Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.6
17.6 De formulering van art. 3:316 BW
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366522:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader § 23.2.
Part Gesch. Boek 3, p. 934.
Niet alle daden van rechtsvervolging zijn even voor de hand liggend. Denk, bijvoorbeeld, aan het opleggen van een aanslag door de Inspecteur (zie HR 3 oktober 2003, RvdW 2003, 155) of aan indiening door een advocaat van het verzoek tot begroting respectievelijk vaststelling van zijn declaratie (art. 33 Wet tarieven burgerlijke zaken en art. 38 lid 4 Wet op de rechtsbijstand).
Denk aan een geval als de na totstandkoming van het nieuwe BW gecreëerde mogelijkheid voor het slachtoffer zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces te voegen.
Wij zagen dat het Nederlandse art. 3:316 BW niet meer bepaalt dan dat een rechtsvordering wordt gestuit "door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging", terwijl de Duitse bepaling 14 leden lang in detail opsomt aan welke daden van rechtsvervolging stuitende werking toekomt. De Nederlandse wetgever zou zich bij een eventuele herziening van het verjaringsrecht moeten bezinnen op de vraag of de Duitse benadering navolging verdient.
Voor welke benadering men kiest, is in overwegende mate een kwestie van wetgevingsstijl (rule based/principle based). Een voorkeur voor de een of de ander laat zich daardoor moeilijk dwingend beredeneren. Dat gezegd hebbende, zouden de volgende twee overwegingen mij, gesteld in de schoenen van de wetgever, doen betwijfelen of inderdaad het Duitse model de voorkeur heeft.
Ten eerste is, voor zover ik heb kunnen nagaan, de vraag welke daden als daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316 BW moeten worden gekwalificeerd, weinig problematisch gebleken. Er is weinig literatuur en rechtspraak over.1 Rechtsonzekerheid zou de belangrijkste reden zijn om tot een preciezere omschrijving over te gaan, maar die is er dus naar het zich laat aanzien niet in wezenlijke mate.
Ten tweede lijkt mij in termen van stijl de huidige keuze beter binnen het BW te passen dan de Duitse opsomming. In de Parlementaire Geschiedenis bij het huidige 3:316 is ter illustratie overwogen dat tevens stuitende werking toekomt aan de vermeerdering van eis, de indiening ter verificatie bij het faillissement of aan het conservatoir derdenbeslag door een schuldeiser van de crediteur (welk beslag dus ook in de verhouding tussen crediteur en debiteur stuitende werking heeft).2 Die tactiek van welgekozen voorbeelden in de parlementaire geschiedenis is een hier te lande beproefde manier om een open norm wat te concretiseren.
Mocht op enig moment de wetgever tóch willen voorzien in een opsomming als de Duitse, dan lijkt het mij nodig dat hij duidelijk aangeeft dat het een niet-limitatieve lijst betreft, omdat (i) het voor hem in praktische zin lastig zal zijn alle daden van rechtsvervolging met stuitende werking te benoemen3 en (ii) in dat geval wijziging van de tekst voor nieuwe stuitingsmogelijkheden, als gevolg van thans nog onvoorziene wetgeving, niet nodig is.4 Overigens bedenke men wel, alle scepsis die juristen ten aanzien van a contrario redeneren is aangeleerd ten spijt, dat waarschijnlijk bij een omvangrijke lijst snel de gedachte postvat dat wat niet in de lijst staat dus wel geen stuitende werking zal hebben, zelfs als de wetgever met zoveel woorden bepaalt dat zijn opsomming niet uitputtend is.