Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/9.6
9.6 Gegevensverstrekking tussen bestuursorganen, opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover Luchtman, Grensoverschrijdende sfeercumulatie (2007), p. 32-41.
Luchtman, Grensoverschrijdende sfeercumulatie (2007), p. 7-11.
Vertrouwelijke gegevens zien op de persoonlijke levenssfeer en op bedrijfsgegevens. Zie De Haan en Oosterhuis Geheimhouding en transparantie in het financieel recht en het mededingingsrecht (2008), p. 24. In art. 31 Wte 1995 en art. 64 Wtk 1992 kwam het element 'vertrouwelijk' niet voor. Dit element is mede gelet op de destijds toepasselijke Europese richtlijnen 89/646/EEG en 93/22/EEG echter wel ingelezen door de rechtbank. Zie Rb Rotterdam 15 mei 2008, RF 2008/70. Zie voorts CBb 4 september 2009, RF 2009/91 waarin al snel werd aangenomen dat het ging om vertrouwelijke informatie. Zie voor de verhouding tussen art. 31 Wte 1995 en de Wet openbaarheid van bestuur tevens beide uitspraken. Daar de bevoegdheid tot gegevensverstrekking onder de Wte 1995 niet was overgedragen aan de AFM, was de WOB op zich wel van toepassing. De rechtbank en het College meenden echter dat art. 31 Wte 1995 een uitputtend openbaarmakingsregime bevatte, zodat de WOB niettemin buiten toepassing bleef. Onder Wft speelt dit niet meer. De openbaarmaking is voorbehouden aan de AFM en DNB, terwijl die bestuursorganen zijn uitgesloten van de WOB, alsook de minister van Financiën voor zover hij uit hoofde van de Wft informatie krijgt doorgespeeld (art. 1:42 lid 7 Wft). Boshuizen en jager menen dat deze uitzondering van de WOB beperkt moet worden uitgelegd, zodat op gegevens ter zake van de interne organisatie van de toezichthouders de WOB wel van toepassing is. Zie Boshuizen en Jager, Verzekerd van toezicht (2008), p. 27. Het is verder de vraag wat de meerwaarde van art. 1:89 Wft is boven art. 2:5 Awb. Indien medewerkers van de AFM zich in civilibus op hun verschoningsrecht beroepen zal steeds beoordeeld moeten worden of het gaat om vertrouwelijke informatie, openbare informatie of informatie die kan worden herleid tot afzonderlijke personen. Zie Rb Amsterdam 29 november 2007, JOR 2008/41.
De gegevensverstrekking moet een financieel toezichtsdoel hebben en niet een fiscaal doel, aldus Luchtman, Grensoverschrijdende sfeercumulatie (2007), p. 212.
CBb 19 juni 2009, JOR 2010/11 (IMC).
Tillema en Doets, 'Bestuursrechtelijke handhaving', in: Onderneming en financieel toezicht (2007), p. 501-502.
Kamerstukken II 2003/04, 29 708, 3, p. 53.
Rb Rotterdam 9 juni 2005, LJN AT7378.
Zie Korsten en Van Wanrooij, Nederlands Mededingingsrecht (Deventer, 2008), p. 348-349.
Vzr Rb Den Haag 26 juni 2009, LJN BJ0047.
Het gaat om drie deels gelijkluidende arresten, waaronder HR 5 september 2006, NJ 2007/336.
Deze notitie is door de Minister van Justitie bij brief van 28 februari 1992 aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden Kamerstukken II 1991/92, 22 463, nr. 4.
Kamerstukken // 1997/98, 25 877, nr. 3, p. 55-56, nr. 8, p. 75 en nr. 14, p. 11-12.
BR 30 maart 2004, NJ 2004/376 (Afvoerpijp).
Kamerstukken II 2003/04, 29 743, nr. 3, p. 4 en 5, nr. 7 en p. 17-18 en 23.
HR 13 november 2007, NJ 2007/614.
M. Hirsch Ballin, 'Een vreemde eend in de bijt van de opsporing', DD 2009/22, p. 296-297. Zie voor dit laatste ook de hiervoor aangehaalde overweging 3.6. in HR 13 november 2007, NJ2007/614.
M. Hirsch Ballip, 'Een vreemde eend in de bijt van de opsporing', DD 2009/22, p. 299.
Financiële toezichthouders als de AFM en DNB werken samen en wisselen ook gegevens met elkaar uit, zowel waar het gaat om al dan niet verplichte consultaties ter voorbereiding van besluiten, maar ook ambtshalve (art. 1:46-1:49 Wft). Zij werken voorts samen met toezichthoudende instanties van andere lidstaten en wisselen ook met hen gegevens uit (art. 1:51-1:57 Wft). Ook kan het daarbij gaan om consultaties met betrekking tot vergunningverlening of te treffen handhavingsmaatregelen (art. 1:58- 1:64 Wft). Deze samenwerkingsvormen tussen de lidstaten zijn ook terug te voeren tot Europese richtlijnen zoals de MiFID en de richtlijn marktmisbruik.1 Luchtman plaatst in zijn proefschrift deze samenwerking tussen toezichthouders (administratieve bijstand), alsmede die tussen justitiële autoriteiten (strafrechtelijke rechtshulp) en wat ik maar noem kruislingse samenwerking (samenwerking tussen toezichthouders en justitiële autoriteiten) in de sleutel van drie leerstukken: het specialiteitsbeginsel (overheidsorganen mogen slechts handelen ter vervulling van de hen opgedragen taken), het ambtsgeheim (de mate waarin overheidsorganen een verschoningsplicht hebben) en het bankgeheim (de mate waarin onder toezichtgestelden zich kunnen verschonen).2 In art. 1:89 Wft is neergelegd dat de toezichthouders een geheimhoudingsplicht hebben met betrekking tot 'vertrouwelijke gegevens'3 of inlichtingen die zij hebben ontvangen, maar dat zij wel mededelingen kunnen doen op basis van die gegevens, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke (rechts)personen. Op de geheimhoudingsplicht zijn de nodige uitzonderingen. Zo kunnen de AFM en DNB wel overgaan tot verstrekking aan de andere toezichthouder of aan de toezichthouder in een andere lidstaat. Wel worden aan die gegevensverstrekking beperkingen en waarborgen gesteld die samenhangen met het door Luchtmann beschreven specialiteitsbeginsel, ambtsgeheim en bankgeheim (zie de art. 1:90 en 1:93 Wft).4 Ook kunnen de AFM en DNB gegevens verstrekken aan onder meer een rechter-commissaris, bewindvoerder of curator, OM (met het oog op aangifte), de Europese Centrale Bank en centrale banken van lidstaten. Ten slotte kan ook in een beroepszaak het verdedigingsbelang in de weg staan aan onverkorte toepassing van art. 1:89 Wft.5
Tillema en Doets stellen onder aanhaling van parlementaire stukken terecht dat de AFM en DNB aangifte kunnen doen van strafbare feiten (veel verbodsbepalingen uit de Wft zijn tevens een economisch delict), maar dat dit geen vrijbrief geeft om gedurende een strafrechtelijk onderzoek door middel van toezichtbevoegdheden verkregen informatie door te spelen aan opsporingsautoriteiten.6 Het aan het specialiteitsbeginsel rakende verbod van détournement de pouvoir verzet zich daartegen (zie de art. 3:3 en 3:4 lid 1 Awb). Voorts kunnen juist de toezichtsdoelen gebaat zijn bij het laten prevaleren van vertrouwelijkheid van inlichtingen boven waarheidsvinding. De toezichthouder is immers voor zijn taakuitoefening grotendeels afhankelijk van de bereidheid van onder toezichtgestelden om inlichtingen te verstrekken. De MvT merkt hierover het volgende op:
`Uit de jurisprudentie (voor het eerst NJ 1986, 823, verder NJ 2001, 530) blijkt dat de toezichthouder onder omstandigheden over een verschoningsrecht van beperkte aard beschikt. Voor de vraag of de toezichthouder zich in een concreet geval op dat beperkte verschoningsrecht kan beroepen, dient er een afweging gemaakt te worden tussen het belang van de waarheidsvinding enerzijds en het belang van de handhaving van de vertrouwelijkheid van de gegevens anderzijds. De toezichthouder zal dan ook voorafgaand aan een verstrekking aan de Officier van Justitie op eigen initiatief, een afweging maken tussen toezichtbelangen en het belang van gegevensverstrekking aan de Officier van Justitie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat verstrekking plaatsvindt tenzij, na overleg met de Officier van Justitie, in een specifiek geval duidelijk is dat het toezichtbelang moet prevaleren boven het belang van een strafrechtelijk onderzoek. Wanneer de toezichthouder mogelijk strafbaar gedrag ontdekt, kan hij dit ook op eigen initiatief meedelen aan de Officier van Justitie en daarbij ook de voor de opsporing of vervolging benodigde informatie verstrekken. Deze mogelijkheid is van groot belang voor een tijdige en tussen de toezichthouder en het OM goed gecoërdineerde aanpak van criminaliteit in de financiële sector. Bij een dergelijke samenwerking en informatieverstrekking kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de werkzaamheden in het kader van het Financieel Expertisecentrum (FEC).’7
In de strafzaken naar aanleiding van de bouwfraude werd door het OM gebruik gemaakt van informatie die het van de NMA had ontvangen. Gelet op de in art. 90 Mededingingswet neergelegde geheimhoudingsplicht van de NMa deed zich de vraag voor of deze informatie-uitwisseling wel door de beugel kon. De strafrechter overwoog dat de NMa krachtens art. 91 MW bevoegd was gegevens of inlichtingen door te spelen aan een bestuursorgaan dat op grond van een andere wettelijke regeling dan de Mededingingswet is belast met taken die de toepassing of mede de toepassing van bepalingen omtrent mededinging betreffen en dus ook aan het OM, dat vóór 1998 bevoegd was ter zake van de strafrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. De rechtbank overwoog in dit verband verder:
`Artikel 91 Mw dient niet zo strikt te worden uitgelegd dat alleen stukken die betrekking hebben op de periode van vóór 1 januari 1998 hieronder kunnen vallen. Voorstelbaar is dat stukken die zien op een periode vanaf 1 januari 1998 ook relevantie kunnen hebben voor gedragingen die zijn verricht vóór die datum. Wel dient geconstateerd te worden dat de NMa in ruime mate stukken aan het OM heeft verstrekt en dat een aanzienlijk deel van deze stukken zien op een periode ver gelegen na 1 januari 1998. De rechtbank is echter van oordeel dat het OM erop mocht vertrouwen dat de NMa, tenslotte eveneens een bestuursorgaan dat bovendien bij uitstek ter zake kundig was, op juiste wijze gebruik maakte van haar bevoegdheden. Indien derhalve al geconstateerd zou moeten worden dat de NMa heeft gehandeld in strijd met artikel 91 Mw dient dit niet te leiden tot consequenties in onderhavige strafzaak.'8
Eerder had de minister van Economische Zaken zich al uitgelaten over informatieuitwisseling tussen de NMa en het OM en de NMa en de Belastingdienst. Zijn standpunt was kort gezegd dat de de aangifteplicht als bedoeld in de art. 160 en 162 Sv niet wordt doorkruist door art. 90 Mededingingswet en dat de in art. 55 lid 1 AWR neergelegde verplichting voor alle overheidsinstanties om de inspecteur desgevraagd alle door hem gevraagde informatie te verschaffen niet opzij wordt gezet door art. 90 Mededingingswet. Voor de Belastingdienst geldt overigens evenzeer dat die verplicht is om aangifte te doen van bepaalde misdrijven (art. 161 Sv), zodat het mogelijk is dat via de NMa verkregen inlichtingen ook door de fiscus weer door worden gepeeld aan het OM.9 Andersom kunnen de resultaten van in het kader van een strafrechtelijk onderzoek geplaatste telefoontaps op grond van art. 39f lid 1 Wet justitiële strafvorderlijke gegevens door het OM worden doorgepeeld aan de NMa.10
Mag de politie een strafrechtelijk onderzoek starten op basis van door de inlichtingen-en veiligheidsdiensten verkregen gegevens (denk aan de resultaten van AIVD-onderzoeken naar terroristische activiteiten), en zo ja, mogen die gegevens slechts worden gebruikt om een verdenking op te baseren of mogen die gegevens ook voor het uiteindelijke bewijs van strafbare feiten worden gebruikt en ten slotte, indien ook deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten in de strafzaak wel of niet consequenties worden verbonden aan onregelmatigheden die zijn begaan door de AIVD in het onderzoek? De drie zojuist opgeworpen vragen zijn beantwoord door de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog in zijn arresten van 5 september 2006,11 mede onder verwijzing naar en in lijn met de notitie betreffende 'de bewijskracht van door de Binnenlandse Veiligheidsdienst verkregen materiaal' 12 en de parlementaire geschiedenis van de WIV 2002,13 dat zowel onder de vigeur van de oude WIV 1987 als onder die van de WIV 2002 in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het gebruik in het strafproces van door inlichtingen- en veiligheidsdiensten vergaard materiaal. Dat noch in de WIV 1987 noch in de WIV 2002 is voorzien in een rechterlijke toetsing vooraf of achteraf van het optreden van die diensten, doet daaraan volgens de Hoge Raad niet af. De Hoge Raad merkte in dit verband op dat beide wetten voorzien in onafhankelijk toezicht op de rechtmatigheid van het functioneren van genoemde diensten door middel van parlementaire controle en dat de WIV 2002 daarnaast voorziet in onafhankelijke controle door een Commissie van Toezicht, die daartoe met uitgebreide bevoegdheden is toegerust (zie de art. 73-78 WIV 2002). Ten aanzien van de vervolgvraag of onregelmatigheden begaan bij het onderzoek door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten consequenties diende te hebben voor de strafzaak overwoog de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn arrest van 30 maart 200414 dat art. 359a Sv — dat de strafrechter de mogelijkheid biedt consequenties te verbinden aan onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek niet van toepassing is indien het verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek. Nu een onderzoek door een inlichtingen- en veiligheidsdienst plaatsvindt buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie, mist art. 359a Sv derhalve toepassing. Met die overweging eindigde het verhaal uiteraard niet. De Hoge Raad overwoog verder:
`4.7.2. Zulks neemt niet weg dat onder omstandigheden de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek niet tot het bewijs mogen worden gebruikt. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in de bijzondere gevallen dat (a) doelbewust met het oog op het buiten toepassing blijven van strafvorderlijke waarborgen geen opsporingsbevoegdheden worden aangewend teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde informatie of (b) het optreden van de betrokken dienst een schending van de aan een verdachte toekomende fundamentele rechten heeft opgeleverd die van dien aard is dat daardoor geen sprake meer is van een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM.
4.8. Daarnaast is denkbaar dat in verband met de beperkte mogelijkheden tot toetsing van de betrouwbaarheid van het overgedragen materiaal de verdedigingsrechten in die mate zijn beperkt dat het gebruik tot het bewijs van dat materiaal niet verenigbaar is met het vereiste van een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM. Indien in dit kader in een strafzaak een onderbouwd beroep wordt gedaan op de onbetrouwbaarheid van door een inlichtingen-en veiligheidsdienst verzameld materiaal zodat dit naar het oordeel van de verdediging niet tot bewijs kan dienen, dient de strafrechter de gegrondheid van die stelling te onderzoeken, waarbij de verdediging de gelegenheid moet hebben om de betrouwbaarheid van dat materiaal aan te vechten en te (doen) onderzoeken, eventueel door getuigen te doen horen, bijvoorbeeld door de rechter-commissaris. Daarbij dient de strafrechter rekening te houden met enerzijds de bijzondere positie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die veelal tot geheimhouding noopt, en anderzijds de verdedigingsrechten van de verdachte als bedoeld in art. 6, derde lid, EVRM.'
De vragen hoe dit onderzoek diende te worden verricht en in welke gevallen, gelet op het fair trial-vereiste van art. 6 EVRM, de conclusie moet zijn dat het materiaal vanwege gebreken in de mogelijkheden om dat materiaal te toetsen en aan te vechten niet tot het bewijs kan worden gebezigd, vielen volgens de Hoge Raad niet in algemene zin te beantwoorden. Wel merkte hij op dat de rechter diende te streven naar compensatie van eventuele beperkingen van de rechten van de verdediging door andere — bij wat is aangevoerd passende — wegen te zoeken teneinde de betrouwbaarheid van het materiaal te onderzoeken. Ook is de aard van het materiaal van belang voor de beantwoording van de vraag of de betrouwbaarheid ervan in voldoende mate kan worden getoetst. Zo ging het in deze zaak slechts om het door de voorganger van de AIVD, de Binnenlandse Veiligheidsdienst, verstrekken van een telefoontap op CD-ROM aan het openbaar ministerie.
Met betrekking tot het naast elkaar lopen van een strafvorderlijk onderzoek en een onderzoek door de AIVD overwoog de Hoge Raad in een arrest van 13 november 2007 onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Wet afgeschermde getuigen15 en zijn hiervoor genoemde arresten van 5 september 2006 dat de wetgever een duidelijk juridisch en feitelijk onderscheid voor ogen heeft gestaan tussen enerzijds het optreden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en anderzijds het optreden van de opsporingsdiensten, waarbij de onderscheiden bevoegdheidstoedeling niet in de weg staat aan informatieverstrekking door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten aan de opsporingsdiensten en andersom. Op grond van de WIV 2002 zijn wederkerige contacten tussen de verschillende diensten mogelijk, maar daarbij geldt dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bevoegdheden uitsluitend voor de eigen taakstelling mogen aanwenden. De Hoge Raad komt op grond hiervan in navolging van het Hof Den Haag tot het oordeel dat: binnen strikte grenzen geen rechtsregel zich verzet tegen een gelijktijdig onderzoek van de inlichtingen- en veiligheidsdienst en een opsporingsonderzoek onder leiding van het openbaar ministerie; eveneens binnen strikte grenzen geen rechtsregel zich verzet tegen een voortgezette informatie-uitwisseling; en geen wettelijke bepaling verbiedt dat het openbaar ministerie aanvullende informatie, ook indien deze door het openbaar ministerie zelf is gevraagd, als startinformatie gebruikt.16
Hirsch Ballin leidt uit de nadruk die de Hoge Raad legt op het bieden van compensatie ten aanzien van de verdedigingsrechten als gevolg van het beroep op de geheimhoudingsplicht af dat hij niet meegaat in de opvatting van het gerechtshof dat de relatie tussen inlichtingendiensten en politie en justitie wordt beheerst door het vertrouwensbeginsel dat wordt gehanteerd in de internationale rechtshulp. Dit laat onverlet dat in de rechtspraak keer op keer wordt uitgegaan van goede trouw, tenzij er duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, aldus Hirsch Ballin.17 Verder brengt een effectieve bestrijding van terrorisme met zich dat parallel onderzoek plaats moet kunnen hebben waarbij opsporings- en inlichtingendiensten ieder op de hun toebedeelde taak actief blijven en dat de AIVD in dit verband ambtsberichten uitbrengt indien er aanwijzingen zijn van een strafbaar feit en de informatieverstrekking richting de opsporingsdiensten voortzet bij een parallel onderzoek, zolang de werkzaamheden van de AIVD zelf maar niet zijn gericht op opsporing.18 Met betrekking tot dit laatste zijn er checks and balances ingebracht (parlementaire controle en toezicht door de Commissie van Toezicht).