Parketnummer: 22-001898-22.
HR, 13-01-2026, nr. 23/03100
ECLI:NL:HR:2026:38
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-01-2026
- Zaaknummer
23/03100
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:38, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1293
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1605
ECLI:NL:PHR:2025:1293, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:38
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑09‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0015
Uitspraak 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Schuldwitwassen van geldbedrag (€ 79.443,75), art. 420quater.1.b Sr. Vordering benadeelde partij. 1. Kon hof oordelen dat b.p. heeft aangetoond dat zij tot toegewezen geldbedrag schade heeft geleden en daarbij overwegen dat het “aan b.p. zelf [is] om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen”? 2. Rechtstreekse schade. Kon hof oordelen dat schade een rechtstreeks gevolg is van bewezenverklaarde? 3. Verzoek tot kostenveroordeling in cassatie. Kan b.p. verzoeken verdachte te veroordelen in kosten van cassatieprocedure en in kosten van hoger beroep? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. rechtstreekse schade en schade die voor vergoeding aan b.p. in aanmerking komt. ’s Hofs oordeel is, ook in het licht van wat raadsman heeft aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat ook als in rechtsverhouding tussen b.p. en schuldenaar de betaling (die is bijgeschreven op bankrekening van verdachte i.p.v. op bankrekening van b.p.) niet (volledig) bevrijdend zou zijn (vgl. HR:2021:783), dat niet zonder meer meebrengt dat in rechtsverhouding tussen b.p. en verdachte moet worden aangenomen dat b.p. geen schade heeft geleden a.g.v. vastgestelde onrechtmatige gedragingen van verdachte. Uit wat namens b.p. in eerste aanleg en in h.b. is meegedeeld volgt dat schuldenaar de factuur niet tweede keer heeft betaald aan b.p. Verder is in h.b. verklaard dat schade niet door verzekering is gedekt. Ad 2. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat hof heeft vastgesteld dat verdachte kon beschikken over het aan b.p. toekomende geldbedrag dat was bijgeschreven op bankrekening van verdachte. Ad 3. Nu hof de verdachte heeft veroordeeld in de door b.p. gemaakte en ten behoeve van tenuitvoerlegging nog te maken kosten, terwijl voor cassatieprocedure als deze niet is voorzien in veroordeling van verdachte in kosten die b.p. in cassatie heeft gemaakt, zal aan dit verzoek voorbij worden gegaan. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03100
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 augustus 2023, nummer 22-001898-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. heeft de advocaat H.M.A. over de Linden een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1] U.A. , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.2
De advocaat-generaal heeft in haar conclusie onder 3.2 samengevat waarop de vordering van [benadeelde 1] betrekking heeft:
“Het in hoger beroep gehandhaafde verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. houdt in dat de schade is ontstaan doordat een cliënt van [benadeelde 1] U.A. als gevolg van oplichting en misbruik van identiteit van [benadeelde 2] , werkzaam voor [benadeelde 1] U.A. , een bedrag van € 79.433,75 heeft overgemaakt naar een verkeerde rekening.”
2.3
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018, te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten
- een of meer geldbedragen (van in totaal 79.443,75 euro) voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.4
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij van 13 september 2021, met bijlagen. Dit verzoek houdt onder meer in:
“Door oplichting en misbruik van mijn identiteit heeft onze cliënt een bedrag van € 79.433 overgemaakt naar een andere rekening.”
2.5.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is namens de benadeelde partij op vragen van de politierechter onder meer geantwoord:
“Technisch gezien is de klant bestolen van het geldbedrag van bijna 80.000 euro. Het geld is naar een verkeerde bankrekening overgemaakt. Deze schade wordt niet gedekt door de verzekering. Ik weet wel dat mijn klant hiervan aangifte heeft gedaan. Ik weet niet of mijn klant de schade heeft geclaimd.
U vraagt mij of mijn klant voor de tweede keer het verschuldigde bedrag aan mijn bedrijf heeft overgeboekt. Dat is niet gebeurd.”
2.5.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2023 is namens de benadeelde partij onder meer verklaard:
“De vordering wordt gehandhaafd. Er is geen geld via de verzekering uitgekeerd en er is niet via een andere weg geprobeerd het geld terug te krijgen.”
2.5.3
Volgens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Primair niet-ontvankelijkheid vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair: niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van voldoende rechtstreeks verband. De voorliggende zaak is wat atypisch. Uit het dossier blijkt dat een of meer onbekend gebleven personen [A] hebben bewogen tot betaling van een bedrag. Het geld is toen niet overgemaakt naar de andere contractpartij, maar naar de rekening van cliënt. Op dat moment ontstaat de schade. Daarbij is cliënt echter niet betrokken, gelet op de onherroepelijke vrijspraken voor de feiten 1 t/m 3. De schade dus wel in een rechtstreeks verband met die onderliggende fraude, maar niet met de daaropvolgende handelingen. De eventuele witwashandelingen achteraf hebben de schade niet veroorzaakt.
Meer subsidiair meen ik dat [benadeelde 1] / [benadeelde 2] geen schade heeft geleden als gevolg van het feit, althans dat er onvoldoende rechtstreeks verband is omdat het juist een andere partij is die schade heeft geleden, namelijk [A] . [A] heeft naar de verkeerde rekening betaald en heeft daardoor schade geleden. [benadeelde 1] / [benadeelde 2] kan aanspraak maken op betaling; immers kan de [benadeelde 1] / [benadeelde 2] er niets aan doen dat [A] op een ander rekeningnummer heeft betaald. Het strekt te ver buiten de regeling van de benadeelde partij om nu te stellen dat [benadeelde 1] / [benadeelde 2] , doordat [A] slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, schade heeft geleden.
Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij niet weet of [A] de schade ergens heeft geclaimd (p. 3). Kortom, [A] heeft schade geleden en niet valt uit te sluiten dat die schade al is vergoed.
Kort gezegd: [benadeelde 1] / [benadeelde 2] heeft door het feit/de feiten geen schade geleden, althans er is onvoldoende rechtstreeks verband. Ook daarom bepleit ik niet-ontvankelijkheid.
Meest subsidiair meen ik dat de vordering een onevenredig beslag legt op het strafgeding, en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De situatie is civielrechtelijk immers ingewikkeld:
Zoals ik al aanvoerde moet worden aangenomen dat [A] - kennelijk zonder het door te hebben - niet aan [benadeelde 1] ( [benadeelde 2] ) heeft betaald, maar naar de rekening van een derde (cliënt). De verdediging voerde net aan dat civielrechtelijk voor de hand lijkt te liggen dat dit in de risicosfeer van [A] ligt, en dat in de verhouding tussen [A] en [benadeelde 1] het zo zal zijn dat [benadeelde 1] aanspraak kan maken op [A] om alsnog bevrijdend te betalen. Dat geldt te meer als [A] het bedrag heeft kunnen terugvorderen (hetgeen onbekend is, pv ttz p. 3). Kennelijk heeft [benadeelde 1] ervoor gekozen om niet aan [A] te vragen om alsnog bevrijdend te betalen. Hoe uw hof dit alles ook beoordeelt, het is in ieder geval een ingewikkeld civielrechtelijk aspect dat zich niet leent voor beoordeling in een strafzaak.
De hiervoor opgeworpen vragen, onder andere over de mate van rechtstreeks verband tussen het eventuele witwassen en de schade, en het feit dat [benadeelde 1] zich heeft gevoegd en niet [A] , terwijl dit complexe civiele kwesties zijn, maken dat deze vordering thuishoort bij de civiele rechter en een onevenredig beslag legt op het strafgeding. Dit zou overlegging van allerlei stukken, het horen van getuigen et cetera noodzakelijk maken. N-O.”
2.5.4
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij onder meer overwogen:
“Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] U.A.
In het onderhavige strafproces heeft de coöperatie [benadeelde 1] U.A. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 79.433,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 79.433,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Dat de benadeelde partij wellicht ook op andere wijze haar schade vergoed had kunnen krijgen, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers aan de benadeelde partij zelf om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.”
2.6
Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek aan de verdachte kan worden toegerekend. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.3.1 en 2.4.1.)
2.7
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het hof dat [benadeelde 1] heeft aangetoond dat zij tot het toegewezen geldbedrag schade heeft geleden en dat het hof daarbij heeft overwogen dat het “aan de benadeelde partij zelf [is] om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen”. Dit oordeel is, ook in het licht van wat de raadsman heeft aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat ook als in de rechtsverhouding tussen de benadeelde partij en de schuldenaar de betaling – die is bijgeschreven op de bankrekening van de verdachte in plaats van op de bankrekening van [benadeelde 1] – niet (volledig) bevrijdend zou zijn (vgl. HR 28 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:783, rechtsoverweging 3.1.2), dat niet zonder meer meebrengt dat in de rechtsverhouding tussen [benadeelde 1] en de verdachte moet worden aangenomen dat [benadeelde 1] geen schade heeft geleden als gevolg van de vastgestelde onrechtmatige gedragingen van de verdachte. Uit wat namens [benadeelde 1] in eerste aanleg en in hoger beroep is meegedeeld volgt dat de schuldenaar de factuur niet een tweede keer heeft betaald aan [benadeelde 1] . Verder is in hoger beroep verklaard dat de schade niet door de verzekering is gedekt.
2.8
Het cassatiemiddel klaagt verder over het oordeel van het hof dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte kon beschikken over het aan [benadeelde 1] toekomende geldbedrag dat was bijgeschreven op de bankrekening van de verdachte.
2.9
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand alsmede de taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beoordeling van het namens de benadeelde partij gedane verzoek tot kostenveroordeling
[benadeelde 1] heeft verzocht de verdachte te veroordelen in de kosten van de cassatieprocedure en in de kosten van hoger beroep. Nu het hof de verdachte heeft veroordeeld in de door [benadeelde 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, terwijl voor een cassatieprocedure als deze niet is voorzien in een veroordeling van de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in cassatie heeft gemaakt, zal aan dit verzoek voorbij worden gegaan.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Conclusie 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Schuldwitwassen. Art. 420quater Sr. M1 klaagt tevergeefs over uitblijven (begrijpelijke) responsie op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. culpa. M2 dat klaagt over oordeel hof dat benadeelde partij 'schade' heeft geleden slaagt. M3 klaagt over overschrijding redelijke inzendtermijn. Klacht gegrond, maar HR kan volstaan met constatering. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van een benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot partiële terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03100
Zitting 25 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 9 augustus 2023 door het gerechtshof Den Haag1.wegens 4 "schuldwitwassen" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Het hof heeft tevens beslist op vorderingen van benadeelde partijen en heeft in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Namens de verdachte heeft M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft H.M.A. over de Linden , advocaat in Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er onvoldoende bewijs is voor schuld, dan wel dat die motivering onbegrijpelijk is. In ieder geval is het bestanddeel ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ onvoldoende met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018, te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten
- een of meer geldbedragen (van in totaal 79.443,75 euro)
voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juli 2018 van de politie Eenheid Amsterdam met nr. PL1300-2018138349-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 76 e.v.):
als de op 9 juli 2018 afgelegde verklaring van [benadeelde 2] :
Ik ben werkzaam als directeur voor het bedrijf [benadeelde 1] U.A. Op 5 juni (ik lees: 5 juli, D.P.) 2018 is een factuur verzonden naar een klant van mij, genaamd [B] BV. In de factuur stond dat [B] een bedrag van € 79.433,75 moest overmaken op de bankrekening [rekeningnummer 1] . Op dezelfde dag ontving ik een e-mailbericht van [B] waarin stond dat de betaling is overgemaakt naar een nieuwe bankrekening [rekeningnummer 2] . Ik heb hierop een e-mailbericht teruggestuurd naar [B] en heb hierin vermeld dat wij geen bankrekening bij de ING bank hebben. Er is misbruik gemaakt van mijn identiteit en mijn e-mailadres zonder mijn toestemming. Het geld is inderdaad overgemaakt naar de ING bank. Bij navraag bij de ING bank bleek dat het overgemaakte geld al was weggeboekt van de ING bankrekening. Er lijkt op enigerlei wijze kennis te zijn van e-mailcorrespondentie tussen onze medewerkers van [benadeelde 1] en de medewerkers van [B] . Er wordt namelijk in de frauduleuze e-mail verwezen naar een betalingsafspraak in de eerste week van juli 2018.
2. Een geschrift, zijnde onderzoeksbevindingen van de ING, d.d. 27 juli 2018, opgemaakt en ondertekend door [naam 2] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (p. 151-152):
Uit het door mij ingestelde onderzoek is gebleken dat [verdachte] bij ING bekend is als wettelijk vertegenwoordiger van zakelijke rekening [rekeningnummer 2] ten name van de onderneming [C] . Op boekdatum 4 juli 2018 is frauduleus een bedrag van € 79.443,75 op deze rekening bijgeschreven. Dit bedrag is naar aanleiding van de door [benadeelde 2] gemelde e-mailhack/factuurfraude overgeboekt vanaf rekening [rekeningnummer 3] ten name van [B] BV. Na de bijschrijving van voornoemd bedrag hebben diverse overboekingen, geldopnames en betaalautomaattransacties plaatsgevonden. Uit de opgenomen camerabeelden van ING geldautomaten blijkt dat de geldopnames bij de ING geldautomaten zijn verricht door een man die overeenkomt met de man op de foto van het bij ING aanwezige kopie Paspoort ten name van [verdachte] . Verder zijn bedragen overgeboekt naar ING particuliere rekening [rekeningnummer 4] ten name van [verdachte] voornoemd. Ook is er een bedrag overgeboekt naar particuliere ING rekening [rekeningnummer 5] ten name van [naam 1] . Uit de opgenomen camerabeelden van ING geldautomaten blijkt dat vervolgens geldopnames bij ING geldautomaten zijn verricht door een man die overeenkomt met de man op de foto van de bij ING aanwezige kopie Identiteitskaart (Ik begrijp: van [naam 1] , D.P.). in aanwezigheid van de man die herkend is als kennelijk [verdachte]
3. Een proces-verbaal van verstrekking gegevens door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 31 juli 2018, van de politie Eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 206):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 5 juli 2018 om 11.03 uur is er een bon gemaakt op naam van. [verdachte] met als adres [a-straat 1] , [plaats] . Er is aangekocht:
- Rolex Oyster Perpetual Datejust 36(mm) horloge, met serienummer 333983J3 voor een bedrag van € 15.000
- Rolex Oyster Perpetual Day-date 36(mm) horloge, met serienummer G90511J8 voor een bedrag van € 32.800
Totaalbedrag: € 47.800
4. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 juni 2022 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Het klopt dat er op 4 juli 2018 een bedrag van € 79.433,75 is gestort op mijn bankrekening.
De kopers wilden het gestorte geld [het hof begrijpt: deels] in de vorm van Rolex horloges terugkrijgen. Ik heb aan hun wens gehoor gegeven.
5. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 23 februari 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018202753-36. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 262):
Die neefjes hebben toen aangeboden mijn zaak over te kopen. Wij zijn tot een overeenkomst gekomen van 80.000 euro. Dat geld kreeg ik daarna van hen gestort op mijn rekening. Dat ging via hun oom. Voordat we tot overschrijven kwamen [het hof begrijpt: bij de Kamer van Koophandel], had ik een vervelend gesprek met hen. Zij konden als nieuwe onderneming namelijk geen Staatsloten verkopen. Na overleg zijn wij uitgekomen op een afspraak, waarbij ik het geld [het hof begrijpt: het reeds naar verdachtes rekening overgemaakte geld] contant teruggaf. Ze hadden behoefte aan zekerheid. Ik heb 2 keer 10.000 euro gegeven aan hen en ik heb sieraden [het hof begrijpt: twee Rolex-horloges] gekocht. Die sieraden heb ik gepind en ervoor getekend. Dat was voor een waarde van rond de 40 a 50 duizend euro.
6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 juli 2023. Deze verklaring houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 26 juli 2023 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik vond het gek dat ik het geldbedrag niet kon terugstorten.”
2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2023 vermeldt dat de raadsman van de verdachte zijn pleidooi heeft gehouden conform de door hem overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“2. Witwassen?
De verdediging verzoekt uw hof om - anders dan de rechtbank - ook voor feit 4 vrij te spreken.
Cliënt stelt dus dat hij weliswaar het geld heeft ontvangen, en vervolgens twee horloges heeft aangeschaft en overgedragen, contante pinopnames heeft gedaan en geld heeft overgedragen, en enkele betalingen ten behoeve van zichzelf heeft gedaan. Dit vond echter wel plaats, stelt cliënt, in het kader van de lopende overname van de zaak.
Dat cliënt daarbij diverse alarmbellen heeft gemist, moge zo zijn. Naïviteit is nog geen bewijs voor schuld (in de zin van culpa) en zeker niet voor opzet. Als u niet kunt uitsluiten dat wat cliënt zegt waar is, dan dient ook voor feit 4 vrijspraak te volgen. Hij is dan dom geweest - zo mag ik het denk ik wel formuleren - maar heeft niet kunnen vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was.
[…]
Cliënt stelt dat hij daadwerkelijk dacht bezig te zijn met die overname, kreeg ineens het geld gestort, zag daar geen kwaad in, en werkte mee aan het teruggeven van het grootste deel van het geld op een manier die wellicht vreemd overkomt, maar waar cliënt vanuit zijn perspectief destijds geen kwaad in zag. Het terugstorten of naar een andere rekening van de kopers storten mocht niet; volledig onder zich houden mocht niet; intussen gingen de onderhandelingen voort. Het volledig pinnen van dat bedrag vanaf de rekening kon ook niet, en dus werd voor deze oplossing gekozen.
Nu ziet cliënt - achteraf - uiteraard dat het buitengewoon onhandig is geweest om medewerking te verlenen aan die transacties. Toen zag hij dat niet in. Dat dat dom is, is helder, maar domheid is nog geen schuld of opzet.
[…] Kortom, ook vrijspraak voor zowel opzet- als schuldwitwassen.”
2.5
Voor een veroordeling wegens schuldwitwassen als bedoeld in art. 420quater Sr, is vereist dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. ‘Redelijkerwijs moet vermoeden’ in art. 420quater Sr duidt op schuld of culpa. Uit de bewijsvoering moet blijken dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Bij enig nadenken had de verdachte kunnen vermoeden dat het om een voorwerp afkomstig uit misdrijf ging; de verdachte had niet zonder nader onderzoek met het voorwerp mogen handelen.2.
2.6
Het middel klaagt om te beginnen dat het hof niet heeft gerespondeerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de schuld, althans de verwerping van dat standpunt onbegrijpelijk is. Door de verdediging is als onderdeel van een verweer strekkende tot vrijspraak aangevoerd dat het zo mag zijn dat de verdachte diverse alarmbellen heeft gemist, maar dat naïviteit of domheid geen bewijs voor schuld oplevert. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens schuldwitwassen en heeft in zijn arrest ten aanzien van dit onderdeel van het verweer geen bewijsoverweging opgenomen. Het hof heeft in dit verband kennelijk geoordeeld dat het verweer met betrekking tot de ‘schuld’ zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Gelet op met name de inhoud van de bewijsmiddelen 4 en 6 acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk. Uit bewijsmiddel 6 volgt dat de verdachte het gek vond dat hij het geldbedrag van € 79.433,75 dat op zijn rekening was gestort, niet kon terugstorten. De omstandigheid dat terugstorten niet mocht in combinatie met de wens van anderen om het gestorte geld deels in de vorm van Rolex horloges terug te krijgen (bewijsmiddel 4), maakte dat de verdachte niet zonder nader onderzoek met het geld had mogen handelen.
2.7
Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat het hof ten aanzien het bestanddeel ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ heeft volstaan met het opnemen van bewijsmiddel 6, inhoudende de verklaring van de verdachte die hij ter terechtzitting van 26 juli 2023 heeft afgelegd, mist het middel gelet op het voorgaande feitelijke grondslag en faalt het.
2.8
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel klaagt dat het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel – mede gelet op het standpunt van de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep – ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2
Het in hoger beroep gehandhaafde verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. houdt in dat de schade is ontstaan doordat een cliënt van [benadeelde 1] U.A. als gevolg van oplichting en misbruik van identiteit van [benadeelde 2] , werkzaam voor [benadeelde 1] U.A., een bedrag van € 79.433,75 heeft overgemaakt naar een verkeerde rekening.
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2023 vermeldt dat de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd conform de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. Die pleitnotities houden onder meer in:
“3. Benadeelde partijen
[…]
Meer subsidiair meen ik dat [benadeelde 1] / [benadeelde 2] geen schade heeft geleden als gevolg van het feit, althans dat er onvoldoende rechtstreeks verband is omdat het juist een andere partij is die schade heeft geleden, namelijk [A] . [A] heeft naar de verkeerde rekening betaald en heeft daardoor schade geleden. [benadeelde 1] / [benadeelde 2] kan aanspraak maken op betaling; immers kan de [benadeelde 1] / [benadeelde 2] er niets aan doen dat [A] op een ander rekeningnummer heeft betaald. Het strekt te ver buiten de regeling van de benadeelde partij om nu te stellen dat [benadeelde 1] / [benadeelde 2] , doordat [A] slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, schade heeft geleden.
Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij niet weet of [A] de schade ergens heeft geclaimd (p. 3). Kortom, [A] heeft schade geleden en niet valt uit te sluiten dat die schade al is vergoed.
Kort gezegd: [benadeelde 1] / [benadeelde 2] heeft door het feit/de feiten geen schade geleden, althans er is onvoldoende rechtstreeks verband. Ook daarom bepleit ik niet-ontvankelijkheid.”
3.4
Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. als volgt overwogen:
“In het onderhavige strafproces heeft de coöperatie [benadeelde 1] U.A. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 79.433,00.
[…]
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Dat de benadeelde partij wellicht ook op andere wijze haar schade vergoed had kunnen krijgen, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers aan de benadeelde partij zelf om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.”
3.5
Het middel bevat onder meer de klacht dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. zelf schade heeft geleden die in een rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit niet zonder meer begrijpelijk is, nu niet [benadeelde 1] U.A., maar de [A] de schade heeft geleden, doordat zij niet bevrijdend aan de benadeelde partij heeft betaald.
3.6
Uit het overzichtsarrest vordering benadeelde partij volgt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Van rechtstreekse schade is sprake indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade ‘voldoende verband’ bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.3.Met betrekking tot vermogensschade – zoals hier – heeft te gelden dat die schade zowel geleden verlies als gederfde winst omvat (art. 6:96, eerste lid, BW). Vermogensschade bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.4.
3.7
Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat op de bankrekening van de verdachte een geldbedrag van € 79.433,75 is gestort door [A] , naar aanleiding van een naar dat bedrijf gestuurde frauduleuze e-mail met de mededeling dat dit geldbedrag – dat [A] aan [benadeelde 1] U.A. verschuldigd was – naar een bepaalde bankrekening moest worden overgemaakt, terwijl die bankrekening niet toebehoorde aan [benadeelde 1] U.A., maar aan de verdachte. Nadat de storting was gedaan, is het geldbedrag gedeeltelijk contant opgenomen en gedeeltelijk overgeboekt naar privérekeningen van onder meer de verdachte. Verder zijn daarmee Rolex-horloges gekocht. In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het wederrechtelijk binnendringen in de e-mailserver van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en van de oplichting van [A] . Ten laste van de verdachte is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wel bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, met betrekking tot het door hem ontvangen geldbedrag dat was overgemaakt door [A] .
3.8
De benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. heeft een vordering ingediend ter hoogte van het op de rekening van de verdachte gestorte geldbedrag van € 79.433,75. De verdediging heeft bij gelegenheid van het pleidooi aangevoerd dat de door [benadeelde 1] gevorderde schade geen rechtstreekse schade is. Daartoe is onder meer aangevoerd dat niet [benadeelde 1] , maar [A] de schade heeft geleden. Het hof heeft de vordering van [benadeelde 1] toegewezen, nu de benadeelde partij heeft aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
3.9
Zoals weergegeven is [A] (door anderen dan de verdachte) door middel van een frauduleuze e-mail bewogen om het aan [benadeelde 1] U.A. verschuldigde geldbedrag van € 79.433,75 over te maken naar de bankrekening van de verdachte. Niet is door of namens de benadeelde partij gesteld dat [A] daarmee geacht moet worden bevrijdend te hebben betaald aan [benadeelde 1] U.A.5.Daarmee is niet gebleken dat er bij [benadeelde 1] U.A. sprake is geweest van een ‘daadwerkelijke verandering’ in het vermogen. Gelet hierop acht ik het oordeel van het hof dat [benadeelde 1] U.A. heeft aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden, niet zonder meer begrijpelijk. De klacht daarover is gegrond.
3.10
Het slagen van voormelde klacht brengt mee dat een verdere bespreking van het middel naar mijn oordeel niet nodig is.
3.11
Het tweede middel slaagt.
4. Het derde middel
4.1
Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Op 9 augustus 2023 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 juli 2024 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de redelijke termijn voor de inzending van stukken van acht maanden overschreden.
4.2
Het middel is gegrond. Bovendien zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf voor de duur van 80 uren, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.6.
5. Slotsom
5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Het derde middel is gegrond, maar leidt niet tot cassatie.
5.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1] U.A., tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑11‑2025
Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 27 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:212, randnummer 19, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3, p. 15-16.
HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, r.o. 2.4 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, r.o. 3.3.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.2.
Vgl. H.B. krans en M.H. Wissink, Verbintenissenrecht algemeen, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 72-73.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.2, 3.1.3 en 3.2.
Beroepschrift 23‑09‑2024
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
inzake
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1984
te [geboorteplaats]
verzoeker tot cassatie van een hem betreffend
arrest van Gerechtshof Den Haag van
9 augustus 2023 in de zaak met
parketnummer 22-001898-22
Middel I
Het hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Met name zijn geschonden de artikelen 420bis Sr alsmede 350, 358 lid 2 en 359 lid 2 in verbinding met 415 Sv, aangezien het hof inzake het onder 4 ten laste gelegde witwassen is afgewekzen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak — kort gezegd inhoudende dat het bestanddeel schuld (culpa) niet kan worden bewezen — zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid, althans met opgave van redenen die die afwijking niet kunnen dragen; althans dat het bestanddeel ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting
1.
De raadsman van verzoeker heeft ter terechtzitting in hoger beroep blijkens zijn pleitnota, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde (witwassen):
‘2. Witwassen?
De verdediging verzoekt uw hof om — anders dan de rechtbank — ook voor feit 4 vrij te spreken.
Cliënt stelt dus dat hij weliswaar het geld heeft ontvangen, en vervolgens twee horloges heeft aangeschaft en overgedragen, contante pinopnames heeft gedaan en geld heeft overgedragen, en enkele betalingen ten behoeve van zichzelf heeft gedaan. Dit vond echter wel plaats, stelt cliënt, in het kader van de lopende overname van de zaak.
Dat cliënt daarbij diverse alarmbellen heeft gemist, moge zo zijn. Naïviteit is nog geen bewijs voor schuld (in de zin van culpa) en zeker niet voor opzet.
Als u niet kunt uitsluiten dat wat cliënt zegt waar is, dan dient ook voor feit 4 vrijspraak te volgen. Hij is dan dom geweest — zo mag ik het denk ik wel formuleren — maar heeft niet kunnen vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was.
Dát het geld van misdrijf afkomstig is, staat nu wel vast. Ik hoef het zesstappenarrest1. dus niet langs te lopen.
Wel maak ik een analogie met het zesstappenarrest, omdat ik meen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verklaring van cliënt onvoldoende is onderbouwd. Ik meen juist dat de verklaring van cliënt onvoldoende is onderzocht. Daarmee is onvoldoende onderzoek gedaan naar ontlastende omstandigheden. De zaak had er heel anders uit kunnen zien als ‘de neefjes’ ook waren gevonden en gehoord.
Waarom meen ik dat er sprake is van een voldoende onderbouwde verklaring? Cliënt heeft allerlei concrete omstandigheden benoemd: het voormalige ‘spirituele winkeltje’ van hun oom op [a-straat 01], de namen c.q. delen van de namen, signalementen, et cetera. Dat zijn evident verifieerbare gegevens.
Vervolgens heeft de politie even in het systeem en op internet gekeken naar die namen (aanvulling, p. 278). Dat zou geen resultaat hebben opgeleverd. Ook is gekeken of er op nummer [001] een spirituele winkel heeft gezeten. De politie komt met een heel verhaal over een juwelier in een ander pand et cetera, en concludeert dat die zaak er niet is geweest.
Ik heb zelf gekeken en heb binnen 1 minuut de spirituele winkel gevonden. Die zat voorheen gewoon op nummer [001], rechts naast de zaak van cliënt. In ieder geval in zomer 2014 nog. La Botanica de Chango, met kaarsen, wierook, olie et cetera (bijlage). Precies zoals cliënt beschreef. In het KVK-handelsregister zie ik een BV van die zaak. Wat een kleine moeite was het geweest om de eigenaar van die BV — mogelijk de oom! — even te horen en daarover gegevens op te nemen in het dossier. Is niet gebeurd. Het oordeel van de politierechter dat het ‘kan kloppen’ dat de politie niets omtrent de sprituele winkel heeft kunnen vinden (pv ttz, p. 4), is onbegrijpelijk. Waarom kan de politie niet vinden wat de raadsman via openbare bronnen in een minuut kan vinden? Er is eenvoudigweg niet goed gezocht. Wat blijft staan is dat cliënt een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd [insertie griffier: ‘van belang voor opzet dan wel schuld’].
Kortom, naar de alternatieve lezing van cliënt is te weinig — of in ieder geval: ondeugdelijk — onderzoek gedaan.
Cliënt stelt dat hij daadwerkelijk dacht bezig te zijn met die overname, kreeg ineens het geld gestort, zag daar geen kwaad in, en werkte mee aan het teruggeven van het grootste deel van het geld op een manier die wellicht vreemd overkomt, maar waar cliënt vanuit zijn perspectief destijds geen kwaad in zag. Het terugstorten of naar een andere rekening van de kopers storten mocht niet; volledig onder zich houden mocht niet; intussen gingen de onderhandelingen voort. Het volledig pinnen van dat bedrag vanaf de rekening kon ook niet, en dus werd voor deze oplossing gekozen.
Nu ziet cliënt — achteraf — uiteraard dat het buitengewoon onhandig is geweest om medewerking te verlenen aan die transacties. Toen zag hij dat niet in. Dat dat dom is, is helder, maar domheid is nog geen schuld of opzet.
Ik concludeer dus ten eerste dat het opzet ontbreekt, ook in voorwaardelijke zin, omdat cliënt niet wilde witwassen en ook niet bewust (!) de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zou meewerken aan witwassen. Kortom, ook vrijspraak voor zowel opzet- als schuldwitwassen.’
2.
Het hiervoor weergegeven betoog kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.
3.
Het hof heeft niettemin ten laste van verzoeker onder 4 bewezen verklaard dat:
‘hij in de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018, te 's‑Gravenhage, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten
- —
een of meer geldbedragen (van in totaal 79.443,75 euro)
voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp geheel — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf.’
4.
Voorts bevat het arrest de navolgende overwegingen ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde schuldwitwassen:
‘Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is — kort gezegd — aangevoerd dat de verklaring van cliënt over de herkomst van de gelden concreet, niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk en verifieerbaar is. Dat maakt dat het Openbaar Ministerie onderzoek had moeten doen naar die verklaring. Nu het Openbaar Ministerie dit heeft nagelaten, kan niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de: gelden een criminele herkomst hebben.
Beoordeling door het hof
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder b Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uiti enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst, onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof is van oordeel dat het door de advocaat-generaal aangedragen proces-verbaal en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het vermoeden rechtvaardigen dat het op 4 juli 2018 op de ING-bankrekening gestorte geldbedrag van € 79.443,75 afkomstig is uit enig misdrijf. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over do herkomst van het geldbedrag het volgende verklaard. Verdachte is eigenaar geweest van een franchiseonderneming, te weten een tabakswinkel. Toen hij deze winkel nog dreef had hij vaak contact met de uitbater van een naburige winkel. Via deze uitbater is hij in contact gekomen met twee neven van deze uitbater. Met een deze neven heeft verdachte naar eigen zeggen een overeenkomst gesloten. Bij deze overeenkomst werd de tabaksinkel van de verdachte door hem voor € 80.000 verkocht aan deze neef. De overeengekomen prijs was de optelsom van de waarde van de inventaris en de waarde van de goodwill. Toen er nagenoeg € 80.000 op zijn rekening werd overgemaakt beschouwde de verdachte dit als de betaling van de zojuist bedoelde koopprijs. Hij ging er daarbij van uit dat de rekening waar het geld vandaan, kwam, toebehoorde aam (een bedrijf van) een oom van zijn contractuele wederpartij (niet zijnde de uitbater van de buurwinkel, maar een andere oom). Vervolgens, dus na de betaling, zou, aldus de verdachte, de koper alsnog hebben willen afzien van de overeenkomst. Dit hield in dat het betaalde bedrag terug moest naar de koper. De koper wilde echter geen girale overboeking, maar een restitutie in contanten en in de vorm van twee (dure) horloges.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, net als in eerste aanleg, gezegd niet in staat te zijn een schriftelijk contract te tonen dat het bestaan van de overeenkomst bewijst. Evenmin heeft hij bereikbaarheidsgegevens kunnen verstreken van de beide neven of van een van hen.
Naar een voorloper van de zojuist bedoelde verklaring van de verdachte — te weten de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring — is reeds onderzoek verricht. Dit onderzoek van de politie was gericht op het nader identificeren en traceren van de neven. Dit onderzoek heeft geen succes gehad.
Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan worden aangemerkt.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft derhalve geen aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.’
5.
Aldus is het hof afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid, althans met opgave van redenen die die verwerping niet kunnen dragen.
6.
Het hof heeft immers uitsluitend gerespondeerd op een verweer dat niet is gevoerd. De verdediging heeft uitdrukkelijk gesteld dat géén beroep werd gedaan op de ‘zesstappenjurisprudentie’, maar dat die slechts als analogie werd gebruikt. Dat het geld van enig misdrijf afkomstig is, aldus het uitdrukkelijk standpunt, staat wel vast. In het UOS is aangevoerd dat er volgens de verdediging onvoldoende bewijs is voor opzet dan wel schuld.
7.
In het bestreden arrest heeft het hof schuld (culpa) bewezenverklaard, zonder enige overweging te wijden aan hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd. De verdediging heeft aangevoerd wat volgens verzoeker de context was van het overmaken van het geld (overname van de gemakswinkel), dat naïviteit nog geen bewijs is voor schuld (culpa), dat niet valt uit te sluiten dat de lezing van verzoeker waar is, dat ondanks diverse concrete aanknopingspunten om de lezing van verzoeker te controleren geen (deugdelijke) controle heeft plaatsgevonden, dat de raadsman die aanknopingspunten middels openbare bronnen wel vond, en dat verzoeker in de gang van zaken destijds geen kwaad zag en dat al met al geen sprake is van schuld. Het hof heeft hierop in het geheel niet gerspondeerd.
8.
Voor zover het hof met de hiervoor weergegeven overwegingen heeft bedoeld te responderen op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt omtrent het ontbreken van schuld, is de verwerping van het UOS niet begrijpelijk nu de overwegingen immers slechts zien op het afkomstig zijn uit enig misdrijf en niet op schuld aan de zijde van verzoeker.
9.
Voorts meent verzoeker dat het bestanddeel ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ ontoereikend is gemotiveerd nu het hof hieraan geen overwegingen heeft gewijd, terwijl in de aanvulling op het verkorte arrest slechts is volstaan met de verklaring van verzoeker ter terechtzitting inhoudende:
‘Ik vond het gek dat ik het geldbedrag niet kon terugstorten.’
(b.m. 6).
Middel II
Het hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. Met name zijn geschonden artikel 36f Sr alsmede de artikelen 51f en 361 in verbinding met artikel 415 Sv, aangezien het hof de toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel — mede gelet op het standpunt van de raadsman van verzoeker — niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
Toelichting
1.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verzoeker ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. / [benadeelde 2] — voor zover hier van belang — het volgende naar voren gebracht (pleitnotities, p. 3–4):
‘3. Benadeelde partijen
3.1. [benadeelde 2]
(…)
Subsidiair: niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van voldoende rechtstreeks verband. De voorliggende zaak is wat atypisch. Uit het dossier blijkt dat een of meer onbekend gebleven personen [A] hebben bewogen tot betaling van een bedrag. Het geld is toen niet overgemaakt naar de andere contractpartij, maar naar de rekening van cliënt. Op dat moment ontstaat de schade. Daarbij is cliënt echter niet betrokken, gelet op de onherroepelijke vrijspraken voor de feiten 1 t/m 3. De schade dus wel in een rechtstreeks verband met die onderliggende fraude, maar niet met de daaropvolgende handelingen. De eventuele witwashandelingen achteraf hebben de schade niet veroorzaakt.
Meer subsidiair meen ik dat [benadeelde 1]/[benadeelde 2] geen schade heeft geleden als gevolg van het feit, althans dat er onvoldoende rechtstreeks verband is omdat het juist een andere partij is die schade heeft geleden, namelijk [A]. [A] heeft naar de verkeerde rekening betaald en heeft daardoor schade geleden. [benadeelde 1]/[benadeelde 2] kan aanspraak maken op betaling; immers kan de [benadeelde 1]/[benadeelde 2] er niets aan doen dat [A] op een ander rekeningnummer heeft betaald. Het strekt te ver buiten de regeling van de benadeelde partij om nu te stellen dat [benadeelde 1]/[benadeelde 2], doordat [A] slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, schade heeft geleden.
Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat [BP benadeelde 2] heeft verklaard dat hij niet weet of [A] de schade ergens heeft geclaimd (p. 3). Kortom, [A] heeft schade geleden en niet valt uit te sluiten dat die schade al is vergoed.
Kort gezegd: [benadeelde 1]/[benadeelde 2] heeft door het feit/de feiten geen schade geleden, althans er is onvoldoende rechstreeks verband. Ook daarom bepleit ik niet-ontvankelijkheid.
Meest subsidiair meen ik dat de vordering een onevenredig beslag legt op het strafgeding, en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De situatie is civielrechtelijk immers ingewikkeld:
Zoals ik al aanvoerde moet worden aangenomen dat [A] — kennelijk zonder het door te hebben — niet aan [benadeelde 1] ([benadeelde 2]) heeft betaald, maar naar de rekening van een derde (cliënt). De verdediging voerde net aan dat civielrechtelijk voor de hand lijkt te liggen dat dit in de risicosfeer van [A] ligt, en dat in de verhouding tussen [A] en [benadeelde 1] het zo zal zijn dat [benadeelde 1] aanspraak kan maken op [A] om alsnog bevrijdend te betalen. Dat geldt te meer als [A] het bedrag heeft kunnen terugvorderen (hetgeen onbekend is, pv ttz p. 3). Kennelijk heeft [benadeelde 1] ervoor gekozen om niet aan [A] te vragen om alsnog bevrijdend te betalen. Hoe uw hof dit alles ook beoordeelt, het is in ieder geval een ingewikkeld civielrechtelijk aspect dat zich niet leent voor beoordeling in een strafzaak.
De hiervoor opgeworpen vragen, onder andere over de mate van rechtstreeks verband tussen het eventuele witwassen en de schade, en het feit dat [benadeelde 1] zich heeft gevoegd en niet [A], terwijl dit complexe civiele kwesties zijn, maken dat deze vordering thuishoort bij de civiele rechter en een onevenredig beslag legt op het strafgeding. Dit zou overlegging van allerlei stukken, het horen van getuigen et cetera noodzakelijk maken. N-O.’
2.
Het hof heeft evenwel omtrent de vordering van deze benadeelde partij als volgt beslist (arrest, p. 7–8):
‘Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] U.A.
In het onderhavige strafproces heeft de coöperatie [benadeelde 1] U.A. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiele schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 79.433, 00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 79.433,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Dat de benadeelde partij wellicht ook op andere wijze haar schade vergoed had kunnen! krijgen, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers aan de benadeelde partij zelf om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A.
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 79.433,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde 1] U.A.’
3.
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.2.
Deelklacht I — rechtstreeks verband
4.
Zoals hiervoor weergegeven heeft de verdediging ter terechtzitting aangevoerd dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat om twee redenen. Ten eerste zou de schade het gevolg zijn van de fraude waarvan verzoeker is vrijgesproken, terwijl het witwassen pas daarna plaatsvindt waardoor de schade onvoldoende rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit. Ten tweede zou het niet de benadeelde partij zijn die schade heeft geleden, maar [A], die immers door naar het rekeningnummer van verzoeker te betalen niet bevrijdend betaald heeft aan de benadeelde partij. Aldus is aangevoerd dat [A] slachtoffer is van een strafbaar feit en schadevergoeding zou kunnen vorderen, maar dat de benadeelde partij geen rechtstreekse schade heeft geleden. Bovendien heeft de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven niet te weten of [A] de schade al ergens heeft geclaimd, zodat moet worden aangenomen dat [A] benadeeld is terwijl die schade bovendien mogelijk al is vergoed.
5.
Door slechts te overwegen dat het aan de benadeelde partij is om te kiezen op welke wijze c.q. bij welke partij de schade wordt gevorderd, is niet dan wel onvoldoende gerespondeerd op hetgeen namens verzoeker is aangevoerd. Aldus is niet zonder meer begrijpelijk dat de benadeelde partij zelf schade heeft geleden die in een rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit.
Deelklacht II — onevenredig beslag
6.
Voorts heeft de raadsman gesteld dat de vordering een onevenredig beslag legt op het strafgeding en daarom niet-ontvankelijk diende te worden verklaard (meest subsidiaire verweer). Daartoe is opnieuw gewezen om de civielrechtelijke complexiteit nu immers [A] niet aan [benadeelde 1] heeft betaald, maar naar de rekening van verzoeker, terwijl het niet [A] is maar [benadeelde 1] die zich als benadeelde partij heeft gevoegd, terwijl bovendien onbekend is of [A] reeds schadeloos is gesteld, zoals namens [benadeelde 1] in eerste aanleg is verklaard. Aldus is sprake van civielrechtelijke complexiteit, terwijl in het kader van de strafzaak niet de mogelijkheid bestaat om dit alles te onderzoeken door middel van getuigenverhoren. Gelet daarop, aldus het verweer, hoort deze vordering niet thuis in het strafproces maar dient deze bij de civiele rechter aanhangig te worden gemaakt.
7.
Het hof heeft hierop niet uitdrukkelijk gerespondeerd, althans volstaan met de hiervoor weergegeven overweging.
8.
In de zaak HR 23 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:644, r.o. 3.3.2) heeft uw Raad overwogen:
‘Dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen.’
9.
Gelet op de civielrechtelijke complexiteit van de vordering — zowel de vraag of de benadeelde partij daadwerkelijk zelf schade heeft geleden, of die schade in een voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde én of de schade niet reeds (aan [A]) is vergoed — is de toewijzing (en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel) in het licht van de procedurele beperkingen van de vordering benadeelde partij ontoereikend gemotiveerd.
10.
Kortom, nu het hof aldus niet dan wel onvoldoende heeft gerespondeerd op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd (eerste en tweede deelklacht), is het oordeel van het hof — zowel de toewijzing van de vordering benadeelde partij als de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel — in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
11.
Het arrest kan in zoverre dan ook niet in stand blijven.
Middel III
Het hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. Met name is geschonden artikel 6 lid 1 EVRM, doordat het hof heeft verzuimd de stukken van het geding binnen een redelijke termijn in te zenden, aangezien de akte cassatie is opgemaakt op 9 augustus 2023 en de stukken van het geding bij uw Raad zijn ingekomen op 2 juli 2024, zodat de inzendtermijn langer is geweest dan de redelijke termijn van acht maanden.3.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat — anders dan in de hiervoor genoemde rechtspraak is overwogen — ook een taakstraf korter dan 100 uren voor verkorting in aanmerking behoort te komen. Immers is het ongemak van een te lange duur van het strafproces in een dergelijk geval niet minder dan bij oplegging van een taakstraf van langere duur. Daarom meent verzoeker dat vermindering van de duur van de opgelegde taakstraf aangewezen is.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Amsterdam, 23 september 2024
mr. M. Berndsen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑09‑2024
Hof Amsterdam 11 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P. Mevis.