De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.3:26.6.3 De duurstuiting
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.3
26.6.3 De duurstuiting
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367798:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Robben, diss., p. 190.
De Bosch Kemper, Gruben (2003), p. 74.
7 oktober 1998, VR 1999, 83.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De stuiting door onderhandeling met de verzekeraar is een zogenaamde duurstuiting: een nieuwe termijn van drie jaar begint pas te lopen op het ogenblik waarop een van de partijen bij deurwaardersexploot of aangetekende brief aan de andere partij heeft kennisgegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt.
Aldus art. 10 lid 5 WAM. Een duurstuiting verschilt wezenlijk van de gewone stuiting als bedoeld in de art. 3:316 tot en met 3:318 BW: dat laatste type stuiting heeft tot gevolg dat direct een nieuwe termijn begint te lopen (zie art. 3:319 BW). Van een voortdurend stuitende werking als in art. 10 lid 5 WAM is daar dus geen sprake.
Als eenmaal sprake is van onderhandelingen begint pas weer een nieuwe termijn te lopen als een van de partijen bij deurwaarderexploot of aangetekende brief te kennen geeft dat zij de onderhandeling afbreekt. In de praktijk wordt die kennisgeving zelden of nooit gedaan. Voor het doen van een dergelijke formeel aangezette mededeling bestaat binnen het gewone onderhandelingstraject geen aanleiding, en een wezenlijk verjaringsrechtelijk belang is er voor de verzekeraar ook niet mee gediend: in plaats van eindeloos de tijd heeft de benadeelde dan nog drie jaar de tijd om zijn vordering door te zetten. Ook die drie jaar zal voor hem rijkelijk genoeg zijn. Voorts kan men zich voorstellen dat van een expliciete beëindiging van de onderhandelingen een zekere provocatieve werking uitgaat, in de zin dat de benadeelde genegen raakt dan maar een procedure te beginnen. Die wending zal de verzekeraar veelal onwenselijk vinden.
In dat licht valt te betwijfelen of de volgende aanbeveling van voldoende realiteitszin getuigt: "De verzekeraar doet er dan ook verstandig aan om, wanneer hij niets meer van de benadeelde hoort of ontvangt, met een deurwaardersexploot of aangetekende brief de benadeelde er van in kennis te stellen dat hij de onderhandelingen afbreekt.".1
De vraag is gerezen of naast het exploot en de aangetekende brief ook een vaststellingsovereenkomst de duurstuiting doet eindigen. De Bosch Kemper en Gruben schrijven2 in commentaar op een bindend advies van Asser dat naar hun 3oordeel ten onrechte werd geoordeeld dat: "de onderhandelingen ook werden afgebroken door een dading, hoewel in die dading zelfs uitdrukkelijk nog de mogelijkheid was opengehouden voor nieuwe claims." Als het inderdaad zo is dat van de vaststellingsovereenkomst bepaalde posten zijn uitgesloten (dat was in het betreffende bindende advies het geval; zie alinea 2.4 van dat advies) dan geldt eenvoudig de vaststellingsovereenkomst niet ten aanzien van die posten en is er dus ook geen reden om aan te nemen dat die overeenkomst de stuiting ten aanzien van die posten zou doen eindigen. Ten aanzien van posten die wel in de vaststellingsovereenkomst zijn begrepen, lijkt het echter onlogisch dat de duurstuiting niet onderbroken zou zijn.
Immers, de rechtvaardiging van de duurstuiting moet men zoeken in het feit dat onderhandelingen een proces van soms lange, tevoren onvoorspelbare duur zijn, en het dus niet logisch is de verjaring te doen intreden drie jaar na aanvang van dat proces. Die overweging betreffende de tijdsduur van het onderhandelingsproces geldt niet bij de stuitingshandelingen van het BW (aanmaning, ondubbelzinnig voorbehoud en erkenning) omdat die handelingen niet voortduren, maar slechts een moment beslaan; daar treft men de figuur van de duurstuiting dus niet. Evenmin, en daar gaat het hier om, geldt die overweging betreffende de duur van onderhandelingen ten aanzien van posten die in de vaststellingsovereenkomst zijn begrepen, omdat wat betreft die posten, getuige juist de vaststellingsovereenkomst, de onderhandelingen ten einde zijn. Zoals een nieuwe termijn van drie jaar aanvangt als een van de partijen de onderhandelingen eenzijdig, in de woorden van art. 10 lid 5 BW, "afbreekt", zo moet ook een nieuwe termijn aanvangen als partijen gezamenlijk wegens het bereiken van overeenstemming de onderhandelingen "afbreken".
Men kan tegenwerpen dat de opsomming in art. 10 lid 5 WAM van handelingen die de aanvang van een nieuwe termijn van drie jaar doen aanvangen — "bij deurwaardersexploot of aangetekende brief' — limitatief oogt en dat bovendien niet voor niets formele vereisten gelden. De vaststellingsovereenkomst is niet genoemd en kent geen vormvereisten. Moeilijk voorspelbaar is of het BenGR hieraan overwegend gewicht zou willen toekennen.
Overigens kan men zich voortgaand op het bovenstaande ook nog de vraag stellen of een erkenning als bedoeld in art. 3:318 BW de duurstuiting afbreekt in de zin dat zij een nieuwe termijn van drie jaar doet aanvangen. Het antwoord en de daaraan ten grondslag liggende redenering zijn gelijkluidend aan hetgeen werd opgemerkt ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst.
Dat de stuiting van art. 10 lid 5 WAM een duurstuiting is, betekent dat een beroep op rechtsverwerking tegen de benadeelde wegens (aanzienlijk) tijdsverloop in beginsel niet slaagt. Zo had in Rechtbank Rotterdam 20 augustus 20034 het laatste onderhandelingscontact plaatsgevonden op 13 oktober 1993 en werden de gesprekken pas weer hervat eind 2000. De WAM-verzekeraar stelde zich op het standpunt dat de benadeelde door zo lang te wachten zijn recht had verwerkt. De rechtbank oordeelde: "Om aan te kunnen nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat eiser de rechtsvordering nog geldend zou kunnen maken, is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij gedaagde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat eiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken, hetzij gedaagde in haar positie onredelijk zou worden benadeeld ingeval eiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Naar het oordeel van de rechtbank is aan die vereisten niet voldaan." Voorts dichtte de rechtbank in dat kader relevantie toe aan het feit dat gedaagde een professionele verzekeringsmaatschappij is zodat aan haar strengere eisen dienen te worden gesteld met betrekking tot het veiligstellen van haar bewijspositie. Die laatste toevoeging lijkt niet van dragend belang te zijn voor het oordeel van de rechtbank, daar vaste rechtspraak is dat enkel stilzitten voor rechtsverwerking onvoldoende is, ook als het een vordering tegen een niet-verzekeraar betreft.