Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.3.2
3.4.3.2 Het Bloembollen-arrest
1
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644977:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 december 1937, ECLI:NL:HR:1937:155 (Bloembollenarrest).
Dit blijkt uit de slotoverweging: “dat hieruit tevens volgt, dat het voor de beslissing der zaak niet van belang is om met het middel te onderscheiden tusschen die bollen, welke gedurende het geheele tijdsverloop tusschen den koop door Bollenhuis en 14 Juni 1933 in den grond van Komen zijn verbleven, en de bollen, die gedurende dit tijdsverloop ingevolge de overeenkomst tijdelijk uit den grond zijn genomen; dat toch, aangenomen, dat deze laatste bollen, doordat Komen die rooide en onder zich hield voor Bollenhuis, haar eigendom geworden zijn, dit eigendomsrecht — de overeenkomst tusschen partijen ten spijt — toch weder voor haar verloren is gegaan, toen de bollen weder wortelvast met den grond van Komen vereenigd waren.”
Asser/Scholten (1945), p. 305. Anders Drion in zijn noot bij HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal): “Ten onrechte zag Scholten in zodanige levering het vestigen van een opstalrecht: in het gegeven geval kan de grondeigenaar zeker niet na dertig jaar door een eenzijdige opzegging de eigendom van de geleverde gebouwen of planten terugkrijgen, hetgeen hij bij een opstalrecht i.h.a. wel kan (art. 766 B.W.).”
Waar de Hoge Raad in het sleepboot Egbertha-arrest nog sprak over bijzaken, gebruikte hij een jaar later, in 1937, het woord bijzaak niet in het Bloembollenarrest. In dit arrest speelde zich het volgende af. Grondeigenaar Komen had bloembollen verkocht en via een (ongeregistreerde) akte geleverd aan Bloembollenhuis. Partijen waren overeengekomen dat Komen de bollen voor Bloembollenhuis zou onderhouden, zolang ze nog in de grond zaten. Tijdens het teeltseizoen zouden vervolgens de bollen uit de grond worden gehaald, zodat het Bloembollenhuis deze kon verkopen. De bollen die niet werden verkocht gingen daarna weer terug in de grond van Komen, waarna deze voor Bloembollenhuis de bollen verder zou telen. Enkele jaren later kocht Bemap via een executieverkoop de grond van de inmiddels failliete Komen. Bemap werd na de levering van de grond niet alleen eigenaar van de grond, maar ook van de bollen die na het teeltseizoen weer terug in de grond waren gezet. Het Bloembollenhuis was echter van mening dat het nog steeds eigenaar was van de bloembollen, aangezien hij met Komen had afgesproken dat Komen de bollen ging telen voor hem. De Hoge Raad stelde:
“dat deze stelling echter onjuist is, daar het in de Nederlandsche wetgeving gehuldigde stelsel van openbaarheid van den rechtstoestand van het onroerend goed niet kent verkrijging van eigendom of ander zakelijk recht op zoodanig goed alleen door een daartoe strekkende overeenkomst, doch daarbij eischt, dat de titel, waarbij het recht wordt overgedragen of gevestigd, wordt overgeschreven in de daartoe bestemde openbare registers, wat, gelijk boven is overwogen, hier niet is geschied.”
De Hoge Raad oordeelde dat de bollen die in de grond zaten bestanddelen van de grond waren geworden.2 Hij nam wederom niet expliciet het bestaan van zelfstandige bijzaken aan, maar zette de deur op een kier. Was een overdracht van de bollen niet mogelijk aangezien het geen zelfstandige zaken maar bestanddelen waren? Was overdracht wel mogelijk geweest als partijen deze hadden ingeschreven in de openbare registers? Of had het Bloembollenhuis om de eigendom van de bollen te behouden een opstalrecht moeten vestigen, aangezien dit recht de natrekking doorbrak? 3 Uit het arrest wordt een en ander niet duidelijk.