Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.9.2
7.9.2 Teruggaafregeling onroerende zaken voor algemeen nut
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633749:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/2000, 26 820, nr. 27, p. 1, 2; deze nota van wijziging vond plaats naar aanleiding van het aangenomen amendement van Kamerlid Reitsma Kamerstukken II 1999/00, 26820, nr. 7, p. 1.
Nota over de toestand van ’s Rijks financiën, 17 september 2002, bijlagen bij de Miljoenennota 2003, Kamerstukken II 2002/03, 28600, nr. 2, p. 152.
Handboek Milieubelastingen 2020, onderdeel 7.11.6, p. 95.
Handboek Milieubelastingen 2020, onderdeel 7.11.6, p. 95.
Er bestaat ook een teruggaafregeling voor aardgas en elektriciteit verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij andere anbi’s.
Zoals hiervoor uiteengezet, werd de teruggaafregeling, die in het in de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel alleen bedoeld was voor monumentale kerkgebouwen, tijdens het wetgevingsproces via een nota van wijziging uitgebreid naar alle onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Bij dezelfde nota van wijziging werd de teruggaafregeling onder voorwaarden uitgebreid tot andere anbi’s.1 De doelstelling van deze teruggaafregeling REB voor andere anbi’s was eveneens het “compenseren van non-profitinstellingen voor het feit dat zij, omdat zij relatief weinig betaald personeel hebben en niet Vpb-plichtig zijn, relatief weinig profiteren van terugsluis van de REB in de vorm van verlaging van de lasten op arbeid en de Vpb.”2
Anders dan bij de teruggaafregeling voor onroerende zaken die bestemd zijn voor eredienst en bezinningsbijeenkomsten stelt de wet hier extra voorwaarden. De in dit kader meest relevante voorwaarde is dat de anbi niet onder de vennootschapsbelasting mag vallen of daarvan vrijgesteld moet zijn (art. 69, lid 2 Wbm). Deze voorwaarde moet volgens de wetsgeschiedenis waarborgen dat de regeling alleen toegepast wordt op ‘echte non-profitinstellingen’.3 Ook moet de anbi volgens de wettekst over een eigen aansluiting beschikken op naam van de aanvragende instelling. Hiermee wordt bereikt dat alleen instellingen met een eigen energierekening voor de teruggaaf in aanmerking kunnen komen, waardoor uitvoeringsproblemen worden beperkt.4 Deze twee voorwaarden stelt de wettekst niet voor de teruggaaf aan rsli’s bij gebruik van onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. De voorwaarde dat de instelling niet onder de vennootschapsbelasting mag vallen of daarvan vrijgesteld moet zijn zou ook moeten gelden voor rsli’s, want ook rsli’s kunnen aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. De eis van het hebben van een eigen aansluiting blijkt voor rsli’s weliswaar niet uit de wettekst, maar volgt wel uit artikel 26, lid 2 en 3 Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Op grond van deze bepaling moet de instelling die om teruggaaf verzoekt, namelijk de eindfactuur overleggen, zodat teruggaaf alleen wordt verleend als de instelling zelf een leveringscontract heeft met een energieleverancier. Op dat punt is er dus feitelijk geen verschil.
De teruggaafregeling voor andere anbi’s dan rsli’s geldt voor een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij een dergelijke anbi. De term ‘in gebruik’ betekent volgens het Handboek Milieubelastingen ‘in gebruik volgens en voor de doelstellingen van de instelling’.5 Zo valt kantoorruimte daar wel onder, maar niet de woonruimte voor bijvoorbeeld de huisbewaarder of conciërge dan wel voor verhuur aan derden. Hoofdzakelijk betekent voor meer dan 70 procent, te berekenen op basis van vloeroppervlak of inhoud en tijdsduur, aldus het Handboek Milieubelastingen.6 Deze invulling van het hoofdzakelijkheidscriterium wordt niet gehanteerd voor teruggaaf bij onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Daarvoor wordt aangesloten bij de invulling van het hoofdzakelijkheidscriterium in de ozb, waarbij in de praktijk veelal de inhoud bepalend is en niet de tijdsduur.