Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.5.1
6.4.5.1 Beperkte overschrijding van aangifte- en betalingstermijnen
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460906:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Met ingang van 1 januari 2016 is het achtste lid van paragraaf 21 van het BBBB komen te vervallen (besluit van 23 december 2015, nr. BLKB2015/1429M). Het is echter voorstelbaar dat de Belastingdienst in voorkomende gevallen toch tot matiging overgaat i.v.m. de ontwikkeling in de rechtspraak terzake (zie het Wob-besluit van de staatssecretaris van Financiën van 18 april 2017, kenmerk 2017-0000071930 (www.rijksoverheid.nl). Vandaar dat ik dit onderwerp toch behandel. Zie ook Rechtbank Gelderland 25 april 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:2361).
Omschrijving
Fiscale verzuimboeten zien voornamelijk op het soepel laten verlopen van het proces bij de Belastingdienst. Als aangiften op tijd worden ingediend en betalingen volledig en tijdig worden verricht dan ondervindt de Belastingdienst geen hinder bij de geautomatiseerde verwerking van die gegevens en betalingen. Is men echter te laat met de aangifte of de betaling, dan moeten er extra administratieve handelingen plaatsvinden met bijbehorende kosten.
Toch wordt niet altijd een (volledige) verzuimboete opgelegd als de belastingplichtige te laat is. Als de belastingplichtige slechts een paar dagen te laat is met zijn aangifte of betaling, dan is dit vaak een reden om een boete te matigen of om zelfs in het geheel geen boete op te leggen. De reden voor deze coulance houdt onder meer verband met de ‘last’ die de Belastingdienst heeft van deze geringe termijnoverschrijding. Deze is namelijk vrijwel nihil, omdat bij de automatische verwerking alsnog rekening kan worden gehouden met de te late aangiften en betalingen. Zo kan een aangifte inkomstenbelasting die een week te laat binnenkomt alsnog gebruikt worden voor het juist vaststellen van de aanslag, waardoor een arbeidsintensief vervolgtraject wordt voorkomen. Hetzelfde geldt voor een betaling die een paar dagen te laat is; deze kan vaak nog meelopen in het controleproces dat in de regel op een later moment plaatsvindt. Het negatieve gevolg van het verzuim doet zich in dergelijke gevallen dus vrijwel niet voor.
Strafdoelen
Het alsnog doen van een aangifte of betaling, terwijl de belastingplichtige in verzuim is, zou opgevat kunnen worden als een vorm van inkeer of vrijwillige verbetering (zie hoofdstuk 2, onderdeel 2.9.3.4, onder a, en hierna onderdeel 6.4.5.2). Terwijl bij inkeer een zeer lange duur alvorens wordt ingekeerd als extra verwijtbaar en dus strafverzwarend wordt aangemerkt, zou een zeer korte duur tussen het moment van verzuim en inkeer wellicht op te vatten zijn als minder verwijtbaar. Daarnaast is het hiervoor besproken aspect van de niet-opgetreden schade van belang voor het verlagen van de bovengrens van de straftoemeting.
Maar ook preventiedoeleinden zijn van invloed op de hoogte van de strafmaat bij een geringe termijnoverschrijding. Zo wordt bij een overschrijding van de betalingstermijn bij aangiftebelastingen in de periodiciteit een coulancetermijn gehanteerd van zeven dagen. Als betaald wordt binnen die zeven dagen, dan krijgt de belastingplichtige een zogeheten verzuimmededeling. Deze mededeling houdt in dat wanneer de belastingplichtige het eerstvolgende tijdvak wederom in verzuim is – dus ongeacht of hij dan alsnog tot betaling overgaat en het moment waarop – hij in ieder geval een boete krijgt (zie paragraaf 23, lid 4 BBBB).
Het achtste lid van paragraaf 21 BBBB – dat m.i.v. 1 januari 2016 is komen te vervallen – bevatte standaardmatigingsbeleid voor aangifteverzuimen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Dit beleid was bedoeld om belastingplichtigen te bewegen alsnog aangifte te doen door een matiging in het vooruitzicht te stellen. Preventiedoelen speelden hierbij slechts een beperkte rol, omdat de matiging zag op het reeds begane verzuim en niet op een toekomstig verzuim. Daarnaast is het ook nog maar de vraag in hoeverre vergelding een reden voor matiging is. Het beleid schreef namelijk matiging ook voor in gevallen waarin reeds in bezwaar is gegaan en de aangifte binnenkomt uiterlijk op de dag dat de inspecteur uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking doet. Deze termijnoverschrijding is naar mijn mening niet meer als gering te bestempelen, waarbij het de vraag is of sprake is van verminderd verwijtbaar gedrag. Ook kan zich de nodige schade voordoen in de vorm van extra administratieve werkzaamheden, bijvoorbeeld als de belasting plichtige het op een bezwaartraject laat aankomen. Kortom, voor de standaardmatiging die voorheen op grond van het achtste lid van paragraaf 21 BBBB plaatsvond, zie ik weinig aanknopingspunten vanuit de klassieke strafdoelen.
Waardering en weging
Op grond van het achtste lid van paragraaf 21 van het BBBB werd de boete verminderd als alsnog aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting werd gedaan vóórdat de inspecteur uitspraak op bezwaar deed. De boete voor de inkomstenbelasting werd dan gematigd van 7% naar 1 % van het wettelijk maximum en de boete voor de vennootschapsbelasting van 50% naar 5%.1
Bij deze matiging zou ik een aantal kanttekeningen willen plaatsen. Ten eerste is er het verschil in waardering tussen de matiging in de inkomstenbelasting (1/7) en die in de vennootschapsbelasting (1/10). Aangezien de inkerende gedragingen voor beide belastingmiddelen hetzelfde zijn, zou wellicht eenzelfde relatieve matiging logischer overkomen.
Daarnaast is het de vraag hoe de strafverzwarende omstandigheid voor de aangifte vennootschapsbelasting zich verhoudt tot matiging op grond van een geringe termijnoverschrijding (zie hiervoor onderdeel 6.4.3.2). Van de groep Vpb- plichtigen werd immers verondersteld dat deze professioneler zou zijn dan de IB- plichtigen. Waarom komt een te laat doch alsnog ingediende aangifte vennootschapsbelasting dan standaard in aanmerking voor matiging? En waarom bedraagt deze matiging nota bene meer dan die bij de inkomstenbelasting?
Tot slot is er de weging ten opzichte van recidive. Het achtste lid van paragraaf 21 BBBB maakte namelijk geen onderscheid tussen first offenders en recidivisten. Ook belastingplichtigen die de voorgaande jaren meer dan eens in verzuim waren geweest en een boete hadden gekregen, kwamen in aanmerking voor de standaardmatiging van lid 8. Ik vraag mij af of het wegstrepen van de recidive als strafverzwarende omstandigheid – belastingplichtige is immers wéér in verzuim, zij het nu niet heel ernstig – bijdraagt aan een rechtvaardig boeteoordeel.
Voor aangifteverzuimen bij de aangiftebelastingen (artikel 67b AWR) geldt over het algemeen een coulanceperiode van zeven dagen (paragraaf 22, lid 4 en paragraaf 22a, lid 3 BBBB). Er volgt in die gevallen dus geen boete en ook wordt geen verzuimmededeling verzonden. Bij betalingsverzuimen bij de aangiftebelastingen geldt eveneens een coulancetermijn van zeven dagen, zij het dat voor een betaling binnen die coulanceperiode een waarschuwing (verzuimmededeling) wordt verzonden. Deze verzuimmededeling houdt kortweg in dat voor het eerstvolgende tijdvak geen coulanceperiode meer geldt. Aldus wordt voor te late betalingen binnen de coulanceperiode mede aandacht besteed aan first offenders.
Strafrecht
Op het terrein van het economische strafrecht komen enkele strafbepalingen voor die vergelijkbaar zijn met de fiscale aangifte- en betaalverplichting, zoals de verplichting om jaarstukken tijdig te deponeren bij de Kamer van Koophandel. Ook sommige milieu- en keurfeiten betreffen verplichtingen om iets tijdig te melden.2 Van een strafverminderend effect bij geringe termijnoverschrijdingen bij dergelijke delicten is mij niets gebleken.