Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.2.2.5:V.2.2.5. Overgangsrecht
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.2.2.5
V.2.2.5. Overgangsrecht
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS579112:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een algemene beschouwing over het erfrechtelijke overgangsrecht Handboek Nieuw Erfrecht (2002), Verstappen, p. 11 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het overgangsrecht op het gebied van de contractuele erfstellingen en legaten is tijdens de parlementaire behandeling geen speciale aandacht besteed. Er bestaat dan ook geen bijzonder overgangsrecht met betrekking tot de onderhavige materie.1 De praktijk moet zich derhalve behelpen met de algemene overgangsbepalingen in verband met de Boeken 3 tot en met 8 van het Burgerlijk Wetboek. De onmiddellijke werking van art. 68a OW wordt verzacht door onder meer art. 69 OW, waarin is geregeld dat een vermogensrecht dat iemand onder het oude recht had verkregen niet verloren gaat. Doorgaans ziet art. 69 OW, op erfrechtelijk gebied, op nalatenschappen die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht zijn opengevallen. Gelet op het hybride karakter van de contractuele erfstellingen en legaten kan art. 69 OW ook een rol spelen voor nog niet opengevallen nalatenschappen. Degene die bevoordeeld wordt uit hoofde van een contractuele erfstelling of legaat heeft immers, zo kan betoogd worden, al tijdens leven een recht (onder opschortende voorwaarde) verkregen. De aanspraken van degene die bij huwelijkse voorwaarden erfrechtelijk bevoordeeld zijn, blijven dan ook bestaan. Hiermee blijft mijns inziens ook de beperkte beschikkingsonbevoegdheid bestaan, en blijft overeind dat ingekort wordt als gift, die gedaan is op het moment van huwelijksvoltrekking. Ook kan art. 79 OW (juncto art. 127 OW) genoemd worden, welke bepaling bewerkstelligt dat rechtshandelingen die onder oud recht geldig waren, maar thans nietig zijn (art. 4:4 lid 2 BW, art. 4:93 BW), geldig blijven. De contractuele erfstellingen en legaten van art. 1:146 BW (oud) e.v. en de daarbij behorende vraagstukken zullen dan ook onder het nieuwe erfrecht van zich doen spreken. Het overgangsrecht heeft de hiervoor kort aangestipte vraagstukken die bestonden met betrekking tot de contractuele erfstellingen en legaten niet opgelost. Dit mag men de wetgever, mede gelet op de beperkte omvang en aard van de problemen, niet euvel duiden.