Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/58.1.1
58.1.1 Introductie
mr. dr. J.M.J. van Rijn van Alkemade, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. J.M.J. van Rijn van Alkemade
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2014, 417.
J.G. Sijmons, ‘De functie van de kwaliteitsborging in het zorgstelsel’, Regelmaat 2016/3.5, p. 220-221.
Te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/sociaaldomein.
Vgl. M. Scheltema, ‘Uitbesteding van overheidstaken: wegbestemming van rechtsbescherming?’, NTB 2016/49, p. 369-372.
CRvB 18 mei 2016, ECLI:2016:1491; CRvB 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17 en CRvB 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633.
L. van den Berge, ‘Bestuursrecht in de netwerksamenleving’, RMThemis 2018/4, p. 124-136.
W. den Ouden, ‘Het coöperatieve bestuursorgaan’, NTB 2016/52, p. 387-392; L. van den Berge, ‘Van government naar governance: besturen onder de radar van het bestuursrecht’, NTB 2018/40, p. 220-222.
HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2830 (RZG/Conformed), JB 2003/121, m.nt. van J.A.F. Peters, AB 2003/365 , m.nt. F.J. van Ommeren, NJ 2004/35, m.nt. M.A.M.C. van den Berg.
M. Schreuder-Vlasblom, ‘De identiteit van het bestuursrecht’, NTB 2016/53, p. 396.
Op 1 januari 2015 zijn de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden. Tezamen met de op diezelfde dag in werking getreden Wet langdurige zorg (Wlz) en het gewijzigde Besluit zorgverzekering1 maken deze twee nieuwe wetten deel uit van de door het kabinet Rutte II ingezette grootscheepse hervorming van de langdurige zorg. Aanspraken uit de oude AWBZ die overwegend zijn gericht op ondersteuning en participatie zijn in de Wmo 2015 gedecentraliseerd naar de gemeenten. Andere aanspraken zijn overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet (Zvw). De hervorming van de langdurige zorg vormt het sluitstuk van een grote stelselwijziging in de zorg, waarbij het oude systeem van centrale aanbod- en prijsregulering is vervangen door een decentraal georganiseerd stelsel van gereguleerde marktwerking.2
De hervorming van de langdurige zorg staat momenteel sterk in de belangstelling van Awb-juristen. Dit komt door het recente advies van regeringscommissaris Scheltema over de geschilbeslechting in het sociaal domein.3 Hierin stelt de regeringscommissaris voor de bevoegdheid van de bestuursrechter te verruimen, zodat deze in een bestuursrechtelijk geschil over een op grond van de Wmo 2015 verstrekte ‘maatwerkvoorziening’ (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning) ook opdrachten kan geven aan de private aanbieder die door de gemeente is belast met de feitelijke uitvoering van de voorziening. Achtergrond van dit voorstel is de praktijk van het ‘resultaatsgericht indiceren’ die veel ge- meenten ten tijde van het advies nog hanteerden. Deze methode houdt in dat het college van burgemeester en wethouders zich beperkt tot het bepalen van het resultaat dat met de maatwerkvoorziening moet worden bereikt (bijvoorbeeld ‘een schoon huis’) en het vervolgens aan het professionele inzicht van de aanbieder wordt overgelaten om de aard en omvang van de daarvoor benodigde hulp te bepalen. Hierdoor dreigt de rechtsbescherming van de burger te verwateren; tegen een besluit waarin de prestatie ‘een schoon huis’ wordt toegekend kan niemand bezwaar hebben, terwijl tegen het ‘ondersteuningsplan’ waarmee de aanbieder vervolgens concreet invulling geeft aan deze prestatie geen bezwaar en beroep open staat.4
Hoewel de CRvB in een serie uitspraken inmiddels de scherpste randjes van de praktijk van het resultaatsgericht indiceren heeft afgeslepen,5 vindt over het advies van de regeringscommissaris nog altijd veel discussie plaats. Dit komt denk ik omdat de praktijk van het ‘resultaatsgericht’ indiceren raakt aan een breder debat in de bestuursrechtelijke literatuur over de privatisering van overheidstaken. Het moderne openbaar bestuur lijkt, geïnspireerd door bestuurskundige theorieën over ‘besturen in de netwerksamenleving’, een hernieuwde belangstelling te ontwikkelen voor het uitbesteden van overheidstaken aan private partijen.6 Sommige auteurs bezien deze ontwikkeling met argwaan: het uitbesteden van publieke taken brengt namelijk al snel met zich mee dat de weg naar de bestuursrechter wordt afgesloten.7 Ook wordt erop gewezen dat private partijen op grond van de jurisprudentie van de HR bij de uitvoering van publieke taken en de besteding van publiek geld niet zijn gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.8 Anderen stellen daar tegenover dat de overheid niet voor niets op tal van terreinen tot privatisering is overgegaan en dat het (weer) in de publieke sector trekken van private partijen waaraan publieke taken zijn uitbesteed tegen de met privatisering beoogde doelstellingen indruist.9