Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/7.1
7.1 Inleiding
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494438:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Ik gebruik de term ‘rechtsprekende macht’ ter aanduiding van alle rechterlijke colleges in Nederland in plaats van de term ‘rechterlijke macht’. De laatste zou immers kunnen worden opgevat als het enerzijds beperktere, anderzijds ruimere begrip rechterlijke macht in de zin van de Grondwet (slechts de gewone gerechten, dan wel ook het OM). Hierna doel ik met de termen rechtsprekende macht, rechterlijke macht én rechterlijke organisatie steeds op het geheel van rechterlijke instanties in Nederland.
F.J.F.M. Duynstee, ‘Rechterlijke onafhankelijkheid’, in: Van den Bergh e.a. (red.) Rechtspleging, Deventer: Kluwer 1974, p. 39-42, in het bijzonder op p. 42.
Duynstee 1974, p. 40.
Zie ook J. Gijssels, ‘De scheiding der machten’, TBP 1989 p. 567-568. Hij noemt onder meer: een historische invalshoek, een normatieve invalshoek, een geografische invalshoek, een functionele invalshoek (hoeveel functies en/of machten zijn er in een staat te onderscheiden?) en de aard van de onderlinge betrekking tussen de staatsmachten (termen die daarvoor in de literatuur zijn gebruikt: gescheiden, onderscheiden, in evenwicht, gelijk, schurend, verstrengeld, samenwerkend, elkaar tegenhoudend, controlerend, verdelend).
Zie o.m. K.M. Schönfeld, Montesquieu en ‘La bouche de la loi’(diss. Leiden), New Rhine Publishers 1979; R. Pieterman, De plaats van de rechter in Nederland 1813-1920: politiekjuridische ideeënstrijd over de scheiding van machten in de staat (diss. Utrecht), Arnhem: Gouda Quint 1990; M.T. Oosterhagen, Machtenscheiding. Een onderzoek naar de rol van machtenscheidingstheorieën in oudere Nederlandse constituties (1798-1848) (diss. Rotterdam), Deventer: Gouda Quint 2000.
Voor algemene beschouwingen over de machtenscheiding verwijs ik, naast de hiervoor genoemde werken, naar de volgende Nederlandse publicaties: P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtsbeginsel van de machtenscheiding’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), In beginsel. Over aard, inhoud en samenhang van rechtsbeginselen in het bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 243-265; E.A.G. van der Ouderaa (red.), Schurende Machten: inleiding en verslag van een symposium ter gelegenheid van het afscheid van mr. H.F. van den Haak als president van het gerechtshof te Amsterdam, Amsterdam: Ars Aequi Libri 1999; A.F.M. Brenninkmeijer, Gedeelde rechtsorde (oratie Leiden 1997), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998; B.W.N. de Waard, Samenwerkende machten (oratie Tilburg) 1994; W.J. Witteveen, Evenwicht van machten (oratie Tilburg), Zwolle: Tjeenk Willink 1991; P.B. Cliteur & M.R. Rutgers (red.), De trias onder spanning, 1990; P.J. Oud, Enige beschouwingen over de verhouding der verschillende overheidsmachten, inaugurale rede Rotterdam, Zwolle: Tjeenk Willink 1952. Zie voorts enkele passages uit handboeken staatsrecht: Kortmann 2008, p. 48-50 en 298-301; Van der Pot 2006, p. 631-633; Burkens e.a. 2006, p. 105-117 (hfdst. 5), Belinfante & De Reede 2009, p. 5-9; Akkermans/Koekkoek 2000, p. 24-25; Oud II 1970, p. 8191 en Kranenburg 1924, deel I, p. 15-35.
Kortmann 2008, p. 50-51; M. Scheltema, ‘De rechtsstaat’, in: De Rechtsstaat herdacht, Zwolle 1989, p. 50.
Welke eisen stelt de constitutie in ruime zin aan de onafhankelijkheid van de rechtsprekende macht1 en de rechters die daarvan deel uitmaken? Deze vraag staat centraal in dit laatste hoofdstuk. Naast de geschreven regels van de constitutie kent ons recht ook een aantal (ongeschreven) constitutionele beginselen, waaronder het beginsel van de machtenscheiding en de rechtsstaatgedachte. Tot nu is vooral onderzocht wat de positiefrechtelijke betekenis van rechterlijke onafhankelijkheid is op grond van de relevante verdragsrechtelijke, grondwettelijke en wettelijke bepalingen. Daarnaast valt echter de vraag te stellen: wat hoort rechterlijke onafhankelijkheid te zijn? Het antwoord op deze vraag moet vooral worden gezocht in de doctrine over de genoemde constitutionele beginselen. Overigens worden deze beginselen ook in de doctrine vaak beschreven in het licht van de bestaande regelgeving – bijvoorbeeld: Hoe hebben principes van machtenscheiding vorm gekregen in het Nederlandse constitutionele systeem? –, zodat het positieve recht niet geheel los wordt gelaten in dit hoofdstuk. Duynstee noemde het leerstuk van de machtenscheiding een zinvol middel om een aantal staatsrechtelijke vanzelfsprekendheden op een eenvoudige manier vast te leggen, zoals onder andere de onafhankelijkheid van de rechtsprekende leden van de rechterlijke macht.2 Zijn pleidooi was er op gericht om aspecten van de machtenscheiding grondwettelijk vast te leggen, omdat door middel van een dergelijke positievering veel onduidelijkheden over de inhoud van het begrip zouden verdwijnen of verminderen. Zo nopen volgens hem ‘grondwettelijke attributies tot preciseringen van het algemene leerstuk, juist ter zake van de rechtspraak’.3 Het beginsel van de machtenscheiding kan onder veel invalshoeken worden benaderd.4 Diverse proefschriften zijn er aan gewijd.5 Zo veel aandacht voor het beginsel gaat het bestek van dit onderzoek uiteraard te buiten.6 Onder het begrip rechtsstaat worden uiteenlopende dingen geschaard.7 Het gaat mij vooral om de positie die de rechtsprekende macht vandaag de dag in het licht van de machtenscheiding en de rechtsstaat in de Nederlandse staat inneemt.
7.1.1 Machtenscheiding7.1.2 De rechtsstaat