Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/7.4
7.4 Slotbeschouwing
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS492558:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Kortmann 2008, p. 364.
Kamerstukken II 1999/00, 27 182, nr. 3, p. 9.
Kamerstukken II 1998/99, 26 352, nr. A, p. 3.
Kamerstukken II 1999/00, 27 182, nr. 3, p. 9.
Kamerstukken II 1999/00, 27 182, nr. 3, p. 10.
Daarbij kan een vergelijking van de zelfstandigheid van het parlement en de rechterlijke organisatie interessant zijn, onder meer op financieel gebied (zie par. 7.3.3 over de taak van de begrotingswetgever). Overigens zijn ook de Staten-Generaal niet geheel financieel onafhankelijk van de regering. De begrotingswetgever bestaat immers uit regering en Staten-Generaal. Op grond van de Comptabiliteitswet gelden evenwel bijzondere regels voor de begrotingspositie van de Staten-Generaal (art. 19, vijfde t/m zevende lid, Cw). Beide Kamers hebben zich geregeld op hun ‘zelfstandige begrotingsautoriteit’ beroepen bij meningsverschillen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de begroting voor de Staten-Generaal (zie o.m. brief van de minister over nieuwe beheersafspraken n.a.v. de Tweede wijziging van de Comptabiliteitswet, Kamerstukken II 2008/09, 29 833, nr. 17).
Brenninkmeijer 1992, p. 683 onder verwijzing naar Witteveen 1991.
O.m. Bovend’Eert 2003, A.F.M. Brenninkmeijer, ‘De reorganisatie van de rechtspleging en de onafhankelijkheid van de rechter’, NJCM-bulletin 2002, p. 9-29 (positief over de wetsvoorstellen over het geheel genomen, maar kritisch over de positie van de Raad voor de rechtspraak, deze zou op termijn een hoog college van staat moeten worden); Brunner 2001, Kortmann & Bovend’Eert 2000, de president van en P-G bij de Hoge Raad in hun commentaar op de wetsvoorstellen 1999, A.W.H. Docters van Leeuwen, ‘Beginnen en bezinnen’, Trema nr. 6a 1998 (speciaal nummer over het rapport van de commissie-Leemhuis), De Werd, ‘De trias politica van Montignac’, NJB 1998, p. 660-661; Ingelse 1996.
Mak 2007, p. 4-5.
Zie o.m. Mak 2007, p. 125; H. Franken, Onafhankelijk en verantwoordelijk, diesrede Leiden 1997, p. 9; J. ten Berg-Koolen, ‘De onafhankelijke rechter; alleen een kwestie van behoudzucht?’, NJB 1996, p. 639; Rood 1975, p. 46 (met verwijzing naar K.A. Betterman, ‘Vom Sinn und von der Grenzen der richterlichen Unabhängigkeit’, in: Ein Cappenberger Gespräch, p. 51).
Anders: M.I. Veldt, Het EVRM en de onpartijdige strafrechter (diss. Tilburg), Deventer: Gouda Quint 1997, p. 42-43 (onafhankelijkheid is volgens haar een belangrijke waarborg, maar geen conditio sine qua non, voor onpartijdigheid; als voorbeeld noemt zij de zaak Benthem); V.V.R. van Bogaert, De rechter beoordeeld (diss. Groningen). Apeldoorn/Antwerpen: Maklu uitgevers 2005, p. 328-329.
CCJE (2001) Op. no. 1 on standards concerning the independence of the judiciary and the irremovability of judges, § 10-11.
J. ten Berg-Koolen, ‘De onafhankelijke rechter; alleen een kwestie van behoudzucht?’, NJB 1996 p. 639.
P.P.T. Bovend’Eert, ‘Rechterlijke onafhankelijkheid’, in: J.B.J.M. ten Berge & A.M. Hol (red.), De onafhankelijke rechter, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 29-45.
Ten Berg-Koolen 1996, p. 639. Anders: Veldt 1997, p. 42-43.
De terminologie is afkomstig van Zouridis 2009, p. 74.
Mak 2007, met name hfdst. 5, o.a. p. 188-191.
Maurice Adams, ‘De scheiding der machten tussen feit en fictie’, NJB 2010, p. 280-286. Anders in reactie op Adams: H. Gommer, ‘De laatste stuiptrekkingen van een begrip?’, NJB 2010, p. 1296-1298 (met naschrift Adams).
Het nationale staatsrecht van Nederland legt de noties van machtenscheiding en rechterlijke onafhankelijkheid niet als zodanig vast. Wel kennen de Grondwet en organieke wetten elementen die daar op wijzen. Zo kent de Grondwet rechtspositionele waarborgen voor de individuele rechter, ontbreekt een wettelijke bevelsrelatie voor de uitoefening van de rechterlijke functie tussen de rechterlijke ambten en andere overheidsambten1 en omschrijven de zogenoemde onafhankelijkheidsexcepties in de Wet RO het terrein waarop de minister en bestuurlijke ambten binnen de rechterlijke organisatie niet mogen treden, dat met andere woorden, exclusief is voorbehouden aan de rechter. Maar naast het internationale recht is het nog steeds de triasgedachte die in algemene zin de functionele onafhankelijkheid van de rechter en de organisatorische onafhankelijkheid van de rechtsprekende macht in Nederland moet garanderen. De regering heeft bij de modernisering van de rechterlijke organisatie benadrukt dat de rechterlijke onafhankelijkheid ook in de bredere context van de verhouding tussen de staatsmachten moet worden geplaatst.2 De rechterlijke onafhankelijkheid omvat meer dan de waarborgen die uitsluitend op de bevoegdheden van de rechter in concrete zaken betrekking hebben.3 De rechtsprekende macht als geheel van rechterlijke colleges moet zodanig zijn ingericht dat de onafhankelijkheid van de rechter optimaal is gewaarborgd, aldus de regering.4 Daartoe zijn garanties opgenomen in de Grondwet (met name de artikelen 116 en 117), die hoofdzakelijk zijn uitgewerkt in de Wet RO en de Wrra. Aldus heeft, volgens de regering, ook de rechtsprekende macht als zodanig een grondwettelijk beschermde positie die de bevoegdheden van de wetgever en het bestuur aan banden legt.5 Dat positiefrechtelijke kader is geschetst in § 7.2 van dit hoofdstuk.
Niettemin laat het grondwettelijk kader veel ruimte aan de wetgever om de rechterlijke organisatie (anders) in te richten. Ook de Straatsburgse jurisprudentie inzake artikel 6 EVRM geeft niet altijd duidelijk aan, aan welke eisen de structuur van de rechterlijke organisatie moet voldoen.6 Daarom moet bij de beoordeling van nieuwe wetgeving met betrekking tot de organisatie van de rechtspraak ten dele worden teruggevallen op theoretische constitutionele uitgangspunten zoals de machtenscheiding, checks en balances en rechtsstatelijke eisen, zoals de (functionele) rechterlijke onafhankelijkheid. Dergelijke begrippen zijn dan ook veelvuldig ter sprake gekomen bij de totstandkoming van de Wet organisatie en bestuur gerechten en de Wet raad voor de rechtspraak.
Maar het antwoord op vragen als ‘Hoe zelfstandig moet de rechterlijke organisatie, als macht in zijn geheel, zijn?’7 en ‘Welke bevoegdheden van andere overheidsambten ten aanzien van de rechterlijke macht verstoren het evenwicht tussen de staatsmachten?’ is niet eenvoudig te geven. Hoe de machtenscheiding is vormgegeven, is afhankelijk van de concrete maatschappelijke en politieke situatie.8 De theorie van de machtenscheiding, checks en balances inbegrepen, geeft geen scherpe juridische grenzen aan welke bevoegdheid van welk orgaan daarmee (nog) in overeenstemming is. Evenmin vloeien er uit die theorie duidelijk afgebakende kaders voort die de rechterlijke onafhankelijkheid nader kunnen definiëren. Als gevolg daarvan wordt de theorie van de machtenscheiding, ook in de discussie over herziening van de rechterlijke organisatie, naar het lijkt soms als gelegenheidsargument gebruikt. Tegenstanders van meer bevoegdheden van de uitvoerende macht ten opzichte van de rechterlijke macht leggen de nadruk op de machtenscheiding als zodanig.9 Voorstanders daarvan benadrukken de gewenste (of noodzakelijke) checks en balances.10 Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet RO blijkt dat de regering de nadruk heeft gelegd op checks en balances:
‘Op welke wijze de verhouding tussen de staatsmachten in concreto moet worden vormgegeven is in algemene zin moeilijk aan te geven. Die verhouding berust op een afweging, op het zoeken naar een juist evenwicht dat elk tijdperk opnieuw moet worden gevonden. Voor wat betreft de inrichting van de rechterlijke organisatie is naar algemene opvatting dringend behoefte aan versterking in organisatorische zin. Daarbij moet overigens voorkomen worden dat de rechterlijke organisatie ‚een staat in de staat‛ wordt. Met respectering van de rechterlijke onafhankelijkheid kunnen de wetgever en het bestuur bepaalde bevoegdheden uitoefenen jegens de rechtsprekende macht.’11
Mak wijst in haar dissertatie op een onderliggend verschil in uitgangspositie van de deelnemers aan het debat over de modernisering van de rechterlijke organisatie.12 Aanhangers van een ‘klassiek-rechtsstatelijk discours’ staan volgens haar afwijzend tegenover vernieuwingen in de rechterlijke organisatie die een ander doel dienen dan de waarborg van de rechterlijke onafhankelijkheid in het licht van de regulering van macht in de staat. In een ‘new public management discours’, waarin transparantie, effectiviteit en efficiëntie van de rechterlijke organisatie voorop staan, wordt volgens Mak overwegend positief geoordeeld over voorgestelde maatregelen ter modernisering van de rechterlijke organisatie in het licht van een optimaal functionerende staatsorganisatie. Dit is een interessante constatering, waar ik mij ten dele in kan vinden. Wat mij betreft heeft een rechtsstatelijke eis als de rechterlijke onafhankelijkheid gevolgen voor de manier waarop je doelen als meer efficiëntie, effectiviteit en transparantie in de rechterlijke organisatie kan bereiken, zonder die doelen zonder meer te verwerpen.
Versterking van de rechterlijke macht in organisatorische zin moet binnen de kaders van rechterlijke onafhankelijkheid geschieden. Diverse auteurs hebben er op gewezen dat rechterlijke onafhankelijkheid geen doel op zichzelf is.13 Dat komt mij juist voor. Maar onafhankelijkheid is wel een voorwaarde voor onpartijdige rechtspraak in een rechtsstaat.14 Daarbij staat het belang van rechtzoekende burgers voorop. De rechterlijke onafhankelijkheid heeft als doel een eerlijk proces te garanderen en bestaat niet om het rechters gemakkelijk of ‘onschendbaar’ te maken, in die zin dat zij geen enkele verantwoordelijkheid dragen voor het werk dat zij doen. De CCJE stelt in zijn eerste advies over de ratio van rechterlijke onafhankelijkheid:
‘Judicial independence is a pre-requisite to the rule of law and a fundamental guaran-tee of a fair trial. Judges are ‚charged with the ultimate decision over life, freedoms, rights, duties and property of citizens‛. Their independence is not a prerogative or privilege in their own interests, but in the interests of the rule of law and of those seeking and expecting justice. The judiciary is one of three basic and equal pillars in the modern democratic state. It has an important role and functions in relation to the other two pillars. It ensures that governments and the administration can be held to account for their actions, and, with regard to the legislature, it is involved in ensuring that duly enacted laws are enforced, and in ensuring that they comply with any relevant constitution or higher law. To fulfil its role in these respects, the judiciary must be independent of these bodies, which involves freedom from inappropriate connections with and influence by these bodies. Independence thus serves as the guarantee of impartiality. This has implications, necessarily, for almost every aspect of a judge’s career: from training to appointment and promotion and to disciplining.’15
Rechterlijke onafhankelijkheid is tegenwoordig dus bovenal een voorwaarde voor een eerlijke en effectieve rechtsbescherming van de burger, in het kader van de rechtsstaatgedachte.16 De burger moet er in een rechtsstaat op kunnen rekenen dat een neutrale overheidsinstantie geschillen beslist en strafbare feiten berecht.17 De rechter mag zich daarbij niet hoeven afvragen of de beslissing welgevallig is aan de (instituties van de) staat. Dat laatste vereist rechters die onafhankelijk zijn van de overige staatsmachten, wetgever en bestuur. Deze onafhankelijkheid is vooral van belang waar het gaat om geschillen tussen de overheid en de burger. Ten Berg-Koolen wijst er op dat rechterlijke onafhankelijkheid historisch gezien vooral te beschouwen is als een uitvloeisel van de leer van de machtenscheiding.18 Met het oog op effectieve en eerlijke rechtsbescherming moet niet lichtvaardig worden omgegaan met het constitutionele uitgangspunt van rechterlijke onafhankelijkheid bij de inrichting van de rechterlijke organisatie en verdient het aanbeveling het accent te leggen op een rechterlijk perspectief in plaats van een management-perspectief.19 Volgens Mak zou de Nederlandse rechterlijke organisatie in het spanningsveld tussen ‘klassieke rechtsstatelijke beginselen’ en ‘new public management’-beginselen kunnen leren van rigidere constitutionele kaders, zoals die van Frankrijk, die minder ruimte laten voor overwegingen uit het management- en bestuursjargon.20 Daarin is de leer van machtenscheiding mijns inziens van blijvende waarde, niet als harde norm, maar wel als principe van staatsrechtelijke ordening. Dat geldt in het bijzonder voor de uitoefening van de rechterlijke functie, die wordt gekenmerkt door onafhankelijkheid. De rechterlijke functie komt optimaal tot uiting wanneer die wordt beschouwd in het licht van een strikte scheiding ten opzichte van de andere staatsmachten.21 Bovenal geldt dat de functionele onafhankelijkheid van de rechter niet aangetast mag worden onder het mom van efficiëntie, effectiviteit en transparantie (zie ook § 5.12 en 5.13). De grotere eenheid van de rechterlijke organisatie en de verhoogde transparantie van de rechterlijke organisatie sinds het begin van deze eeuw vallen positief te waarderen, maar mogen nooit ten koste gaan van de eigenlijke functie van de rechter: onafhankelijk rechtspreken.