Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.1:9.1 Inleiding
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630404:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze studie heb ik de fiscale gevolgen van een sfeerovergang bij een onderneming in de vennootschapsbelasting onderzocht. Mijn onderzoek ging primair over de binnenlandse sfeerovergangen waardoor de subjectieve belastingplicht aanvangt. Daarvoor is gekozen omdat in de praktijk zich hierbij de meeste problemen voordoen. De overige sfeerovergangen zijn echter ook behandeld om zodoende een meer volledig beeld van de sfeerovergangsproblematiek te kunnen schetsen. Ik heb mij daarbij beperkt tot de fiscale gevolgen voor de ondernemer zelf en niet die van de aandeelhouders. Om de totaalwinst bij een sfeerovergang te kunnen bepalen hanteren de wetgever en de Hoge Raad als uitgangspunt dat bij een sfeerovergang een fiscale openings- of slotbalans moet worden opgesteld. Op deze openings- of slotbalans dienen de vermogensbestanddelen in beginsel te worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. De vraag die in dit proefschrift centraal staat is of deze methode leidt tot een evenwichtig fiscaal resultaat. In mijn onderzoek heb ik de volgende sfeerovergangen onderscheiden:
de sfeerovergang door het ontstaan of eindigen van de subjectieve belastingplicht, omdat (i) een lichaam een onderneming gaat drijven, of de door het lichaam gedreven onderneming eindigt, of (ii) de wet wijzigt waardoor een subjectieve vrijstelling (niet meer) van toepassing is, of (iii) de feiten en omstandigheden wijzigen waardoor een subjectieve vrijstelling (niet meer) van toepassing is;
de internationale sfeerovergang van een onderneming, omdat (i) de feitelijke leiding van een lichaam wordt verplaatst naar of uit Nederland en derhalve de subjectieve belastingplicht aanvangt of eindigt, of (ii) de overdracht van vermogensbestanddelen van hoofdhuis naar vaste inrichting en vice versa, of (iii) het belastingverdrag wijzigt waardoor de verdeling van heffingsrechten onder het toepasselijke belastingverdrag verandert;
de sfeerovergang bij de toepassing van objectieve vrijstellingen, omdat (i) de wet wijzigt, of (ii) de feiten en omstandigheden wijzigen waardoor een objectieve vrijstelling (niet langer of voor het eerst) van toepassing is.
In dit onderzoek staat de volgende onderzoeksvraag centraal:
Wat zijn de consequenties voor de fiscale winstbepaling in de Wet Vpb 1969 van een sfeerovergang vanwege een wijziging van de objectieve of subjectieve belastingplicht? Zijn deze consequenties aanvaardbaar in het licht van de beginselen die ten grondslag liggen aan de belastingheffing van ondernemingen en de eisen van kwalitatief goede wetgeving? Zo nee, op welke wijze kunnen deze regels worden verbeterd om de eventueel gesignaleerde tekortkomingen op te heffen?
Om de centrale onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden heb ik deelvragen geformuleerd die in de verschillende hoofdstukken zijn beantwoord en hierna aan bod komen. Daarnaast heb ik een normatief toetsingskader ontwikkeld om te kunnen beoordelen of de fiscale behandeling van een sfeerovergang aanvaardbaar is. Het normatieve kader is gevormd aan de hand van de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de fiscale winstbepaling bij ondernemingen die worden geconfronteerd met een sfeerovergang en de eisen die worden gesteld aan kwalitatief goede wetgeving. Hierop kom ik in onderdeel 9.3.5 terug.