Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/2.5.3:2.5.3 De betekenis van het risicobeginsel voor het daderschapscriterium
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/2.5.3
2.5.3 De betekenis van het risicobeginsel voor het daderschapscriterium
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713128:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Franke 2021, p. 360 e.v.
Schut 1963, p. 46.
Hoofdstuk 4.
Zie voor een uitzondering: Franke 2021, p. 359 e.v.
Schut 1997, p. 96.
Schut 1963, p. 62.
Loth 1988, p. 3, 40; Bruins 1906, p. 13; Schut 1963, p. 50: “Er kan sprake zijn van wil zonder handeling, maar niet van handeling zonder wil.” Zie hierover ook: Franke 2021, p. 362.
Hoofdstuk 3. Zie ook: Hoekzema 2000, p. 171-172; Sieburgh, ERPL 2016, p. 647.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede betekenis van risicoaansprakelijkheid is aansprakelijkheid zonder daderschap.1 Iemand is dader als hij “het subject is van een rechtens relevante gedraging met ongewenste gevolgen.”2 Met andere woorden, de dader is degene die de juridische handeling (de daad) verricht of nalaat te verrichten.3 De invloed van het risicobeginsel kan zo ver gaan dat ook aansprakelijkheid kan bestaan, ingeval er helemaal geen sprake is van een handeling en van een dader. Illustratief zijn de kwalitatieve aansprakelijkheden voor gebrekkige roerende zaken en opstallen (art. 6:173 en 6:174 BW). De normadressaat van deze bepalingen (de bezitter of, op grond van art. 6:181 BW, de beroeps- of bedrijfsmatige gebruiker) is dan aansprakelijk ongeacht of hem een gedraging valt te verwijten. Hij is aansprakelijk, omdat de zaak waarvan hij bezitter dan wel gebruiker is, schade heeft veroorzaakt.4 Met de schuldgedachte heeft dit weinig meer te maken.
Buiten de kwalitatieve aansprakelijkheden is het risicobeginsel eveneens van invloed op het daderschapscriterium. Het daderschapscriterium is theoretisch gezien een ondergeschoven kindje.5 In de praktijk wordt het daderschap doorgaans niet als zelfstandig vereiste van art. 6:162 BW getoetst. Volgens Schut gaat het daderschap op in ‘de zwaardere schuldeis’. Hieronder verstaat hij: onrechtmatigheid, schuld in enge zin (toerekenbaarheid) en causaliteit.6 In mijn ogen is dit dogmatisch onjuist. De elementen zijn te onderscheiden. Het daderschapscriterium is een normatief criterium dat een relatie legt tussen een handelende actor en de dader (de normadressaat). Schuld in enge zin is een onderdeel van het toerekenbaarheidsvereiste. Dit toerekenbaarheidsvereiste valt uiteen in de feitelijke toerekenbaarheid, die een band legt tussen een feitelijke handeling en een handelende actor, en de juridische toerekenbaarheid, die een band legt tussen de normschending en de normadressaat. Het onrechtmatigheidscriterium opereert op dezelfde golflengte als het daderschapscriterium (het slaat een brug tussen het ‘feitelijke niveau’ en het ‘normatieve niveau’), maar moet daarvan worden onderscheiden. Het onrechtmatigheidscriterium is namelijk van dienst bij de beoordeling van de kwalificatie van de handeling en niet van de handelende actor. Het causaliteitscriterium heeft een andere functie: het legt het verband tussen de normschending en de schade.
Onder invloed van de schuldgedachte, die diepgeworteld is in het individualistisch en liberale gedachtegoed, wordt de ‘dader’ opgevat als een rationeel denkend mens. Zoals Schut treffend heeft beschreven:
“Het vraagstuk van het juridisch daderschap is ten nauwste verbonden met dat van de persoonlijke verantwoordelijkheid, daar men geacht wordt slechts datgene te hebben gedaan, waarvoor men in eigen persoon verantwoordelijk kan worden gesteld. Het komt mij voor dat men tot deze slotsom wel moet komen, indien men de handeling als produkt van de volle mens wil zien, dus niet als een fysiek of sociaal gebeuren zonder meer, maar als het eigen werk van een redelijk-zedelijk wezen, dat voor zijn doen en laten ter verantwoording kan worden geroepen. Een handeling zal dus alleen dan aansprakelijkheid tot gevolg kunnen hebben, indien het subject van de gedraging voor die handeling verantwoordelijk kan worden gesteld. Wat in een gebeuren als eigen werk is te beschouwen, is niet altijd gemakkelijk te zeggen. Ongewilde handelingen (reflexen e.d.) komen daarvoor zeker niet in aanmerking en verder evenmin handelingen die onvrijwillig (bijv. onder dwang of hypnose) worden verricht. Vereist is dus dat aan de gedraging een vrij wilsbesluit ten grondslag ligt.”7
Uitgaande van de dader als een ‘redelijk-zedelijk wezen’, is de daad geen toevallige gebeurtenis. Zoals hierboven aangegeven, wordt in (oudere) literatuur de handeling omschreven als een gewilde spierbeweging.8 Onder invloed van de risicogedachte is dit fysieke handelingsbegrip naar de achtergrond verdwenen en heeft het plaatsgemaakt voor een juridisch-normatief handelingsbegrip.9 Hetzelfde geldt voor het daderschapscriterium. Dit komt aan bod in hoofdstuk 3.