Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/8.4.2.1
8.4.2.1 Gebruik van onder dwang verkregen verklaringen in strijd met het verbod
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498347:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 71.
EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland), § 54: ‘Bearing in mind the concept of fairness in Article 6, the Court considers that the right not to incriminate oneself cannot reasonably be confined to statements of admission of wrongdoing or to remarks which are directly incriminating (…). Testimony obtained under compulsion which appears on its face to be of a non-incriminating nature – such as exculpatory remarks or mere information on questions of fact – may later be deployed in criminal proceedings in support of the prosecution case, for example to contradict or cast doubt upon other statements of the accused or evidence given by him during the trial or to otherwise undermine his credibility (...).’
EHRM 27 april 2004 (Kansal t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2004, nr. 30, p. 1261, § 29.
Kamerstukken II 2001/02, nr. 28 176, nr. 1, p. 8.
A-G Knigge, conclusie bij HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes); AB 2007/2 (m.nt. Jongma), pt. 3. Zie eerder Feteris in zijn noot onder ECRM 10 mei 1994, (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), FED 1995/2, pt. 7, alsook zijn aant. bij ECRM 26 februari 1997 (M. Abas t. Nederland),FED 1998/80 en zijn noot onder EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254.
Zie § 6.5.5.2.3 hiervoor.
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 39-41.
Zie nadien bijvoorbeeld EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken);FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 64.
Inherent aan de bewijsgaring vóór de criminal charge is dat (vooral voor anderen dan de betrokkene) niet aanstonds duidelijk is of de gevorderde medewerking potentieel belastend is. Dat hoeft in dat stadium ook nog niet te worden beoordeeld. Vgl. § 71 e.v. van het arrest Saunders. Daarin overweegt het Hof dat verklaringen die onder dwang worden verkregen en niet belastend lijken, later kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van de strafzaak; bijvoorbeeld om hetgeen de verdediging in de strafzaak naar voren brengt te weerleggen of onbetrouwbaar te doen lijken, of anderszins de geloofwaardigheid van de verdachte te ondermijnen.1 Tijdens de strafzaak hadden de vervolgende autoriteiten bijvoorbeeld een deel van Saunders’ verklaringen aan de jury voorgehouden als bewijs voor de aanklacht en om zijn eerlijkheid in twijfel te trekken. Ook had een medeverdachte de verklaringen gebruikt om twijfel te zaaien over klagers versie van de feiten.
Zelfbelasting: ruim begrip
In de zaak Aleksandr Zaichenko verwijst het Hof naar § 71 van het Saunders-arrest. Het stelt vast dat de verklaringen die de klager voor het ‘charge’-moment had afgelegd, in de daaropvolgende strafprocedure waren gebruikt op een manier die hem beoogde te belasten.2 Zie ook de zaak Kansal. Daarin overweegt het Hof onder verwijzing naar Saunders dat de (gespreks)verslagen van het faillissementsonderzoek onder dwang tot stand waren gekomen en nadien een belangrijke rol speelden in de strafzaak tegen de klager.3 Gelet op deze zaken en de dadelijk in § 8.4.2.2 te bespreken zaak I.J.L. e.a., lijkt er geen twijfel dat de ruime uitleg die het Hof in Saunders aan de notie van zelfbelasting geeft, kan worden doorgetrokken naar andere situaties.
Anders: Nederland
Dit laatste is niet algemeen aanvaard. Zo is de Nederlandse regering van oordeel dat uit de zaak Saunders kan worden afgeleid, dat onder omstandigheden het gebruik van onder dwang afgelegde verklaringen in de latere strafzaak, in strijd kan komen met art. 6 EVRM. De reikwijdte van deze (veronderstelde) ‘uitzondering’ is voor de Nederlandse situatie moeilijk in te schatten. De uitspraak van het Hof wordt volgens de Nederlandse regering gebaseerd op de omstandigheden van de concrete zaak. Hierbij speelde onder meer het gegeven dat er sprake was van juryrechtspraak, een belangrijke rol.4
Zie ook Knigge, die in zijn noot onder Saunders opmerkt, dat de opvatting van het Hof dat de van Saunders afgedwongen verklaringen vanwege de tegenstrijdigheden en feitelijke onjuistheden daarin een belastend karakter hadden, moet worden bezien tegen de achtergrond dat het in casu ging om juryrechtspraak. In Nederlandse verhoudingen zal het enkele op de zitting ter sprake brengen van onvrijwillig afgelegde verklaringen niet direct een incriminerend gebruik van die verklaringen opleveren. Van een beroepsrechter mag worden verwacht dat hij geen onbruikbaar bewijsmateriaal in zijn oordeelsvorming betrekt.5 Dit is op zichzelf juist. Dat een beroepsrechter oordeelt en niet een jury, sluit echter niet uit dat bijvoorbeeld een verdachte of getuige door het onbruikbare bewijsmateriaal kan worden beïnvloed. Van groter belang is dat in de latere zaken Aleksandr Zaichenko en Kansal geen sprake is van juryrechtspraak. Toch oordeelt het Hof het belastend gebruik van de van de klagers verkregen verklaringen in strijd met art. 6.
Ruime uitleg volgt ook uit andere arresten
Dat het Hof met betrekking tot de latente werking van het niet-meewerkrecht een ruime uitleg van de notie van zelfbelasting voorstaat, kan ook uit andere zaken worden afgeleid. In Shannon was sprake van samenloop van de toezichts- en vervolgingssfeer (en niet volgtijdelijk zoals in Saunders).6 Betreffende de gehoudenheid van Shannon om mee te werken aan een vraaggesprek nadat tegenover hem een criminal charge was geuit die betrekking had op hetzelfde feitencomplex, overweegt het Hof dat de informatie die hij tijdens het interview zou hebben verstrekt wanneer hij wel was verschenen, door de vervolgende autoriteiten kon worden gebruikt in een daaropvolgende strafzaak als hij zijn verdediging had gestoeld op bewijs dat daarmee onverenigbaar is. Dat gebruik zou Shannon het recht hebben ontnomen om zelf te bepalen welk bewijs hij wilde inbrengen en hebben geresulteerd in ‘resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused’. Het Hof concludeert dat de gehoudenheid van klager om het vraaggesprek te hebben met de financieel onderzoekers en te worden verplicht om vragen te beantwoorden in verband met gebeurtenissen waarvoor hij al was ‘charged with a criminal offence’, onverenigbaar is met het recht tegen gedwongen zelfbelasting.7
De analogie met Saunders zal duidelijk zijn. Wanneer Shannon wel zou hebben meegewerkt, dan zouden zijn verklaringen tijdens de latere strafzitting mogelijk op belastende wijze tegen hem zijn gebruikt. Omdat hij juist niet aan het onderzoek had meegewerkt, spelen het gebruik van de verklaringen en de mate van dwang die daardoor op hem zou zijn uitgeoefend, geen rol bij de beoordeling van zijn klacht over schending van art. 6 EVRM.8 Dit geeft steun aan de gedachte dat de latente werking van het niet-meewerkrecht in Saunders weliswaar steunt op meergenoemde (bijzondere) omstandigheden, maar dat de gelding ervan niet tot die feitelijke context is beperkt.
Ik merk op dat ook voor de latente werking geldt dat die weliswaar een ruim toepassingsbereik heeft, maar dat daarop beperkingen zijn toegestaan. Los van het navolgende verwijs ik naar hoofdstuk 9 e.v. hierna, waarin het toetsingskader voor schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting centraal staat.