Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures
Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/4.6.2:4.6.2 Voorontwerp Insolventiewet
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/4.6.2
4.6.2 Voorontwerp Insolventiewet
Documentgegevens:
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708292:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het Voorontwerp Insolventiewet vervangt het faillissement, de surseance van betaling en de schuldsaneringsregeling met één insolventieprocedure. De (in de woorden van de Insolventieverordening) insolventiefunctionaris wordt ‘bewindvoerder’ genoemd. Het begrip ‘curator’ is dus opgegaan in het begrip ‘bewindvoerder’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Voorontwerp Insolventiewet bevat, naast bijvoorbeeld de verplichting om periodiek verslag uit te brengen, de plicht voor de bewindvoerder1 om bepaalde handelingen slechts te verrichten ‘nadat hij het voornemen daartoe ten minste zeven dagen tevoren heeft aangekondigd’ (art. 4.2.3 lid 1 Voorontwerp Insolventiewet). Het gaat dan om een voorgenomen handeling tot onderhandse verkoop van goederen uit de boedel en het sluiten van vaststellingsovereenkomsten en aangaan van schikkingen die niet te beschouwen zijn als een daad van gewoon bestuur. Schuldeisers die het niet eens zijn met de voorgenomen handeling, kunnen hiertegen opkomen bij de rechter-commissaris.
Is een schuldeiserscommissie ingesteld, dan vervalt de verplichting om de handelingen bekend te maken aan de schuldeisers. In dat geval heeft de bewindvoerder toestemming nodig van de schuldeiserscommissie om de genoemde handelingen te verrichten. De schuldeiserscommissie moet verder toestemming geven voor het voortzetten van de onderneming vanaf een maand na de faillietverklaring en het optreden in rechte. Verleent de schuldeisercommissie geen toestemming, dan kan de bewindvoerder vervangende toestemming vragen aan de rechter-commissaris. Als er geen schuldeiserscommissie is ingesteld, heeft de bewindvoerder toestemming nodig van de rechter-commissaris. Verder heeft de bewindvoerder in een aantal specifieke gevallen altijd toestemming van de rechter-commissaris nodig, bijvoorbeeld voor het opzeggen van arbeidsovereenkomsten (art. 4.2.3b lid 1 Voorontwerp Insolventiewet).
Voor onderhandse verkoop van goederen en voor het sluiten van vaststellingsovereenkomsten en aangaan van schikkingen is in het Voorontwerp dus geen toestemming nodig van de rechter-commissaris. Als geen schuldeiserscommissie is ingesteld, dan beoordeelt de rechter-commissaris de voorgenomen handeling uitsluitend op verzoek van een schuldeiser. Komt een schuldeiser bij de rechter-commissaris op tegen een voorgenomen handeling, dan moet de bewindvoerder deze handeling opschorten totdat de rechter-commissaris een beslissing heeft genomen. In spoedeisende gevallen kan de rechter-commissaris toestemming geven om af te wijken van onder meer de verplichting die voortvloeit uit artikel 4.2.3 lid 1 Voorontwerp Insolventiewet (art. 4.2.3b lid 2 Voorontwerp Insolventiewet).