Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.6:3.6 Conclusies
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.6
3.6 Conclusies
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS418073:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit derde hoofdstuk is aandacht besteed aan de begrippen totaalwinst en jaarwinst. De totaalwinst vindt haar grondslag in artikel 7 Wet IB 1964. Dit artikel bepaalt dat winst het bedrag van de gezamenlijke voordelen is die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming. In het kader van de bestudering van de foutenleer dient artikel 7 Wet IB 1964 niet slechts te worden gekarakteriseerd als leidraad bij de beantwoording van de vraag wat tot de winst dient te worden gerekend. Benadrukt dient te worden dat in deze bepaling tevens is neergelegd dat de totale winst die de ondernemer geniet gedurende het tijdvak waarin hij als belastingplichtige de onderneming drijft aan belastingheffing is onderworpen. Dit aan artikel 7 Wet IB 1964 ten grondslag liggende uitgangspunt is door mij aangeduid als totaalwinstbeginsel.
De totaalwinst moet, nu de inkomstenbelasting het in een kalenderjaar genoten inkomen belast, worden toegerekend aan de afzonderlijke kalenderjaren. De berekening van de jaarwinst vindt plaats op basis van artikel 9 Wet IB 1964. Dit houdt in dat de in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn welke onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst en welke slechts kan worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt.
In dit hoofdstuk is geconstateerd, dat bij het berekenen van de jaarwinst twee beginselen – het jaarwinstbeginsel en het beginsel der balanscontinuïteit – een belangrijke rol spelen.
HR 22 oktober 1952, B. 9293, leert dat het beginsel dat de inkomstenbelasting wordt geheven over een jaarlijks genoten inkomen meebrengt, dat de winst over een bepaald jaar zoveel mogelijk op grond van de juiste voor dat jaar ten dienste staande gegevens moet worden berekend. Daarbij mag een fout in een voor een eerder jaar gemaakte berekening niet van invloed zijn. Toepassing van dit als jaarwinstbeginsel aangeduide uitgangspunt moet ertoe leiden dat bij het berekenen van de winst voor een bepaald jaar slechts die winst in aanmerking wordt genomen die op dat jaar betrekking heeft.
Om ervoor te zorgen dat recht wordt gedaan aan het totaalwinstbeginsel dient op grond van het beginsel der balanscontinuïteit, gedurende de periode dat de onderneming voor één en dezelfde belastingplichtige bron van inkomen is, het beginvermogen van enig jaar gelijk te zijn aan het eindvermogen van het daaraan voorafgaande jaar. Dit geldt niet alleen voor het vermogen als saldo van activa en passiva, doch tevens voor de waardering van de afzonderlijke balansposten.
In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de rol die deze twee beginselen spelen bij de toepassing van de foutenleer.
Ten slotte is in dit inleidende hoofdstuk aandacht besteed aan het zgn. inhaalverbod. Dit inhaalverbod, dat zich op een aantal gebieden binnen de fiscale winstbepaling voordoet, verzet zich ertegen dat winsten en verliezen die betrekking hebben op vroegere jaren, doch destijds niet in aanmerking zijn genomen, in het oudste nog openstaande jaar alsnog tot uitdrukking worden gebracht. De toepassing van de foutenleer kan hierdoor – zoals nader wordt uiteengezet in hoofdstuk 11 – worden belemmerd. In de volgende hoofdstukken wordt ervan uitgegaan, dat de posten in de eindbalans van het oudste nog openstaande jaar tegen juiste waarderingen – derhalve zonder fouten – worden opgenomen. Geldt ten aanzien van een balanspost een inhaalverbod, dan is men voor de waardering van die balanspost in de eindbalans van het oudste nog openstaande jaar in beginsel echter gebonden aan de omvang van die post in de eindbalans van het laatstvastgestelde jaar, ook indien laatstgenoemde balans op dat punt een onjuistheid zou bevatten. In dat geval komt het mitsdien niet tot foutenherstel.