De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.2.3:6.2.3 Het op de overeenkomsten tussen de Bureaus toepasselijke recht
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.2.3
6.2.3 Het op de overeenkomsten tussen de Bureaus toepasselijke recht
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393609:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Convention on the law applicable to agency, Verdrag van 14 maart 1978, in werking getreden 1 mei 1992. Voor Nederland is het verdrag in werking getreden op 1 oktober 1992. Zie voor het Verdrag Tri). 1987, 138.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een theoretisch interessante, maar lastige vraag is die naar het recht dat de overeenkomsten tussen de Bureaus beheerst. Interessant omdat wij te maken hebben met gelijkluidende overeenkomsten die de bilaterale relaties tussen in inmiddels 45 landen gevestigde partijen regelen. Lastig, omdat de bedoeling van de overeenkomsten het treffen van een voor alle mogelijke situaties uniforme regeling is, terwijl de overeenkomsten zwijgen over het recht dat hen beheerst. Theoretisch omdat de vraag naar het toepasselijk recht in de praktijk zelden of nooit aan de orde wordt gesteld.
Bij gebreke van een contractuele regeling - rechtskeuze - moet de vraag worden beantwoord aan de hand van het IPR. Daarbij moet vooreerst worden opgemerkt dat de overeenkomsten die door de Bureaus worden gesloten meerdere rechtsfiguren bevatten. Enerzijds zijn zij gebaseerd op vertegenwoordiging, anderzijds op borgtocht. Voor zover de overeenkomst een vertegenwoordigingsrelatie in het leven roept, zou de vraag wat Nederland betreft worden beheerst door het Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978.1 Dat leidt tot toepasselijkheid van het recht van het land van vestiging van de vertegenwoordiger. Voor zover de overeenkomst een borgtocht in het leven roept zou Verordening Rome I van toepassing zijn, met als gevolg de toepasselijkheid van het recht van de lidstaat waar de partij die de kenmerkende prestatie verricht zijn gewone verblijfplaats heeft. Verwezen zij naar hetgeen omtrent het toepasselijk recht in het kader van de schaderegelaar is opgemerkt in paragrafen 4.7.52en 4.7.5 3.
Dit alles heeft tot gevolg dat afhankelijk van de vraag welke partijen in geschil zijn verschillend recht de overeenkomst zal beheersen. Dat staat haaks op de wenselijkheid de uitleg van de overeenkomsten zoveel mogelijk te uniformeren.
De Bureaus hebben - naar het lijkt bewust - nagelaten een rechtskeuzeclausule in de overeenkomsten op te nemen. In plaats daarvan hebben zij ervoor geopteerd hun relaties enerzijds zeer gedetailleerd te regelen en anderzijds - door een arbitrageclausule - naar vermogen te vermijden dat vragen aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. De Bureaus hebben als het ware een eigen 'universum' gecreëerd, waarin zij hun eigen 'rechtsstelsel' in het leven hebben geroepen. Daarom kon hiervoor worden gesteld dat de vraag naar het op de overeenkomsten tussen de Bureaus toepasselijk recht voor de praktijk van weinig belang is.
Vanzelfsprekend kunnen deze eigen regels van het groenekaartstelsel derden, waaronder in dit verband vooral zijn te verstaan benadeelden en aansprakelijken, niet worden tegengeworpen. Met het oog op de rechten van de eersten kent het groenekaartstelsel de regel dat het primaat wordt gegeven aan een rechterlijke uitspraak in een geschil dat door een benadeelde tegen het 'regelend' Bureau is aangespannen. Bij een rechterlijke uitspraak in een door de benadeelde aangespannen procedure tegen het 'regelend' Bureau die tot een andere uitleg van de overeenkomsten tussen de Bureaus komt dan die welke de Bureaus zelf aan hun afspraken geven (bijvoorbeeld in het kader van het begrip 'geldige groene kaart' of het begrip 'gewoonlijk gestald') zal het veroordeelde 'regelend' Bureau toch een aanspraak op restitutie door het garanderend Bureau hebben. Zie hierna paragraaf 6.2.4.7. In het kader van het regres van het garanderend Bureau op een onverzekerde aansprakelijke kan de vraag naar het op de overeenkomst toepasselijke recht eveneens rijzen, maar dan is de schade internationaal reeds afgewikkeld.
De conclusie kan luiden dat het ontbreken van duidelijkheid omtrent het op de overeenkomsten tussen de Bureaus toepasselijke recht geen groot praktisch probleem oplevert.