De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.2.3:18.2.3 Voorstellen tot inhoudelijke wijziging van het verjaringsrecht
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.2.3
18.2.3 Voorstellen tot inhoudelijke wijziging van het verjaringsrecht
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372580:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In het betreffende hoofdstuk suggereerde ik nader empirisch onderzoek te doen naar de vraag of inderdaad, zoals ik veronderstelde, in de periode tussen drie en vijf jaar de bewijs- en rechtszekerheidspositie van de crediteur over het algemeen nog verslechtert, en de crediteur er geen serieus te nemen belang bij heeft langer dan drie jaar te kunnen vorderen. Bij gebreke van dergelijke gegevens is deze stelling in sterkere mate hypothetisch dan de andere vier.
Dat hoorde ik hem bijvoorbeeld doen tijdens een lezing in het voorjaar van 2004.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de inleiding tot dit hoofdstuk noemde ik een aantal punten waarop ik het verjaringsregime minder gelukkig vind. Naar mijn mening zou de verjaringsregeling verbeteren als de wetgever het volgende verandert:
De subjectieve termijn bedraagt geen vijf, maar drie jaar1
Een vordering verjaart krachtens de objectieve termijn niet "in ieder geval" na twintig jaar. De objectieve termijn blijft buiten toepassing als de teloorgang van het bewijs de discussie niet onmogelijk heeft gemaakt en de vordering nog actueel is.
Voor personenschade geldt geen bijzonder regime.
Voor het stuiten van de verjaring volstaat een enkel stuitingsbriefje niet. De verjaring wordt slechts gestuit zolang de crediteur zijn vordering actief najaagt, ofwel door te onderhandelen, ofwel door te procederen.
Onderhandelen of procederen heeft niet tot gevolg dat een nieuwe termijn gaat lopen. Zij hebben slechts tot gevolg dat de klok stil wordt gezet.
Ik hoop de argumenten voor deze opvatting in de voorgaande hoofdstukken te hebben genoemd.
Óf overigens de wetgever de regeling op de voornoemde punten moet aanpassen, is een andere kwestie. W.Snijders wijst als het om wetswijzigingen gaat op een fenomeen dat path dependance genoemd.2 Wij typen nog op een QWERTY-toetsenbord hoewel al decennia vaststaat dat die letterordening voor het invoeren van tekst niet optimaal is. Maar doordat het QWERTY-toetsenbord zo breed geïntegreerd is,
wegen de voordelen van verandering niet op tegen de nadelen. Iets vergelijkbaars doet zich bij wetgeving voor en dus ook bij de verjaringsregeling. De wetgever kan niet kosteloos, in financiële en bredere zin, een regeling wijzigen die in de praktijk is ingesleten. Praktijkjuristen zijn bekend geraakt met het geldend recht en hebben hun praktijk erop ingericht; er moet overgangsrecht worden geformuleerd met alle rechtsonzekerheid van dien; de wetgever wekt de indruk een zwabberkoers te varen door een substantieel deel van het nieuwe BW binnen korte tijd alweer te wijzigen, enzovoorts.
Natuurlijk is die path dependance niet eindeloos prohibitief. Maar hij maakt wel duidelijk dat onvolkomenheden in de wettelijke regeling een bepaald gewicht moeten hebben om wetswijziging te rechtvaardigen. Dat gewicht is voor mij erg lastig te bepalen.
Het sterkste voorbeeld biedt wellicht de bijzondere regeling voor de verjaring van personenschade. De wetgever heeft aan art. 3:310 BW een vijfde lid toegevoegd dat personenschade van de werking van de objectieve termijn uitzondert. Ik ben op die bijzondere bepaling tegen. Toch zou ik op dit moment, om de voornoemde redenen, betwijfelen of haar afschaffing verstandig is. Wellicht minder uitgesproken, maar toch vergelijkbare bedenkingen zou de wetgever ten aanzien van mijn andere wijzigingssuggesties kunnen hebben.