HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257 (22/00317): vernietiging beslissing en terugwijzing.
HR, 01-07-2025, nr. 24/02905 Bv
ECLI:NL:HR:2025:1030
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2025
- Zaaknummer
24/02905 Bv
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1030, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:549
ECLI:NL:PHR:2025:549, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1030
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑10‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0232
NJ 2025/261 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag ex art. 552a Sv van advocaten tegen kennisneming en gebruik van geheimhoudersgegevens (correspondentie tussen klagers en cliënt) die na vordering van OvJ zijn verstrekt door bedrijf en verzoek tot vernietiging daarvan i.v.m. verschoningsrecht. 1. Waarborgen rondom uitgrijzen van geheimhoudersgegevens. Kon Rb oordelen dat uitgrijzen van geheimhoudersgegevens in deze zaak niet gelijkgesteld kan worden aan vernietigen daarvan? 2. Voorwaardelijk middel kan buiten bespreking blijven. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:1257, HR:2024:375 en HR:2025:578 over vernietiging van geheimhoudersgegevens. Aan oordeel van Rb dat uitgrijzen van geheimhoudersgegevens in deze zaak niet gelijkgesteld kan worden aan vernietigen daarvan heeft zij ten grondslag gelegd dat deze gegevens zich nog in onderzoeksdossier bevinden, dat beveiliging tegen kennisneming daarvan (uitgrijzen) ongedaan kan worden gemaakt en dat waarborgen die OvJ heeft genoemd dat niet anders maken. Oordeel van Rb is niet toereikend gemotiveerd. In het licht van waarborgen beschreven in memo van FIOD, die o.m. inhouden dat (i) gebruik wordt gemaakt van digitale profielen waardoor leden van onderzoeksteam uitgegrijsde gegevens niet kunnen ontgrijzen, (ii) handelingen m.b.t. uitgrijzen en ontgrijzen worden geverbaliseerd en (iii) ontgrijzen alleen plaatsvindt na onherroepelijk oordeel van (geheimhouders)OvJ of (als bevel tot vernietiging a.b.i. art. 126aa.2 Sv is gegeven) van rechter en na aanvullende toestemming van FIOD directeur opsporing, behoeft nadere motivering waarom niet is voldaan aan vereisten dat uitgegrijsde gegevens niet meer kenbaar zijn en dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van processtukken en dat daarop in verder verloop van strafproces geen acht wordt geslagen. Dat wordt niet anders doordat Rb heeft overwogen dat ontgrijzen automatisch gebeurt als containerbestand wordt losgekoppeld en opnieuw wordt ingeladen in andere onderzoeksomgeving, nu Rb geen vaststellingen heeft gedaan over vraag welke (al dan niet bij opsporingsonderzoek betrokken) personen deze handelingen kunnen verrichten. HR neemt in aanmerking dat OvJ bij behandeling in raadkamer (in reactie op opmerking van klager dat bij maken van kopie alle uitgegrijsde stukken weer zichtbaar worden) heeft gesteld dat rechercheurs niet uit Forensic Toolkit kunnen kopiëren en dat alleen digitale medewerker geheimhouding uitgegrijsde gegevens weer toegankelijk kan maken. Ad 2. Tweede middel is voorgesteld onder voorwaarde dat HR bij beoordeling van eerste middel geen acht slaat op memo van FIOD. Nu voorwaarde niet is vervuld, kan tweede middel buiten bespreking blijven. Volgt vernietiging en terugwijzing. Vervolg op HR:2022:1257.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02905 Bv
Datum 1 juli 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2024, nummers RK 22/022309 en RK 22/022310, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager 1]
en
[klager 2] ,
hierna: de klagers.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Nadien heeft het openbaar ministerie een nadere schriftelijke toelichting gegeven op deze schriftuur.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De klagers en de raadsman van de klagers, J.P.T.G. van den Uithoorn, hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Procesverloop in feitelijke aanleg en beschikking van de rechtbank
2.1
Het beklag van de klagers richt zich tegen de kennisneming en het gebruik van gegevens, namelijk correspondentie tussen de klagers in hun hoedanigheid als advocaat en de verdachte [verdachte] (opgenomen in het ‘dossier [...] ’). Deze gegevens zijn na vordering van de officier van justitie verstrekt door [A] B.V. Verder houdt het klaagschrift het verzoek in dat die gegevens worden vernietigd. Aan het beklag ligt ten grondslag dat de correspondentie valt onder het verschoningsrecht van de klagers.
2.2
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 23 november 2023 houdt onder meer in:
“De voorzitter vraagt aan de officieren van justitie of het klopt dat uitgegrijsde stukken weer toegankelijk kunnen worden gemaakt.
De [Officier van Justitie] antwoordt:
dat klopt. Uitgegrijsde stukken kunnen worden ontgrijsd. De verbalisanten die aan het opsporingsonderzoek zijn verbonden kunnen uitgegrijsde stukken niet ontgrijzen, maar alleen verbalisanten met een speciale autorisatie en die zijn niet aan het opsporingsonderzoek verbonden. Inmiddels zijn de regels intern nog verder aangescherpt. Het is een nieuw beleid waaraan het Openbaar Ministerie zich dient te houden. Er is nu een onherroepelijk rechterlijk oordeel nodig voordat gegevens kunnen worden ontgrijsd. Niet staat ter discussie dat het dossier [...] om geheimhoudersstukken gaat. Wij zijn uitgegaan van de mededeling van de verschoningsgerechtigden.
De voorzitter vraagt aan de officieren van justitie hoe het feitelijk in zijn werk gaat als er door de rechtbank toestemming wordt gegeven om bepaalde stukken te ontgrijzen.
De [Officier van Justitie] antwoordt:
de rechtbank zal de opdracht aan een officier van justitie geven dat te bewerkstelligen. De officier van justitie zal dan een medewerker geheimhouder opdracht geven de stukken te ontgrijzen. Ontgrijzen is niet makkelijk. Alleen medewerkers van de politie met een speciaal profiel kunnen gegevens ontgrijzen.
(...)
De voorzitter vraagt aan de officieren van justitie welke waarborgen er zijn bij het ontgrijzen van gegevens.
De [Officier van Justitie] antwoordt:
de waarborgen zitten in de autorisatie die nodig is om stukken te ontgrijzen. Daarnaast moet een medewerker geheimhouder indien hij een opdracht krijgt om stukken te ontgrijzen dit ook verbaliseren.
(...)
De [Officier van Justitie] voert het woord in toelichting en aanvulling op het schriftelijke standpunt overeenkomstig de door haar overgelegde notities, die aan dit proces-verbaal zijn gehecht en daarvan deel uitmaken (Bijlage I).
(...)
Mr. [klager 2] deelt mee:
je kan allerlei waarborgen op het systeem zetten om het ontgrijzen moeilijk te maken, maar bij het maken van een kopie worden alle uitgegrijsde stukken weer zichtbaar en als iedereen een kopie kan maken, dan zijn de waarborgen weinig waard.
De [Officier van Justitie] antwoordt:
rechercheurs kunnen geen kopie maken. Ze kunnen niet kopiëren uit FTK (de Hoge Raad begrijpt: Forensic Toolkit). Dat is technisch niet mogelijk. Alleen een digitale medewerker geheimhouding kan uitgegrijsde stukken weer toegankelijk maken.”
2.3
De onder 2.2 bedoelde schriftelijke notities van de officier van justitie houden onder meer in:
“De waarborgen omtrent het ontoegankelijk maken van gegevens zijn beschreven in het memo van de FIOD van 26 januari 2023, opgesteld met het oog op de eerdere raadkamer van 30 januari 2023, namelijk:
1. Het feit dat er door de FIOD tijdens het onderzoek gewerkt wordt met digitale profielen met beperking van rechten;
2. Door te werken met logging;
3. Het verbaliseren van handelingen die betrekking hebben op ontgrijzen en uitgrijzen;
4. Doordat ontgrijzen alleen maar kan na een voorafgaand oordeel van een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris). Inmiddels heeft het OM naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 2 mei 2023, de mogelijkheid tot ontgrijzen verder aangescherpt, in die zin dat dit alleen nog mogelijk is na een onherroepelijk 5. rechterlijk oordeel.
Door het voorschrijven van aanvullende toestemming van de FIOD directeur opsporing.”
2.4
De in de schriftelijke notities van de officier van justitie bedoelde memo van de FIOD van 26 januari 2023 bevindt zich bij de stukken en houdt in:
“Inhoudsindicatie
Deze memo geeft uitleg over waarborgen:
1. dat personen die bij opsporingsonderzoek [...] zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot ‘uitgegrijsde’ gegevens;
2. wie, op welke wijze en onder welke omstandigheden eenmaal uitgegrijsde gegevens opnieuw toegankelijk kunnen maken (zgn ‘ontgrijzing’).
Kortweg kan de FIOD de volgende waarborgen noemen, namelijk:
a. door gebruik te maken van digitale profielen met beperking van rechten zodat een Rechercheur gegevens kan uitgrijzen en een Medewerker Geheimhouder enkel ter ondersteuning van een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris) uitgegrijsde gegevens kan lezen alsmede gegevens kan uitgrijzen en ontgrijzen;
b. door het loggen van handelingen waaruit volgt wie wanneer zichzelf toegang heeft verleend tot een digitaal bestand;
c. door verbaliseren van handelingen die betrekking hebben op ontgrijzen en uitgrijzen;
d. door alleen via een voorafgaand oordeel van een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris) gegevens te ontgrijzen.
e. door het voorschrijven van aanvullende toestemming van de FIOD directeur opsporing ter uitvoering van het oordeel van een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris) om gegevens te ontgrijzen.
Een toelichting op de genoemde waarborgen volgt hieronder.
Ad A. Digitale profielen
Alvorens in te gaan op de digitale profielen met verleende rechten is het goed te benoemen dat er twee verschillende functiegroepen betrokken zijn bij ‘uitgrijzen’ en ‘ontgrijzen’ van mogelijk verschoningsrechtelijk materiaal.
Allereerst is dit de functiegroep ‘Rechercheur’ die deel uit maakt van een onderzoeksteam dat een bepaald strafrechtelijk onderzoek verricht. Deze functiegroep verricht een bepaald strafrechtelijk onderzoek en houdt zich bezig met het verzamelen van belastend en ontlastend bewijs. Gedurende dit onderzoek kan deze functiegroep stuiten op mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal. Mocht daarvan sprake zijn dan maakt deze functiegroep het aangetroffen materiaal ontoegankelijk door de gegevens als ‘privileged’ te labelen (uitgrijzen).
Daarnaast bestaat de functiegroep ‘Medewerker Geheimhouders’. Dit zijn aangewezen FIOD medewerkers die worden gekoppeld aan een strafrechtelijk onderzoek en geen deel uitmaken van het betreffende onderzoeksteam dat het strafrechtelijk onderzoek verricht. Gedurende het onderzoek kan deze Medewerker Geheimhouder bijstand verlenen aan een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris), nadat deze (geheimhouders)officier van justitie of rechter(-commissaris) hiertoe nadrukkelijk opdracht heeft gegeven. Deze ondersteuning kan zich uiten in een opdracht tot (aanvullend) uitgrijzen van mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal of bijstand verlenen in (steeksproefsgewijs) onderzoek doen aan reeds uitgegrijsd mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal. Bovengenoemde uiteenzetting van werkzaamheden van beide functiegroepen is van belang in relatie tot de bestaande digitale functieprofielen met verleende rechten tot uitgrijzen en ontgrijzen.
Uitgrijzen (alsook ontgrijzen) is een administratieve Role-based access control (RBAC) aangelegenheid. Kortweg is RBAC een methode waarmee gebruikers wel of niet worden geautoriseerd om gegevens te kunnen uitgrijzen en ontgrijzen alsmede of deze ‘uitgegrijsde’ gegevens kunnen worden gelezen binnen een bepaald onderzoek. Dit betekent dat als een digitaal gebruikersprofiel geen toegang geeft tot uitgegrijsde gegevens, de medewerker met dit digitale gebruikersprofiel deze gegevens niet kan raadplegen.
Verder is van belang te weten dat doorgaans alle veiliggestelde data in een strafrechtelijk onderzoek wordt ingeladen in Ad Lab (alias Forensic Toolkit, FTK) of Hansken om deze data te kunnen doorzoeken. Onderhavige memo beperkt zich tot de waarborgen binnen het softwarepakket Ad Lab nu dit softwarepakket is gehanteerd binnen het onderzoek Martinique alsmede dat dit softwarepakket op grote schaal binnen de FIOD wordt gebruikt.
Binnen Ad Lab worden twee verschillende digitale profielen met (beperkte) rechten binnen een bepaald strafrechtelijk onderzoek verleend, namelijk
a. een digitaal profiel Rechercheur welk in een bepaald onderzoek wordt gekoppeld aan een Rechercheur van het betreffende onderzoeksteam, of
b. een digitaal profiel Medewerker Geheimhouders, welk in een bepaald onderzoek wordt gekoppeld aan een Medewerker Geheimhouder.
Team Functioneel beheer (die zorgt voor de functioneel, technische inrichting binnen de FIOD) verleent bovengenoemde digitale profielen aan FIOD medewerkers op verzoek van een projectleider binnen een betreffend onderzoek. Alleen FIOD-medewerkers die een digitaal profiel is toegekend in een bepaald onderzoek hebben toegang tot de onderzoeksgegevens van dat onderzoek.
Ad a. Digitaal profiel Rechercheur
Dit profiel geeft beschikking over de navolgende rechten in Ad Lab binnen een bepaald strafrechtelijk onderzoek waartoe de gebruiker als deelnemer van het onderzoeksteam is verbonden:
- toegang tot de ingeladen data;
- autorisatie om de ingeladen data te doorzoeken en daarbij te labelen op (belastend of ontlastend) bewijs;
- autorisatie om ingeladen data die mogelijk wordt geraakt door verschoningsrecht te labelen als ‘privileged’ (zgn ‘uitgrijzen’), waardoor deze gegevens per direct ontoegankelijk zijn voor alle leden binnen het onderzoeksteam.
Ad b. Digitaal profiel Medewerker Geheimhouders
Dit profiel geeft beschikking over de navolgende rechten (in aanvulling op het bestaande profiel digitale profiel Rechercheur) binnen Ad Lab om ondersteuning te kunnen verlenen aan een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(- commissaris):
- autorisatie tot lezen van ontoegankelijk gemaakte (uitgegrijsde) gegevens;
- autorisatie om ontoegankelijk gemaakte (uitgegrijsde) data weer toegankelijk te maken (zgn ‘ontgrijzing’).
Ad B. Logbestanden
Ad Lab is voorzien van logbestanden. Deze logbestanden kunnen worden gebruikt om gebeurtenissen van processen bij te houden. Tot op heden staan deze mogelijkheden van het loggen van handelingen uit. Het bijhouden van deze logbestanden kan de prestaties van Ad Lab op nadelige wijze beïnvloeden. Uiteraard is de FIOD bereid te onderzoeken of beschikbare logbestanden kunnen worden aangezet om op deze wijze de waarborgen bij het uitgrijzen en ontgrijzen te vergroten.
Ad C. Verbaliseren
Binnen de FIOD wordt aangestuurd op vastlegging van verrichte handelingen tot uitgrijzen en ontgrijzen in een proces-verbaal.
In het onderzoek Martinique zijn handelingen van uitgrijzen uitgevoerd door een Medewerker Geheimhouder. Binnen dit onderzoek heeft ook een (niet bij onderzoeksteam betrokken) Medewerker van DIGI digitale ondersteuning aan de Medewerker Geheimhouder verleend. Van deze werkzaamheden zijn processen-verbaal opgemaakt.
Ad D. Oordeel (geheimhouders)officier van justitie of rechter(commissaris) bij ontgrijzen
In een eerder gewezen vonnis overwoog de voorzieningenrechter dat ‘uitgegrijsde’ gegevens niet meer kenbaar mochten worden gemaakt zonder voorafgaand en onherroepelijk rechterlijk oordeel (ECLI:NL:RBOBR:2022:1035). Hierop heeft de FIOD samen met het FP (de Hoge Raad begrijpt: functioneel parket) een Voorlopig Beleid Uitspraak Kort Geding Verschoningsrecht opgesteld, dat nog steeds van kracht is. Wel heeft het OM hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak; de zitting moet nog plaatsvinden.
Onderdeel van dit Voorlopig Beleid is dat de FIOD uitgegrijsde (digitale) gegevens waartoe door een (geheimhouders)officier van justitie een bevel tot vernietiging is gegeven zoals bedoeld in art. 126aa (en/of artikel 4 lid 2 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken) enkel is toegestaan te ontgrijzen na een voorafgaand onherroepelijk oordeel van een rechter(-commissaris). In situaties waarin geen bevel tot vernietiging als bedoeld in art. 126aa lid 2 Sv is gegeven, maar waarin wel (digitale) gegevens zijn uitgegrijsd (of anderszins ontoegankelijk zijn gemaakt) kan ontgrijzen daarvan slechts plaatsvinden in opdracht van een (geheimhouder)officier van justitie.
Ad E. Toestemming Directeur Opsporing FIOD bij ontgrijzen
Uit het eerder genoemde Voorlopig Beleid Uitspraak Kort Geding Verschoningsrecht volgt dat zodra sprake is van een oordeel van een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris) dat ontoegankelijk gemaakte (uitgegrijsde) gegevens weer toegankelijk moeten worden gemaakt ook aanvullende toestemming moet komen van de Directeur Opsporing FIOD. Onder verwijzing naar dat oordeel kan een projectleider een aanvraag voor het ontgrijzen (kenbaar maken) van bepaalde gegevens per mail indienen bij de Directeur Opsporing.
Na ontvangst van een oordeel van een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris) en aanvullende toestemming van de Directeur Opsporing FIOD kan een Medewerker Geheimhouder verzochte ontoegankelijk gemaakte (uitgegrijsde) gegevens weer kenbaar maken voor het onderzoeksteam.
Tot slot
De omgang met gegevens die mogelijk onder het verschoningsrecht vallen heeft in de loop der tijd een ontwikkeling doorgemaakt. Zo was vanaf 2014 de Handleiding ‘Verwerking Geheimhoudersinformatie Aangetroffen In Inbeslaggenomen Voorwerpen En In Digitale Bestanden’ zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg van rechercheofficieren in de kern leidend, maar beïnvloed en ingehaald door ontwikkelingen in de jurisprudentie.
Voor wat betreft het onderzoek Martinique is van belang te berichten dat in die periode van onderzoek de rechercheur ten aanzien van aangetroffen mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal aan de medewerker geheimhouders vroeg dit materiaal uit te grijzen door deze te labelen als ‘privileged’.
Bovendien is van belang te berichten dat de in deze notitie beschreven onderdelen met betrekking tot de mogelijkheid van ontgrijzen (onder D en E) geldt sinds april 2022 vanwege de uitspraak in het kort geding op 22 maart 2022.”
2.5
De rechtbank heeft het beklag van de klagers gegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank van 15 maart 2024 houdt onder meer in:
“Beoordeling
(...)
Niet in geding is dat het dossier [...] ziet op geheimhoudersstukken. Dat betekent dat die stukken moeten worden vernietigd zodat is verzekerd dat zij geen deel meer uitmaken van het onderzoeksdossier en daarop geen acht meer kan worden geslagen.
Kort gezegd stelt de officier van justitie dat met uitgrijzen van dossier [...] is voldaan aan vernietigen in de hiervoor bedoelde zin. Klagers stellen zich op het standpunt dat dat niet het geval is en dat dossier [...] dus alsnog daadwerkelijk moet worden vernietigd.
Voor het oordeel daarover is mede relevant dat uit artikel 5 van het Besluit bewaren en vernietigen van niet-gevoegde stukken, volgt dat als gegevens zijn opgeslagen op een gegevensdrager ook van vernietiging sprake is als door bewerking van de digitale voorziening die gegevens niet meer kenbaar zijn.
Uit de beantwoording van de vragen door [betrokkene 1] van het NFI begrijpt de rechtbank dat uitgrijzen inhoudt dat, via functies om specifieke sporen in de index te markeren, die sporen in de index niet meer gevonden kunnen worden. De sporen uit de brondata worden daarmee niet verwijderd. De sporen die leiden naar dossier [...] zijn op deze manier uitgegrijsd in de index, zodat het dossier niet meer gevonden kan worden. De rechtbank begrijpt daaruit dat de inhoud van dossier [...] zich nog wel in het bestand bevindt. Het is technisch mogelijk dat de uitgrijzing in de index weer ongedaan wordt gemaakt, het zogenaamde ontgrijzen. Dit gebeurt al automatisch als het containerbestand wordt losgekoppeld en opnieuw wordt ingeladen in een andere onderzoeksomgeving, zo blijkt ook uit de beantwoording van de vragen.
De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat uitgrijzen niet gelijk gesteld kan worden aan vernietigen of onkenbaar maken. Het is immers niet zo dat de onder het verschoningsrecht vallende gegevens geen deel meer uitmaken van het onderzoeksdossier en niet meer kunnen worden ingezien. Zij bevinden zich nog wel in het onderzoeksdossier en de beveiliging die tegen kennisneming daarvan in de index is aangebracht – het uitgrijzen – kan ongedaan worden gemaakt. De waarborgen die door de officier van justitie zijn genoemd, die moeten bewerkstelligen dat daarvan toch geen kennis wordt genomen, kort gezegd ontgrijzen alleen nog met toestemming van de rechter-commissaris, ontgrijzen alleen met een speciale autorisatie, login (de Hoge Raad begrijpt: loggen) gebruik waarmee achteraf kan worden nagegaan of is ontgrijsd en ingezien, maakt dat niet anders. Daarmee komt uitgrijzen niet op één lijn met vernietigen of onkenbaar maken.
Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en de officieren van justitie er zorg voor moeten dragen dat het dossier [...] alsnog wordt vernietigd in de zin dat de inhoud niet meer kenbaar is, geen deel meer uitmaakt van het onderzoeksdossier en daarop geen acht meer kan worden geslagen. Daarbij wijst de rechtbank er op dat het NFI daartoe technische mogelijkheden aangeeft.”
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de gegrondverklaring van het beklag en in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat het uitgrijzen van geheimhoudersgegevens in deze zaak niet gelijkgesteld kan worden aan het vernietigen daarvan.
3.2.1
Van vernietiging van geheimhoudersgegevens is ook sprake als die gegevens niet meer kenbaar zijn door bewerking van de gegevensdrager of de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, waarbij de gekozen werkwijze zo moet zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.
3.2.2
Om in een voorkomend geval rechterlijke controle mogelijk te maken op de manier van vernietiging in het licht van het onder 3.2.1 vermelde vereiste, moet van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag worden gedaan in een proces-verbaal. In het bijzonder moet in het proces-verbaal inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens.
3.2.3.
Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of is voldaan aan het onder 3.2.1 bedoelde vereiste dat de gegevens niet meer kenbaar zijn, bijvoorbeeld door middel van een geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht. (Vgl. HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257, HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.7.2 en HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rechtsoverwegingen 3.4.1-3.4.3.)
3.3
Aan het oordeel van de rechtbank dat het uitgrijzen van de geheimhoudersgegevens in deze zaak niet gelijkgesteld kan worden aan het vernietigen daarvan heeft zij in de kern ten grondslag gelegd dat deze gegevens zich nog in het onderzoeksdossier bevinden, dat de beveiliging die tegen kennisneming daarvan is aangebracht – het uitgrijzen – ongedaan kan worden gemaakt en dat de waarborgen die de officier van justitie heeft genoemd dat niet anders maken.
3.4.1
Het oordeel van de rechtbank is niet toereikend gemotiveerd. In het licht van de waarborgen die zijn beschreven in de onder 2.4 weergegeven memo van de FIOD, die onder meer – kort gezegd – inhouden dat (i) gebruik wordt gemaakt van digitale profielen waardoor leden van het onderzoeksteam uitgegrijsde gegevens niet kunnen ontgrijzen, (ii) handelingen die betrekking hebben op uitgrijzen en ontgrijzen worden geverbaliseerd en (iii) het ontgrijzen alleen plaatsvindt na een onherroepelijk oordeel van een (geheimhouders)officier van justitie of – als een bevel tot vernietiging als bedoeld in artikel 126aa lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is gegeven – van een rechter en na aanvullende toestemming van de FIOD directeur opsporing, behoeft immers nadere motivering waarom niet is voldaan aan de onder 3.2.1 genoemde vereisten dat de uitgegrijsde gegevens niet meer kenbaar zijn en dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.
3.4.2
Dat wordt niet anders doordat de rechtbank heeft overwogen dat ontgrijzen automatisch gebeurt als het containerbestand wordt losgekoppeld en opnieuw wordt ingeladen in een andere onderzoeksomgeving, nu de rechtbank geen vaststellingen heeft gedaan over de vraag welke (al dan niet bij het opsporingsonderzoek betrokken) personen deze handelingen kunnen verrichten. Hierbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer van 23 november 2023 – in reactie op de opmerking van één van de klagers dat bij het maken van een kopie alle uitgegrijsde stukken weer zichtbaar worden – heeft gesteld dat de rechercheurs niet uit Forensic Toolkit kunnen kopiëren en dat alleen een digitale medewerker geheimhouding uitgegrijsde gegevens weer toegankelijk kan maken.
3.5
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel is, zo volgt uit de nadere toelichting op de schriftuur, voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad bij de beoordeling van het eerste cassatiemiddel geen acht slaat op de inhoud van de onder 2.4 weergegeven memo van de FIOD. Nu die voorwaarde niet is vervuld, kan het tweede cassatiemiddel buiten bespreking blijven.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex art. 552a.1 en art. 552a.2 Sv na door derde op vordering verstrekte gegevens, waarvan deel onder verschoningsrecht advocaten valt. Vervolg op ECLI:NL:HR:2022:1257. Heeft uitgrijzen op zodanige wijze plaatsgevonden dat gegevens ‘vernietigd’ dan wel ‘niet meer kenbaar’ zijn in de zin van art. 126aa.2 Sv jo. art. 5.1 en 5.2 Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken? Is procedure van ontgrijzen met voldoende waarborgen omkleed? Oordeel dat uitgrijzen uitsluitend is toegestaan als ontgrijzen niet meer mogelijk is, getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Oordeel dat door OM genoemde waarborgen onvoldoende zijn, is ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02905 Bv
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager 1] en [klager 2] ,
hierna: de klagers.
Inleiding
1.1
De rechtbank Rotterdam heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad1.– bij beschikking van 15 maart 2024 het beklag van de klagers gegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door [naam 1] , officier van justitie bij het functioneel parket. Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij brief van 11 februari 2025 heeft de advocaat-generaal het tweede middel ingetrokken, zodat ik dat middel onbesproken laat.
De procesgang
2.1
In deze zaak heeft zich blijkens de gedingstukken het volgende voorgedaan.
2.2
Het openbaar ministerie heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte [verdachte] , een belastingadviseur, een vordering ex art. 126ng/126ug2.gericht aan [A] B.V. (hierna: [A] ) te [plaats] . De gevorderde gegevens zijn door [A] uitgeleverd en door de FIOD aan de rechter-commissaris overgedragen. Na een ‘schoning’ van de aangeleverde dataset zijn de resterende gegevens aan de FIOD vrijgegeven.
2.3
Toen het de verdachte [verdachte] bekend werd dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld, heeft hij de rechtsbijstand van twee advocaten ingeroepen. Deze advocaten zijn de klagers in onderhavige zaak en zij stellen dat zich tussen de aan de FIOD vrijgegeven gegevens correspondentie bevindt die onder hun verschoningsrecht valt. Het gaat daarbij in het bijzonder om een dossier genaamd [naam 2] . Het beklag richt zich tegen het gebruik van de in dit dossier opgeslagen gegevens en strekt verder tot de vernietiging daarvan.
2.4
De rechtbank heeft de klagers bij beschikking van 8 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. Zij heeft daartoe geoordeeld dat de klagers geen belang hebben bij het beklag, omdat de betreffende gegevens reeds zijn vernietigd doordat deze zijn ‘uitgegrijsd’. Met dit uitgrijzen zijn de gegevens naar het oordeel van de rechtbank ontoegankelijk gemaakt voor de opsporing. “Dat technische mogelijkheden bestaan om ‘gegrijsde’ informatie opnieuw toegankelijk te maken, leidt niet tot de conclusie dat daarmee geen sprake zou zijn van vernietiging (…)”, aldus de rechtbank.
2.5
Tegen deze beschikking is op 22 juli 2021 cassatie ingesteld. Daarbij werd geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de betreffende gegevens reeds zijn vernietigd in de zin van art. 126aa lid 2 Sv. De Hoge Raad heeft op 5 juli 2022 geoordeeld dat deze klacht gegrond is en daartoe het volgende overwogen:
“2.4.1
Met het voorschrift van artikel 126aa lid 2 Sv is beoogd het belang te beschermen dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan - onder anderen - de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, een advocaat te raadplegen. Het voorschrift strekt ertoe dat gegevens die als gevolg van de toepassing van de bevoegdheden genoemd in artikel 126aa lid 1 Sv zijn verkregen, onmiddellijk worden vernietigd indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Uit artikel 126aa lid 2 Sv vloeit derhalve voort dat gegevens als in die bepaling bedoeld niet in het strafproces kunnen worden gebruikt (vgl. onder meer HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5632 en HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2678).
2.4.2
Uit artikel 5 leden 1 en 2 van het Besluit [bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken] volgt verder dat, als gegevens zijn opgeslagen op een (afzonderlijke) gegevensdrager of ander voorwerp, ook van de vernietiging van die gegevens sprake is als die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’. Hoewel in die artikelleden wordt gesproken over de bewerking van de ‘gegevensdrager’ of het ‘voorwerp’, is gelet op de strekking van deze voorschriften niet uitgesloten dat ook door de bewerking van de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, kan worden bereikt dat die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’ in de zin van die artikelleden. De wijze waarop dit wordt vormgegeven, moet beantwoorden aan het hiervoor onder 2.4.1 omschreven doel van artikel 126aa Sv.
2.5.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gegevens waarop het klaagschrift betrekking heeft ontoegankelijk zijn gemaakt “voor de opsporing” door het privilegiëren ofwel ‘uitgrijzen’ van die gegevens. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat die gegevens “niet meer kenbaar zijn” in de zin van artikel 5 leden 1 en 2 van het Besluit.
2.5.2
Het in die overwegingen besloten liggende oordeel dat met het privilegiëren ofwel het ‘uitgrijzen’ van de gegevens zoals dat in deze zaak heeft plaatsgevonden is verzekerd dat de gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht kan worden geslagen, is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat de rechtbank weliswaar heeft vastgesteld dat de gegevens ontoegankelijk zijn gemaakt “voor de opsporing” maar geen vaststellingen heeft gedaan over de wijze waarop is gewaarborgd dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de ‘uitgegrijsde’ gegevens. In dat verband is van belang dat de rechtbank er wel van uitgaat dat er “technisch mogelijkheden bestaan om eenmaal ‘gegrijsde’ informatie opnieuw toegankelijk te maken”, maar dat uit haar vaststellingen niet blijkt voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.”
2.6
Vervolgens heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank van 8 juli 2021 vernietigd en de zaak teruggewezen.
2.7
De rechtbank heeft het klaagschrift op 30 januari 2023 opnieuw in raadkamer behandeld. Ten behoeve van die raadkamer heeft het openbaar ministerie op 26 januari 2023 een memo verstrekt waarin de FIOD heeft uiteengezet met welke waarborgen de procedure van het uit- en ontgrijzen is omkleed. Die waarborgen komen erop neer dat:
i) gebruik wordt gemaakt van verschillende digitale profielen met beperking van rechten, waarbij een rechercheur die deel uitmaakt van een onderzoeksteam – anders dan een medewerker geheimhouder – uitgegrijsde gegevens niet kan raadplegen en ook niet geautoriseerd wordt om gegevens te kunnen ontgrijzen,3.
ii) logbestanden kunnen worden gebruikt om de in het systeem verrichte handelingen bij te houden, welke functie tot op heden weliswaar uit heeft gestaan,
iii) binnen de FIOD wordt aangestuurd op vastlegging van verrichte handelingen tot uit- en ontgrijzen in een proces-verbaal, hetgeen in de onderhavige zaak (deels) heeft plaatsgevonden,4.
iv) ontgrijzen, afhankelijk van de titel van het uitgrijzen, alleen is toegestaan na een voorafgaand onherroepelijk oordeel van een rechter(-commissaris) of de (geheimhouder)officier van justitie5.en
v) voor ontgrijzing aanvullende toestemming moet worden verleend door de Directeur Opsporing FIOD.
2.8
Een proces-verbaal van de raadkamer van 30 januari 2023 bevindt zich niet bij de stukken.6.Bij de stukken bevindt zich wel een tussenbeslissing van de rechtbank van 17 maart 2023, waarin de standpunten van de klagers en het openbaar ministerie als volgt zijn weergegeven:
“Standpunt klagers
De klagers verzoeken primair het verschoningsgerechtigde materiaal te vernietigen. Zij verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2022. Hieruit volgt dat zal moeten worden onderbouwd en zal moeten worden verantwoord “voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens opnieuw toegankelijk kunnen worden”. Dit blijkt volgens klagers niet (voldoende) uit de door de FIOD opgemaakte memo. Het gegeven dat door het Openbaar Ministerie opdracht is gegeven aan de FIOD om de waarborgen van het uitgrijzen en ontgrijzen te beschrijven, kan worden gezien als een bedreiging van het verschoningsrecht omdat alle verschoningsgerechtigde stukken hierdoor bij de FIOD zijn ondergebracht. Daarnaast kan hieruit worden opgemaakt dat het Openbaar Ministerie niet zelf de waarborgen heeft gedicteerd aan de FIOD en zelf heeft waargenomen of die waarborgen volledig worden nageleefd. Ook is de memo niet ondertekend en niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Kortom, de werkwijze zoals omschreven in de memo biedt geenszins de waarborgen die op grond van het kader van de Hoge Raad en het EHRM worden verlangd. Gelet op het vorengaande dient volgens de klagers het Openbaar Ministerie een proces-verbaal op te maken met daarin de bevindingen over de verschoningsgerechtigde stukken.
Pv met waarborgen dat bij opsporing betrokken ambtenaren op geen enkele wijze toegang krijgen en technische voorziening moet zo zijn dat kan worden nagegaan hoe en wat. Beide lijkt niet te zijn gedaan.
Tevens dient op ambtseed vastgelegd te worden dat alle verschoningsgerechtigde stukken onomkeerbaar zijn vernietigd, dan wel dat deze bestanden op een usb-stick staan die in een kluis ligt, waar alleen de rechter-commissaris of de officier van justitie toegang toe heeft. Mocht er ooit discussie ontstaan dan kan de rechter-commissaris over het ontgrijzen beslissen en daarover de belanghebbende horen.
Standpunt officieren van justitie
De officieren stellen zich op het standpunt dat de strekking van voornoemd arrest was dat duidelijkheid moest worden verschaft over de waarborgen omtrent het uitgrijzen en ontgrijzen. Gelet hierop heeft het Openbaar Ministerie de FIOD gevraagd dit uiteen te zetten in een memo. Als extra waarborg heeft het Openbaar Ministerie in de werkwijze opgenomen dat de directeur opsporing van de FIOD aanvullend om toestemming moet worden gevraagd voor het ontgrijzen.
Verder hebben de officieren verklaard dat de wijze van uitgrijzen, zoals dat nu gebeurt, het equivalent is van vernietigen. Alle administratie die in beslag is genomen vormt één groot bestand. Aan dat bestand worden hashwaardes gehangen. Op het moment dat er definitief documenten worden verwijderd dan gaan de hashwaardes schuiven en kan de authenticiteit van het in beslag genomen bestand worden aangetast. Hierdoor is bijvoorbeeld niet meer te herleiden op welke datum een mail is verstuurd en vanaf welk apparaat.
2.9
De rechtbank heeft het onderzoek bij genoemde tussenbeslissing van 17 maart 2023 heropend omdat zij zich onvoldoende ingelicht achtte en daarbij het openbaar ministerie opgedragen om een nadere toelichting te geven.
2.10
Op 21 april 2023 heeft het openbaar ministerie de door de rechtbank verzochte nadere toelichting verstrekt, waarop de klagers bij brief van 19 mei 2023 hebben gereageerd.
2.11
Op 23 november 2023 is het klaagschrift verder in raadkamer behandeld. Blijkens de door hen overgelegde notities hebben de officieren van justitie aldaar onder meer naar voren gebracht dat is nagegaan wat “de onderzoekers” – na de uitgrijzing – “precies zien” in de digitale onderzoeksomgeving van de FIOD (Forensic Toolkit (FTK) AdLab) en dat gebleken is dat zij het dossier [naam 2] in zijn geheel niet kunnen zien. De klagers hebben er op hun beurt onder meer op gewezen dat het openbaar ministerie de beschikking heeft over een USB-stick met een niet versleutelde kopie van de door [A] aangeleverde gegevens, waaronder het dossier [naam 2] , en dat het openbaar ministerie “op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt” dat deze USB-stick buiten het bereik van de opsporingsteams is gebracht. Dat geldt volgens de klagers ook voor de USB-stick met de originele dataset die, na de ontvangst door [A] , door de FIOD aan de rechter-commissaris is overgedragen.
2.12
Het proces-verbaal van die raadkamer houdt verder onder meer het volgende in:
“De voorzitter vraagt aan de officieren van justitie of het klopt dat uitgegrijsde stukken weer toegankelijk kunnen worden gemaakt.
De officier van justitie [naam 1] antwoordt:
dat klopt. Uitgegrijsde stukken kunnen worden ontgrijsd. De verbalisanten die aan het opsporingsonderzoek zijn verbonden kunnen uitgegrijsde stukken niet ontgrijzen, maar alleen verbalisanten met een speciale autorisatie en die zijn niet aan het opsporingsonderzoek verbonden. Inmiddels zijn de regels intern nog verder aangescherpt. Het is een nieuw beleid waaraan het Openbaar Ministerie zich dient te houden. Er is nu een onherroepelijk rechterlijk oordeel nodig voordat gegevens kunnen worden ontgrijsd. Niet staat ter discussie dat het dossier [naam 2] om geheimhoudersstukken gaat. Wij zijn uitgegaan van de mededeling van de verschoningsgerechtigden.
(…)
De voorzitter vraagt aan de officieren van justitie welke waarborgen er zijn bij het ontgrijzen van gegevens.
De officier van justitie [naam 1] antwoordt:
de waarborgen zitten in de autorisatie die nodig is om stukken te ontgrijzen. Daarnaast moet een medewerker geheimhouder indien hij een opdracht krijgt om stukken te ontgrijzen dit ook verbaliseren.
(…)
De voorzitter vraagt aan de officieren van justitie waar de twee USB-sticks zich bevinden.
De officier van justitie [naam 1] antwoordt:
de FIOD heeft opgeschreven dat zij één USB-stick naar de rechter-commissaris hebben gebracht. Van die USB-stick moest een kopie worden gemaakt. Ik heb opdracht aan de politie gegeven om van de USB-stick een kopie te maken, maar de rechter-commissaris heeft mij toen gezegd dat er al een kopie is gemaakt. Er waren dus twee USB-sticks met daarop de in beslag genomen bestanden. De FIOD heeft een kopie van de USB-stick en die ligt nu bij de FIOD in de kluis. De rechter-commissaris heeft aan mij aangegeven dat zij de andere USB-stick niet meer kan vinden.
(…)
De oudste rechter vraagt aan de officieren van justitie wie er toegang heeft tot de USB-stick die bij de FIOD in de kluis ligt.
De officier van justitie [naam 1] antwoordt:
ik weet niet precies wie er bij die USB-stick kan. Ik denk niet iedereen. (…)
[klager 2] deelt mee:
je kan allerlei waarborgen op het systeem zetten om het ontgrijzen moeilijk te maken, maar bij het maken van een kopie worden alle uitgegrijsde stukken weer zichtbaar en als iedereen een kopie kan maken, dan zijn de waarborgen weinig waard.
De officier van justitie [naam 1] antwoordt:
rechercheurs kunnen geen kopie maken. Ze kunnen niet kopiëren uit FTK. Dat is technisch niet mogelijk. Alleen een digitale medewerker geheimhouding kan uitgegrijsde stukken weer toegankelijk maken.”
2.13
De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift vervolgens voor onbepaalde tijd aangehouden teneinde het NFI een aantal vragen te laten beantwoorden. De beantwoording van deze vragen, die blijkens de beschikking van de rechtbank van 15 maart 2024 op 17 januari 2024 door de rechtbank werd ontvangen, bevindt zich niet bij de stukken. Bij de stukken bevindt zich wel de op 6 februari 2024 daarop verstrekte reactie van de klagers, waarin onder meer de volgende citaten uit de beantwoording door het NFI zijn opgenomen:
“Moderne onderzoeksomgevingen, ook FTK, bevatten functies om specifieke sporen in de index te markeren, zodat deze niet meer gevonden kunnen worden. Dit heet uitgrijzen. Dat betekent dus niet dat de sporen uit de brondata verwijderd zijn, maar wel dat ze via de onderzoeksomgeving niet meer gevonden kunnen worden.”
"Ja, het 'containerbestand [A] ' bevat alle data, ook die van de uitgegrijsde sporen. De geheimhoudersfiltering (uitgrijzing), de bladwijzers (bookmarks) en de kenmerken van individuele sporen zijn alleen vastgelegd in de index in de onderzoeksomgeving van de FIOD (FTK).”
"Zodra deze index van het containerbestand wordt losgekoppeld, zijn alle in de index vastgelegde gegevens (geheimhoudersfilters, bladwijzers, kenmerken van sporen) niet meer beschikbaar. Als het containerbestand vervolgens opnieuw in FTK of een andere onderzoeksomgeving wordt ingeladen, zijn alle sporen, ook die van 'dossier [naam 2] ', weer toegankelijk.”
2.14
De rechtbank heeft het klaagschrift bij beschikking van 15 maart 2024 gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
“Beoordeling
In de strafrechtelijke onderzoeken Guadalupe en Martinique tegen (onder anderen) [verdachte] , cliënt van klagers, zijn door de officier van justitie, met machtiging van de rechter-commissaris, in een geautomatiseerd werk opgeslagen gegevens in beslag genomen.
Daaronder bevindt zich een dossier met de naam [naam 2] met daarin stukken die vallen onder het verschoningsrecht van klagers (verder: geheimhoudersstukken).
Niet in geding is dat het dossier [naam 2] ziet op geheimhoudersstukken. Dat betekent dat die stukken moeten worden vernietigd zodat is verzekerd dat zij geen deel meer uitmaken van het onderzoeksdossier en daarop geen acht meer kan worden geslagen.
Kort gezegd stelt de officier van justitie dat met uitgrijzen van dossier [naam 2] is voldaan aan vernietigen in de hiervoor bedoelde zin. Klagers stellen zich op het standpunt dat dat niet het geval is en dat dossier [naam 2] dus alsnog daadwerkelijk moet worden vernietigd.
Voor het oordeel daarover is mede relevant dat uit artikel 5 van het Besluit bewaren en vernietigen van niet-gevoegde stukken, volgt dat als gegevens zijn opgeslagen op een gegevensdrager ook van vernietiging sprake is als door bewerking van de digitale voorziening die gegevens niet meer kenbaar zijn.
Uit de beantwoording van de vragen door dr. ir. H.M.A. van Beek van het NFI begrijpt de rechtbank dat uitgrijzen inhoudt dat, via functies om specifieke sporen in de index te markeren, die sporen in de index niet meer gevonden kunnen worden. De sporen uit de brondata worden daarmee niet verwijderd. De sporen die leiden naar dossier [naam 2] zijn op deze manier uitgegrijsd in de index, zodat het dossier niet meer gevonden kan worden. De rechtbank begrijpt daaruit dat de inhoud van dossier [naam 2] zich nog wel in het bestand bevindt. Het is technisch mogelijk dat de uitgrijzing in de index weer ongedaan wordt gemaakt, het zogenaamde ontgrijzen. Dit gebeurt al automatisch als het containerbestand wordt losgekoppeld en opnieuw wordt ingeladen in een andere onderzoeksomgeving, zo blijkt ook uit de beantwoording van de vragen.
De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat uitgrijzen niet gelijk gesteld kan worden aan vernietigen of onkenbaar maken. Het is immers niet zo dat de onder het verschoningsrecht vallende gegevens geen deel meer uitmaken van het onderzoeksdossier en niet meer kunnen worden ingezien. Zij bevinden zich nog wel in het onderzoeksdossier en de beveiliging die tegen kennisneming daarvan in de index is aangebracht – het uitgrijzen – kan ongedaan worden gemaakt. De waarborgen die door de officier van justitie zijn genoemd, die moeten bewerkstelligen dat daarvan toch geen kennis wordt genomen, kort gezegd ontgrijzen alleen nog met toestemming van de rechter-commissaris, ontgrijzen alleen met een speciale autorisatie, login [ik begrijp: loggen, MvW] gebruik waarmee achteraf kan worden nagegaan of is ontgrijsd en ingezien, maakt dat niet anders. Daarmee komt uitgrijzen niet op één lijn met vernietigen of onkenbaar maken.
Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en de officieren van justitie er zorg voor moeten dragen dat het dossier [naam 2] alsnog wordt vernietigd in de zin dat de inhoud niet meer kenbaar is, geen deel meer uitmaakt van het onderzoeksdossier en daarop geen acht meer kan worden geslagen. Daarbij wijst de rechtbank er op dat het NFI daartoe technische mogelijkheden aangeeft.”
Het middel
3.1
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het uitgrijzen van gegevens in de onderhavige zaak niet gelijk kan worden gesteld aan vernietigen als bedoeld in art. 126aa lid 2 Sv en dat de door de officier van justitie genoemde waarborgen dat niet anders maken.
Het juridisch kader
3.2
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
“1 De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over (…) het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt. (…)
2 De belanghebbenden kunnen schriftelijk verzoeken om vernietiging van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt.”
“1 De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc, dan wel door de toepassing van artikel 126ff, voorzover die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken.
2 Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van de artikelen 218 en 218a zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent voorschriften gegeven. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.”
3.3
De in art. 126aa lid 2, tweede volzin, Sv bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (hierna: Besluit).7.Art. 4 lid 1 en lid 2 Besluit luiden als volgt:
“1 De opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc van het Wetboek van Strafvordering, kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een geheimhouder, stelt hiervan de officier van justitie onverwijld in kennis.
2 Indien de officier van justitie vaststelt dat de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, mededelingen zijn als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voorzover zij deze mededelingen behelzen. Het bevel tot vernietiging is schriftelijk. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.”
3.4
Art. 5 lid 1 en lid 2 Besluit luiden als volgt:
“1 Indien het proces-verbaal is opgeslagen op een afzonderlijke gegevensdrager, staat met de vernietiging van het proces-verbaal gelijk het op zodanige wijze bewerken van de gegevensdrager dat de gegevens die daaraan voor die bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn.
2 Met vernietiging van een voorwerp staat gelijk het op zodanige wijze bewerken van een voorwerp dat de gegevens die daaraan voor de bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn.”
3.5
In het onder 2.5 weergegeven arrest van 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad nader invulling gegeven aan het begrip ‘vernietigen’ als bedoeld in art. 126aa lid 2 Sv dan wel ‘niet meer kenbaar zijn’ als bedoeld in art. 5 lid 1 en 2 Besluit. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat, hoewel in art. 5 lid 1 en 2 Besluit wordt gesproken over de bewerking van de ‘gegevensdager’ of het ‘voorwerp’, niet is uitgesloten dat ook door de bewerking van de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, kan worden bereikt dat die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’ in de zin van die artikelleden. De daarbij gekozen werkwijze moet dan zo zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.8.
3.6
In een arrest van 12 maart 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, om de zittingsrechter in staat te stellen te beoordelen of aan voornoemd vereiste is voldaan, een voldoende nauwkeurige verslaglegging in het proces-verbaal van vernietiging als bedoeld in art. 4 lid 2 Besluit aangewezen is.9.In het bijzonder moet in dat proces-verbaal inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, zo vervolgt de Hoge Raad, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of is voldaan aan voornoemd vereiste dat de gegevens niet meer kenbaar zijn, bijvoorbeeld door middel van een geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht.10.
3.7
De Hoge Raad heeft, voortbordurend op zijn hiervoor weergegeven rechtspraak, in zijn recente arrest van 15 april 202511.uiteengezet op welke wijze de beklagrechter een verzoek tot vernietiging als bedoeld in art. 552a lid 2 Sv dient te beoordelen. Hij overwoog in dat verband het volgende:
“3.5.3 Aan het verzoek als bedoeld in artikel 552a lid 2 Sv moeten concreet aangeduide feiten en omstandigheden ten grondslag worden gelegd die erop wijzen dat aan de bevolen vernietiging van de gegevens niet of in onvoldoende mate uitvoering is gegeven. Als aan die stelplicht is voldaan moet de rechter, mede aan de hand van het onder 3.4.2 bedoelde proces-verbaal, beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geheimhoudersgegevens waarvan de vernietiging is bevolen op een zodanige manier zijn vernietigd dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Met het oog op die beoordeling kan de rechter zo nodig nader onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris. Als de rechter oordeelt dat niet voldoende aannemelijk is dat is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste, geeft de rechter op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie een bevel om nadere maatregelen te treffen waarmee is verzekerd dat wel aan dat vereiste is voldaan en daarvan verslag te doen.”
De beoordeling van het middel
3.8
Met de steller van het middel meen ik dat de hiervoor weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad zo moet worden begrepen dat ook door het uitgrijzen van gegevens zou kunnen worden bereikt dat die gegevens niet meer kenbaar zijn in de zin van art. 5 lid 1 en 2 Besluit (en daarmee zijn vernietigd in de zin van art. 126aa lid 2 Sv). Dat kan echter uitsluitend als die uitgrijzing op zodanige wijze is uitgevoerd dat is voldaan aan het onder 3.5 vermelde vereiste dat is verzekerd dat de betreffende gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Daarbij moet zijn gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens, hetgeen moet blijken uit een van de vernietiging opgemaakt proces-verbaal. Daarbij begrijp ik deze rechtspraak zo dat niet is vereist dat ontgrijzen vervolgens onmogelijk moet zijn. Voldoende is dat voor ontgrijzen waarborgen bestaan wat betreft “wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden” gemaakt.
3.9
De rechtbank heeft vastgesteld dat uitgrijzing van het dossier [naam 2] inhoudt dat met behulp van functies van de onderzoeksomgeving FTK specifieke sporen in de index zijn gemarkeerd, waardoor de zich in dit dossier bevindende gegevens via die onderzoeksomgeving niet meer gevonden kunnen worden. De uitgrijzing betreft (aldus) een beveiliging die tegen kennisneming van deze gegevens in de index is aangebracht. De gegevens maken daarmee nog wel deel uit van de brondata waarover de FIOD beschikt. De in de index aangebrachte beveiliging kan bovendien ongedaan gemaakt worden, hetgeen automatisch gebeurt als “het containerbestand” wordt “losgekoppeld” en opnieuw wordt ingeladen in een andere onderzoeksomgeving.
3.10
Op grond van het voorgaande neemt de rechtbank kennelijk als uitgangspunt dat uitgrijzen meebrengt dat personen die bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn, door gebruik te maken van FTK, geen toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. Desondanks heeft de rechtbank geoordeeld dat het uitgrijzen van het dossier [naam 2] niet betekent dat deze gegevens “niet meer kenbaar zijn” in de zin van art. 5 lid 1 en 2 Besluit en dat de waarborgen die door de officieren van justitie zijn genoemd dat niet anders maken. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat de officieren van justitie ervoor moeten zorgdragen dat het dossier [naam 2] geen deel meer uitmaakt van het onderzoeksdossier. Ik begrijp dat de rechtbank hiermee opdracht geeft de gegevens fysiek uit het bestand te verwijderen.12.
3.11
Voor zover de rechtbank hiermee tot uitdrukking heeft gebracht dat uitgrijzen alleen is toegestaan als het ontgrijzen daarvan niet meer mogelijk is, is dit een te beperkte uitleg van het hiervoor onder 3.8 samengevatte juridisch kader, met name van de passage dat moet zijn gewaarborgd dat de relevante personen “op geen enkele wijze” toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. Daarmee geeft het oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.12
Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de voor ontgrijzen getroffen waarborgen onvoldoende zijn, is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de officieren van justitie onder meer naar voren hebben gebracht dat de personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken gebruikmaken van een digitaal profiel dat zo is ingericht dat zij de uitgegrijsde gegevens niet kunnen zien en deze evenmin kunnen ontgrijzen. Dit ontgrijzen is overgelaten aan personen die niet bij het onderzoek betrokken zijn en die alleen handelen op basis van een rechterlijke beslissing en met instemming van de directeur Opsporing van de FIOD, terwijl het ontgrijzen schriftelijk wordt vastgelegd. Waarom deze waarborgen niet voldoende zijn, blijkt uit de beslissing niet.
3.13
Weliswaar heeft de rechtbank overwogen dat het ontgrijzen “al automatisch [gebeurt] als het containerbestand wordt losgekoppeld en opnieuw wordt ingeladen in een andere onderzoeksomgeving”, maar zij heeft geen vaststellingen gedaan over (het gebrek aan) waarborgen die voor die specifieke handeling bestaan. De motivering van de rechtbank schiet daarom ook hier tekort, mede in het licht van de verklaring van de officieren van justitie ter zitting dat rechercheurs, dat wil zeggen de personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken, een dergelijke kopie van het containerbestand niet kunnen maken.
3.14
Voor zover de rechtbank (ook) het oog heeft gehad op de zich in de kluis van de FIOD bevindende USB-stick en heeft geoordeeld dat (ook) in zoverre onvoldoende is gewaarborgd dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang hebben tot de onder het verschoningsrecht vallende gegevens, is haar oordeel evenmin toereikend gemotiveerd. Weliswaar hebben de officieren van justitie ter zitting desgevraagd verklaard niet te weten welke personen toegang hebben tot de USB-stick, maar ook daaromtrent heeft de rechtbank geen nadere vaststellingen gedaan.
3.15
Het middel slaagt.
Afronding
4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025
Deze artikelen zijn geplaatst in Titel IVA (“Bijzondere bevoegdheden tot opsporing”) resp. Titel V (“Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband”).
Deze digitale profielen worden – zo houdt de memo in – door het “Team functioneel beheer (die zorgt voor de functioneel, technische inrichting binnen de FIOD)” verleend aan FIOD medewerkers op verzoek van een projecteider binnen het betreffende onderzoek.
De memo houdt daarover in dat het uitgrijzen is uitgevoerd door een Medewerker Geheimhouder, waarbij “een (niet bij onderzoeksteam betrokken) Medewerker van DIGI digitale ondersteuning [heeft] verleend” en dat “van deze werkzaamheden processen-verbaal [zijn] opgemaakt.” Dat van de vernietiging proces-verbaal moet worden opgemaakt is inmiddels vastgelegd in de op 1 mei 2025 door het openbaar ministerie gepubliceerde Aanwijzing waarborgen professioneel verschoningsrecht (2025A001) (7.1), die op 1 juni 2025 in werking treedt.
Deze bevoegdheid van de officier van justitie is later vervallen, zie hieronder bij 2.12.
Over het ontbreken van dit proces-verbaal wordt niet geklaagd. Voor een ambtshalve beoordeling van dit verzuim zie ik geen aanleiding, omdat het in de onderhavige zaak – anders dan bijvoorbeeld in de zaak die leidde tot HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1248 – naar ik meen niet in de weg staat aan een behoorlijke beoordeling van het middel.
Stb. 1999, 548, voor het laatst gewijzigd door Stb. 2016, 411.
Zie ook HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.7.1 en HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rov. 3.4.1.
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.7.2. In HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rov. 3.4.2. is dat vereiste dwingender geformuleerd: “Om in een voorkomend geval rechterlijke controle mogelijk te maken op de manier van vernietiging in het licht van het onder 3.4.1 vermelde vereiste, moet van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag worden gedaan in een proces-verbaal.”
Zie ook HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rov. 3.4.2 en 3.4.3.
HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578.
De rechtbank verwijst daarbij naar door het NFI geopperde werkwijzen, zonder deze echter nader te omschrijven en zonder uiteen te zetten of deze alternatieven, zowel wat de resultaten als de inspanningen betreft, gelijkwaardig zijn aan de door het openbaar ministerie en de FIOD in deze zaak gehanteerde werkwijze.
Beroepschrift 22‑10‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Raadkamernummers: 22-022309 en 22-022310
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
mr G.J.M.E. de Bont en mr A.B. Vissers
gegrond heeft verklaard.
Rekwirant kan zich met dit oordeel en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom een middel van cassatie en een voorwaardelijk middel van cassatie voor.
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 24 en/of art. 126aa en/of 218 en/of 552a Sv en/of art. 5 Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het oordeel van de Rechtbank dat het ‘uitgrijzen’ van gegevens in het inbeslaggenomen gegevensbestand, welke gegevens vallen onder het verschoningsrecht van klagers, waardoor die gegevens niet langer kenbaar zijn voor de bij het opsporingsonderzoek betrokken personen, in de onderhavige zaak niet gelijk gesteld kan worden aan vernietigen, als bedoeld in art. 126aa lid 2 Sv, en/of aan het op zodanige wijze bewerken van de gegevensdrager dat de gegevens die daaraan voor die bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn, als bedoeld in art. 5 Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, ook niet onder de door de Rechtbank expliciet genoemde waarborgen die door de officier van justitie zijn genoemd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of dat dit oordeel, gelet op hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting
1.
In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris drie machtigingen verleend voor vorderingen tot het verstrekken van in een geautomatiseerd werk opgeslagen gegevens, gericht aan [A] B.V. De officier van justitie heeft de betreffende gegevens bij [A] gevorderd en [A] heeft deze gegevens vervolgens uitgeleverd. Het betreft gegevens die zijn gemaakt en/of opgeslagen bij [A] en afkomstig zijn van of bedoeld zijn voor [verdachte], belastingadviseur, en aan hem gelieerde bedrijven. De vorderingen zijn gedaan in het kader van de strafzaak tegen [verdachte], waarbij het gaat om strafrechtelijke onderzoeken tegen [verdachte] (belastingadviseur), een aantal van zijn klanten en enkele andere belastingadviseurs. De rechter-commissaris heeft — voor zover thans in cassatie van belang — bij beschikking van 3 oktober 2018 in het onderzoek Martinique een machtiging verleend voor het verstrekken van alle gegevens, met name de gegevens welke gekoppeld zijn aan een advocatendossier. De officier van justitie heeft genoemde gegevens op 4 oktober 2018 bij [A] gevorderd en op 15 oktober 2018 heeft de uitlevering van deze gegevens door [A] plaatsgevonden middels overdracht van een gegevensdrager met deze gegevens aan een medewerker van de FIOD. Deze gegevensdrager is vervolgens aan de rechter-commissaris overgedragen. Onder deze uitgeleverde gegevens bevindt zich een digitaal dossier met de naam [naam].
2.
Klagers hebben op 14 december 2021 een klaagschrift ingediend strekkende tot vernietiging van de stukken uit het dossier [naam] en tot een verbod op het gebruik van deze gegevens.
Bij beschikking van 8 juli 2021 heeft de raadkamer van de Rechtbank Rotterdam klagers niet-ontvankelijk verklaard in het beklag, kort gezegd omdat de verschoningsgerechtigde gegevens in dossier [naam] inmiddels ontoegankelijk waren gemaakt voor de opsporing door middel van het privilegiëren, oftewel het uitgrijzen van die gegevens.
3.
Hiertegen is door klagers beroep in cassatie ingesteld. Bij beschikking van 20 september 2022 heeft de Hoge Raad de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank Rotterdam.1.
4.
Nadat op 30 januari 2023 de eerstvolgende behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden, heeft de Rechtbank op 17 maart 2023 bij tussenbeslissing het onderzoek in raadkamer heropend omdat zij zich onvoldoende voorgelicht achtte.
De volgende behandeling in raadkamer vond plaats op 23 november 2023. De Rechtbank heeft de behandeling in raadkamer voor onbepaalde tijd aangehouden en de officier van justitie opdracht gegeven om vragen te laten beantwoorden door het NFI, waarop klagers schriftelijk konden reageren.
5.
Op 15 maart 2024 heeft de Rechtbank de onderhavige beschikking genomen, het beklag van klagers gegrond verklaard en daartoe overwogen:
‘In de strafrechtelijke onderzoeken Guadalupe en Martinique tegen (onder anderen) de heer [verdachte], cliënt van klagers, zijn door de officier van justitie, met machtiging van de rechter-commissaris, in een geautomatiseerd werk opgeslagen gegevens in beslag genomen.
Daaronder bevindt zich een dossier met de naam [naam] met daarin stukken die vallen onder het verschoningsrecht van klagers (verder: geheimhoudersstukken).
Niet in geding is dat het dossier [naam] ziet op geheimhoudersstukken. Dat betekent dat die stukken moeten worden vernietigd zodat is verzekerd dat zij geen deel meer uitmaken van het onderzoeksdossier en daarop geen acht meer kan worden geslagen.
Kort gezegd stelt de officier van justitie dat met uitgrijzen van dossier [naam] is voldaan aan vernietigen in de hiervoor bedoelde zin. Klagers stellen zich op het standpunt dat dat niet het geval is en dat dossier [naam] dus alsnog daadwerkelijk moet worden vernietigd.
Voor het oordeel daarover is mede relevant dat uit artikel 5 van het Besluit bewaren en vernietigen van niet-gevoegde stukken, volgt dat als gegevens zijn opgeslagen op een gegevensdrager ook van vernietiging sprake is als door bewerking van de digitale voorziening die gegevens niet meer kenbaar zijn.
Uit de beantwoording van de vragen door dr. ir. H.M.A. van Beek van het NFI begrijpt de rechtbank dat uitgrijzen inhoudt dat, via functies om specifieke sporen in de index te markeren, die sporen in de index niet meer gevonden kunnen worden. De sporen uit de brondata worden daarmee niet verwijderd. De sporen die leiden naar dossier [naam] zijn op deze manier uitgegrijsd in de index, zodat het dossier niet meer gevonden kan worden. De rechtbank begrijpt daaruit dat de inhoud van dossier [naam] zich nog wel in het bestand bevindt. Het is technisch mogelijk dat de uitgrijzing in de index weer ongedaan wordt gemaakt, het zogenaamde ontgrijzen. Dit gebeurt al automatisch als het containerbestand wordt losgekoppeld en opnieuw wordt ingeladen in een andere onderzoeksomgeving, zo blijkt ook uit de beantwoording van de vragen.
De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat uitgrijzen niet gelijk gesteld kan worden aan vernietigen of onkenbaar maken. Het is immers niet zo dat de onder het verschoningsrecht vallende gegevens geen deel meer uitmaken van het onderzoeksdossier en niet meer kunnen worden ingezien. Zij bevinden zich nog wel in het onderzoeksdossier en de beveiliging die tegen kennisneming daarvan in de index is aangebracht — het uitgrijzen — kan ongedaan worden gemaakt. De waarborgen die door de officier van justitie zijn genoemd, die moeten bewerkstelligen dat daarvan toch geen kennis wordt genomen, kort gezegd ontgrijzen alleen nog met toestemming van de rechter-commissaris, ontgrijzen alleen met een speciale autorisatie, login gebruik waarmee achteraf kan worden nagegaan of is ontgrijsd en ingezien, maakt dat niet anders. Daarmee komt uitgrijzen niet op één lijn met vernietigen of onkenbaar maken.
Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en de officieren van justitie er zorg voor moeten dragen dat het dossier [naam] alsnog wordt vernietigd in de zin dat de inhoud niet meer kenbaar is, geen deel meer uitmaakt van het onderzoeksdossier en daarop geen acht meer kan worden geslagen. Daarbij wijst de rechtbank er op dat het NFI daartoe technische mogelijkheden aangeeft.’
6.
Art. 5 Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (hierna: het Besluit) luidt:
- ‘1.
Indien het proces-verbaal is opgeslagen op een afzonderlijke gegevensdrager, staat met de vernietiging van het proces-verbaal gelijk het op zodanige wijze bewerken van de gegevensdrager dat de gegevens die daaraan voor die bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn.
- 2.
Met vernietiging van een voorwerp staat gelijk het op zodanige wijze bewerken van een voorwerp dat de gegevens die daaraan voor de bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn.
- 3.
Met vernietiging van de gegevens, bedoeld in artikel 4a, derde lid, staat gelijk het op zodanige wijze bewerken van de gegevens dat deze niet meer kenbaar zijn.’
7.1
In het hiervoor onder 3 genoemde eerdere cassatieberoep in de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad — voor zover thans van belang — overwogen:
‘2.4.1
Met het voorschrift van artikel 126aa lid 2 Sv is beoogd het belang te beschermen dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan — onder anderen — de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, een advocaat te raadplegen. Het voorschrift strekt ertoe dat gegevens die als gevolg van de toepassing van de bevoegdheden genoemd in artikel 126aa lid 1 Sv zijn verkregen, onmiddellijk worden vernietigd indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Uit artikel 126aa lid 2 Sv vloeit derhalve voort dat gegevens als in die bepaling bedoeld niet in het strafproces kunnen worden gebruikt (vgl. onder meer HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5632 en HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2678).
2.4.2
Uit artikel 5 leden 1 en 2 van het Besluit (Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, rekw.) volgt verder dat, als gegevens zijn opgeslagen op een (afzonderlijke) gegevensdrager of ander voorwerp, ook van de vernietiging van die gegevens sprake is als die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’. Hoewel in die artikelleden wordt gesproken over de bewerking van de ‘gegevensdrager’ of het Rvoorwerp’, is gelet op de strekking van deze voorschriften niet uitgesloten dat ook door de bewerking van de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, kan worden bereikt dat die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’ in de zin van die artikelleden. De wijze waarop dit wordt vormgegeven, moet beantwoorden aan het hiervoor onder 2.4.1 omschreven doel van artikel 126aa Sv.
2.5.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gegevens waarop het klaagschrift betrekking heeft ontoegankelijk zijn gemaakt ‘voor de opsporing’ door het privilegiëren ofwel ‘uitgrijzen’ van die gegevens. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’ in de zin van artikel 5 leden 1 en 2 van het Besluit.
2.5.2
Het in die overwegingen besloten liggende oordeel dat met het privilegiëren ofwel het ‘uitgrijzen’ van de gegevens zoals dat in deze zaak heeft plaatsgevonden is verzekerd dat de gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht kan worden geslagen, is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat de rechtbank weliswaar heeft vastgesteld dat de gegevens ontoegankelijk zijn gemaakt ‘voor de opsporing’ maar geen vaststellingen heeft gedaan over de wijze waarop is gewaarborgd dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de ‘uitgegrijsde’ gegevens. In dat verband is van belang dat de rechtbank er wel van uitgaat dat er ‘technisch mogelijkheden bestaan om eenmaal ‘gegrijsde’ informatie opnieuw toegankelijk te maken’, maar dat uit haar vaststellingen niet blijkt voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden.’
7.2
Rekwirant begrijpt de overwegingen van de Hoge Raad aldus dat sprake is van ‘vernietigen’ als bedoeld in art. 126aa Sv en van ‘niet meer kenbaar zijn’ als bedoeld in art. 5 van het Besluit indien is verzekerd dat de geheimhoudersgegevens geen deel uitmaken van de processtukken en daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht kan worden geslagen, waarbij gewaarborgd moet zijn dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de ‘uitgegrijsde’ gegevens. Niet uitgesloten is, aldus de Hoge Raad, dat ook door de bewerking van de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, kan worden bereikt dat die gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’.
Zou de Hoge Raad ‘uitgrijzen’ onder geen enkele omstandigheid voldoende hebben geacht om te worden aangemerkt als ‘vernietigen’ dan zou hij dit ook met zoveel woorden hebben overwogen en de eerdere beschikking van de Rechtbank niet hebben vernietigd op grond van een motiveringsgebrek. Er zijn mitsdien omstandigheden denkbaar waaronder ‘uitgrijzen’ kan worden aangemerkt als ‘vernietigen’ en/of ‘niet meer kenbaar zijn’ als hiervoor bedoeld.
7.3.1
Rekwirant vindt hierin steun in de conclusie van AG Harteveld voorafgaand aan de beschikking van de Hoge Raad. Hij onderscheidt daarin vier interpretaties van het begrip ‘vernietigen’:
‘4.25.
Een eerste interpretatie van het begrip ‘vernietigen’ is die welke door de wetgever werd gehanteerd bij de totstandkoming van art. 126aa Sv. Afgaande op de wetsgeschiedenis van deze bepaling ging de wetgever uit van een begrip van vernietigen dat gelijk is of in elk geval dicht aanligt tegen wat daar in het normaal spraakgebruik onder wordt verstaan. Die betekenis in het normaal spraakgebruik komt overeen met de omschrijving in de Van Dale, te weten ‘tot niet maken, geheel doen verdwijnen (bv. door verbranden), ≈ verwoesten’. Ook taalkundig (‘tot niet maken’) en — daarmee verband houdend — etymologisch (vgl. het Duits ‘vernichten’) ligt deze betekenis het meest voor de hand. De in deze richting wijzende opvatting van de wetgever blijkt met name uit de keuze van de minister om de mogelijkheid uit te sluiten dat geheimhoudersgegevens na toestemming van de geheimhouder (bijvoorbeeld een advocaat) alsnog bij het dossier gevoegd zouden kunnen worden. Dit zou volgens de minister tot de onwenselijke situatie kunnen leiden dat deze gegevens lange tijd bewaard zouden moeten worden — en dus niet onverwijld worden vernietigd — terwijl, naar zijn oordeel ‘het belang van de waarheidsvinding’ zou moeten wijken ‘voor het belang dat een ieder zich vrijelijk tot één van de erkende verschoningsgerechtigden kan richten’ (…). Steun voor deze interpretatie zou wellicht ook gevonden kunnen worden in het hiervoor aangehaalde arrest van 16 juli 2009, waarin de Hoge Raad de strekking van het voorschrift van art. 126aa Sv lid 2 uitlegt als (de plicht tot) ‘onmiddellijke’ vernietiging.
4.26.
Om overwegend technische redenen en redenen van efficiëntie lijkt de wetgever van het aanvankelijk gehuldigde en betrekkelijk absolute vernietigingsbegrip te zijn teruggekomen. In de moderniseringsoperatie wordt een begrip gehanteerd dat de ontwerpwetgever niet een ‘strikte’ maar een ‘functioneel-equivalente uitleg’ noemt. Dit levert een tweede interpretatie van het begrip ‘vernietigen’ op. Het gaat hier om een betekenis die naar mijn idee dicht aanligt tegen wat in het normale spraakgebruik, althans met betrekking tot digitale gegevens, onder de begrippen ‘wissen’ en ‘verwijderen’ wordt verstaan. Het komt neer op een manier van het schrappen van gegevens die ervoor zorgt dat zij voor normaal onderlegde mensen niet meer terug te halen zijn terwijl dit — en dat is de kern van deze interpretatie — ook niet de bedoeling is. Dat het technisch mogelijk blijft — voor mensen met bijzondere computervaardigheden of via de inzet van specialistische technieken — om deze gegevens (gedeeltelijk) te reconstrueren, maakt niet dat — volgens de moderniseringswetgever — niet meer van ‘vernietigen’ kan worden gesproken. Waar bij de meest strikte interpretatie van het vernietigen van gegevens de vergelijking gemaakt kan worden met het verbranden van papier, zou bij deze interpretatie de vergelijking gemaakt kunnen worden een papierversnipperaar: de documenten zijn in beginsel vernietigd, maar met veel mankracht en geduld valt een en ander mogelijk alsnog opnieuw kenbaar te maken.
4.27.
Een volgende, derde interpretatie van het begrip ‘vernietigen’ ligt dichter aan tegen het begrip ‘ontoegankelijk maken’. Dit is de betekenis die onder andere doorklinkt in het onder 4.21 aangehaalde ‘Voorlopig Beleid’ en de kern lijkt te vormen van de techniek van het ‘uitgrijzen’ van gegevens. Deze betekenis verschilt van de vorige omdat een definitieve ‘tot niet making’ van meet af aan niet wordt beoogd, het gaat veeleer om een afscherming die bedoeld is om in beginsel blijvend te bestaan maar, onder omstandigheden, ook weer ongedaan gemaakt kan worden. Omdat op voorhand al rekening wordt gehouden met die laatste mogelijkheid, wordt niet gekozen voor een vorm van vernietigen die alleen met veel moeite en bijzondere vaardigheden hersteld kan worden, maar gewerkt met een systeem van aan verschillende ‘rollen’ (Het informatieblad Geheimhoudersinformatie Hansken spreekt onder meer van ‘onderzoekers’ en ‘medewerkers geheimhouderinformatie’) toegekende autorisaties. Voor een vergelijking kan in de fysieke wereld gedacht worden aan een kluis die alleen toegankelijk is met een sleutel. In wezen komt het neer op een werkwijze die doet denken aan het beveiligd bewaren van met de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden verkregen gegevens die geen processtukken zijn, zoals voorgeschreven in art. 126cc en uitgewerkt in art. 2 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken.
4.28.
Een vierde en laatste opvatting van ‘vernietigen’ is die waarbij een opsporingsambtenaar ‘met één druk op de knop’ of door het zetten van een ‘vinkje’ zichzelf toegang kan verschaffen tot geprivilegieerde gegevens. Hier en daar op het internet wordt gesuggereerd dat de praktijk van vóór het aangepaste ‘Voorlopig Beleid’ van het openbaar ministerie er zo heeft uitgezien. In hoeverre dit echt zo was — en het hier dus om meer gaat dan een theoretische optie — heb ik niet kunnen nagaan. Op basis van het onder 4.22 genoemde ‘informatieblad’ Geheimhoudersinformatie Hansken lijkt mij dit een enigszins gechargeerde voorstelling van zaken, tegelijkertijd is mij niet duidelijk waaruit de ‘extra technische voorziening’ bestaat die bij de invoering van het ‘Voorlopig Beleid’ is getroffen. De feitelijke gang van zaken kan voor het doel van deze vierde interpretatie ook in het midden blijven; het gaat er hier om de al dan niet denkbeeldige situatie te schetsen waarin het aan de goede trouw van opsporingsambtenaren zelf, en het zich niet doen voorvallen van menselijke fouten, wordt overgelaten of geheimhoudersgegevens daadwerkelijk niet ter kennis komen van bij het opsporingsonderzoek betrokken personen. Het gaat dus — in overdrachtelijke termen — om een kluis zonder slot.’
Nadat AG Harteveld heeft aangegeven dat en waarom de eerste en laatstgenoemde interpretatie niet houdbaar zijn, vervolgt hij:
‘4.29.
(…) De vraag is dan dus welke van de twee genoemde tussenvarianten de voorkeur zou moeten verdienen. Dit lijkt mij een kwestie waarover verschillend kan worden gedacht. Van deze twee interpretaties sluit de relatief strikte (4.26) — het wissen van gegevens — het best aan bij de taalkundige en aan het dagelijks spraakgebruik te ontlenen betekenis van het begrip ‘vernietigen’ en bij de wijze waarop dat begrip door de wetgever — en, in mindere mate — door de moderniseringswetgever — in de wetshistorische documenten is geduid. Ook pleit voor deze interpretatie dat de wetgever bewust van het bewaren van geheimhoudersgegevens heeft willen afzien en daarbij mogelijke beperkingen voor de waarheidsvinding op de koop toe heeft genomen. Ertegen pleiten de technische haken en ogen en de kosten die met dit soort vernietigen gepaard kunnen gaan. Voor de andere tussenvariant, het functioneel ontoegankelijk maken (4.27) pleit dan weer dat hiermee de eveneens in de wetsgeschiedenis tot uitdrukking komende ratio van de wet — inhoudende dat iedereen zich vrijelijk tot een advocaat moet kunnen wenden — naar het mij voorkomt in voldoende mate kan worden gediend, althans mits deze ontoegankelijkmaking in theorie en praktijk met voldoende waarborgen is omkleed. Ook lijkt mij dat de argumentatie van de moderniseringswetgever, niettegenstaande het feit dat hierin overwegend technische argumenten worden opgevoerd, al iets meer overhelt richting het niet toegankelijk doen zijn voor de opsporing en dus richting deze derde interpretatie. Ten slotte lijkt mij dat in de huidige tijd, waarin veelal gewerkt wordt met grote datasets, vaker sprake zal zijn van situaties waarin niet aanstonds duidelijk is waar in deze datasets zich materiaal bevindt dat voor vernietiging in aanmerking komt, waardoor het onverwijld vernietigen praktisch gezien minder hanteerbaar wordt en het zwaartepunt hierdoor toch al eerder zal komen te liggen op het enige tijd adequaat beveiligd bewaren van deze gegevens.
4.30.
Alles afwegende meen ik dat van deze interpretaties de laatstgenoemde en onder 4.27 besproken benadering, het functioneel ontoegankelijk maken, de beste kaarten heeft, mits daarbij voldoende waarborgen gelden. Gelet op dat laatste passen twee kanttekeningen. De eerste is dat het naar mijn mening de voorkeur verdient dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat het moeten schiften van geheimhoudersinformatie nodig is, doordat reeds in het stadium van het verkrijgen wordt bewerkstelligd dat deze geheimhoudersinformatie — zoals thans ook in het Voorlopig Beleid wordt voorgeschreven — geen onderdeel uitmaakt van de gegevens die door de opsporingsdiensten worden gevorderd of langs andere weg in hun beheer komen. Dit kan door deze gegevens van de vordering uit te zonderen. Zulks lijkt mij in lijn met het systeem van het Wetboek van Strafvordering, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de artikelen 98 Sv en 1251 Sv, welke artikelen van toepassing zijn indien sprake is van een fysieke doorzoeking: deze vindt niet plaats voorzover zich daartoe de plicht tot geheimhouding uitstrekt. Indien daarna toch het vermoeden rijst dat zich tussen de verkregen gegevens geheimhoudersinformatie bevindt, lijkt het mij overigens — ook wanneer het gevorderde en dus niet na een fysieke doorzoeking verkregen gegevens betreft — in beginsel aangewezen dat de rechter-commissaris bij de nadere schifting wordt betrokken. Dit wordt, enigszins in afwijking van het nu nog geldende kader, in het gemoderniseerde wetboek ook voorgeschreven (zie art. 2.7.67 gemoderniseerd Sv). Hier lijkt de moderniseringswetgever dus een andere route te verkiezen dan het OM in zijn ‘Voorlopig Beleid’ uitstippelt, in welk document deze verantwoordelijkheid bij de ‘geheimhouder-officier van justitie’ wordt belegd en zeker anders dan de route die in de Handleiding uit 2014 nog werd gevolgd, in welk document immers slechts werd ‘aanbevolen’ om deze schifting te laten verrichten door een ‘niet bij het opsporingsonderzoek/de strafzaak betrokken officier van justitie’.
4.31.
Daarnaast is het zo dat, indien wordt aangenomen dat de facto ontoegankelijkmaking mag gelden als functioneel equivalent voor vernietiging en dus als ‘vernietiging’ in de zin van art. 126aa Sv, deze ontoegankelijkmaking dan wel moet geschieden op een zodanige wijze dat aan de ratio van het verschoningsrecht — inhoudende dat iedereen zich vrij moet voelen om zich tot een advocaat te wenden, zie hiervoor — geen afbreuk wordt gedaan. Daarmee is gezegd dat de rechtmatigheid van dit ‘functioneel equivalent’ in sterke mate afhankelijk is van de werkwijze die in de praktijk wordt gevolgd. Deze werkwijze moet er in elk geval in voorzien, zo lijkt me, dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze, ook niet abusievelijk, toegang kunnen krijgen tot de ‘uitgegrijsde’ gegevens. Als zulks niet het geval is en de ontoegankelijkmaking in de praktijk geen waterdicht systeem blijkt, tast dit uiteindelijk het onderliggende principe van vrijelijke toegang tot bijstand door een advocaat aan. De in het verleden gevolgde praktijk, zoals die blijkt uit zowel deze zaak (zie onder meer de overwegingen met betrekking tot de ‘dataroom’ onder 4.2) als die in andere civiele zaken (…), wekt bij mij niet de indruk dat dit beginsel steeds in voldoende mate beschermd is geweest.’
7.3.2
AG Harteveld pleit aldus voor het functioneel ontoegankelijk maken van de gegevens, mits deze ontoegankelijkmaking in theorie en praktijk met voldoende waarborgen is omkleed en er in is voorzien dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze, ook niet abusievelijk, toegang kunnen krijgen tot de ‘uitgegrijsde’ gegevens. Ook de Hoge Raad lijkt, zoals hiervoor onder 7.2 aangegeven, een dergelijke werkwijze niet uit sluiten, zij het dat de Rechtbank in eerste instantie onvoldoende had gemotiveerd dat die waarborgen in de onderhavige zaak ook aanwezig waren.
Ook voor de praktijk is deze benadering werkbaar. Immers, indien bepaalde gegevens uit het inbeslaggenomen bronbestand worden verwijderd, worden ook de aan dit bestand toegekende hashwaarde, chain of evidence en chain of custody veranderd. Daardoor kan niet meer worden ingestaan voor de integriteit van de overige, niet-geheimhoudersgegevens, die zich in dat bronbestand bevinden. Dan kan immers de authenticiteit van die overige gegevens ten opzichte van de originele gevorderde en inbeslaggenomen gegevens niet meer worden gegarandeerd. Rekwirant verwijst naar hetgeen hierover staat vermeld in het NFI-informatieblad ‘Vernietigen van digitale sporen met verschoningsgerechtigde stukken’, onder 2.7, welk stuk zich bij de stukken bevindt waarover de Hoge Raad beschikt.
7.4.1
Ter zitting in raadkamer van 23 november 2023 heeft officier van justitie het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde notities (bijlage I bij het proces-verbaal). Daarin heeft zij aangevoerd:
‘De FIOD is op ons verzoek (…) nagegaan of stukken uit het dossier [naam] zijn gebruikt in het onderzoek Martinique. Dat bleek niet het geval. De inhoud van het dossier [naam] maakt ook geen deel uit van het proces-dossier. Dit wordt ook niet gesteld door klagers. Ook is na de raadkamer in april 2023 nogmaals nagegaan of het dossier [naam] is uitgegrijsd en wat de onderzoekers dan precies zien in FTK. De onderzoekers bleken door het uitgrijzen het dossier [naam] in zijn geheel niet te kunnen zien.
(…)
De waarborgen omtrent het ontoegankelijk maken van gegevens zijn beschreven in het memo van de FIOD van 26 januari 2023, opgesteld met het oog op de eerdere raadkamer van 30 januari 2023, namelijk:
- 1.
Het feit dat er door de FIOD tijdens het onderzoek gewerkt wordt met digitale profielen met beperking van rechten;
- 2.
Door te werken met logging;
- 3.
Het verbaliseren van handelingen die betrekking hebben op ontgrijzen en uitgrijzen;
- 4.
Doordat ontgrijzen alleen maar kan na een voorafgaand oordeel van een (geheimhouders)officier van justitie of een rechter(-commissaris). Inmiddels heeft het OM naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 2 mei 2023, de mogelijkheid tot ontgrijzen verder aangescherpt, in die zin dat dit alleen nog mogelijk is na een onherroepelijk rechterlijk oordeel.
- 5.
Door het voorschrijven van aanvullende toestemming van de FIOD directeur opsporing.
Resumerend, de eis van klagers dat de gegevens ‘definitief ontoegankelijk’ moeten worden gemaakt volgt niet uit de beschikking van de Hoge Raad van 20 september 2022. Op basis van de processen-verbaal van de FIOD kan worden geconcludeerd dat de gegevens geen deel uitmaken van de processtukken (zulks is bovendien ook niet gesteld door klagers) en dat daar in het verdere verloop van het strafproces geen acht op kan worden geslagen. Uit de waarborgen volgt dat uitgegrijsde gegevens niet meer toegankelijk gemaakt kunnen worden, zoals de Hoge Raad vereist, behoudens een daaraan voorafgaande onherroepelijk rechterlijke beslissing.’
7.4.2
Het door de officier van justitie bedoelde memo houdt, in aanvulling op hetgeen door de officier van justitie is aangegeven, omtrent de rol van de rechter(-commissaris) bij het ontgrijzen, in:
‘Deze memo geeft uitleg over waarborgen:
- 1.
dat personen die bij opsporingsonderzoek Martinique zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot ‘uitgegrijsde’ gegevens;
- 2.
wie, op welke wijze en onder welke omstandigheden eenmaal uitgegrijsde gegevens opnieuw toegankelijk kunnen maken (zgn ‘ontgrijzing’).
(…)
Ad A. Digitale profielen
(…)
Binnen Ad Lab worden twee verschillende digitale profielen met (beperkte) rechten binnen een bepaald strafrechtelijk onderzoek verleend, namelijk
- a.
een digitaal profiel Rechercheur welk in een bepaald onderzoek wordt gekoppeld aan een Rechercheur van het betreffende onderzoeksteam, of
- b.
een digitaal profiel Medewerker Geheimhouders, welk in een bepaald onderzoek wordt gekoppeld aan een Medewerker Geheimhouder.
Team Functioneel beheer (die zorgt voor de functioneel, technische inrichting binnen de FIOD) verleent bovengenoemde digitale profielen aan FIOD medewerkers op verzoek van een projectleider binnen een betreffend onderzoek. Alleen FIOD-medewerkers die een digitaal profiel is toegekend in een bepaald onderzoek hebben toegang tot de onderzoeksgegevens van dat onderzoek.
(…)
Ad D. Oordeel (geheimhouders)officier van justitie of rechter(commissaris) bij ontgrijzen
In een eerder gewezen vonnis overwoog de voorzieningenrechter dat ‘uitgegrijsde’ gegevens niet meer kenbaar mochten worden gemaakt zonder voorafgaand en onherroepelijk rechterlijk oordeel (ECLI:NL:RBOBR:2022:1035). Hierop heeft de FIOD samen met het FP een Voorlopig Beleid Uitspraak Kort Geding Verschoningsrecht opgesteld, dat nog steeds van kracht is. Wel heeft het OM hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak; de zitting moet nog plaatsvinden.
Onderdeel van dit Voorlopig Beleid is dat de FIOD uitgegrijsde (digitale) gegevens waartoe door een (geheimhouders)officier van justitie een bevel tot vernietiging is gegeven zoals bedoeld in art. 126aa (en/of artikel 4 lid 2 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken) enkel is toegestaan te ontgrijzen na een voorafgaand onherroepelijk oordeel van een rechter(-commissaris). (…)’
7.4.3
Dit memo is gevoegd bij het ‘Standpunt OM ten behoeve van de bijzondere raadkamer 30 januari 2023 inzake De Bont en Vissers (22/022309 en 22/022310)’, welk standpunt zich bij de stukken bevindt waarover de Hoge Raad beschikt. Bij de gedingstukken bevindt zich geen proces-verbaal van deze zitting in raadkamer, noch het hier bedoelde memo. Rekwirant hecht dit memo aan de schriftuur. Naar de mening van rekwirant kan er in redelijkheid niet aan worden getwijfeld dat dit het stuk is waarnaar door de officier van justitie is verwezen en dat aan het ‘Standpunt OM ten behoeve van de bijzondere raadkamer 30 januari 2023 inzake De Bont en Vissers (22/022309 en 22/022310)’, dat zich wel bij de stukken bevindt waarover de Hoge Raad beschikt, is gehecht en dat onderdeel uitmaakt(e) van het dossier waarover de Rechtbank beschikte.2.
7.4.4
In dit memo wordt aldus onder Ad A. uitgelegd dat en waarom personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze, ook niet abusievelijk, toegang kunnen krijgen tot de ‘uitgegrijsde’ gegevens. Dat wordt ook gesteld door de officier van justitie blijkens haar hiervoor geciteerde notities, met verwijzing naar het ‘proces-verbaal van uitgegrijsde stukken onderzoek Martinique’ (AMB-076), als bijlage 2 gevoegd bij het schrijven van de officieren van justitie van 21 april 2023 naar aanleiding van de tussenbeschikking van 17 maart 2023. Hoewel de Rechtbank zich hier niet expliciet over heeft uitgelaten, volgt uit het gehele proces dat ook de Rechtbank er vanuit is gegaan dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de uitgegrijsde gegevens, zoals gemotiveerd is aangevoerd door de officier van justitie.
Zoals in dit memo van de FIOD aangegeven, volgt de in de onderhavige zaak gevolgde werkwijze ten aanzien van ‘ontgrijzing’ ook uit het ‘Voorlopig Beleid Uitspraak Kort Geding Verschoningsrecht’3., waaraan ook AG Harteveld refereerde in zijn hiervoor onder 7.3.1 genoemde conclusie. In dit voorlopig beleid staat hieromtrent vermeld:
‘Ontgrijzing (weer kenbaar maken)
Onder 5.5 (van de uitspraak in kort geding van de Rechtbank Oost-Brabant van 22 maart 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:10354., rekw.) gebiedt de voorzieningenrechter de Staat om in die zaken waarin op grond van artikel 126aa Sv (en/of artikel 4 lid 2 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken) gegevens dienen te worden vernietigd, deze vernietiging zo uit te voeren dat deze gegevens niet meer kunnen worden gebruikt in het strafproces en deze gegevens niet meer kenbaar te maken zijn behoudens voorafgaand en onherroepelijk rechterlijk oordeel. Ter uitvoering van dit gebod is als aanvullende waarborg in zowel Ad lab als Hansken een extra technische voorziening getroffen. Ontgrijzen (weer kenbaar maken) van op grond van art. 126aa lid 2 Sv (en/of artikel 4 lid 2 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken) vernietigde (digitale) gegevens kan slechts aan de orde zijn na voorafgaand onherroepelijk rechterlijk oordeel. Is een dergelijk oordeel verkregen dan kan de projectleider onder verwijzing naar dat oordeel een aanvraag voor het ontgrijzen (kenbaar maken) van bepaalde gegevens per mail indienen bij de Directeur Opsporing.’
7.5
Zoals uit het hiervoorgaande volgt, kan er geen twijfel over bestaan dat in de onderhavige zaak slechts tot ontgrijzing zal worden overgegaan dan na uitdrukkelijke en onherroepelijke toestemming van een rechter(-commissaris). Daarmee is sprake van eventuele ontoegankelijkmaking die zowel in theorie als in praktijk met voldoende waarborgen is omkleed, zoals verwoord door AG Harteveld. Tevens is daarmee verzekerd dat deze gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht kan worden geslagen, alsmede dat is gewaarborgd dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de uitgegrijsde gegevens, zoals bedoeld door de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 7.1 weergegeven beschikking. Daarmee is voldaan aan art. 5 lid 1 en 2 van het Besluit dat de gegevens niet meer kenbaar zijn.
7.6
Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van de Rechtbank dat het uitgrijzen in de onderhavige zaak niet gelijk gesteld kan worden aan vernietigen, als bedoeld in art. 126aa lid 2 Sv, en/of aan het op zodanige wijze bewerken van de gegevensdrager dat de gegevens die daaraan voor die bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn, als bedoeld in art. 5 van het Besluit, ook niet onder de door de Rechtbank expliciet genoemde waarborgen die door de officier van justitie zijn genoemd, die moeten bewerkstelligen dat daarvan kennis wordt genomen, te weten kort gezegd i) ontgrijzen alleen nog met toestemming van de rechter(-commissaris), ii) ontgrijzen alleen met een speciale autorisatie en iii) login gebruik waarmee achteraf kan worden nagegaan of is ontgrijsd en ingezien, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hierop in feite neerkomende oordeel dat ontgrijzing onder geen enkele omstandigheid kan worden aangemerkt als ‘vernietigen’ in de zin van art. 126aa Sv en/of als ‘niet meer kenbaar zijn’ als bedoeld in art. 5 van het Besluit, verdraagt zich immers niet met de bedoeling van de Hoge Raad zoals weergegeven onder 7.2, waar de Hoge Raad expliciet heeft overwogen dat gelet op de strekking van deze voorschriften niet is uitgesloten dat ook door de bewerking van de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, kan worden bereikt dat die gegevens ‘niet meer kenbaar’ zijn.
Gelet op de door de officier van justitie aangegeven waarborgen, die door de Rechtbank in haar beschikking expliciet zijn benoemd, is, in het licht van hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, het oordeel dat het uitgrijzen in de onderhavige zaak niet gelijk gesteld kan worden aan ‘vernietigen’ of ‘niet meer kenbaar zijn’ als hiervoor bedoeld tevens niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Tweede (voorwaardelijk) middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 25 Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, zich bij de gedingstukken geen proces-verbaal van de zitting in raadkamer van 30 januari 2023 bevindt, waardoor moet worden aangenomen dat de Rechtbank heeft verzuimd daarvan proces-verbaal op te maken. Hierdoor kan niet worden nagegaan wat tijdens die raadkamer is voorgevallen, in het bijzonder wat daar door de officier van justitie met stukken onderbouwd is aangevoerd. Dit verzuim heeft betrekking op een zo wezenlijke vorm van de raadkamerprocedure dat het nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking meebrengt
Toelichting
1.
Zoals in de toelichting op het eerste middel onder 7.4.2 is aangegeven, bevindt zich van de zitting in raadkamer van 30 januari 2023 geen proces-verbaal bij de gedingstukken.
Bij de gedingstukken bevindt zich het ‘Standpunt OM ten behoeve van de bijzondere raadkamer 30 januari 2023 inzake De Bont en Vissers (22/022309 en 22/022310)’. In dit standpunt wordt verwezen naar een memo van de FIOD, dat als bijlage bij het standpunt is gevoegd, welke bijlage zich eveneens niet bij de gedingstukken bevindt. Ook ter zitting in raadkamer van 23 november 2023 heeft de officier van justitie blijkens de door haar overgelegde notities naar dit memo van 26 januari 2023 verwezen (zie ook de toelichting op het eerste middel onder 7.4.1.).
Binnen de daartoe gestelde termijn heeft rekwirant via het webportaal het verzoek gedaan om aanvulling van de processtukken bij de rolraadsheer (Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden onder 4.3.6.3)5., zowel ten aanzien van het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 30 januari 2023 als ten aanzien van het memo van de FIOD van 26 januari 2023. Tevens is het verzoek gedaan om verlenging van de termijn voor het indienen van een schriftuur. De rolraadsheer heeft hierop beslist dat zodra de opgevraagde stukken beschikbaar zijn of duidelijkheid is over het mogelijk in het ongerede raken daarvan, in overleg met de rolraadsheer mogelijk een nadere termijn wordt verleend om — met betrekking tot het opgevraagde — middelen van cassatie voor te stellen dan wel binnen de termijn ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen of (een) middel(en) in te trekken. Aangezien de termijn voor het indienen van een schriftuur vandaag eindigt, is rekwirant genoodzaakt een voorwaardelijk middel van cassatie voor te stellen.
2.
Het onderhavige cassatiemiddel wordt voorgesteld onder de voorwaarde i) dat het hiervoor bedoelde memo niet alsnog aan de stukken waarover de Hoge Raad beschikt wordt toegevoegd en/of ii) de Hoge Raad daar ook na toevoeging aan het dossier geen acht op kan slaan en/of iii) de Hoge Raad geen acht kan slaan op dit aan de schriftuur gehechte memo en/of iv) de Hoge Raad ook zonder hetgeen in de toelichting op het eerste middel is aangevoerd omtrent de inhoud van dit memo het eerste cassatiemiddel niet gegrond acht.
3.
Blijkens de tussenbeschikking van de Rechtbank van 17 maart 2023 is het klaagschrift van klagers op 30 januari 2023 door de raadkamer in het openbaar behandeld. Bij de gedingstukken bevindt zich geen proces-verbaal van die zitting in raadkamer, waardoor moet worden aangenomen dat de Rechtbank heeft verzuimd daarvan proces-verbaal op te maken. Hierdoor kan niet worden nagegaan wat tijdens die raadkamer is voorgevallen, in het bijzonder wat daar door de officier van justitie met stukken onderbouwd is aangevoerd. Dit verzuim heeft betrekking op een zo wezenlijke vorm van de raadkamerprocedure dat het nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking meebrengt (vgl. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:1343 en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:381).
4.
Nu het belang van rekwirant bij het onderhavige cassatiemiddel niet evident lijkt, is het volgende van belang. Bij de stukken van het geding waarover de Hoge Raad beschikt bevindt zich het ‘Standpunt OM ten behoeve van de bijzondere raadkamer 30 januari 2023 inzake De Bont en Vissers (22/022309 en 22/022310)’. Daarop staat een stempel ‘voor fotokopie conform, de griffier’. Derhalve kan worden aangenomen dat dit stuk is overgelegd ter zitting in raadkamer 30 januari 2023 en dat de officier van justitie het woord heeft gevoerd aan de hand van dit standpunt, dan wel dat de Rechtbank dit stuk aan de gedingstukken heeft toegevoegd en daar acht op heeft geslagen. Blijkens dit standpunt heeft de officier van justitie onder 2. verwezen naar het daarbij gevoegde memo van de FIOD. Dit betreft het memo van de FIOD van 26 januari 2023 dat aan de onderhavige schriftuur is gehecht. Zoals hiervoor in de toelichting op het eerste middel is gesteld, is de inhoud van dit memo van belang voor de onderbouwing van de in dit middel voorgestelde rechts- en motiveringsklacht. Zonder het proces-verbaal van de zitting in raadkamer van 30 januari 2023 staat niet vast dat voornoemd standpunt en met name het daarbij gevoegde memo van de FIOD ter zitting in raadkamer zijn overgelegd, dan wel door de Rechtbank aan de gedingstukken zijn gevoegd, zodat niet kan worden nagegaan dat rekwirant daar in cassatie terecht een beroep op doet.
Dat blijkbaar na de tussenbeslissing van de 17 maart 2023 het onderzoek in raadkamer opnieuw is aangevangen wegens een gewijzigde samenstelling van de Rechtbank en dat de bestreden beschikking (mogelijk) niet mede is gewezen naar aanleiding van het onderzoek in raadkamer van 30 januari 2023 doet aan het voorgaande niet af. Op hetgeen aldaar is aangevoerd door de officier van justitie kan immers via de band van het proces-verbaal van de zitting in raadkamer in cassatie een beroep worden gedaan en/of blijft de beslissing tot voeging van die stukken ook na het opnieuw aanvangen van het onderzoek in raadkamer bestaan.
Indien één of meer van de voorgestelde middelen, dan wel één of meer onderdelen daarvan, doel tref(t)(fen), zal de bestreden beschikking van de raadkamer van de Rechtbank Rotterdam van 15 maart 2024 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 22 oktober 2024
mr H.H.J. Knol
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en bij het Functioneel Parket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑10‑2024
HR-nummer 22/00317 Bv, ECLI:NL:HR:2022:1257.
Zie ook het tweede (voorwaardelijke) cassatiemiddel.
https://www.om.nl/documenten/richtlijnen/2022/04/19/voorlopig-beleid uitspraak-kort-geding-verschoningsrecht
Dit onderdeel van het kort geding is door het Hof 's‑Hertogenbosch bij uitspraak van 2 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1329 in stand gelaten.
Hoewel het procesreglement geen betrekking lijkt te hebben op een door het openbaar ministerie ingesteld beroep in cassatie, gaat rekwirant er vanuit dat op dit punt voor het openbaar ministerie dezelfde regels gelden als voor een raadsman.