Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.6.3
3.5.6.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584820:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld voor volmacht: art. 3:72 sub c BW; voor pand en vruchtgebruik: art. 3:246 lid 4 BW en art. 3:210 lid 3 BW en vgl. (de overeenkomstige toepassing van) art. 3:257 BW en art. 3:221 BW; voor bewind: o.a. art. 1:448 lid 1 sub e jo lid 2 BW; en voor faillissement: art. 73 Fw. Zie voorts hierna nr. 727, 728 en 730.
Zie Winters 1997, p. 80-81, onder verwijzing naar M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3, p. 1283-1284.
Zie Reehuis 1987, p. 238-239; Verdaas 2008a, nr. 317.
Daarvoor bestaat in dat geval ook een rechtvaardiging: de derde-beslagene en de geëxecuteerde worden niet gebonden door hetgeen in een vonnis ingevolge art. 477 a Rv omtrent hun onderlinge rechtsverhouding wordt beslist, tenzij de derde-beslagene de geëxecuteerde tijding in het geding heeft geroepen (art. 477b lid 3 Rv). Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3,5 en 6), p. 174 en p. 181. Zie daarover uitgebreid (kritisch) Broekveldt 2003a, nr. 127 e.v., i.h.b. nr. 130. Anders: F.M.J. Jansen 1990, p. 208, die zonder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis wel van mening is dat de geëxecuteerde kan tussenkomen. Over voeging wordt in de parlementaire geschiedenis niets opgemerkt. Vgl. Broekveldt 2003a, nr. 131.
Anders (mogelijk): F.E. Vermeulen 2005, p. 169.
146. Het is de vraag of de stille cessionaris zich kan voegen of kan tussenkomen in het geval dat hij een privatieve last tot inning aan de stille cedent heeft gegeven.
Is de lastgever naast de lasthebber procesbevoegd gebleven, hetgeen het geval is als geen sprake is van een privatieve last, dan heeft de lastgever de mogelijkheid om zich te voegen of tussen te komen als hij zich niet kan vinden in de wijze van procederen van de lasthebber. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat de niet procederende deelgenoot zich kan wapenen tegen de gevolgen van onzorgvuldig procederen door de andere deelgenoot, door zich te voegen of tussen te komen.1 Hetzelfde dient naar mijn mening te gel den voor de andere gevallen waarin twee (of meer) personen náást elkaar procesbevoegd zijn.
In de regel zal tussenkomst door de lastgever evenwel niet voor de hand liggen. Tussenkomst impliceert immers dat de lastgever van mening is dat zijn belangen niet goed behartigd worden door de lasthebber. Tussenkomst zal dan al snel moeten worden begrepen als de opzegging van de (privatieve) lastgeving, waartoe de lastgever in beginsel te allen tijde bevoegd is (art. 7:408 lid 1 BW). Omdat hierdoor de procesbevoegdheid van de lasthebber eindigt, ligt het overnemen van de procedure ex art. 225 Rv meer voor de hand. Ook andere procesonbevoegde schuldeisers hebbende mogelijkheid om, als zij zich niet kunnen verenigen met de wijze van procederen door de procesbevoegde derde, de procesbevoegdheid van de derde te (laten) beëindigen.2
Het is de vraag of daarnaast de procesonbevoegde schuldeiser ook kan tussenkomen, zonder dat de procesbevoegdheid van de derde wordt beëindigd. Hierover wordt verschillend gedacht. Zo wordt bijvoorbeeld aangenomen dat als een deelgenoot krachtens een beheersregeling exclusief procesbevoegd is, de andere (procesonbevoegde) deelgenoten zich niet kunnen voegen of kunnen tussenkomen.3 Daarentegen is ook betoogd dat de pandgever die zich niet kan verenigen met de wijze van procederen door de pandhouder kan interveniëren, als bijvoorbeeld de schuldenaar de hoogte van de vordering betwist en de pandhouder de schuldenaar teveel tegemoet komt.4 In beide gevallen hebben de materiële procespartijen (de deelgenoten respectievelijk de pandgever) een eigen belang bij de vaststelling van de hoogte van de vordering en zijn zij procesonbevoegd. Ook bijvoorbeeld de gefailleerde, de persoon wiens vordering onder bewind is gesteld of de privatieve lastgever kunnen een belang hebben om zich te voegen of om tussen te komen in een procedure die gevoerd wordt door de (exclusief) procesbevoegde curator, bewindvoerder dan wel lasthebber.
Naar mijn mening dient de procesonbevoegde persoon die een belang heeft bij de procedure te kunnen interveniëren. Voor tussenkomst en voeging dient alleen het criterium van art. 217 Rv beslissend te zijn, niet de procesbevoegdheid van de interveniërende partij. Ook andere (procesonbevoegde) belanghebbenden, zoals een lager gerangschikte pandhouder of beslaglegger, die zich niet in de wijze van procederen van de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder kunnen vinden, dienen te kunnen interveniëren. Deze regel lijdt uitzondering als uit (het systeem van) de wet anders blijkt. Volgens de wetgever heeft de geëxecuteerde gelet op art. 477b lid 3 Rv bijvoorbeeld niet de mogelijkheid om tussen te komen.5
Voor de lastgever die de lastgeving niet kan opzeggen, omdat deze in het belang van de lasthebber is verleend (art. 7:422 lid 2 BW), zou hieruit volgen dat hij desondanks kan interveniëren als hij daardoor benadeling of verlies van kan voorkomen van de aan hem toekomende vordering.6
Tussenkomst dient ook mogelijk te zijn als de lastgever de lastgeving opzegt, maar de lasthebber de mogelijkheid daartoe betwist.
Hetzelfde dient te gel den in de rechtsverhouding tussen de stille cessionaris als lastgever en de stille cedent als lasthebber. Vraagt de cessionaris niet om schorsing van het geding ex art. 225 Rv, maar tussenkomst, dan zal hierin geen mededeling besloten liggen en evenmin opzegging van de last tot inning (indien mogelijk). Wilde stille cessionaris alleen het standpunt van de stille cedent ondersteunen zonder bekend te maken dat de stille cessie heeft plaatsgevonden, dan dient hij zich te voegen.