gezochte persoon
moeten worden genomen.
4. Indien het Europees aanhoudingsbevel in specifieke gevallen niet binnen de in de leden 2 en 3 bepaalde termijnen ten uitvoer kan worden gelegd, stelt de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en met opgave van redenen. In dat geval kunnen de termijnen met 30 dagen worden verlengd.
5. Zolang de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft genomen, verzekert zij zich ervan dat de materiële voorwaarden voor daadwerkelijke overlevering
gehandhaafd blijven.
(…)
7. Wanneer een lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden de in dit artikel gestelde termijnen niet kan naleven, stelt hij Eurojust daarvan in kennis, samen met de redenen voor de vertraging. Daarenboven stelt een lidstaat waarvan de Europese aanhoudingsbevelen bij herhaling door een andere lidstaat te laat ten uitvoer zijn gelegd, de Raad daarvan in kennis met het oog op een beoordeling van de uitvoering door de lidstaten van dit kaderbesluit.
Nationale wetgeving
2.2
De Overleveringswet (Stb. 2004, 195) (OLW) geeft uitvoering aan Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De artikelen 22 en 64 van de Overleveringswet luiden, voor zover van belang, als volgt:
Artikel 22
1. De uitspraak, houdende de beslissing over de overlevering dient door de rechtbank te worden gedaan uiterlijk zestig dagen na de aanhouding van de opgeëiste persoon, bedoeld in artikel 21.
(…)
3. In uitzonderlijke gevallen en onder opgave van redenen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan de rechtbank de termijn van zestig dagen met maximaal dertig dagen verlengen.
4. Indien de rechtbank binnen de in het derde lid bedoelde termijn, nog geen uitspraak heeft gedaan kan de rechtbank de termijn opnieuw verlengen voor onbepaalde tijd, onder gelijktijdige schorsing, onder het stellen van voorwaarden, van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon en inkennisstelling van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Artikel 64
1. In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de vrijheidsbeneming kan of moet worden genomen, kan worden bevolen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst tot het moment van de uitspraak van de rechtbank waarbij de overlevering wordt toegestaan. De te stellen voorwaarden mogen alleen strekken ter voorkoming van vlucht.
2. Op bevelen krachtens het eerste lid gegeven door de rechtbank, dan wel door de rechter-commissaris, zijn de artikelen 80, met uitzondering van het tweede lid, en 81 tot en met 88 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.(…)
2.3
Artikel 87 van het Wetboek van Strafvordering luidt, voor zover van belang, als volgt:
Artikel 87
(…)
2. De verdachte die aan de rechtbank schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, kan eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek bij het gerechtshof in hoger beroep komen, uiterlijk drie dagen na de betekening.
Relevante feiten en omstandigheden
2.4
Op 12 juni 2017 heeft een rechterlijke autoriteit van het Verenigd Koninkrijk een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd tegen [opgeëiste persoon] , een Britse onderdaan die woonachtig is in Spanje.
2.5
Het EAB strekt tot overlevering ter fine van strafvervolging. [opgeëiste persoon] wordt ervan verdacht als senior member of an organised crime group te zijn betrokken bij de invoer, het verstrekken en het verkopen van harddrugs (onder meer 300 kilogram cocaïne). Op dit feit is naar het recht van het Verenigd Koninkrijk maximaal een levenslange vrijheidsstraf gesteld.
2.6
[opgeëiste persoon] is op 4 april 2018 in Nederland aangehouden. Op die dag is de beslistermijn van 60 dagen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, OLW en in artikel 17, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ingegaan.
2.7
De rechtbank heeft het EAB behandeld op de zitting van 31 mei 2018. Op deze zitting heeft zij de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] bevolen en heeft zij de beslistermijn van 60 dagen met dertig dagen verlengd. Bij tussenuitspraak van 14 juni 2018 heeft zij het onderzoek heropend en geschorst om de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie van de door het Ierse High Court gestelde prejudiciële vragen in de zaak C-327/18 PPU (RO) af te wachten en heeft zij verstaan dat de beslistermijn met ingang van die datum is geschorst.
2.8
De raadsvrouw heeft verzocht [opgeëiste persoon] te schorsen met ingang van 4 juli 2018, de dag waarop 90 dagen na zijn aanhouding zijn verstreken.
2.9
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 17 Kaderbesluit 2002/584/JBZ volgt dat:
- artikel 17 Kaderbesluit 2002/584/JBZ geen algemene en onvoorwaardelijke verplichting tot (voorlopige) invrijheidstelling bevat in geval van overschrijding van de termijn van 90 dagen (HvJ EU 16 juli 2015, C-237/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:474 (Francis Lanigan), punt 50) en
- overschrijding van die termijn in beginsel niet in de weg staat aan het handhaven
van de overleveringsdetentie ‘overeenkomstig het nationale recht van de uitvoerende lidstaat’ (Francis Lanigan, punt 52), mits de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en de detentie dus niet buitensporig lang duurt (Francis Lanigan, punt 58).
2.10
De Nederlandse wetgever heeft artikel 17 Kaderbesluit 2002/584/JBZ omgezet in artikel 22 OLW. Volgens artikel 22, vierde lid, OLW moet de rechtbank de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon steeds schorsen, zodra de termijn van 90 dagen voor het nemen van een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB wordt overschreden. Deze bepaling berust op de veronderstelling van de wetgever dat Kaderbesluit 2002/584/JBZ in een dergelijke situatie ervan uitgaat dat de opgeëiste persoon zich niet meer in overleveringsdetentie bevindt (Kamerstukken II 2002/03, 29042, 3, p. 22).
2.11
Artikel 22, vierde lid, OLW is een regeling waartoe Kaderbesluit 2002/584/JBZ niet verplicht (zie overweging 2.9) en die daarom berust op een onjuiste veronderstelling over de uitleg van dat kaderbesluit (zie overweging 2.10). Bovendien houdt deze regeling onvoldoende rekening met verplichtingen die op grond van primair en rechtstreeks werkend Unierecht op de rechtbank rusten:
- a) als hoogste rechter in EAB-zaken is de rechtbank – in beginsel – verplicht prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van het Unierecht, als het antwoord op die vragen noodzakelijk is voor haar beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB (artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)). Zij acht zich daarnaast verplicht om de beantwoording van door rechterlijke autoriteiten uit andere lidstaten gestelde prejudiciële vragen af te wachten, als zij het antwoord op die vragen noodzakelijk acht voor haar beslissing;
- mede op grond van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) is de rechtbank verplicht de beslissing over de overlevering uit te stellen, als sprake is van een reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 98).
2.12
Naleving van de in overweging 2.11 onder a) of onder b) bedoelde verplichting levert een ‘uitzonderlijke omstandigheid’ in de zin van artikel 17, zevende lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ op, waarin de uitvoerende lidstaat de beslistermijn van 90 dagen niet kan naleven (zie HvJ EU 30 mei 2013, C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 (Jeremy F.), punten 64-65; Aranyosi en Căldăraru, punt 99). Onder artikel 22, vierde lid, OLW zou in dergelijke gevallen steeds de overleveringsdetentie moeten worden geschorst, nog voordat de rechtbank heeft kunnen beslissen over de tenuitvoerlegging van het EAB en ongeacht of de opgeëiste persoon vluchtgevaarlijk is. Daardoor wordt het risico in het leven geroepen dat de opgeëiste persoon zich aan de tenuitvoerlegging van een eventuele beslissing tot overlevering onttrekt en dus dat – in strijd met artikel 17, vijfde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – ‘de materiële voorwaarden voor daadwerkelijke overlevering’ niet ‘gehandhaafd blijven’.
2.13
Dat risico is in dit geval zeker aanwezig. [opgeëiste persoon] is namelijk vluchtgevaarlijk:
- hij heeft geen aantoonbare band met Nederland;
- bij zijn aanhouding in Nederland verbleef hij in een hotel, terwijl hij niet in het hotelregister stond ingeschreven onder zijn eigen naam;
- de verdenking, zoals omschreven in het EAB, bevat sterke aanwijzingen voor het bestaan van een internationaal netwerk dat een eventuele vlucht kan faciliteren en voor de beschikbaarheid van financiële middelen die daartoe kunnen worden aangewend.
Dat vluchtgevaar kan niet door het stellen van voorwaarden tot aanvaardbare proporties worden teruggebracht. Weliswaar is aangevoerd dat de opgeëiste persoon na een eventuele schorsing zou kunnen verblijven op een zeker adres en dat hij na een eventuele schorsing aan het werk zou kunnen als bijrijder op nationale transporten, maar de onderbouwing daarvan biedt onvoldoende houvast voor de conclusie dat schorsing van de overleveringsdetentie verantwoord is.
2.14
[opgeëiste persoon] bevindt zich nu 114 dagen in overleveringsdetentie. Mede gelet op het vluchtgevaar en op de straf die in het Verenigd Koninkrijk is gesteld op het feit waarvan hij wordt verdacht – maximaal een levenslange gevangenisstraf – is de rechtbank van oordeel dat de duur van de overleveringsdetentie op dit moment niet ‘buitensporig’ is (zie Francis Lanigan, punten 59-60).
2.15
Toepassing van artikel 22, vierde lid, OLW brengt in een geval als het onderhavige dus inderdaad het in overweging 2.12 bedoelde – aanzienlijke – risico mee, dat de ‘materiële voorwaarden voor daadwerkelijke overlevering’ niet ‘gehandhaafd blijven’ en dat een eventuele beslissing tot overlevering niet geëffectueerd kan worden.
2.16
In eerdere beslissingen heeft de rechtbank geoordeeld dat zij artikel 22, vierde lid, OLW kaderbesluitconform kan uitleggen op een wijze die niet contra legem is, in die zin dat de beslistermijn wordt geschorst in de gevallen zoals bedoeld in overweging 2.11 onder a) en b). Deze uitleg zet artikel 22, vierde lid, OLW niet opzij. Door de schorsing van de beslistermijn loopt die termijn immers niet. Zolang die termijn is geschorst, kan die termijn de grens van 90 dagen niet overschrijden, zodat geen verplichting ontstaat om de overleveringsdetentie te schorsen. Deze uitleg laat vanzelfsprekend onverlet dat de overleveringsdetentie kan worden geschorst. Dat pleegt de rechtbank te doen, als het vluchtgevaar door het stellen van voorwaarden wel binnen aanvaardbare proporties kan worden gebracht en als de overleveringsprocedure onvoldoende voortvarend wordt gevoerd en de duur van overleveringsdetentie bijgevolg buitensporig is (Rb. Amsterdam 5 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1995; Rb. Amsterdam 28 april 2016 ECLI:NL:RBAMS:2016:2630; Rb. Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9382).
2.17
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam in een aantal zaken geoordeeld dat een dergelijke kaderbesluitconforme uitleg niet mogelijk is. Ook het gerechtshof is van mening dat ‘strikte toepassing’ van artikel 22, vierde lid, OLW ‘in de knel kan komen’ met het Unierecht. Het Hof lost een en ander op door – naar de rechtbank begrijpt: in abstracto – een belangenafweging te maken tussen het belang van de Europese rechtsorde en het belang van handhaving van de nationale rechtsorde en de rechtszekerheid. Volgens het Hof moet het belang van de Europese rechtsorde – de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen (waarmee gelijk te stellen is de verplichting om de beantwoording van door andere rechters gestelde prejudiciële vragen af te wachten) en de verplichting om de beslissing over de overlevering uit te stellen, wanneer sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden – prevaleren boven het belang van handhaving van de nationale rechtsorde en de rechtszekerheid die dat laatste meebrengt voor de opgeëiste personen. De uitkomst van die abstracte belangenafweging brengt mee dat in zulke gevallen de beslistermijn moet worden geacht te zijn geschorst vanaf het moment dat de rechtbank heeft besloten prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van justitie of vanaf het moment dat de rechtbank de beslissing over de overlevering heeft uitgesteld tenzij de voortduring van de overleveringsdetentie in strijd komt met artikel 6 Handvest (Hof Amsterdam 3 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1838; Hof Amsterdam 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4900; Hof Amsterdam 30 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:220).
2.18
De rechtbank heeft – desondanks – vastgehouden aan haar kaderbesluitconforme uitleg van artikel 22, vierde lid, OLW die, zoals gezegd, niet tot een andere uitkomst leidt, althans heeft geleid dan de abstracte belangenafweging van het Hof Amsterdam (zie bijv. Rb. Amsterdam 23 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9691; Rb. Amsterdam 31 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8813).
2.19
De raadsvrouw van [opgeëiste persoon] heeft – onder meer – aangevoerd dat de kaderbesluitconforme uitleg die de rechtbank eerder aan artikel 22, vierde lid, OLW heeft gegeven onder meer in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel, waardoor voortzetting van de overleveringsdetentie artikel 5 EVRM en artikel 6 Handvest schendt. Zij heeft erop gewezen dat de betrokkene op wie de beslissingen ECLI:NL:RBAMS:2016:1995 en ECLI:NL:GHAMS:2016:1838 betrekking hebben een klacht tegen Nederland heeft ingediend bij het EHRM wegens schending van artikel 5 EVRM (nr. 62318/16 (Cernea/Nederland)). Nederland heeft in die zaak een eenzijdige verklaring afgelegd dat artikel 5 EVRM is geschonden. Het EHRM heeft nog niet beslist.
2.20
Eén van de grenzen aan de verplichting tot kaderbesluitconforme uitleg is gelegen in het rechtszekerheidsbeginsel (zie bijv. HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503 (Popławski), punt 32).
2.21
Los van de grenzen aan de verplichting tot kaderbesluitconforme uitleg moet de overleveringsdetentie in overeenstemming met artikel 6 Handvest zijn. Op grond van deze bepaling, die correspondeert met artikel 5 EVRM, moet de vrijheidsbeneming in elk geval in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel zijn, hetgeen vereist dat de voorwaarden voor de vrijheidsbeneming krachtens het nationale recht duidelijk omschreven zijn en dat de toepassing daarvan voorzienbaar is (zie bijv. EHRM 24 juli 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD002220513 (Čalovskis/Letland), § 181).
2.22
De vraag rijst of handhaving van de overleveringsdetentie in een geval als dat van [opgeëiste persoon] in strijd is met artikel 6 Handvest, in het bijzonder met het daarin gewaarborgde rechtszekerheidsbeginsel.
2.23
De rechtspraak van de rechtbank over schorsing van de beslistermijnen is beperkt tot twee begrensde situaties (zie overweging 2.11), is duidelijk en consistent en is gepubliceerd (zie overwegingen 2.16 en 2.18). Voor de rechtspraak van het Hof Amsterdam geldt hetzelfde (zie overweging 2.17). Weliswaar hanteert het Hof Amsterdam een andere redenering, maar toepassing van die redenering leidt in concreto niet, althans heeft in concreto niet geleid tot andere uitkomsten dan toepassing van de redenering van de rechtbank. [opgeëiste persoon] kon aan de hand van artikel 22, vierde lid, OLW in combinatie met de rechtspraak van de rechtbank en van het Hof Amsterdam – zo nodig na advies van zijn raadsvrouw – voorzien dat zijn overleveringsdetentie na 90 dagen na zijn aanhouding zou kunnen voortduren (behoudens schorsing van de overleveringsdetentie op een andere grond dan die van artikel 22, vierde lid, OLW).
2.24
Een bevestigend antwoord op de in 2.22 bedoelde vraag heeft tot gevolg de rechtbank in gevallen waarin de rechtbank een uit het Unierecht voortvloeiende verplichting naleeft en waarin zij dus niet binnen 90 dagen na de aanhouding van de opgeëiste persoon kan beslissen over de tenuitvoerlegging van het EAB, de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon moet schorsen ongeacht zijn vluchtgevaarlijkheid.
2.25
Als het Hof van Justitie de in 2.22 bedoelde vraag bevestigend beantwoordt, ziet de rechtbank zich overigens gesteld voor de vraag of zij artikel 22, vierde lid, OLW buiten toepassing moet laten, omdat het toepassen van deze bepaling leidt tot een resultaat dat in strijd is met het Unierecht en een Unierechtconforme uitleg van deze bepaling niet mogelijk is (vgl. de eerste prejudiciële vraag in zaak C-573/17 (Popławski)). Bovendien rijst dan de vraag of het buiten toepassing laten van artikel 22, vierde lid, OLW op zijn beurt in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel (vgl. HvJ EU 5 december 2017, C-42/17, ECLI:EU:C:2017:936 (M.A.S. en M.B.), punt 46).
2.26
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de volgende vraag aan het Hof van Justitie voorleggen:
In een geval waarin:
- de uitvoerende lidstaat artikel 17 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ zo heeft omgezet, dat de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon steeds moet worden geschorst, zodra de termijn van 90 dagen voor het nemen van de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt overschreden en
- de rechterlijke instanties van die lidstaat het nationale recht zo hebben uitgelegd, dat de beslistermijn wordt geschorst, zodra de uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft besloten een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen of de beantwoording van een door een andere uitvoerende rechterlijke autoriteit gestelde prejudiciële vraag af te wachten dan wel de beslissing over de overlevering uit te stellen vanwege een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat,
is handhaving van de overleveringsdetentie van een vluchtgevaarlijke opgeëiste persoon zodra deze meer dan 90 dagen na de aanhouding van de opgeëiste persoon duurt dan in strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
2.27
Een en ander brengt mee dat de rechtbank nog niet kan beslissen op het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie.
3. Toepassing spoedprocedure
3.1
De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure als bedoeld in artikel 267, vierde alinea, VWEU en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.
3.2
De prejudiciële vraag heeft betrekking op een gebied bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
3.3
De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie in afwachting van de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schorsing van die detentie. Die beslissing kan de rechtbank niet nemen, zolang het Hof van Justitie de prejudiciële vraag niet heeft beantwoord. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vraag is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.
4. Beslissing
HEROPENT het onderzoek.
VERZOEKT het Hof van Justitie de hiervoor onder 2.26 bedoelde vraag te beantwoorden.
SCHORST daartoe het onderzoek voor onbepaalde tijd.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon – met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaat – en van een tolk in de Engelse taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.
Deze beschikking is gewezen op 27 juli 2018 door:
mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,
mrs. C. Klomp en W.A.J.P. van den Reek, rechters
in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier.
Uitspraak 14‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Aanhouding Britse vervolgingsoverlevering in verband met door het Ierse High Court (zaak C-327/18 PPU) gestelde prejudiciële vragen over de gevolgen van de Brexit omdat de antwoorden mogelijk van belang kunnen zijn voor de afdoening van deze zaak.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751668-17
RK-nummer: 18/2446
Datum uitspraak: 14 juni 2018
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 april 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2017 door the District Judge of the Liverpool and Knowsley Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeeïste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
[detentie adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de Liverpool and Knowsley Magistrates’ Court van 30 mei 2017.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Genoegzaamheid
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving van het feit onduidelijk is voor wat betreft de rol van de opgeëiste persoon en het aantal verdenkingen, nu uit de strafzaken van de medeverdachten blijkt dat zij worden verdacht van een drietal feiten waarbij de opgeëiste persoon een leidinggevende functie in de organisatie zou hebben. Gelet hierop dient de behandeling van de vordering te worden aangehouden teneinde hierover nadere informatie te verkrijgen van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Verder dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak aan deze vereisten is voldaan. De opgeëiste persoon wordt er van verdacht senior member of an organised crime group te zijn die betrokken is bij de invoer en het verstrekken en verkopen van cocaïne, heroïne en MDMA, zoals – inclusief tijdstippen en pleegplaatsen – is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Dat de strafzaken van de medeverdachten betrekking hebben op meer verdenkingen en de rol van de opgeëiste persoon in de uitspraken van deze strafzaken wordt omschreven als leidinggevende doet hier niet aan af, nu deze uitspraken niet de grondslag vormen van het EAB. De rechtbank verwerpt het verweer.
5. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
6. Rechten van de opgeëiste persoon na de Brexit
Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het onduidelijk is hoe de rechten van de opgeëiste persoon - zoals vervat in het Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) - worden gewaarborgd op het moment dat het Verenigd Koninkrijk geen onderdeel meer is van de Europese Unie. Het Ierse Supreme Court heeft bij beslissing van 12 maart 2018 hierover prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-191/18). De raadsvrouw heeft betoogd dat de behandeling van de vordering dient te worden uitgesteld in afwachting van de antwoorden op deze prejudiciële vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet dient te worden gewacht op de beantwoording van de door het Ierse Supreme Court gestelde prejudiciële vragen. Enerzijds omdat het Verenigd Koninkrijk nu nog deel uitmaakt van de Europese Unie en de toetsing in het kader van de OLW ex nunc is. Anderzijds omdat de rechten in het Handvest gelijk zijn aan de rechten in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het Verenigd Koninkrijk partij blijft bij het laatstgenoemde verdrag.
Oordeel van de rechtbank
Zowel het Ierse Supreme Court (zaak C-191/18) als nadien het Ierse High Court (zaak C-327/18 PPU) heeft prejudiciële vragen gesteld over de mogelijke gevolgen van de Brexit voor de vervolgingsoverlevering aan het Verenigd Koninkrijk. De antwoorden op deze vragen zijn mogelijk van belang voor de afdoening van deze zaak.
De rechtbank zal daarom de beantwoording van de door het Ierse High Court gestelde prejudiciële vragen, die in de zogenoemde spoedprocedure zal plaatsvinden, afwachten.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen.
7. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de beantwoording door het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie van de door het Ierse High Court gestelde prejudiciële vragen in de zaak C-327/18 PPU af te wachten.
VERSTAAT dat de beslistermijnen met ingang van 14 juni 2017 zijn opgeschort.BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de opgeëiste persoon.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Engelse taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.G. Fels, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juni 2018.