Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.3.1
6.5.3.1 Inleiding
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291393:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tot 11 juli 1997 maakte art. 11 lid 1, onderdeel a Wet OB geen onderscheid tussen onbebouwde en bebouwde terreinen. Onder vigeur van de Tweede Richtlijn, 1 januari 1969 tot 1 januari 1979, gold een vrijstelling voor ‘de levering van onroerende goederen, met uitzondering van de levering door de belastingplichtige die het goed heeft vervaardigd, alsmede van de volgende leveringen van het goed ingeval de btw ter zake van de voorafgaande levering van dat goed geheel of nagenoeg geheel in aftrek is gebracht’ (art. 11 lid 1, onderdeel a, 1° Wet OB, Stb. 1968, 329). Met ingang van de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn, in Nederland op 1 januari 1979, werd de vrijstelling verruimd tot ‘de levering van een vervaardigd goed welke plaatsvindt vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming van dat goed’ (art. 11 lid 1, onderdeel a, 1° Wet OB, Stb. 1978, 677). Pas met ingang van 11 juli 1997 wordt - conform (thans) art. 135 lid 1, onderdelen j en k Btw-richtlijn - in art. 11 lid 1, onderdeel a Wet OB een onderscheid gemaakt tussen de levering van bebouwde en onbebouwde terreinen. Sindsdien is de belastbare levering van een bouwterrein van rechtswege belast en is de belastbare levering van een niet-bouwterrein vrijgesteld, tenzij partijen hebben geopteerd voor een belaste levering en aan alle optievoorwaarden is voldaan (zie paragraaf 6.7).
Zie o.a.: Hof ’s Hertogenbosch 29 maart 2006, nr. 03/2276, V-N 2006/44.10, r.o. 4.6.
MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 35-36.
Art. 11 lid 6 Wet OB. Tot 1 januari 2019 was de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ opgenomen in art. 11 lid 4 Wet OB.
MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 87 en Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 19, p. 11.
In de vorige paragraaf is op hoofdlijnen ingegaan op de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ in de verschillende EU-lidstaten. In deze paragraaf wordt ingezoomd op de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ in Nederland.1 Tot 1 januari 2017 werd het begrip ‘bouwterrein’ in art. 11 lid 4 Wet OB als volgt gedefinieerd:
“onbebouwde grond:
a) waaraan bewerkingen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden;
b) ten aanzien waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond;
c) in de omgeving waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen; of
d) ter zake waarvan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; met het oog op de bebouwing van de grond.”
Deze criteria voor een bouwterrein waren niet cumulatief.2 Het voldoen aan één van deze criteria volstond om een onbebouwd terrein als een bouwterrein aan te merken. De wetgever heeft in het Woningstichting Maasdriel-arrest van het Hof van Justitie (zie paragraaf 6.5.1) de noodzaak gezien om de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ te verruimen.3 Sinds 1 januari 2017 is het begrip ‘bouwterrein’ als volgt gedefinieerd: “onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met een of meer gebouwen”.4 De oude bouwterreincriteria hebben hun belang echter niet verloren. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat als voldaan is aan één van deze oude bouwterreincriteria in ieder geval sprake is van onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met één of meer gebouwen.5
In deze paragraaf zal eerst worden ingegaan op de door de wetgever veronderstelde noodzaak tot verruiming van de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ (paragraaf 6.5.3.2). Vervolgens komt aan bod wanneer onbebouwde grond bestemd is om te worden bebouwd met één of meer gebouwen (paragraaf 6.5.3.3). Hierbij wordt ook ingegaan op de oude bouwterreincriteria, omdat als aan één van die criteria is voldaan, volgens de wetgever in ieder geval sprake is van een bouwterrein. Voor de vraag wanneer sprake is van de levering van een onbebouwd terrein zij verwezen naar paragraaf 6.4.