Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.11
IV.1.11. Quasi-legaten en de uitsluitingsclausule en bewind
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577931:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel van Wet, 26 867, nr. 2, art. 1:94 lid 2 NBW. Omdat verkrijgingen uit hoofde van quasi-legaten niet gekwalificeerd kunnen worden als verkrijgingen ‘krachtens erfrecht’, vallen deze ook met het voorgestelde systeem als zodanig niet buiten de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.
Art. 7.17.3.4 lid 1 onder b van de Wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente), 19 529, maakt het mogelijk het recht op uitkering uit hoofde van de verzekering onder bewind te stellen. Hier wordt niet de eis gesteld dat van een gift sprake moet zijn. Dit spreekt mij aan.
Art. 1:94 BW bepaalt dat de gemeenschap, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten omvat, met uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen. Een uitsluitingsclausule ten aanzien van de rechtshandelingen bedoeld in art. 4:126 BW lid 1 is mogelijk, mits maar bij het doen van de gift is bepaald. Ook het quasi-legaat van art. 4:126 lid 2 onder b BW kan men clausuleren, gelet op het feit dat het element ‘gift’ een rol speelt.
De vraag komt op of het ook mogelijk is de andere quasi-legaten, niet zijnde giften, te clausuleren. Nu de quasi-legatenregeling slechts ziet op de inkorting en vermindering is daar in het huidige systeem geen ruimte voor. Wat mij betreft was een faciliteit, vergelijkbaar met art. 4:129 BW betreffende de niet-opeisbaarheidsclausule, best op zijn plaats. Dit zou een stap in de goede richting van het quasi-contractueel erfrecht zijn. Ik kan me niet voorstellen dat hiertegen bezwaren zouden kunnen bestaan. Het is de wetgever immers zelf die een wettelijk huwelijksvermogensstelsel voorstelt waarin de uitsluitingsclausule als het ware is ingebakken.1 Bovendien kan men een legaat tegen inbreng van de werkelijke waarde, waarbij geen sprake is van een bevoordeling wel clausuleren. Waarom dan niet het quasi-legaat van art. 4:126 lid 2 onder a en c BW?
De clausulering zou dan echter bij het aangaan van het quasi-legaat plaats moeten hebben en vanzelfsprekend niet achteraf bij uiterste wilsbeschikking. Dit zou immers te zeer inbreuk kunnen maken op hetgeen partijen zijn overeengekomen.
Ik besef wel dat bij verwezenlijking van mijn wens een regeling die is getroffen voor de bescherming van schuldeisers wordt uitgebouwd naar een algemenere regeling van quasi-erfrecht. Ik bezondig mij hier aan hetgeen ik de wetgever verwijt. Zie bijvoorbeeld par. 1.9 en par. 1.13 van dit hoofdstuk.
Vergelijkbare opmerkingen kunnen worden gemaakt met betrekking tot de (on)mogelijkheid van het instellen van een bewind over een quasi-legaat. Art. 4:153 BW, in welk artikel het voorwerp van bewind wordt omschreven, laat een bewind op goederen verkregen uit hoofde van een quasi-legaat (niet zijnde giften) niet toe.2