De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.6.1:4.5.6.1 Jurisdictie tegen het Bureau
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.6.1
4.5.6.1 Jurisdictie tegen het Bureau
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401864:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 4.4.4 is de vraag behandeld voor welke gerechten de verzekeraar kan worden gedaagd. Dat zijn voor wat betreft verzekeraars met vestiging in een lidstaat op grond van Verordening Brussel I:
het gerecht van zijn woonplaats;
het gerecht van de plaats van het schadeveroorzakende feit;
het gerecht van de woonplaats van de benadeelde.
De vraag moet nu worden besproken voor welke gerechten het Bureau van het land van het ongeval kan worden gedaagd.
Hoewel het Bureau overeenkomst vertoont met een verzekeraar, kan het daarmee toch niet worden gelijkgesteld.
Zo treedt het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars op grond van art. 2 lid 6 Wam op als 'verzekeraar' van gewoonlijk in het buitenland gestalde motorrijtuigen en kan het, omdat het in art. 1 Wam is aangeduid als verzekeraar, rechtstreeks door de benadeelde worden aangesproken op grond van art. 6. Het Bureau treedt, in die gevallen waarin de aansprakelijkheid van de buitenlandse bezoekende veroorzaker door een verzekering is gedekt, echter ook op als vertegenwoordiger van de verzekeraar.
Door deze gelijkstelling wordt het Bureau echter geen verzekeraar in civielrechtelijke zin. De wetgever heeft met deze definitie op eenvoudige wijze bereikt dat de materiële verplichtingen van het Bureau ten opzichte van de benadeelde dezelfde zijn als die van een verzekeringsmaatschappij. Daarmee is de verhouding tussen benadeelde en Bureau nog geen verzekeringsverhouding geworden, terwijl het Bureau niet met de dekking gevende verzekeraar gelijk mag worden gesteld. Het Bureau vertegenwoordigt immers slechts de verzekeraar. Voor zover het Bureau op grond van een directe actie of een eigen recht kan worden aangesproken, vloeit deze actie niet voort uit een verzekeringsovereenkomst maar uit een wetsbepaling.
Dit brengt mij tot de conclusie dat de afdeling van de verordening die aan de bevoegdheid in verzekeringszaken is gewijd, niet op het Bureau van toepassing is. Dat betekent dat het Bureau conform de hoofdregel van de Verordening Brussel I alleen voor de gerechten van de lidstaat van zijn vestiging kan worden gedaagd.
Voor de vraag welke gerechten dat zijn, is de nationale wet bepalend. De Wam is in dit opzicht gebaseerd op de Benelux-Overeenkomst en de Gemeenschappelijke bepalingen. Ook deze kennen bijzondere jurisdictieregels die afwijken van de algemene regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Ook hier geldt echter in beginsel, dat deze bijzondere bevoegdheden alleen ten opzichte van verzekeraars gelden. Omdat art. 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen onder 'verzekeraar' ook het Bureau verstaat, kan - anders dan onder de Verordening Brussel I - ook het Bureau voor de gerechten van andere Verdragstaten (in dit geval België en Luxemburg) worden gedaagd.
Dat betekent dat - bijvoorbeeld - het Nederlands Bureau door een Luxemburgs slachtoffer kan worden gedagvaard voor de rechter van diens eigen woonplaats als het ongeval in Nederland heeft plaatsgevonden en is veroorzaakt door een gewoonlijk in het buitenland (dat wil zeggen niet in Nederland) gestald motorrijtuig. Dat geldt niet alleen als het voertuig dat het ongeval veroorzaakte gewoonlijk in België gestald is, maar in al die gevallen waarin het Nederlands Bureau op grond van de Wam aansprakelijk gehouden kan worden, derhalve ook als die gehoudenheid op een (geldige) groene kaart is gebaseerd.
Deze mogelijkheid om het Bureau in eigen land te dagvaarden staat - vanzelfsprekend - naast de mogelijkheden die de benadeelde inmiddels op grond van art. 20 e.v. van de Richtlijn tot zijn beschikking heeft in die gevallen waarin de benadeelde bezoeker is van een andere verdragsstaat dan die van zijn woonplaats.