Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.6:12.6 Samenvatting en conclusies
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.6
12.6 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493610:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het publieke belang bij de opsporing en bestraffing van delicten is in de nemo tenetur-rechtspraak van het EHRM rechtvaardigingsgrond voor inbreuken op het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Niet waarschijnlijk is dat dit belang binnen het toetsingskader voor schending meer dwang tot zelfbelasting kan rechtvaardigen. Dan zou het publieke belang als vierde toetsingsfactor functioneren.
De recente(re) rechtspraak van het Hof is aanleiding te veronderstellen dat het in nemo tenetur-zaken in toenemende mate bereid is om rekening te houden met het publieke belang bij de opsporing en bestraffing van delicten. Dat publieke belang is bijvoorbeeld een factor van betekenis voor de opheffing van het zwijgrecht in O’Halloran en Francis. In de fiscale boetezaak Jussila aanvaardt het Hof dat de eisen die art. 6 EVRM stelt in belastingzaken met een punitief element, niet steeds in volle omvang hoeven te gelden (= differentiatie in mate van rechtsbescherming). Belastingverhogingen verschillen volgens het Hof van de harde kern van het strafrecht.
Niet kan worden uitgesloten dat het Hof vroeg of laat zal oordelen dat (ook) het in art. 6 belichaamde zwijgrecht en het niet-meewerkrecht niet in volle omvang gelden in belastingzaken waarin een niet-substantiële (bestuurlijke) boete aan de orde is.