Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1082
Indirecte bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht door tegen reclasseringsmedewerker te zeggen dat hij naar huis van bedreigde zou gaan, hem dood zou slaan met steigerpijp en hem zo hard zou slaan dat hij niet meer op zou staan, art. 285 lid 1 Sr. Bewijsklacht opzet. Is opzet van verdachte erop gericht dat bedreigde daadwerkelijk (via derden) op de hoogte zou raken van bedreiging? Voor veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht is o.m. vereist dat bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van bedreiging en dat door bedreiging, gelet op aard daarvan en omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij betrokkene in redelijkheid vrees kon ontstaan dat deze leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, NJ 2005/448) en dat (voorwaardelijk) opzet van verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, NJ 1984/479). Hof heeft vastgesteld dat verdachte, tijdens gesprek met medewerker van reclassering, bedreigde heeft bedreigd door te zeggen dat hij ‘nu’ naar adres van deze bedreigde gaat, hem zou ‘dood slaan met steigerpijp’ en hem ‘zo hard’ zou slaan ‘dat hij niet meer op staat’. Hof heeft geoordeeld dat gelet op aard en inhoud van uitlatingen kans aanmerkelijk was dat reclasseringsmedewerker de politie op de hoogte zou brengen van deze bedreigingen met misdrijf tegen leven gericht en dat politie vervolgens bedreigde daarvan op de hoogte zou brengen. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat bedreigde al eerder slachtoffer was geworden van een door verdachte begaan strafbaar feit, dat verdachte mogelijk wist waar bedreigde verbleef, en dat aan overbrengen van dergelijke bedreigingen aan politie, als veiligheid van personen in geding is, niet zonder meer een op reclasseringsmedewerker rustende geheimhoudingsplicht in de weg staat. Hierin ligt tevens als ’s hofs oordeel besloten dat verdachte, door onder deze omstandigheden tegenover medewerker van reclassering bedreigingen aan adres van bedreigde te uiten, bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bedreigde van die bedreigingen op de hoogte zou raken. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
HR 30-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1432
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 september 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/01172
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1432, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:600, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑06‑2025
Essentie
Indirecte bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht door tegen reclasseringsmedewerker te zeggen dat hij naar huis van bedreigde zou gaan, hem dood zou slaan met steigerpijp en hem zo hard zou slaan dat hij niet meer op zou staan, art. 285 lid 1 Sr. Bewijsklacht opzet. Is opzet van verdachte erop gericht dat bedreigde daadwerkelijk (via derden) op de hoogte zou raken van bedreiging? Voor veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht is o.m. vereist dat bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van bedreiging en dat door bedreiging, gelet op aard daarvan en ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.