Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.5
21.2.2.5 Hoe moeten de woorden "bekend is geworden" worden begrepen? Subjectief of objectief?
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364080:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
BR 6 april 2001, NJ 2002, 383 m.nt. HTS onder 1-11( 20 april 2001, NJ 2002, 384.
R.o. 3.4.1 en 3.4.2.
Laatste deel r.o. 3.4.2.
R.o. 3.4.2.
§ 21.2.2.5.
Zo deed ook Rechtbank Breda 8 augustus 2007 (NAZA 06-1154 — nog te publiceren in JA) in een vergelijkbare zaak: 'Uit een en ander volgt dat [belanghebbende] twee voor de hand liggende mogelijkheden om op eenvoudige wijze bekend te worden met de identiteit van de voor het ongeval aansprakelijke personen, te weten via de politie of via haar toenmalige partner, niet heeft aangegrepen.' De Rechtbank oordeelt dat het beroep van de moeder op het subjectieve bekendheidscriterium hier in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. De voorkeur had wat mij betreft gehad het oordeel dat het subjectieve criterium niet aldus moet worden begrepen dat de benadeelde van iedere onderzoeksplicht is ontslagen. Het resultaat is hetzelfde.
NJ 2004, 382 m.nt. HTS (Wang - Mr. X) sub 8.
Zie § 21.2.2.5.
Zie de geciteerde Engelse bepaling in § 17.2.1.
Men kan onder 'bekend is geworden' verstaan, dat: (i) waarmee de benadeelde redelijkerwijze bekend had behoren te zijn (objectief criterium) of (ii) waarmee de benadeelde feitelijk bekend was (subjectief criterium). De Hoge Raad heeft het subjectieve criterium aanvaard en het objectieve verworpen.
Zulks geschiedde in het bekende arrest Vellekoop/Wilton Fijenoord.1 De casus was als volgt. Een pijpfitter was van 1951 tot 1973 in dienst geweest bij Wilton Fijenoord. In 1987 werd mesothelioom vastgesteld en in 1988 overleed hij daaraan. Pas negen jaar later, in 1997, dagvaardt de weduwe de scheepswerf. Haar stelling: pas in 1994 zou zij er door informatie van derden door op de hoogte zijn geraakt dat haar man door een asbestziekte is overleden. Pas toen zou zij dus de vereiste kennis hebben gehad. Fijenoord stelt dat de vordering verjaard is, omdat, als het al niet zo was dat zij reeds bij het overlijden van haar man daadwerkelijk wist dat dit door de asbestblootstelling kwam, zij toch tenminste had behóren te weten dat zulks het geval was (objectief criterium). De weduwe meent daarentegen dat de feitelijke bekendheid doorslaggevend is (subjectief criterium). De Hoge Raad oordeelt:2 "[Het onderdeel] strekt ten betoge dat de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover in haar [overwegingen] besloten ligt het oordeel dat voor bekendheid met de aansprakelijke persoon in de zin van artikel 3:310 lid 1 BW voldoende is dat de benadeelde met de desbetreffende persoon bekend is of redelijkerwijs bekend had behoren te zijn (objectief/normatief criterium) en derhalve niet vereist is dat de benadeelde (daadwerkelijk) met de aansprakelijke persoon bekend is (feitelijk/subjectief criterium). (...) Bij de beoordeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 3:310 lid 1 BW dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Aangenomen moet worden dat, mede gelet op de tekst van deze bepaling, het criterium "bekend is geworden" subjectief moet worden opgevat. Het komt er dus op aan dat degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, stelt en zonodig bewijst dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon."
Vanuit de gedachte dat de relatieve termijn pas behoort aan te vangen als van de benadeelde redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij zijn vordering instelt, is deze beslissing toe te juichen. Zolang immers iemand bepaalde relevante feiten eenvoudig niet kent, kan van hem geen juridische actie verlangd worden. In deze casus: zolang de vrouw niet weet dat haar man door asbestblootstelling is overleden, kan van haar niet verlangd worden dat zij tegen de werkgever ageert. Er is geen reden haar die kennis eenvoudig toe te dichten, vanwege het feit dat, bijvoorbeeld, zij bijzonder onderontwikkeld is en een persoon van gemiddelde kennis en kunde al veel eerder zou hebben begrepen wat de oorzaak van het overlijden was.
Een voor de hand liggend bezwaar tegen de subjectieve benadering is dat niet goed is vast te stellen wat iemand nu werkelijk weet. Dat probleem kan de rechter oplossen door op grond van ten processe gebleken feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs, aan te nemen dat bekendheid bestond.
Zulks bepaalde de Hoge Raad in het vervolg van zijn evengeciteerde overwegingen in Vellekoop/Wilton Fijenoord:3 "Dat [het aankomt op daadwerkelijke bekendheid — JLS] neemt evenwel niet weg dat de rechter, indien de benadeelde zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in een zodanig geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon."
Precies die situatie achtte de Hoge Raad in deze zaak aan de orde. De rechtbank had vastgesteld dat er een "patiënt formulier" was uit 1987 waarop staat dat de patiënt is ingelicht over de kwaal en dat onder "commentaar" is ingevuld: "scheepswerf'. Onder andere die informatie had bij de rechtbank het vermoeden doen postvatten dat bekendheid met schade en aansprakelijke persoon bestond. Hoewel dus de Hoge Raad het voor de werknemer gunstige subjectieve criterium aanvaardde, liep het voor hem (lees: zijn erfgenamen) toch nog slecht af.
Vermoeden of zekerheid?
Men kan zich afvragen welke mate van zekerheid vereist is, wil sprake zijn van `bekend is geworden' in de zin van art. 3:310 lid 1 BW. Ten aanzien van lichamelijke klachten heeft de Hoge Raad overwogen dat voldoende mate van zekerheid pas bestaat wanneer de oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd.
Deze kwestie kwam aan de orde in HR 24 januari 2003 (BASF).4 De feiten waren de volgende. Een man is vanaf 16 februari 1981 tot 1 december 1993 in dienst bij een rechtsvoorgangster van BASF. Hij is in die periode als "inktvoorbereider" betrokken bij het vervaardigen van drukinkt. Vanaf 25 maart 1991 is hij arbeidsongeschikt; hij vordert uit dien hoofde inkomensschade en smartengeld. De werknemer heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat BASF is tekortgeschoten in het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade aan zijn gezondheid als gevolg van zijn werkzaamheden. BASF heeft hem in onvoldoende mate beschermd tegen blootstelling aan oplosmiddelen.
BASF heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering is verjaard. BASF meent dat er bekendheid was met het causaal verband tussen onrechtmatige daad en schade in 1988, terwijl pas in december 1995 gestuit is. BASF heeft in dat verband gewezen op een brief van de huisarts van de werknemer aan een collega-arts, gedateerd 27 december 1988 waarin is vermeld: "(...) zag ik vanmorgen ivm. klachten over duizeligheid, verkoudheid, denkstoornissen etc. Hij (...) wijt zijn klachten aan de chemicaliën waarmee hij kontakt heeft." Aldus wil BASF de opvatting ingang doen vinden dat de werknemer reeds in december 1988 met zijn schade bekend was.
Hiertegen heeft de werknemer aangevoerd dat hij vanuit zijn "lekenverstand" bij zijn huisarts wel eens heeft "geopperd" of er geen verband zou bestaan tussen de blootstelling aan bepaalde stoffen op zijn werk en zijn klachten. Zijn huisarts legde dat verband aanvankelijk niet. Pas op 15 december 1992 (veel minder dus dan vijf jaar voor de aansprakelijkstelling in 1995) heeft een neuroloog het verband medisch vastgesteld. De werknemer stelt zich op het standpunt dat pas in 1992 van bekendheid sprake was en dat daarom in 1995 nog tijdig gestuit kon worden.
De aldus opkomende vraag welke mate van zekerheid vereist is wil sprake zijn van "bekend is geworden" wordt door de Hoge Raad als volgt beantwoord:5 "Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid — die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn — pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd".
Met die overweging geeft de Hoge Raad ten aanzien van gezondheidsschade een heel concrete regel.
In zijn arrest van 27 mei 20056 oordeelde de Hoge Raad, na de relevante passages uit het Saelman-arrest te hebben herhaald (in het Saelman-arrest herhaalde de Hoge Raad ook zijn BASF-beslissing), dat de benadeelde pas de vereiste kennis had "in de loop van 1988, toen hij het gehele medische dossier had ontvangen".
Ten aanzien van andere feiten dan lichamelijke klachten ligt het, gelet op de ratio van de relatieve verjaringstermijn, voor de hand de vereiste mate van vermoeden aanwezig te achten wanneer het zodanig sterk is dat redelijkerwijze van de benadeelde gevergd kan worden dat hij tot juridische actie komt.
Onbeantwoord blijft begrijpelijkerwijze in het BASF-arrest de vraag wat onder daadwerkelijke bekendheid moet worden verstaan ten aanzien van andere feiten dan lichamelijke klachten. Het oordeel van de Hoge Raad over het begrip "bekend is geworden" in geval van lichamelijke klachten laat zich moeilijk extrapoleren, doordat de Hoge Raad niet expliciteert waarom in geval van lichamelijke klachten onder daadwerkelijke bekendheid moet worden verstaan: gediagnosticeerd door een arts. De Hoge Raad voert met andere woorden niet een redenering die zich analoog op afwijkende gevallen laat toepassen.
Ten aanzien van andere feiten dan lichamelijke klachten ligt het, gelet op de ratio van de relatieve verjaringstermijn, voor de hand de vereiste mate van vermoeden aanwezig te achten wanneer het zodanig sterk is dat redelijkerwijze van de benadeelde gevergd kan worden dat hij tot juridische actie komt. Wanneer het vermoeden zodanig sterk is dat redelijkerwijze van de benadeelde kan worden gevergd dat hij tot juridische actie komt, moet van geval tot geval worden beoordeeld. Vaak zal van belang zijn op welk moment een objectieve derde zich over het al dan niet bestaan van het litigieuze feit' uitlaat, met name in die kwesties waarin het een feit betreft dat voor leken niet goed te onderkennen is.
Een voorbeeld biedt HR 24 maart 2006.7 Het ging om de vraag op welk moment de koper daadwerkelijk bekend was met het verontreinigd zijn van een zeker perceel. De verkoper (een gemeente) stelde dat dat in 1992 was, toen de koper in een brief aan de gemeente blijk gaf van een vermoeden van de verontreiniging. Volgens de koper was echter de vereiste bekendheid er pas na het verschijnen van een inventariserend bodemonderzoek in oktober 1996. Het hof gaf de koper gelijk en de Hoge Raad achtte dat oordeel juist.
Onderzoeksplicht naar onbekende feiten?
Aannemelijk is in bepaalde casusposities dat zodra bekendheid met de fout bestaat, de benadeelde zich niet op de onbekendheid met andere feiten kan beroepen als hij die feiten had kunnen achterhalen.
Hiervoor8 is uiteengezet dat "bekendheid" subjectief moet worden opgevat, in die zin dat het erom gaat wat de benadeelde daadwerkelijk wist; er is geen ruimte hem bepaalde kennis door objectivering toe te dichten. Zolang de benadeelde niet weet dat hij zich tot de debiteur in enig opzicht juridisch verhoudt doordat hij niet weet dat die ander jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, is die regel heel goed te begrijpen.
Maar in situaties waarin de benadeelde wel wist dat jegens hem een onrechtmatige daad was begaan, kan het zeer wel verdedigbaar zijn dat de benadeelde zich niet op onbekendheid met andere feiten kan beroepen als hij die feiten eenvoudig had kunnen achterhalen. Die opvatting vloeit voort uit de gedachte dat het er bij de relatieve termijn ten gronde om gaat vanaf welk moment van de benadeelde redelijkerwijze actie verlangd mag worden. Als de benadeelde eenmaal weet dat hij mogelijk een vordering heeft, weet hij ook dat er mogelijk een debiteur is met wiens belangen hij rekening heeft te houden. Die wetenschap kan hem verplichten (een vorm van) onderzoek te doen.
Bijvoorbeeld: iemand wordt onrechtmatig aangereden door een automobilist, raakt gewond, maar slaagt er nog wel in het kenteken van de auto te noteren. Aanvankelijk wenst hij geen juridische actie te nemen, en achterhaalt hij dus de identiteit van de dader niet. Zes jaar later bedenkt hij zich en achterhaalt de naam via een telefoontje naar de politie alsnog. Met de aansprakelijke persoon was hij nog niet eerder daadwerkelijk bekend. Toch is er veel voor te zeggen die bekendheid reeds ten tijde van het ongeval te veronderstellen.9 Een ander voorbeeld: een cliënt hoort van zijn belastingadviseur dat deze een fout heeft gemaakt. Omdat de relaties goed zijn, zoekt hij niet uit of er schade is. Als zes jaar later de verhoudingen zijn verslechterd laat hij de schade alsnog begroten en blijkt deze aanzienlijk te zijn. Ook hier is men geneigd te oordelen dat de benadeelde op het moment van bekend worden met de fout, of in ieder geval kort daarna, tevens geacht moet zijn met de schade bekend te zijn.
Met het voorgaande wil bepaald niet gezegd zijn dat steeds bij bekendheid met de fout, ook andere feiten (zoals schade en aansprakelijke persoon) bekend verondersteld moeten worden. Er zijn zeer veel situaties denkbaar waarin dat niet zo is. De volgende factoren kunnen een rol spelen (deze opsomming beoogt niet uitputtend te zijn). (i) Naarmate het bestaan van schade waarschijnlijker is, is eerder onderzoek te verwachten. Wanneer het bestaan van schade werkelijk geheel onzeker is, ligt het aannemen van een verplichting tot onderzoek niet voor de hand. Te denken is bijvoorbeeld aan gevallen van blootstelling aan een giftige stof die niets steeds schadelijke effecten heeft. (ii) de bezwaarlijkheid van het doen van onderzoek, gelet op kosten, moeite, de mate waarin dat onderzoek de benadeelde eventueel overigens bezwaart en het te verwachten resultaat.
A-G Hartkamp lijkt zich in zijn Conclusie voor HR 20 april 200110 tegen enige onderzoeksplicht te keren. In dat arrest was de vraag aan de orde of het begrip bekendheid van art. 3:311 BW objectief dan wel subjectief moet worden opgevat (zoals die vraag in het kader van art. 3:310 BW al aan de orde was geweest in het hiervoor11 bespoken Vellekoop/ Wilton Fijenoord). Hartkamp schrijft: "Niet kan worden gezegd dat een subjectief criterium niet in het stelsel van de wet zou passen. Enerzijds komt dat criterium ook elders voor (zie het genoemde art. 3:52 BW), anderzijds vormt de lange termijn een objectief "vangnet". Ik ben er daarom geen voorstander van om bij de korte termijn een onderzoeksplicht waar een objectief criterium op neer zou komen - aan te nemen".
Dat het aannemen van een onderzoeksplicht gelijk staat aan het aanvaarden van een objectief criterium lijkt niet juist. De onderzoeksplicht zoals die hiervoor werd verdedigd behelst geen objectief criterium, maar stelt centraal wat de betreffende benadeelde gelet op zijn werkelijke kennis met het oog op het belang van de debiteur aan feiten zou moeten achterhalen. Aldus uitgaande van de persoon van de debiteur is het een bij uitstek subjectief criterium.
Tot slot verdient opmerking dat het Engelse concept Constructive knowledge ook een zekere onderzoeksplicht lijkt te impliceren.12