Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.7.5
4.7.5 Verbintenissen die niet voortvloeien uit rechtshandelingen
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648930:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Gülcher 1989, p. 161-166.
HR 4 oktober 1996, NJ 1997/187.
Dit is ook de bedoeling van de wetgever geweest, Kamerstukken II 1970/71, 10689, nr. 15, p. 4-5.
Evenzo Houwen e.a. 1993, p. 847-848.
Zie Rb. Amsterdam, 20 december 2000, JOR 2001/53.
De hoogte van de ontslagvergoeding wordt echter bepaald door de kantonrechter.
Zie Hof Amsterdam 20 februari 2001, JOR 2001/92.
Dit vraagstuk wordt in de regel onder de temporele reikwijdte van een 403-verklaring aan de orde gesteld. Met de materiële reikwijdte wordt meestal gedoeld op het type schulden dat onder de reikwijdte van een 403-verklaring valt. De groep schuldeisers die een beroep op de 403-verklaring kan doen, wordt echter niet alleen begrensd door het type vordering.
Zie Rb. Almelo, 24 juni 2008, JOR 2008/227; Rb. Rotterdam, 16 april 2009, JOR 2009/161, Hof Amsterdam 12 januari 2010, JOR 2010/93 en Hof Amsterdam 12 januari 2010, JOR 2010/94.
Hof Amsterdam 12 januari 2010, JOR 2010/93, r.o. 3.2.
Vanwege de in artikel 2:403 lid 1 sub f BW opgenomen zinsnede “uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden” is duidelijk dat een consoliderende rechtspersoon zich niet hoofdelijk aansprakelijk hoeft te verklaren voor schulden van een vrijgestelde rechtspersoon die niet voortvloeien uit door de vrijgestelde rechtspersoon verrichte rechtshandelingen.
Schulden die voortvloeien uit de wet vallen niet onder een 403-verklaring waarin een consoliderende rechtspersoon zich conform artikel 2:403 lid 1 sub f BW aansprakelijk heeft verklaard voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden. Wat ook niet onder die reikwijdte valt, zijn schulden die voortvloeien uit een onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling, zaakwaarneming, niet contractuele boetes, belastingschulden1 en verschuldigde sociale verzekeringspremies.2
De beperking die de terminologie ‘uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden’ met zich brengt, is door de wetgever voorzien.3 De achterliggende gedachte is dat de totstandkoming en de inhoud van dergelijke verbintenissen niet afhankelijk is van de wil van de (toekomstige) schuldenaar. Er is dan ook geen sprake van een wil van de schuldeiser die zou zijn beïnvloed door al dan niet gepubliceerde aarcijfers.4
Op deze visie kan wel wat worden afgedongen. Er zijn genoeg vorderingen denkbaar waarvoor de wil van een schuldeiser geen enkele rol heeft gespeeld bij het ontstaan van die vorderingen. De wil van de schuldeiser is dan ook niet beïnvloed door de afwezigheid van jaarstukken. Ook een dergelijke schuldeiser kan wel degelijk belang hebben bij inzicht in de financiële informatie van zijn schuldenaar. Het criterium is dat een schuldenaar moet worden gecompenseerd voor het gebrek aan inzicht in de financiële stukken en niet dat de wil van een schuldenaar bij de totstandkoming van de vordering is beïnvloed door het aan- of afwezig zijn van financiële stukken. Iedere schuldeiser aan wie het zicht op de volledige financiële stukken wordt ontnomen, zou daarvoor compensatie behoren te krijgen. Als voorbeeld kan een verbintenis tot het betalen van een ontslagvergoeding worden genomen. Een dergelijke vergoeding is verschuldigd, wanneer de vrijgestelde rechtspersoon een van haar werknemers ontslaat.5 De schuldeiser, de ontslagen werknemer, had mogelijk niet de wil om ontslagen te worden. Het ontstaan van een ontslagvergoeding en de hoogte ervan,6 zijn niet afhankelijk van de wil van de schuldeiser. Desondanks valt de schuld die voortvloeit uit de verlichting om een ontslagvergoeding te betalen onder de reikwijdte van een 403-verklaring. Verbintenissen uit een sociaalplan vallen eveneens onder de reikwijdte van een 403-verklaring.7 Ook daarvoor geldt dat de wil van de schuldeiser geen enkele rol speelt.
De beredenering wordt ook wel eens andersom gemaakt. Alleen schuldeisers wiens wil is om een verbintenis met de vrijgestelde rechtspersoon aan te gaan, zou zijn beïnvloed door de aanwezigheid van een 403-verklaring, zou een beroep op de 403-verklaring moeten toekomen. Dat lijkt mij geen redelijk standpunt. Bestaande schuldeisers dienen naar mijn idee eveneens voor het gemis aan inzicht in de financiële situatie van hun schuldenaar behoren te worden gecompenseerd.8 Is bijvoorbeeld in 2016 een huurcontract met de vrijgestelde rechtspersoon afgesloten voor een periode van twintig jaar en wordt de vrijgestelde rechtspersoon in 2018 (eventueel na een overname) vrijgesteld, dan bestaat er geen goede reden om de verhuurder de compensatie te onthouden voor het feit dat hij geen inzicht meer heeft in de financiële situatie van zijn schuldenaar. Er is naar mijn idee geen goede grond om hem de mogelijkheid te onthouden om een beroep te kunnen doen op de 403-verklaring. Dat zijn wil bij het sluiten van het huurcontract niet is beïnvloed door de aanwezigheid van een 403-verklaring, die was er toen nog niet. De verhuurder kon niet weten dat de vrijgestelde rechtspersoon op een later tijdstip zou worden vrijgesteld en geen jaarverslag meer zou publiceren. Ook in dit voorbeeld is de wil van de schuldeiser omtrent de aanwezigheid van een 403-verklaring en/of de afwezigheid van financiële stukken geen relevant criterium.
Tot slot van deze paragraaf zij nog opgemerkt dat de vraag of een schuldeiser in werkelijkheid kennis had van de financiële gegevens van de vrijgestelde rechtspersoon niet van invloed is op de vraag of een schuld onder de reikwijdte van de afgegeven verklaring valt. Zo valt een intercompany-schuld wel onder de reikwijdte van een 403-verklaring, ook al heeft de schuldeiser alle mogelijke informatie over de financiële positie van zijn debiteur.9 Gebleken is dat het in een 403-verkla-ring uitsluiten van aansprakelijkheid voor intercompany-vorderingen leidt tot de conclusie dat de 403-verklaring niet toereikend is.10