Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.2
21.3.2 Uitzondering op de objectieve termijn: de Wet verjaring personenschade
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370159:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 27 november 2003, nr. 26 824.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 824, nr. 8.
Zie Smeehuijzen, A V&S 2003 met verdere verwijzingen.
Staatsblad 2003, 495.
Dat is nogal opmerkelijk, gegeven het feit dat de reden voor het uitzonderen van de personenschade gelegen was in de penibele verjaringsrechtelijke positie van de slachtoffers. De grote aantalen industriële asbestblootstellingen deden zich voor in de jaren vijftig en zestig en zijn dus van toepasselijkheid uitgezonderd. Zie uitgebreid kritisch hierover Smeehuijzen, AV&S 2003, p. 165 e.v.
Bijlage bij brief van de Minister aan de Eerste Kamer, 30 augustus 2004, nr. 26 824.
BR 28 april 2000, NJ 2000, 430 m.nt. ARB; zie nader § 21.3.3.
Zie over de betekenis van het woord 'actueel' in dit verband § 9.3.4.
De wet tot "Wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek voor gevallen van verborgen schade door letsel of overlijden"1 onttrekt gevallen van personenschade aan de werking van de absolute termijn. Hij behelst de toevoeging van een lid 5 aan art. 3:310 BW, luidende: "In afwijking van de leden 1 en 2 verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel of overlijden slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden, verjaart de rechtsvordering slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde meerderjarig is geworden."
De laatste volzin van lid 5 betreffende de minderjarige benadeelde is opgenomen ingevolge een amendement.2 De Wet verjaring personenschade heeft in de literatuur kritiek ontmoet.3
Wat betreft zijn onderwerp is de Wet verjaring personenschade van groot belang. Toch komt hem de komende twee decennia in de verjaringspraktijk nauwelijks enige betekenis toe. Dat is het gevolg van zijn 'uitgestelde inwerkingtreding'; De 'materiële inwerkingtreding' vindt eerst plaats op 1 februari 2024 (voor de absolute termijn van lid 1) en op 1 februari 2034 (voor de absolute termijn van lid 2).
De datum van inwerkingtreding van de wet is formeel 1 februari 2004.4 De overgangsregeling luidt evenwel: "Artikel 310 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt voor inwerkingtreding van die bepaling heeft plaatsgevonden."
Onttrokken aan de objectieve verjaringstermijn wordt dus slechts schade die is veroorzaakt door een gebeurtenis die plaatsvond na inwerkingtreding van de Wet verjaring personenschade. Doordat werking van de absolute termijn pas aan de orde is, twintig jaar (of dertig jaar, als het een situatie als bedoeld in lid 2 betreft) na het litigieuze evenement, sorteert de wet derhalve ook pas na ommekomst van die termijn effect. De "materiële inwerkingtreding" vindt derhalve eerst plaats op 1 februari 2024 (voor de absolute termijn van lid 1) en op 1 februari 2034 (voor de absolute termijn van lid 2).5
Het gevolg van de Wet verjaring personenschade is, dat personenschade aan de werking van de absolute termijn wordt onttrokken. Daardoor wordt het mogelijk dat die vorderingen nooit, of pas op onafzienbare termijn verjaren. Als dan de vordering alsnog wordt ingesteld, kan dat voor de aangesprokene uitermate bezwarend zijn.
Te denken valt aan het geval waarin de rechtsopvolger van de oorspronkelijk aansprakelijke persoon wordt aangesproken terwijl hij niets met de litigieuze gebeurtenis te maken heeft. In die categorie valt ook de opvolgende eigenaar van een schadeveroorzakende onderneming. Voorts kan het zeer wel zijn dat de schade niet meer door verzekering is gedekt. Ook, en misschien wel met name, laat het zich denken dat de feiten zozeer door tijdsverloop zijn vertroebeld dat de aangesprokene zich nauwelijks nog kan verweren.
Over het probleem van de nooit of pas na onafzienbare tijd verjarende vorderingen, hebben drie deskundigen zich op verzoek van de Minister in een advies uitgelaten. Zij concluderen dat art. 6:2 lid 2 BW (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) voldoende ruimte laat om de onaanvaardbare gevolgen van het nieuwe art. 3:310 lid 5 BW op te vangen.
Zie A.J. Akkermans, J.H. Nieuwenhuis en W. Snijders, "Advies in zake matiging op grond van artikel 6:109 BW of afwijzing op grond artikel 6:2 BW van een vordering wegens schade door letsel of overlijden naar aanleiding van de Wet van 27 november 2003, Stb. 2003, 495 betreffende wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring."6
Het advies is het resultaat van de toezegging van de Minister aan de Eerste Kamer aan een of meer deskundigen te vragen te onderzoeken of, in de gevallen als hierboven genoemd, art. 6:109 BW matiging tot nihil toelaat en of art. 6:2 lid 2 BW de mogelijkheid geeft de gehele aansprakelijkheid af te wijzen.
De deskundigen bespreken in hun advies eerst de mogelijkheid de vordering geheel af te wijzen op grond van art. 6:2 lid 2 BW. Zij wijzen erop dat aan de hand van deze algemene maatstaf in de rechtspraak nadere regels zijn ontwikkeld, zoals die betreffende de figuur van rechtsverwerking. Na de analogie met de rechtsverwerking onder verwijzing naar jurisprudentie nader te hebben geadstrueerd, schrijven zij: "Gezegd kan (...) worden dat het in de lijn van deze rechtspraak ligt dat vorderingen tot schadevergoeding wegens letsel of overlijden kunnen worden afgewezen op grond van artikel 6:2 lid 2, wanneer zij als gevolg van het tijdsverloop niet meer kunnen worden gericht tot de aansprakelijke persoon zelf, maar slechts tot diens rechtsopvolger, die aan het ontstaan van de schade part nog deel heeft gehad en die mede in verband daarmee in een aanmerkelijk moeilijker positie dan die van de oorspronkelijk aansprakelijke persoon is komen te verkeren, waarbij zowel bewijs als verzekeringsdekking van belang zijn. Dit geldt naar onze mening ook, indien het tijdsverloop is ontstaan, doordat het slachtoffer vooralsnog niet met alle relevante feiten bekend was, of de schade pas lange tijd na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, is ontstaan, zoals in de asbestzaken. Uit de hiervoor geciteerde omschrijving in de rechtspraak van de "bijzondere omstandigheden" volgt immers dat ook tijdsverloop in combinatie met enkel een daardoor ontstane aanmerkelijke benadeling of verzwaring van de positie van de schuldenaar voor het aanvaarden van het verweer voldoende kan zijn." Na deze inleidende woorden over de rechtsverwerking, formuleren de deskundigen hun oplossing meer in concreto. Zij suggereren de spiegelbeeldige toepassing van de gezichtspunten die de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde7 heeft ontwikkeld:
"De Hoge Raad somt in het eerste van deze twee arresten [bedoeld is Van Hese/De Schelde — JLS] een aantal relevante omstandigheden op, waaronder (a) de vraag of de gevorderde schadevergoeding toekomt aan het slachtoffer zelf of zijn nabestaanden dan wel aan een derde, (b) in hoeverre het slachtoffer of zijn nabestaanden een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde hebben, (c) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, (d) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt. Het komt erop neer dat in deze rechtspraak aan de hand van artikel 6:2 lid 2 een vangnet wordt ontwikkeld voor onaanvaardbare gevolgen van de absolute verjaringstermijn van artikel 310 leden 1 en 2. Het ligt voor de hand dat de rechtspraak evenzeer aan artikel 6:2; lid 2 de vrijheid kan ontlenen een vangnet te ontwikkelen voor de onaanvaardbare gevolgen van de afschaffing van de absolute verjaringstermijnen in het nieuwe artikel 3:310 lid 5 voor het geval van letsel of overlijden. Ook ligt voor de hand dat daarbij vergelijkbare omstandigheden relevant zullen zijn, met name omstandigheden als hiervoor zijn vermeld. Zo zal de omstandigheid onder (a) ertoe kunnen leiden dat een gesubrogeerde verzekeraar of een verhaal zoekend orgaan van sociale verzekering zijn vordering ziet stranden, waar een vordering van het onverzekerde slachtoffer zelf wellicht nog toewijsbaar zou zijn. Ook kan een sterk argument voor het passeren van een beroep op artikel 6:2 lid 2 gelegen zijn in de onder (d) vermelde omstandigheid dat de aansprakelijkheid van de aangesprokene door verzekering is gedekt, terwijl de onder (b) vermelde omstandigheid dat het slachtoffer of zijn nabestaanden recht hebben op een uitkering uit anderen hoofde, weer een argument in tegenovergestelde zin kan opleveren. Dat ook de omstandigheid onder (c) van belang kan zijn behoeft na het voorgaande geen betoog."
Over de vraag of de rechter krachtens art. 6:109 BW de schadevergoedingsvordering kan matigen tot nihil, schrijven de deskundigen na hierover enkele gedachten te hebben geuit: "Het voorgaande laat zich aldus samenvatten dat artikel 6:109 wel de gevolgen van de nieuwe verjaringsregeling kan verzachten, eventueel door, zo de omstandigheden dit rechtvaardigen, de verplichting tot schadevergoeding op een symbolisch bedrag of op nihil te stellen, maar dat dit laatste weinig voor de hand ligt, nu artikel 6:2 lid 2 al voldoende mogelijkheden tot afwijzing van de vordering biedt."
De slotsom van het advies luidt derhalve dat art. 6:2 lid 2 BW voldoende ruimte laat om de onaanvaardbare gevolgen van het nieuwe art. 3:310 lid 5 BW op te vangen, en dat toepassing van art. 6:109 BW weliswaar mogelijk is, maar in feite niet nodig.
In de kern verdient wat mij betreft dit advies instemming. Inderdaad kan men de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aanwenden om ook vorderingen tot vergoeding van personenschade aan een tijdsgrens te onderwerpen. Ook lijkt mij dat bij beantwoording van die vraag de gezichtspunten uit Van Hese/De Schelde een rol kunnen spelen. Twee opmerkingen evenwel:
De marginale toets die art. 6:2 lid BW impliceert komt niet erg sterk tot uitdrukking. Zinnen als: "Ook kan een sterk argument voor het passeren van een beroep op artikel 6:2 lid 2 gelegen zijn in de onder (d) vermelde omstandigheid dat de aansprakelijkheid van de aangesprokene door verzekering is gedekt, terwijl de onder (b) vermelde omstandigheid dat het slachtoffer of zijn nabestaanden recht hebben op een uitkering uit anderen hoofde, weer een argument in tegenovergestelde zin kan opleveren" suggereren enigszins dat de rechter voor een werkelijk open keuze staat, terwijl dat niet zo is; de vraag is niet of het beroep op schadevergoeding redelijk is of niet, maar of het kennelijk onredelijk is. Wat het verschil is behoeft geen betoog.
Ten tweede zou ik graag gezien hebben dat het advies onderscheid maakt tussen de situatie waarin het debat door het ondersneeuwen van de bewijsmiddelen eigenlijk niet meer mogelijk is, en de situatie waarin het debat nog wel gevoerd kan worden. Als het debat niet meer gevoerd kan worden, als, met andere woorden, de debiteur zich niet meer behoorlijk ken verweren, dan moet de vordering via de band van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid direct worden afgewezen. Luidt het oordeel dat het debat nog wel mogelijk is en inderdaad de verschuldigheid van de schadevergoeding nog met aanvaardbare mate van zekerheid kan worden vastgesteld, dan behoort toewijzing te volgen, tenzij de overige gezichtspunten een werkelijk klemmende redenen (` onaanvaardbaar' ) tot afwijzing opleveren. Ik zou in dat verband met name van belang vinden in hoeverre de schade nog 'actueel is' .8