De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.2.3:III.2.3 Bevindingen
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.2.3
III.2.3 Bevindingen
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374913:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitstoting is verre van eenvoudig te realiseren. Dit komt onder meer door de beperkte uitleg van de drie besproken elementen van de uitstotingsnorm, waarbij de hoedanigheidseis de grootste boosdoener is. In de praktijk betekent dit dat de vennootschap reeds sinds lange tijd onbestuurbaar is, het faillissement op de loer ligt, en eerst dan aan de thans vigerende norm voldaan is. Om aan dit probleem een einde te maken en de uitstotingsprocedure goed toepasbaar te maken, zie ik drie mogelijkheden. De minst vergaande is de aanpassing van de enge uitleg van de drie elementen van de uitstotingsnorm. De hoedanigheidseis moet dan in ieder geval het veld ruimen. De toets moet zijn: schaadt het gedrag van de aandeelhouder het belang van de vennootschap zodanig, dat het handhaven van de aandeelhouder redelijkerwijs niet langer mogelijk is?1
Het invoeren van een ander, bruikbaarder, criterium is een tweede optie. Dit zou de uitstoting geschikter maken voor de praktijk. Mijn uiteindelijke voorkeur gaat echter uit naar de meest vergaande mogelijkheid. Ik pleit voor de opname van de uitstoting — of: de gedwongen overdracht — in art. 2:356 BW als definitieve voorziening in het enquêterecht naast het voortbestaan van de geschillenregeling.2 Deze oplossing komt aan de orde in § VII.3.